New

  1. Wout Waanders wint met bundel ‘Parkplan’ de 34e C. Buddingh’-prijs 2021
  2. Jean-Joseph Rabearivelo: Fièvre des îles
  3. Graa Boomsma: Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek
  4. Alice De Chambrier: Sérénade
  5. Im roten Laubwerk voll Gitarren, Gedicht von Georg Trakl
  6. Nora Pembroke: My Baby
  7. Clara Doty Bates: Cinderella
  8. K. Schippers: Nu je het zegt
  9. Paul van Ostaijen: Gulden Sporen Negentienhonderd Zestien
  10. Jonathan Swift: A Love Song In The Modern Taste
  11. George Orwell: A dressed man and a naked man
  12. Charles Baudelaire: Mijn hoofd is een zieke vulkaan. Brieven
  13. Alice Nahon: Armoe (Gedicht)
  14. Sérgio Monteiro de Almeida – Poema visual: Scissors
  15. Alice De Chambrier: J’aurai vingt ans demain. . .
  16. The Sleeping Princess by Clara Doty Bates
  17. Charles Sangster: The Dreamer
  18. PARK platform for visual arts Tilburg: Expositie Ricardo van Eyk
  19. Kae (Kate) Tempest: Announcing On Connection
  20. Sérgio Monteiro de Almeida – Poema visual: AR_dor (Air_ ache= ardor), my summary of these pandemic times
  21. Marie von Ebner-Eschenbach: Sankt Peter und der Blaustrumpf
  22. Jack And Jill by Clara Doty Bates
  23. Jonathan Swift: Judas
  24. Bayard Taylor: Legend of Old California
  25. Patti Smith: Year of the Monkey
  26. Bert Bevers: Attentie
  27. Ocean Vuong: On Earth We’re Briefly Gorgeous
  28. Gouden Ganzenveerlaureaat 2021: Margot Dijkgraaf
  29. Noor Unnahar: yesterday i was the moon (poetry)
  30. George Orwell: Ironic Poem about Prostitution
  31. Voyage of the Sable Venus and Other Poems by Robin Coste Lewis
  32. Edmond Rostand: Fabre Des Insectes
  33. Bert Bevers: Perzische kievitsbloem (Fritillaria persica)
  34. Albert Hagenaars: Voorgevoel. Gedicht
  35. De honderd van Ingmar Heytze
  36. Alice Nahon: Zaadmaand (Gedicht)
  37. Karl May: Ave Maria (Gedicht)
  38. Renée Vivien: Victoire (Poème)
  39. August Stramm: Angriff
  40. ‘Pelgrimsgrond’ nieuwe dichtbundel van Albert Hagenaars
  41. Paul Valéry: Les Vaines Danseuses
  42. Sophie d’Arbouville: Le chant du cygne
  43. Bayard Taylor: The Eagle Hunter
  44. Joe Hill: The Girl Question (song)
  45. Jakob van Hoddis: Die Stadt
  46. Albert Hagenaars: Orewoet
  47. Edmond Rostand: Le Petit Chat
  48. William Blake: To Tirzah
  49. Mrs. Sigourne: Birds of Grace
  50. Geen boekenweek, maar wel een week vol boeken (6 t/m 14 maart 2021)

Categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·

 

  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Wout Waanders wint met bundel ‘Parkplan’ de 34e C. Buddingh’-prijs 2021

Poetry International heeft 11 juni tijdens het Poetry International Festival de C. Buddingh’-prijs 2021 toegekend aan de Nederlandse dichter Wout Waanders, voor zijn poëziedebuut Parkplan, een uitgave van De Harmonie. In toegankelijke verzen komt het leven van alledag aan bod: soms grappig, dan weer keihard.

Per gedicht weet je niet wat je kan verwachten: of het start absurd, en dan gaat het over iets wezenlijks zoals ziek zijn en verdwijnen, of het begint heel serieus over hoe een relatie in de slop zit en wordt uiteindelijk weer licht.

Dit jaar vond de ontknoping van de C. Buddingh’-prijs zowel in de zaal in LantarenVenster in Rotterdam als online plaats.

Ook de dichters Schiavone, René Smeets en Dorien de Wit maakten met hun debuut kans op de prijs.

De jury bestond uit Ellen Deckwitz (voorzitter), Mylo Freeman en Ilke Froyen.

De jury: “Parkplan is een zeer consistente bundel die handelt over de worsteling die het bestaan is, en hoe we daar met onze dagelijkse kleine onderhandelingen toch een kloppend geheel van proberen te maken.” Wout Waanders draait de realiteit een kwartslag, maar net genoeg om er helemaal in mee te gaan. Je stapt naar binnen en alles lijkt volkomen vanzelfsprekend:

Op een onbewaakt ogenblik
was er een meisje in mijn
rabarberlimonade gesprongen.

34e C. Buddingh’-prijs 2021
Voor de 34ste editie van de C. Buddingh’-prijs werden 25 poëziedebuten ingezonden. De jury prees het gemiddeld hoge niveau van de poëzie-eerstelingen. “Er werd intelligent geënjambeerd, de slimme intertekstualiteiten vlogen je om de ogen en aan ieder detail, van titel tot vormgeving, van pagina-opmaak tot kleurstelling, was aandacht besteed”, aldus de jury. “Er was een aantal waaruit niet alleen technisch, maar ook empathisch vernuft sprak. De bereidwilligheid om alleen te willen plezieren, maar ook om een statement in te nemen van wat poëzie vermag. Deze overtuigden door de eigen stem, doordat ze het risico durfden te nemen de lezer voor het hoofd te stoten, buiten de gebaande paden van de dichtkunst te willen gaan.”

Met de jaarlijkse uitreiking van de C. Buddingh’-prijs beoogt Poetry International sinds 1988 meer aandacht te genereren voor de meest talentvolle nieuwe stemmen in de Nederlandstalige poëzie. Voor menig dichter van naam was de C. Buddingh’-prijs de eerste belangrijke trofee die in de wacht werd gesleept. Joke van Leeuwen, Ilja Leonard Pfeijffer en Anna Enquist, of recenter Lieke Marsman, Ellen Deckwitz, Marieke Lucas Rijneveld en Radna Fabias en Roberta Petzoldt wonnen de prijs. In 2020 ging de prijs naar de Vlaamse dichter Jens Meijen.

• Wout Waanders wint 34e C. Buddingh’-prijs 2021
• Parkplan beste poëziedebuut van het jaar
• 25 ingezonden debuutbundels

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive A-B, Archive W-X, Awards & Prizes, Buddingh', Cees, Conceptual writing, Marsman, Lieke, Poetry International, Rijneveld, Marieke Lucas

Jean-Joseph Rabearivelo: Fièvre des îles

 

Fièvre des îles

Le soleil s’est-il brisé sur ta tête
pour que tu sentes ses éclats s’enfoncer
dans l’arbre qui soutient ton dos,
puis vriller à sec dans les branches de ton corps ?
Ton crâne est un énorme fruit vert que mûrit
la canicule de tous les Tropiques –
de tous les Tropiques, mais sans la fraîcheur
de leurs palmiers ni de leur brise marine!

Ta gorge est sèche, tes yeux s’enflamment ;
et voici que tu vois, au-delà de ce que voient les hommes,
tous les Tropiques:
voici des makis parés comme des mariés;
leurs quatre mains sont chargées de régimes de bananes,
et chargées de fleurs jamais vues par ceux qui ne sont pas
des gens de forêts;
et, parmi leur voix heureuse de se baigner au soleil,
voici tout le tumulte des cascades.

Mais, simultanément,
est-ce la glace de la terre qui t’appelle
qui déjà t’enveloppe tout entier,
pour que tu sentes ce frisson à travers tout ton être,
et pour que tu sembles vouloir te cacher sous
les nuages du ciel,
et sous toutes les feuilles des sylves insulaires,
et sous toutes leurs lourdes brumes,
et sous les dernières pluies au parfum de lait brûlé.

Scelle fortement tes lèvres afin que n’en sorte
aucune des choses que tu vois,
mais que ne voient pas les autres !
Que te berce cet écho qui s’amplifie
dans tes oreilles,
lesquelles sont devenues deux coquillages jumeaux
où palpite la mer qui t’entoure,
ô jeune enfant des îles!

Jean-Joseph Rabearivelo
(1901? 1903? – 1937)
Fièvre des îles (poème)

• fleursdumal.nl magazine

More in: Archive Q-R, Archive Q-R, Jean-Joseph Rabearivelo

Graa Boomsma: Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek

Bert Schierbeek (1918-1996), schrijver en dichter, was in de Tweede Wereldoorlog actief in het verzet, waarover hij schreef in zijn debuutroman Terreur tegen terreur (1945).

Hij was niet alleen redacteur en bestuurslid van De Bezige Bij maar ook medeoprichter en bestuurslid van het Fonds voor de Letteren, dat financiële ondersteuning geeft aan schrijvers. Ook maakte Schierbeek zich sterk voor experimentele dichters als Kouwenaar, Campert, Andreus en Vinkenoog. Hij onderhield nauwe contacten met kunstenaars uit andere disciplines: Lucebert, Karel Appel, Johan van der Keuken, Peter Schat en Jef Diederen.

Zijn roman Het boek Ik (1951) is een hoogtepunt in Schierbeeks proza. In een associatief geheel van autobiografie en essay wordt de betekenis van het woord ‘ik’ bespeeld en gezocht. Vanaf de bundel De deur (1972) werd Schierbeek ook als dichter bij een groter publiek bekend. Na die tijd bleef hij voornamelijk poëzie schrijven, steeds op zoek naar naar nieuwe vormen. Een toegenomen soberheid, ook in de typografie, valt in de laatste bundels op. Bijvoorbeeld in De tuinen van Suzhou (1986), waar het rustige tempo van de haiku in doorklinkt.

Schierbeek kreeg belangrijke literaire prijzen zoals de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs (1961), de Vijverberg-prijs (1971), de Herman Gorter-prijs (1978) en de Constantijn Huygens-prijs (1991). Najaar 2004 verschenen bij De Bezige Bij zijn Verzamelde gedichten, bezorgd en ingeleid door Karin Evers.

In 2021, 25 jaar na zijn overlijden, verschijnt zijn biografie Niemand is waterdicht door Graa Boomsma, geflankeerd door een nieuw editie van Het boek Ik. Niemand is waterdicht is de bewogen biografie van een verzetsman, een Vijftiger en een levenslange reiziger.

Net als voor zijn vrienden Remco Campert en Lucebert was de Tweede Wereldoorlog beslissend in het schrijversbestaan van Bert Schierbeek, zoals blijkt uit zijn openhartige oorlogsdagboeken. Na de bevrijding tekende hij met het genre-doorbrekende Het boek Ik protest aan tegen de naoorlogse artistieke behoudzucht en het politiek conservatisme.
Schierbeek werd niet alleen woordvoerder van de Vijftigers maar bezorgde zijn literaire vrienden ook een platform: De Bezige Bij. Voor die uitgeverij is Schierbeek gezichtsbepalend geweest als adviseur en bestuurslid

Zijn veelzijdigheid als schrijver is legendarisch: hij schreef traditioneel proza, essays, toneel, poëzie én veel vernieuwend proza. Schierbeek groeide op bij zijn grootmoeder in het Groningse Beerta en bij zijn vader in het Twentse Boekelo. Begin jaren vijftig ontwikkelde zich een moeizame ménage à trois met zijn vrouw Frieda Koch en de inwonende Lucebert. Het jaar 1970 werd een rampjaar: zijn tweede vrouw Margreetje kwam bij een auto-ongeluk om het leven.

Graa Boomsma (1953) is schrijver en essayist en sinds 1988 literair medewerker van De Groene Amsterdammer. Zijn romans De laatste tyfoon (1992) en Laagland (1999) werden genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en de Libris Literatuur Prijs. In 2017 verscheen bij Van Oorschot zijn veelgeprezen biografie van A. Alberts: Leven op de rand.
In het voorjaar van 2021 kwam vaarwel. achtergelaten gedichten uit, een door Graa Boomsma samengestelde en ingeleide bundel met teruggevonden gedichten en tekeningen van Lucebert. Op 9 juni 2021 verschijnt van de hand van Boomsma Niemand is waterdicht, de biografie van Bert Schierbeek.

Auteur: Graa Boomsma
Niemand is waterdicht
De biografie van Bert Schierbeek
Uitgever: De Bezige Bij
juni 2021
ISBN: 9789403121611
NUR: 320
Gebonden
640 pagina’s
Prijs: € 39,99

• fleursdumal.nl magazine

More in: #Biography Archives, - Book News, - Book Stories, Archive A-B, Archive S-T, Archive S-T, Art & Literature News, Bert Schierbeek

Alice De Chambrier: Sérénade

 

Sérénade

S’il vous fallait un coeur, mignonne,
Un coeur pour vous aimer beaucoup,
Le mien n’appartient à personne,
Il vous aime par dessus tout.

S’il vous fallait un coeur, mignonne,
Un coeur à vous, tout entier
Le mien n’appartient à personne
Un mot de vous peut le lier.

S’il vous fallait un coeur, mignonne,
Un coeur pour vous en amuser
Le mien n’appartient à personne
Il est à vous pour un baiser.

S’il vous fallait un coeur, mignonne,
Un coeur pour après l’oublier
Le mien n’appartient à personne
Vous pouvez le mystifier.

Mais pourtant, sachez-le, mignonne,
Si ce coeur était méprisé
Il ne croirait plus en personne
Car du coup vous l’auriez brisé.

Alice De Chambrier
(1861-1882)
J’aurai vingt ans demain. . .

• fleursdumal.nl magazine

More in: Alice De Chambrier, Archive C-D, Archive C-D, Chambrier, Alice De

Im roten Laubwerk voll Gitarren, Gedicht von Georg Trakl

 

Im roten Laubwerk voll Gitarren

Im roten Laubwerk voll Guitarren
Der Mädchen gelbe Haare wehen
Am Zaun, wo Sonnenblumen stehen.
Durch Wolken fährt ein goldner Karren.

In brauner Schatten Ruh verstummen
Die Alten, die sich blöd umschlingen.
Die Waisen süß zur Vesper singen.
In gelben Dünsten Fliegen summen.

Am Bache waschen noch die Frauen.
Die aufgehängten Linnen wallen.
Die Kleine, die mir lang gefallen,
Kommt wieder durch das Abendgrauen.

Vom lauen Himmel Spatzen stürzen
In grüne Löcher voll Verwesung.
Dem Hungrigen täuscht vor Genesung
Ein Duft von Brot und herben Würzen.

Georg Trakl
(1887 – 1914)
Im roten Laubwerk voll Gitarren
Gedichte
(1909-1913)
Max von Esterle Georg Trakl Exlibris 1913

• fleursdumal.nl magazine

More in: Archive S-T, Archive S-T, Trakl, Georg, Trakl, Georg

Nora Pembroke: My Baby

 

My Baby

He lay on my breast so sweet and fair,
I fondly fancied his home was there,
Nor thought that the eyes of merry blue,
With baby love for me laughing through,

Were pining to go from whence he came,
Leaving my arm empty and heart in pain,
Longing to spread out his wings and fly
To his native home far beyond the sky

They took him out of my arms and said
My baby so sweet and fair was dead,
My baby that was my heart’s delight
The fair little body they robed in white

Flowers they placed at the head and feet
Like my baby fair, like my baby sweet,
They laid him down in a certain place,
And round him they draped soft folds of lace

Till I’d look my last at my baby white,
Before they carried him from my sight,
By the sweet dead babe, so fair to see,
They tried in kindness to comfort me

They said, he is safe from care and pain,
Safe and unspotted by sin or stain;
Before the mystery of the years
Brings heart ache or pang, or sorrow’s tears.

He’s safe, sweet lamb, in the Shepherd’s care,
Sorrow nor suffering enters there;
But with brow of gladness, clothed in light,
He is fair as the angels in His sight.

I know what they said to me was true,
And should have fallen on my heart like dew;
For, although my grief was very sore,
My baby was safe for evermore.

I know that they spoke with kindly care,
My grief to comfort and soothe, or share;
But I gave my baby the last, last kiss,
Saying, God alone comforts grief like this.

Nora Pembroke
(Margaret Moran Dixon McDougall)
1826 – 1898
My Baby

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Archive Tombeau de la jeunesse, Archive O-P, Archive O-P, CLASSIC POETRY

Clara Doty Bates: Cinderella

Cinderella

Poor, pretty little thing she was,
The sweetest-faced of girls,
With eyes as blue as larkspurs,
And a mass of tossing curls;
But her step-mother had for her
Only blows and bitter words,
While she thought her own two ugly crows,
The whitest of all birds.

She was the little household drudge,
And wore a cotton gown,
While the sisters, clad in silk and satin,
Flaunted through the town.
When her work was done, her only place
Was the chimney-corner bench.
For which one called her “Cinderella,”
The other, “Cinder-wench.”

But years went on, and Cinderella
Bloomed like a wild-wood rose,
In spite of all her kitchen-work,
And her common, dingy clothes;
While the two step-sisters, year by year,
Grew scrawnier and plainer;
Two peacocks, with their tails outspread,
Were never any vainer.

One day they got a note, a pink,
Sweet-scented, crested one,
Which was an invitation
To a ball, from the king’s son.
Oh, then poor Cinderella
Had to starch, and iron, and plait,
And run of errands, frill and crimp,
And ruffle, early and late.

And when the ball-night came at last,
She helped to paint their faces,
To lace their satin shoes, and deck
Them up with flowers and laces;
Then watched their coach roll grandly
Out of sight; and, after that,
She sat down by the chimney,
In the cinders, with the cat,

And sobbed as if her heart would break.
Hot tears were on her lashes,
Her little hands got black with soot,
Her feet begrimed with ashes,
When right before her, on the hearth,
She knew not how nor why,
A little odd old woman stood,
And said, “Why do you cry?”

“It is so very lonely here,”
Poor Cinderella said,
And sobbed again. The little odd
Old woman bobbed her head,
And laughed a merry kind of laugh,
And whispered, “Is that all?
Wouldn’t my little Cinderella
Like to go to the ball?

“Run to the garden, then, and fetch
A pumpkin, large and nice;
Go to the pantry shelf, and from
The mouse-traps get the mice;
Rats you will find in the rat-trap;
And, from the watering-pot,
Or from under the big, flat garden stone,
Six lizards must be got.”

Nimble as crickets in the grass
She ran, till it was done,
And then God-mother stretched her wand
And touched them every one.
The pumpkin changed into a coach,
Which glittered as it rolled,
And the mice became six horses,
With harnesses of gold.

One rat a herald was, to blow
A trumpet in advance,
And the first blast that he sounded
Made the horses plunge and prance;
And the lizards were made footmen,
Because they were so spry;
And the old rat-coachman on the box
Wore jeweled livery.

And then on Cinderella’s dress
The magic wand was laid,
And straight the dingy gown became
A glistening gold brocade.
The gems that shone upon her fingers
Nothing could surpass;
And on her dainty little feet
Were slippers made of glass.

“Be sure you get back here, my dear,
At twelve o’clock at night,”
Godmother said, and in a twinkling
She was out of sight.
When Cinderella reached the ball,
And entered at the door,
So beautiful a lady
None had ever seen before.

The Prince his admiration showed
In every word and glance;
He led her out to supper,
And he chose her for the dance;
But she kept in mind the warning
That her Godmother had given,
And left the ball, with all its charm.
At just half after eleven.

Next night there was another ball;
She helped her sisters twain
To pinch their waists, and curl their hair,
And paint their cheeks again.
Then came the fairy Godmother,
And, with her wand, once more
Arrayed her out in greater splendor
Even than before.

The coach and six, with gay outriders,
Bore her through the street,
And a crowd was gathered round to look,
The lady was so sweet,–
So light of heart, and face, and mien,
As happy children are;
And when her foot stepped down,
Her slipper twinkled like a star.

Again the Prince chose only her
For waltz or tete-a-tete;
So swift the minutes flew she did not
Dream it could be late,
But all at once, remembering
What her Godmother had said,
And hearing twelve begin to strike
Upon the clock, she fled.

Swift as a swallow on the wing
She darted, but, alas!
Dropped from one flying foot the tiny
Slipper made of glass;
But she got away, and well it was
She did, for in a trice
Her coach changed to a pumpkin,
And her horses became mice;

And back into the cinder dress
Was changed the gold brocade!
The prince secured the slipper,
And this proclamation made:
That the country should be searched,
And any lady, far or wide,
Who could get the slipper on her foot,
Should straightway be his bride.

So every lady tried it,
With her “Mys!” and “Ahs!” and “Ohs!”
And Cinderella’s sisters pared
Their heels, and pared their toes,–
But all in vain! Nobody’s foot
Was small enough for it,
Till Cinderella tried it,
And it was a perfect fit.

Then the royal heralds hardly
Knew what it was best to do,
When from out her tattered pocket
Forth she drew the other shoe,
While the eyelids on the larkspur eyes
Dropped down a snowy vail,
And the sisters turned from pale to red,
And then from red to pale,

And in hateful anger cried, and stormed,
And scolded, and all that,
And a courtier, without thinking,
Tittered out behind his hat.
For here was all the evidence
The Prince had asked, complete,
Two little slippers made of glass,
Fitting two little feet.

So the Prince, with all his retinue,
Came there to claim his wife;
And he promised he would love her
With devotion all his life.
At the marriage there was splendid
Music, dancing, wedding cake;
And he kept the slipper as a treasure
Ever, for her sake.

Clara Doty Bates
(1838 – 1895)
Cinderella
Versified by Mrs. Clara Doty Bates

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive A-B, Archive A-B, Children's Poetry, CLASSIC POETRY, Grimm, Andersen e.o.: Fables, Fairy Tales & Stories, Tales of Mystery & Imagination

K. Schippers: Nu je het zegt

‘De taal is m’n zuurstof, als ik iets beschrijf, ben ik er.’

Dat denkt K. Schippers terwijl hij in Londen een adres zoekt. Hij vergist zich, loopt in een verkeerd deel van de stad, waar een straat toevallig dezelfde naam heeft. Een ondertitelaarster, een schilder uit Vietnam en andere voorbijgangers proberen hem te helpen zoeken. Komt hij samen met hen in het leven van de taal terecht?

In een wereld vol motto’s en letterspelen leiden ze hem naar iets heel anders dan de gezochte straat. Vlak bij zee, aan de Nederlandse kust, ontdekt hij de bronnen van de taal. Het is alsof ‘de woorden die ons op de laatste paar bladzijden ter wille zijn geweest, niet anders konden dan ons hierheen brengen’. Bij K. Schippers raakt de taal zelf betoverd – met talrijke foto’s en tekeningen als bewijs.

K. Schippers (Amsterdam, 1936) is schrijver, dichter, essayist en kunstcriticus. Hij heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan, dat bestaat uit romans, poëzie, essays, verhalen & beschouwingen, en een enkel kinderboek. Al vroeg werd hij bekend door het literaire tijdschrift Barbarber, dat hij in 1958 samen met J. Bernlef en G. Brands oprichtte. Hij introduceerde de readymade als poëzievorm. Van het cultureel tijdschrift Hollands Diep, dat van 1975 tot 1977 bestond, was hij een van de oprichters en eerste redacteuren. Zijn werk is veel gelauwerd. Voor zijn poëzie ontving hij in 1996 de P.C. Hooftprijs. Een jaar later kreeg hij de Pierre Bayle-Prijs voor zijn kunstkritieken. Zijn roman Poeder en wind (1996) werd genomineerd voor de Generale Bank Literatuurprijs; de roman Waar was je nou (2005) werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs en groeide uit tot een bestseller. Hij is de schrijver van Buiten beeld, het Poëziegeschenk van de Poëzieweek 2014.

K. Schippers
(Gerard Stigter, 1936)
Uitgeverij: Querido
NUR: 301
Paperback
ISBN: 9789021428420
Publicatiedatum: 03-06-2021
Prijs: € 18,99

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Lovers, - Book News, - Book Stories, Archive S-T, Archive S-T, Art & Literature News, Boekenweek, K. Schippers, Schippers, K.

Paul van Ostaijen: Gulden Sporen Negentienhonderd Zestien

 

Gulden Sporen
Negentienhonderd Zestien

In dertienhonderd en twee
beken naar de stroom, stromen naar de zee,
zó de verdedigers van het vlaamse-gemeente-sisteem, sterk in de strijd,
wal, tegen de aanval van de franse leenroerigheid;
zee-wal, pal, als de Rode Zee ten tijde van de Eksode
was, tocht van godsvolk naar Kanaäan, tocht der Joden.

Maar negentienhonderd zestien
zal, zij aan zij,
pal, rij op rij,
het aktieve leger groeien zien,
tot een wil en tot een daad,
gekromd de rug en vuist gebald, die de vijand slaat
en de nacht; breekt de dag door dageraad.
Negentienhonderd zestien, jaar dat woord werd,
woord dat vlees werd,
leger van ons land,
wachtersdaad bij wachterswoord en -hand.
Vastberaân, wij staan
in kamp. Wij staan.

… Ik en de stad …

Paul van Ostaijen
(1896 – 1928)
Gulden Sporen
Negentienhonderd Zestien

• fleursdumal.nl magazine

More in: Archive O-P, Archive O-P, Ostaijen, Paul van, Paul van Ostaijen

Jonathan Swift: A Love Song In The Modern Taste

A Love Song
In The Modern Taste

Fluttering spread thy purple pinions,
Gentle Cupid, o’er my heart:
I a slave in thy dominions;
Nature must give way to art.

Mild Arcadians, ever blooming
Nightly nodding o’er your flocks,
See my weary days consuming
All beneath yon flowery rocks.

Thus the Cyprian goddess weeping
Mourn’d Adonis, darling youth;
Him the boar, in silence creeping,
Gored with unrelenting tooth.

Cynthia, tune harmonious numbers;
Fair Discretion, string the lyre;
Sooth my ever-waking slumbers:
Bright Apollo, lend thy choir.

Gloomy Pluto, king of terrors,
Arm’d in adamantine chains,
Lead me to the crystal mirrors,
Watering soft Elysian plains.

Mournful cypress, verdant willow,
Gilding my Aurelia’s brows,
Morpheus, hovering o’er my pillow,
Hear me pay my dying vows.

Melancholy smooth Meander,
Swiftly purling in a round,
On thy margin lovers wander,
With thy flowery chaplets crown’d.

Thus when Philomela drooping
Softly seeks her silent mate,
See the bird of Juno stooping;
Melody resigns to fate.

Jonathan Swift
(1667 – 1745)
A Love Song
In The Modern Taste
1733

• fleursdumal.nl magazine

More in: Archive S-T, Archive S-T, Swift, Jonathan

George Orwell: A dressed man and a naked man

 

A dressed man
and a naked man

A dressed man and a naked man
Stood by the kip-house fire,
Watching the sooty cooking-pots
That bubble on the wire;

And bidding tanners up and down,
Bargaining for a deal,
Naked skin for empty skin,
Clothes against a meal.

‘Ten bob it is,’ the dressed man said,
‘These boots cost near a pound,
This coat’s a blanket of itself.
When you kip on the frosty ground.’

‘One dollar,’ said the naked man,
‘And that’s a hog too dear;
I’ve seen a man strip off his shirt
For a fag and a pot of beer.’

‘Eight and a tanner,’ the dressed man said,
‘And my life-work is yours,
All I’ve earned at the end of a life
Knocking at farmers’ doors;

Turnips, apples, hops and peas,
And the spike when times are slack,
Fifty years I’ve tobied it
For these clothes upon my back.’

‘Take seven,’ said the naked man,
‘It’s cold and the spikes are shut;
Better be naked here in kip
Than dressed in Lambeth Cut.’

‘One tanner more,’ the dressed man said,
‘One tanner says the word,
Off comes my coat of ratcatcher
And my breeches of velvet cord;

Now pull my shirt over my head,
I’m naked sole to crown,
And that’s the end of fifty years
Tobying up and down.’

A minute and they had changed about,
And each had his desire;
A dressed man and a naked man
Stood by the kip-house fire.

George Orwell
(1903 – 1950)
The Adelphi Magazine. October 1933

• fleursdumal.nl magazine

More in: Archive O-P, Archive O-P, George Orwell, Orwell, George

Charles Baudelaire: Mijn hoofd is een zieke vulkaan. Brieven

Hij ging gebukt onder schulden, stond levenslang onder curatele, zag vele schrijfplannen stranden en kende geen geluk in de liefde.

De verschijning van Les fleurs du mal leverde hem gerechtsvervolging en censuur op. En hij werd geteisterd door syfilis.

Uit zijn meer dan 1500 overgeleverde brieven komt Charles Baudelaire naar voren als een mens vol ambities en plannen, en met een druk sociaal leven en contacten met tal van schrijvers (Flaubert, Gautier, Hugo en Sainte -Beuve) en kunstenaars (Manet, Wagner en Nadar).

De boeiende correspondentie met zijn moeder toont hun complexe verstandhouding, die met zijn stiefvader laat zien dat ze lange tijd een warmere band hadden dan doorgaans gedacht wordt.

Charles Baudelaire (1821-1867) leidde een veelbewogen en tragisch leven. Het weerhield hem er niet van met Les fleurs du mal, waarmee hij de grote stad de dichtkunst in schreef, een van de meesterwerken van de Europese literatuur te schrijven.

Auteur: Charles Baudelaire
Mijn hoofd is een zieke vulkaan. Brieven
Vertaler: Kiki Coumans
Uitgeverij: De Arbeiderspers
NUR: 321
Paperback
ISBN: 9789029543774
Publicatiedatum: 30-03-2021
Prijs: € 27,50

• fleursdumal.nl magazine

More in: *Archive Les Poètes Maudits, - Book News, - Book Stories, Archive A-B, Archive A-B, Baudelaire, Charles

« Read more

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature