In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets

· “Het vergif van den nieuwen geest” – DE STIJL literair · Julian Rosefeldt terug op Holland Festival met MANIFESTO · Rainer Erich SCHEICHELBAUER: Willem Frederik Hermans als filosoof · D.H. LAWRENCE: Bei Hennef · Samuel Taylor COLERIDGE: Youth And Age a poem · Geschiedenis van een biografie – Over Antony Kok – Door Jef en Hanneke van Kempen · Oscar WILDE: The Disciple · Johan HARSTAD: Max, Mischa & het Tet-offensief · Gedicht ‘Theater’ van Jef van KEMPEN vertaald door Bernard ODENDAAL · Wim BRANDS: Verzamelde gedichten · W.W. JACOBS: The Monkey’s Paw · 48e POETRY INTERNATIONAL Festival Rotterdam

»» there is more...

“Het vergif van den nieuwen geest” – DE STIJL literair

De Stijl bestaat 100 jaar en dat kan bijna niemand ontgaan zijn. Door Utrecht staat De Stijl volop in de aandacht: op de Stadshuisbrug staat een enorme Rietveldstoel, vrijwel elke etalageruit is versierd in Mondriaanstijl en het Centraal Museum heeft een tentoonstelling gewijd aan Rietveld. Maar tussen al dit Stijlgeweld mist er iets: aandacht voor de literaire kant van De Stijl. Beleef het in de expositie “Het vergif van den nieuwen geest” – De Stijl literair van 9 mei tot en met 7 juli in de Universiteitsbibliotheek.

Wanneer de naam Mondriaan valt denkt vrijwel iedereen aan zijn schilderijen. Toch heeft hij niet alleen een penseel ter hand genomen, maar ook de pen. Bekijk Mondriaan’s lussen van de L en hoe hij heeft gesleuteld aan zijn zinnen in het verhaal Klein Restaurant – Palmzondag, dat nog nooit eerder vertoond is.

De Letterklankbeelden van Theo van Doesburg oftewel I.K. Bonset hebben veel weg van de Snellenkaart van de oogarts, maar wees niet misleid want deze Letterklankbeelden waren een vernieuwing in de poëzie. Neem de Leesteekens en leesregels door en draag de Letterklankbeelden hardop voor. Ervaar zelf het gedicht van Van Doesburg!

De Stijl had een duidelijke visie en stond voor verandering. Dit is dan ook terug te lezen in de manifesten die geschreven zijn. De Stijl beperkte zich niet alleen tot Nederland. De manifesten verschenen in meerdere talen. De Nederlandse en Franse versie zijn voor deze expositie voor het eerst bijeen gebracht. Verwacht verder werk van o.a. Kurt Schwitters, Til Brugman, Agnita Feis, Antony Kok, Paul van Ostaijen, H. Marsman, Bert Schierbeek en Jan Hanlo.

Deze tweetalige expositie is samengesteld door Niels Bokhove, filosofie- en literatuurhistoricus en mede-auteur van ‘Utrecht Dada’ (2013), in opdracht van Het Literatuurhuis.

Expositie: “Het vergif van den nieuwen geest” – De Stijl literair
10 mei t/m 7 juli, gratis toegang
Universiteitsbibliotheek Binnenstad, Drift 27, Utrecht
Openingstijden: ma t/m vrij: 08.00 – 22.30 uur |za & zo: 10.00 – 22.30 uur
(let op: U heeft in het weekend, op feestdagen en na 17.00 uur alleen toegang op vertoon van een geldig legitimatiebewijs: rijbewijs, paspoort, identiteitskaart of een (digitale) UU-collegekaart mét pasfoto)

# meer info op website ILFU (International Literature Festival Utrecht)

fleursdumal.nl magazine

More in: Antony Kok, Antony Kok, Apollinaire, Guillaume, Art & Literature News, Baargeld, Johannes Theodor, Ball, Hugo, Constuctivisme, Dadaïsme, De Stijl, Doesburg, Theo van, Exhibition Archive, Kok, Antony, Kurt Schwitters, Kurt Schwitters, Literary Events, Majakovsky, Vladimir, Morgenstern, Christian, Ostaijen, Paul van, Piet Mondriaan, Piet Mondriaan, Schwitters, Kurt, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg (I.K. Bonset), Tzara, Tristan


Julian Rosefeldt terug op Holland Festival met MANIFESTO

 

Een schreeuw om verandering klinkt steeds luider door alle lagen van de maatschappij. Ooit was het manifest een geëigend middel om nieuwe ideeën te presenteren. Julian Rosefeldt laat zien dat er ook nu grote behoefte is aan manifesten. In zijn filminstallatie Manifesto vormen de sprankelende, boze en opvallend modern klinkende teksten van bekende kunstenaarsmanifesten de basis voor dertien korte, parallel vertoonde films – teksten van onder anderen André Breton, Kazimir Malevitsj, Sol LeWitt en Jim Jarmusch. Stuk voor stuk worden ze belichaamd door de Australische actrice Cate Blanchett, die de enorme vitaliteit in deze werken naar boven haalt. Rosefeldt en Blanchett creëren fascinerende werelden, die de teksten in een onverwacht hedendaagse context plaatsen.

‘Ik gebruik de titel Manifesto om duidelijk te maken dat de focus in dit werk boven alles op de teksten ligt, en op de poëzie van deze teksten. Of ze nu van beeldend kunstenaars, filmmakers, schrijvers, acteurs of architecten zijn. Manifesto is een hommage aan de schoonheid van het kunstenaarsmanifest – een manifest van manifesten,’ aldus de Duitse filmmaker Julian Rosefeldt.

Met Manifesto is Rosefeldt terug op het Holland Festival, nadat in 2016 zijn film bij Rene Jacob’s uitvoering van Haydns Die Schöpfung te zien was. Dit nieuwe werk is een filminstallatie. Simultaan worden in een grote ruimte dertien films vertoond. De films zijn gebaseerd op de geschriften van futuristen, dadaïsten, Fluxus, suprematisten, situationisten, Dogma 95 en andere kunststromingen en evenzeer op de gedachtes en aantekeningen van individuele kunstenaars, architecten, dansers en filmmakers. Zo zijn de ideeën te horen van onder anderen Claes Oldenburg, Yvonne Rainer, Kazimir Malevich, André Breton, Sturtevant, Sol LeWitt en Jim Jarmusch. Rosefeldt heeft hun manifesten bewerkt tot dertien verschillende collages, die vervolgens voor zijn lens tot leven komen. Manifesto stelt impliciet de vraag wat de rol van de kunstenaar is in de hedendaagse samenleving: alle teksten gaan over het doorbreken van grenzen en restricties, zowel territoriaal, intellectueel als artistiek, en over het verspreiden van nieuwe ideeën.

Deze nieuw samengestelde manifesten worden belichaamd door dertien verschillende personages, stuk voor stuk gespeeld door de Australische actrice Cate Blanchett. Ze is onder meer te zien als leraar, poppenspeler, nieuwslezer, fabrieksarbeider, choreograaf en dakloze. Door deze personages de verzamelde teksten te laten uitspreken, plaatsen Blanchett en Rosefeldt de manifesten in een onverwachte, moderne, vaak alledaagse context, waardoor ze een compleet nieuwe dramatiek en betekenis krijgen.

Rosefeldt is ervan overtuigd dat veel van de manifesten nog altijd visionair zijn. ‘De kunstgeschiedenis is een afgeleide van de gewone geschiedenis. Daar kunnen we van leren. Kunstenaars, maar ook schrijvers, filosofen en wetenschappers zijn altijd degenen geweest die gedachten en visies hebben durven formuleren waarvan de waarheid nog onderzocht moest worden. Het is dus raadzaam om kunstenaarsmanifesten te lezen als seismografen van de tijd.’

Een aantal festivalkunstenaars kijkt dit jaar naar de problemen waar westerse democratische landen mee te maken hebben. De Franse filosoof Alexis de Tocqueville bewonderde de democratie vanwege de maatschappelijke gelijkheid. Ook zag hij de gevaren ervan.

Regisseur Romeo Castellucci maakt dit jaar Democracy in America, naar het gelijknamige boek (1835) van De Tocqueville. In The Gabriels beschouwt regisseur Richard Nelson het afgelopen Amerikaanse verkiezingsjaar door de ogen van een doodgewone familie. Andere kunstenaars richten zich op de problematiek in democratische naties, zoals de vluchtelingenkwestie in de voorstellingen van regisseurs Dieudonné Niangouna en Thomas Bellinck. Weer anderen tonen de dreiging van geweld (Demolishing Everything with Amazing Speed), tirannie (Octavia) of het vormgeven aan activisme (The Tempest Society). Filmregisseur Julian Rosefeldt kijkt in Manifesto naar de relatie tussen kunst en samenleving.

Het Holland Festival presenteert twee nationale theaterhuizen met elk een eigen staat van de natie: My Country van het National Theatre uit Londen en The Nation van Het Nationale Theater uit Den Haag. Beide voorstellingen tonen een verscheurd land waarin niemand, van politici tot burgers, verantwoordelijkheid lijkt te durven nemen. Ten slotte zijn er voorstellingen waarin democratie in de vorm is doorgevoerd: het publiek kan – als het dat wil – actief betrokken worden, als voorbijganger, deelnemer of activist. Deze kunstenaars moedigen het publiek aan om de aloude hiërarchie tussen het publiek en de artiesten ter discussie te stellen.

teksten gebaseerd op manifesten van
Guillaume Appollinaire, Louis Aragon, Manuel Maples Arce, Giacomo Balla, Umberto Boccioni, Stan Brakhage, André Breton, Carlo Carrà, Guy Debord, Paul Éluard, Friedrich Engels, Lucio Fontana, Naum Gabo, Werner Herzog, Coop Himmelb(l)au, Richard Huelsenbeck, Vicente Huidobro, Jim Jarmusch, John Reed Club of New York, Wassily Kandinsky, Wyndham Lewis, Sol LeWitt, George Maciunas, Kazimir Malevitsj, Franz Marc, Filippo Tommaso Marinetti, Karl Marx, Barnett Newman, Constant Nieuwenhuys, Claes Oldenburg, Anton Pevzner, Francis Picabia, Adrian Piper, Yvonne Rainer, Georges Ribemont-Dessaignes, Alexander Rodtschenko, Olga Rozanova, Luigi Russolo, Antonia Sant’Elia, Kurt Schwitters, Gino Severini, Philippe Soupault, Sturtevant, Bruno Taut, Lars von Trier, Tristan Tzara, Mierle Laderman Ukeles, Robert Venturi, Dziga Vertov, Thomas Vinterberg, Emmett Williams, Lebbeus Woods

“Cate Blanchett overtreft zichzelf in Manifesto. (…) Overrompelend.” de Volkskrant

Julian Rosefeldt (1965) studeerde architectuur in zijn geboortestad München en later in Barcelona. Na in 1994 zijn diploma te hebben behaald, werkte hij samen met studiegenoot Piero Steinle als een artiesten duo. Sinds 1999 is hij vanuit Berlijn werkzaam als zelfstandig kunstenaar.

Naast zijn werk als fotograaf, bestaat Rosefeldts werk hoofdzakelijk uit film- en video-installaties in verschillende stijlen: van documentaire tot theatraal narratief. Hij maakte daarnaast diverse video’s voor muziektheaterproducties. Naast zijn film bij Haydns Die Schöpfung, die in 2016 op het Holland Festival te zien was, maakte hij bij de Schaubühne Berlin beelden bij onder meer The City / The Cut (2008) van Martin Crimp en Mark Ravenhill in regie van Thomas Ostermeier, en Electronic City (2004) van Falk Richter in regie van Tom Kühnel. Zijn werk werd wereldwijd tentoongesteld in verschillende musea en galerieën, waaronder het Haus der Kunst en de Bayerische Akademie der Schönen Künste in München, het Hamburger Bahnhof Museum für Gegenwart en het KW Institute for Contemporary Art in Berlijn, Tate Modern Londen, Kunsthalle Wien, Centre Georges Pompidou Paris, ACMI Melbourne, Royal Academy of Fine Arts en het British Film Institute in Londen. In 2009 en 2010 was Rosefeldt als gastprofessor verbonden aan de faculteit Media Art van de Bauhaus Universiteit in Weimar. Sinds 2010 is hij lid van de Bayerische Akademie der Schönen Künste en bekleedt hij de leerstoel Digital and Time-based Media aan de Akademie der Bildenden Künste (beide in München).

tekst, regie, productie Julian Rosefeldt
met Cate Blanchett
gecoproduceerd door
Burger Collection Hongkong, Ruhrtriennale
Bayerischen Rundfunk
in opdracht van
ACMI – Australian Centre for the Moving Image (Melbourne), Art Gallery of New South Wales (Sydney), Nationalgalerie – Staatliche Museen zu Berlin (Berlijn), Sprengel Museum Hannover (Hannover)
met genereuze steun van Medienboards Berlin-Brandenburg
in samenwerking met Bayerische Rundfunk
volledige credits website Julian Rosefeldt = http://www.julianrosefeldt.com/

teksten gebaseerd op manifesten van
Guillaume Appollinaire, Louis Aragon, Manuel Maples Arce, Giacomo Balla, Umberto Boccioni, Stan Brakhage, André Breton, Carlo Carrà, Guy Debord, Paul Éluard, Friedrich Engels, Lucio Fontana, Naum Gabo, Werner Herzog, Coop Himmelb(l)au, Richard Huelsenbeck, Vicente Huidobro, Jim Jarmusch, John Reed Club of New York, Wassily Kandinsky, Wyndham Lewis, Sol LeWitt, George Maciunas, Kazimir Malevitsj, Franz Marc, Filippo Tommaso Marinetti, Karl Marx, Barnett Newman, Constant Nieuwenhuys, Claes Oldenburg, Anton Pevzner, Francis Picabia, Adrian Piper, Yvonne Rainer, Georges Ribemont-Dessaignes, Alexander Rodtschenko, Olga Rozanova, Luigi Russolo, Antonia Sant’Elia, Kurt Schwitters, Gino Severini, Philippe Soupault, Sturtevant, Bruno Taut, Lars von Trier, Tristan Tzara, Mierle Laderman Ukeles, Robert Venturi, Dziga Vertov, Thomas Vinterberg, Emmett Williams, Lebbeus Woods

Holland Festival Amsterdam van 4 t.m. 25 juni 2017

# meer info op website Holland Festival

fleursdumal.nl magazine

More in: Art & Literature News, Ball, Hugo, CINEMA, RADIO & TV, Dada, De Stijl, Doesburg, Theo van, Futurism, Futurisme, Holland Festival, LITERARY MAGAZINES, MUSIC, Performing arts, Photography, Surrealism, THEATRE, Tzara, Tristan


Rainer Erich SCHEICHELBAUER: Willem Frederik Hermans als filosoof

Hermans een gemankeerde filosoof? Uit het verhaal De elektriseermachine van Wimshurst blijkt zonneklaar dat de eerste liefde van Willem Frederik Hermans de wetenschap was. Hij koos voor de geologie, promoveerde, publiceerde de studie Erosie en werd lector fysische geografie aan de Universiteit van Groningen.

Hermans ontwikkelde zich allengs tot schrijver van een rijk oeuvre. In een aantal romans en vooral in zijn essays bleek bovendien zijn passie voor de filosofie. Hij was behoorlijk belezen in de wereld van Nietzsche, maar vooral intrigeerden hem de gedachten van Ludwig Wittgenstein. Hij vertaalde diens hoofdwerk Tractatus logico-philosophicus en essayeerde driftig rondom diens ideeën. De vele Hermansvorsers hebben het filosofische aspect van zijn werk weliswaar belicht, maar de wijze waarop zij dat deden, ging toch mank aan het euvel dat ook Hermans parten moet hebben gespeeld. De romancier en essayist bleek namelijk niet echt geschoold in de filosofie, een manco dat hem de grote denkers talloze malen heeft doen misverstaan.

Een vakfilosoof brengt ons deze feilen onder ogen. Rainer Erich Scheichelbauer, in 1977 geboren in Wenen, combineerde zijn studie filosofie met het bijvak Nederlands en dat maakt hem tot een ideale gids. In Willem Frederik Hermans als filosoof toont hij aan dat Hermans’ denken in wezen nietzscheaans is, met desondanks een grote eerbied voor de wetenschap. De stellingen van Wittgenstein gebruikt Hermans om Nietzsche en wetenschap te verzoenen, niet begrijpend dat die zich daar niet voor lenen. Maar hij had ze kennelijk nodig voor zijn polemiek met vermeende vijanden, vakfilosofen in het bijzonder.

Rainer Erich Scheichelbauer
Willem Frederik Hermans als filosoof
nummer 65 | essayreeks 12 | 2017
Info: http://www.uitgeverijhuisclos.nl/
96 p / 11 x 20 cm / € 16,00
ISBN 978 90 79020 39 3

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Art & Literature News, DICTIONARY OF IDEAS, MONTAIGNE, WF Hermans


D.H. LAWRENCE: Bei Hennef

D.H.Lawrence
Bei Hennef

The little river twittering in the twilight,
The wan, wondering look of the pale sky,
This is almost bliss.

And everything shut up and gone to sleep,
All the troubles and anxieties and pain
Gone under the twilight.

Only the twilight now, and the soft “Sh!” of the river
That will last for ever.

And at last I know my love for you is here;
I can see it all, it is whole like the twilight,
It is large, so large, I could not see it before,
Because of the little lights and flickers and interruptions,
Troubles, anxieties and pains.

You are the call and I am the answer,
You are the wish, and I the fulfilment,
You are the night, and I the day.
What else – it is perfect enough.
It is perfectly complete,
You and I,
What more-?

Strange, how we suffer in spite of this.

D.H.Lawrence (1883 – 1930)
Bei Hennef
fleursdumal.nl magazine

More in: Archive K-L, D.H. Lawrence, Lawrence, D.H.


Samuel Taylor COLERIDGE: Youth And Age a poem

Samuel Taylor Coleridge
Youth And Age a poem

Verse, a breeze ‘mid blossoms straying,
Where Hope clung feeding, like a bee
Both were mine! Life went a-maying
With Nature, Hope, and Poesy,
When I was young!
When I was young? Ah, woeful When!
Ah! for the change ‘twixt Now and Then!
This breathing house not built with hands,
This body that does me grievous wrong,
O’er aery cliffs and glittering sands
How lightly then it flashed along,
Like those trim skiffs, unknown of yore,
On winding lakes and rivers wide,
That ask no aid of sail or oar,
That fear no spite of wind or tide!
Nought cared this body for wind or weather
When Youth and I lived in’t together.

Flowers are lovely; Love is flower-like;
Friendship is a sheltering tree;
O the joys! that came down shower-like,
Of Friendship, Love, and Liberty,
Ere I was old!
Ere I was old? Ah woeful Ere,
Which tells me, Youth’s no longer here!
O Youth! for years so many and sweet
‘Tis known that Thou and I were one,
I’ll think it but a fond conceit
It cannot be that Thou art gone!
Thy vesper-bell hath not yet tolled
And thou wert aye a masker bold!
What strange disguise hast now put on,
To make believe that thou art gone?
I see these locks in silvery slips,
This drooping gait, this altered size:
But Springtide blossoms on thy lips,
And tears take sunshine from thine eyes:
Life is but Thought: so think I will
That Youth and I are housemates still.

Dew-drops are the gems of morning,
But the tears of mournful eve!
Where no hope is, life’s a warning
That only serves to make us grieve
When we are old:
That only serves to make us grieve
With oft and tedious taking-leave,
Like some poor nigh-related guest
That may not rudely be dismist;
Yet hath out-stayed his welcome while,
And tells the jest without the smile.

Samuel Taylor Coleridge (1772 – 1834)
Poem: Youth And Age
fleursdumal.nl magazine

More in: Archive C-D, Coleridge, Coleridge, Samuel Taylor


Geschiedenis van een biografie – Over Antony Kok – Door Jef en Hanneke van Kempen

Foto Antony Kok – Archief JVK Tilburg

GESCHIEDENIS VAN EEN BIOGRAFIE
Over Antony Kok

Door Jef en Hanneke van Kempen

‘De wereld van heden raast door in Dada’s voetspoor’ is een veel geciteerd aforisme van de dichter Antony Kok, dat hij schreef toen hij al oud was. Maar was Kok ook de Dada-dichter die auteur K. Schippers in hem zag, in zijn lezing ter gelegenheid van de opening van de grote Kok-tentoonstelling in de Stadsschouwburg / Kultureel Sentrum van Tilburg begin 1985? Bedoelde Kok, zoals K. Schippers zei, dat Dada niet behoorde tot een tijd of een plaats? Dat Dada niet gebonden was aan een beweging. Dat Antony Kok met zijn aforisme moet hebben bedoeld, dat Dada stond voor een mentaliteit, die van alle tijden was en van de hele wereld? 1)

Of was Antony Kok de man die alleen door toeval, door het feit dat hij beste vrienden zou worden met enkele van de grootste kunstenaars van de 20ste Eeuw, Theo van Doesburg( (1883 – 1931) en Kurt Schwitters, en in navolging van hen Dada-dichter werd, zoals J.A. Dautzenberg (1944 – 2009) in 1985 – in een paginagroot artikel- in De Volkskrant schreef: Een Dada-dichter die op latere leeftijd verstrikt zou raken in mystiek. 2)

Of is het allebei waar? Wat helpt het de biograaf die al 35 jaar probeert het leven van een ander te ontrafelen? Is het niet zo dat zowel Hugo Bal als Theo van Doesburg aan het eind van hun leven Rooms-katholiek zijn geworden? Daar hoor je nooit veel over.
Ottevanger haalt in haar zeer degelijke, maar weinig empathische brievenboek, zelfs meer dan eens dichter Til Brugman aan, die Antony Kok omschreef als een : ‘Een wezensvreemde man, die hij altijd al geweest was’. Is dat echt zo? 3)

Zoveel schrijvers, zoveel meningen. Kok is de afgelopen jaren gekenschetst als een wereldvreemde, een absurdist, een socialist, een pacifist, een religieus fanaat, een middeleeuwer, een dadaïst en nog zoveel meer.

#   LEES HIER VERDER GeschiedenisVanEenBiografie  PDF

Jaargang 35 – 2017 – nummer 1
Tijdschrift Tilburg

Jef van Kempen en Hanneke van Kempen:
Geschiedenis van een biografie. Over Antony Kok
En verder o.a.
Petra Robben:  Mijmering over een Mondriaan in Tilburg. Internationale Tentoonstelling van Nijverheid, Handel en Kunst, 1913
Niko de Wit:  ‘Den Does’, een uitkijktoren voor Tilburg. Een hommage aan Theo van Doesburg

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Antony Kok, Art & Literature News, Bauhaus, BIOGRAPHY, Dada, De Stijl, Doesburg, Theo van, Hanneke van Kempen, Jef van Kempen, Kok, Antony, Kurt Schwitters, Piet Mondriaan, Piet Mondriaan, Schwitters, Kurt, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg


Oscar WILDE: The Disciple

fdm_oscarwilde3Oscar Wilde
(1854 – 1900)

The Disciple

When Narcissus died the pool of his pleasure changed from a cup of sweet waters into a cup of salt tears, and the Oreads came weeping through the woodland that they might sing to the pool and give it comfort.

And when they saw that the pool had changed from a cup of sweet waters into a cup of salt tears, they loosened the green tresses of their hair and cried to the pool and said, ‘We do not wonder that you should mourn in this manner for Narcissus, so beautiful was he.’

‘But was Narcissus beautiful?’ said the pool.

‘Who should know that better than you?’ answered the Oreads. ‘Us did he ever pass by, but you he sought for, and would lie on your banks and look down at you, and in the mirror of your waters he would mirror his own beauty.’

And the pool answered, ‘But I loved Narcissus because, as he lay on my banks and looked down at me, in the mirror of his eyes I saw ever my own beauty mirrored.’

Oscar Wilde 1894
fleursdumal.nl magazine

More in: Archive W-X, Wilde, Oscar, Wilde, Oscar


Johan HARSTAD: Max, Mischa & het Tet-offensief

Eens in de zoveel jaar verschijnt er een roman die zó verslavend is dat je er afspraken voor afzegt, uit de trein vergeet te stappen en stiekem iets eerder van je werk vertrekt. Zo’n uitzonderlijke roman schreef Johan Harstad: zijn manier van vertellen maakt dat je niet rust voordat je de laatste pagina hebt omgeslagen.

Max, Mischa & het Tet-offensief is het verhaal van toneelregisseur Max Hansen, die als puber vanuit Noorwegen naar Amerika emigreert. Hij heeft moeite om zijn jeugd in Stavanger, waar hij als kind van communistische ouders het Tet-offensief naspeelde, achter zich te laten, maar ontdekt in New York dat eigenlijk iedereen daar ontheemd is. In kunstenares Mischa, acteur Mordecai en Vietnamveteraan Owen vindt hij dierbare lotgenoten.

Harstads magnum opus is een hypnotiserende vertelling die vele decennia en continenten omspant: van de oorlog in Vietnam en Apocalypse Now tot jazzmuziek, van Mark Rothko en Burning Man tot de aanslag op de Twin Towers. Uitgeverij Podium zegt bijzonder trots te zijn dat zij deze monumentale roman als eerste buitenlandse uitgever kunnen brengen, in een indrukwekkende vertaling van Edith Koenders en Paula Stevens.

Quote: ‘De werelden die Harstad creëert zijn zo verontrustend, romantisch en verslavend, dat het mij moeite kost om naar de echte terug te keren.’ Arjen Lubach

Johan Harstad (1979) debuteerde in 2001 met een bundel verzameld proza. Zijn debuutroman Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? werd opgevolgd door de roman Hässelby, een David Lynch-achtig verhaal over een man die al 42 jaar bij zijn vader woont. In 2011 verscheen zijn young adult sf-roman Darlah. Naast zijn schrijverschap werkt Harstad als grafisch ontwerper onder het label LACKTR. Voorafgaand aan zijn succesvolle roman Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? publiceerde de Noorse schrijver Johan Harstad de verhalenbundel Ambulance. De Nederlandse vertaling van deze verhalenbundel verscheen in 2014. In 2017 verschijnt zijn nieuwe roman: Max, Mischa & het Tet-offensief.

Bibliografie Johan Harstad
2006 Buzz Aldrin, waar ben je gebleven? (roman)
2009 Hässelby (roman)
2011 Darlah (roman)
2014 Ambulance (verhalen)
2017 Max, Mischa & het Tet-offensief (roman)*

Johan Harstad
Max, Mischa & het Tet-offensief
1232 pagina’s – € 29,99
Omslag: b’IJ Barbara
ISBN: 978 90 5759 849 4
vertaler: Edith Koenders & Paula Stevens
Uitgeverij Podium

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive G-H, Art & Literature News, DICTIONARY OF IDEAS


Gedicht ‘Theater’ van Jef van KEMPEN vertaald door Bernard ODENDAAL

Vertaling van het gedicht Theater van Jef van Kempen in het Zuid-Afrikaans door Bernard Odendaal.
Eerder gepubliceerd door Carina van der Walt in: Versindaba – ‘n Kollektiewe weblog vir die Afrikaanse digkuns –
http://versindaba.co.za/2016/03/31/carina-van-der-walt-jeroen-bosch-se-skilderye/

 

Theater

Stel je voor: een toneel van dolende nachtvogels
boven een doorweekte woestijn, in een duister

hospitaal voor koortsige landlopers.
Stel je voor: een opera van rondborstige gedrochten,

verwekt in een glazen stolp, amechtig lispelend,
op kromme stelten strompelend, in een vuile

sneeuwjacht van de diepe winter.
Eind goed al goed vonden de trage doden hun draai

en bestegen, tegen de keer, het paard van Troje
en maakten hun dromen waar.

Jef van Kempen
(Uit de bundel ‘Laatste Bedrijf’ 2012)

 

Teater

Stel jou voor: ’n toneel van dolende nagvoëls
bokant ’n deurweekte woestyn, in ’n donker

hospitaal vir koorsige boemelaars.
Stel jou voor: ’n opera van rondborstige gedrogte

verwek onder ’n glasstolp, uitasem lispelend,
op krom stelte strompelend, morsig aan die

jag in die diepwintersneeuw.
Einde goed alles goed kry die trae dooies hul draai

en bestyg, dwarstrekkerig, die perd van Troje
en maak hulle drome waar.

Vertaling Bernard Odendaal (2016)

 

FOTO: v.l.n.r. Martin Beversluis, Desmond Painter, Bernard Odendaal, Carina van der Walt, Annelie David, Bert Bevers en Jef van Kempen (foto Nel van Kempen 2015)

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive K-L, Archive O-P, Bernard Odendaal, Bevers, Bert, Beversluis, Martin, Carina van der Walt, Jef van Kempen, Kempen, Jef van, Literaire Salon in 't Wevershuisje, TRANSLATION ARCHIVE


Wim BRANDS: Verzamelde gedichten

Wim Brands schreef in 2010 op het blog van Tirade: ‘Er werd mij gevraagd of er iemand is die ik me wil blijven herinneren. Ik mocht maar één persoon kiezen. Ik koos mijn grootvader. Aan wie ik wel eens een gedicht heb gewijd dat begon met de regel: “Hij had een bokkenwagen en een kraai.”‘

Veel van Wim Brands’ anekdotes waren aanleiding tot poëzie. In zes bundels en heel veel tijdschriftpublicaties veroverde Brands zijn plek als dichter, naast zijn groeiende statuur als anchorman van VPRO Boeken, of eigenlijk – bij uitbreiding – als de belangrijke televisiepersoonlijkheid die kunst en literatuur hoog in het vaandel had.

Er is dan ook geen betere manier om kennis te nemen van wat en wie Wim Brands allemaal was dan door lezing van deze Verzamelde gedichten. In de geest van Brands zijn we met de keuze overigens soepel omgesprongen. Er staat een stripverhaal in deze bundel, en er zijn blogs en brieven in te vinden. Voor Brands zijn gedichten verhalen, en hij maakt van verhalen poëzie,steeds door heel goed over de vorm na te denken, door in te dikken en te schrappen – want het kon altijd preciezer.

Deze verzameling toont wat een geweldig dichter Wim Brands was. De bundel bestaat uit zijn verschenen bundels plus veel ongepubliceerd materiaal. Thomas Verbogt schreef een nawoord.

Wim Brands (1959-2016) was een Nederlands dichter, journalist en presentator. Hij publiceerde acht dichtbundels, werkte jarenlang voor de VPRO-radio en presenteerde van 2005 tot 2016 het televisieprogramma Boeken.

Wim Brands schreef in 2010: ‘Er werd mij gevraagd of er iemand is die ik me wil blijven herinneren. Ik mocht maar één persoon kiezen. Ik koos mijn grootvader. Aan wie ik wel eens een gedicht heb gewijd dat begon met de regel: “Hij had een bokkenwagen en een kraai.”’

Veel van Brands’ anekdotes waren aanleiding tot poëzie. Met zijn bundels en vele tijdschriftpublicaties veroverde Brands zijn plek als dichter, naast zijn groeiende statuur als anchorman van VPRO Boeken. Er is dan ook geen betere manier om kennis te nemen van wat en wie Wim Brands allemaal was dan door lezing van deze Verzamelde gedichten. In de geest van Brands is er met de keuze soepel omgesprongen; de verzameling bevat zijn bundels, maar ook niet eerder gepubliceerd werk, blogs, brieven en zelfs een stripverhaal.

Over de poëzie van Wim Brands:
‘De gedichten zijn romantisch van inhoud en nuchter van toon. Ze openen op een haast vanzelfsprekende manier duistere gebieden en dieptes in de geest.’ – De Volkskrant (*****)

‘Mooie gedichten, die op een terloopse manier een raadselachtigheid behouden.’ – Het Parool

Wim Brands
Verzamelde gedichten
ISBN 9789028261921
Van Oorschot 2017, € 27,50

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive A-B, Art & Literature News, Brands, Wim, CINEMA, RADIO & TV


W.W. JACOBS: The Monkey’s Paw

jacobs-ww-fdm2The Monkey’s Paw
by W. W. Jacobs

Without, the night was cold and wet, but in the small parlor of Lakesnam Villa the blinds were drawn and the fire burned brightly. Father and son were at chess, the former, who possessed ideas about the game involving radical changes, putting his king into such sharp and unnecessary perils that it even provoked comment from the whitehaired old lady knitting placidly by the fire.

“Hark at the wind,” said Mr. White, who, having seen a fatal mistake after it was too late, was amiably desirous of preventing his son from seeing it.

“I’m listening,” said the latter, grimly surveying the board as he stretched out his hand. “Check.”

“I should hardly think that he’d come tonight,” said his father, with his hand poised over the board.

“Mate,” replied the son.

“That’s the worst of living so far out,” bawled Mr. White, with sudden and unlooked-for violence; “of all the beastly, slushy, out-of-the-way places to live in, this is the worst. Pathway’s a bog, and the road’s a torrent. I don’t know what people are thinking about. I suppose because only two houses on the road are let, they think it doesn’t matter.”

“Never mind, dear,” said his wife soothingly; “perhaps you’ll win the next one.”

Mr. White looked up sharply, just in time to intercept a knowing glance between mother and son. The words died away on his lips, and he hid a guilty grin in his thin grey beard.

“There he is,” said Herbert White, as the gate banged to loudly and heavy footsteps came toward the door.

The old man rose with hospitable haste, and opening the door, was heard condoling with the new arrival. The new arrival also condoled with himself, so that Mrs. White said, “Tut, tut!” and coughed gently as her husband entered the room, followed by a tall, burly man, beady of eye and rubicund of visage.

“Sergeant Major Morris,” he said, introducing him.

The sergeant major shook hands, and taking the proffered seat by the fire, watched contentedly while his host got out whisky and tumblers and stood a small copper kettle on the fire.

At the third glass his eyes got brighter, and he began to talk, the little family circle regarding with eager interest this visitor from distant parts, as he squared his broad shoulders in the chair and spoke of strange scenes and doughty deeds, of wars and plagues and strange peoples.

“Twenty-one years of it,” said Mr. White, nodding at his wife and son. “When he went away he was a slip of a youth in the warehouse. Now look at him.”

“He don’t look to have taken much harm,” said Mrs. White politely. “I’d like to go to India myself,” said the old man, “just to look round a bit, you know.”

“Better where you are,” said the sergeant major, shaking his head. He put down the empty glass, and sighing softly, shook it again.

“I should like to see those old temples and fakirs and jugglers,” said the old man. “What was that you started telling me the other day about a monkey’s paw or something, Morris?”

“Nothing,” said the soldier hastily. “Leastways, nothing worth hearing.”

“Monkey’s paw?” said Mrs. White curiously.

“Well, it’s just a bit of what you might call magic, perhaps,” said the sergeant major offhandedly.

His three listeners leaned forward eagerly. The visitor absentmindedly put his empty glass to his lips and then set it down again. His host filled it for him.

“To look at,” said the sergeant major, fumbling in his pocket, “it’s just an ordinary little paw, dried to a mummy.”

He took something out of his pocket and proffered it. Mrs. White drew back with a grimace, but her son, taking it, examined it curiously.

“And what is there special about it?” inquired Mr. White, as he took it from his son, and having examined it, placed it upon the table.

“It had a spell put on it by an old fakir,” said the sergeant major, “a very holy man. He wanted to show that fate ruled people’s lives, and that those who interfered with it did so to their sorrow. He put a spell on it so that three separate men could each have three wishes from it.”

His manner was so impressive that his hearers were conscious that their light laughter jarred somewhat.

“Well, why don’t you have three, sir?” said Herbert White cleverly.

The soldier regarded him in the way that middle age is wont to regard presumptuous youth. “I have,” he said quietly, and his blotchy face whitened.

“And did you really have the three wishes granted?” asked Mrs. White.

“I did,” said the sergeant major, and his glass tapped against his strong teeth.

“And has anybody else wished?” inquired the old lady.

“The first man had his three wishes, yes,” was the reply. “I don’t know what the first two were, but the third was for death. That’s how I got the paw.”

His tones were so grave that a hush fell upon the group.

“If you’ve had your three wishes, it’s no good to you now, then, Morris,” said the old man at last. “What do you keep it for?”

The soldier shook his head. “Fancy, I suppose,” he said slowly. “I did have some idea of selling it, but I don’t think I will. It has caused enough mischief already. Besides, people won’t buy. They think it’s a fairy tale, some of them, and those who do think anything of it want to try it first and pay me afterward.”

“If you could have another three wishes,” said the old man, eyeing him keenly, “would you have them?”

“I don’t know,” said the other. “I don’t know.”

He took the paw, and dangling it between his front finger and thumb, suddenly threw it upon the fire. White, with a slight cry, stooped down and snatched it off.

“Better let it burn,” said the soldier solemnly.

“If you don’t want it, Morris,” said the old man, “give it to me.”

“I won’t,” said his friend doggedly. “I threw it on the fire. If you keep it, don’t blame me for what happens. Pitch it on the fire again, like a sensible man.”

The other shook his head and examined his new possession closely. “How do you do it?” he inquired.

“Hold it up in your right hand and wish aloud,” said the sergeant major, “but I warn you of the consequences.”

“Sounds like the Arabian Nights,” said Mrs. White, as she rose and began to set the supper. “Don’t you think you might wish for four pairs of hands for me?”

Her husband drew the talisman from his pocket and then all three burst into laughter as the sergeant major, with a look of alarm on his face, caught him by the arm.

“If you must wish,” he said gruffly, “wish for something sensible.”

Mr. White dropped it back into his pocket, and placing chairs, motioned his friend to the table. In the business of supper the talisman was partly forgotten, and afterward the three sat listening in an enthralled fashion to a second installment of the soldier’s adventures in India.

“If the tale about the monkey’s paw is not more truthful than those he has been telling us,” said Herbert, as the door closed behind their guest, just in time for him to catch the last train, “we shan’t make much out of it.”

“Did you give him anything for it, Father?” inquired Mrs. White, regarding her husband closely.

“A trifle,” said he, coloring slightly. “He didn’t want it, but I made him take it. And he pressed me again to throw it away.”

“Likely,” said Herbert, with pretended horror. “Why, we’re going to be rich, and famous, and happy. Wish to be an emperor, Father, to begin with; then you can’t be henpecked.”

He darted around the table, pursued by the maligned Mrs. White armed with an antimacassar.

Mr. White took the paw from his pocket and eyed it dubiously. “I don’t know what to wish for, and that’s a fact,” he said slowly. “It seems to me I’ve got all I want.”

“If you only cleared the house, you’d be quite happy, wouldn’t you?” said Herbert, with his hand on his shoulder. “Well, wish for two hundred pounds, then; that’ll just do it.”

His father, smiling shamefacedly at his own credulity, held up the talisman, as his son, with a solemn face somewhat marred by a wink at his mother, sat down at the piano and struck a few impressive chords.

“I wish for two hundred pounds,” said the old man distinctly.

A fine crash from the piano greeted the words, interrupted by a shuddering cry from the old man. His wife and son ran toward him.

“It moved,” he cried, with a glance of disgust at the object as it lay on the floor. “As I wished, it twisted in my hand like a snake.”

“Well, I don’t see the money,” said his son, as he picked it up and placed it on the table, “and I bet I never shall.”

“It must have been your fancy, Father,” said his wife, regarding him anxiously.

He shook his head. “Never mind, though; there’s no harm done, but it gave me a shock all the same.”

They sat down by the fire again while the two men finished their pipes. Outside, the wind was higher than ever, and the old man started nervously at the sound of a door banging upstairs. A silence unusual and depressing settled upon all three, which lasted until the old couple rose to retire for the night.

“I expect you’ll find the cash tied up in a big bag in the middle of your bed,” said Herbert, as he bade them good night, “and something horrible squatting up on top of the wardrobe watching you as you pocket your ill-gotten gains.”

. . .

In the brightness of the wintry sun next morning as it streamed over the breakfast table, Herbert laughed at his fears. There was an air of prosaic wholesomeness about the room which it had lacked on the previous night, and the dirty, shriveled little paw was pitched on the sideboard with a carelessness which betokened no great belief in its virtues.

“I suppose all old soldiers are the same,” said Mrs. White. “The idea of our listening to such nonsense! How could wishes be granted in these days? And if they could, how could two hundred pounds hurt you, Father?”

“Might drop on his head from the sky,” said the frivolous Herbert.

“Morris said the things happened so naturally,” said his father, “that you might, if you so wished, attribute it to coincidence.”

“Well, don’t break into the money before I come back,” said Herbert, as he rose from the table. “I’m afraid it’ll turn you into a mean, avaricious man, and we shall have to disown you.”

His mother laughed, and following him to the door, watched him down the road, and returning to the breakfast table, was very happy at the expense of her husband’s credulity. All of which did not prevent her from scurrying to the door at the postman’s knock, nor prevent her from referring somewhat shortly to retired sergeant majors of bibulous habits, when she found that the post brought a tailor’s bill.

“Herbert will have some more of his funny remarks, I expect, when he comes home,” she said, as they sat at dinner.

“I daresay,” said Mr. White, pouring himself out some beer; “but for all that, the thing moved in my hand; that I’ll swear to.”

“You thought it did,” said the old lady soothingly.

“I say it did,” replied the other. “There was no thought about it; I had just– What’s the matter?”

His wife made no reply. She was watching the mysterious movements of a man outside, who, peering in an undecided fashion at the house, appeared to be trying to make up his mind to enter. In mental connection with the two hundred pounds, she noticed that the stranger was well dressed and wore a silk hat of glossy newness. Three times he paused at the gate, and then walked on again. The fourth time he stood with his hand upon it, and then with sudden resolution flung it open and walked up the path. Mrs. White at the same moment placed her hands behind her, and hurriedly unfastening the strings of her apron, put that useful article of apparel beneath the cushion of her chair.

She brought the stranger, who seemed ill at ease, into the room. He gazed furtively at Mrs. White, and listened in a preoccupied fashion as the old lady apologized for the appearance of the room, and her husband’s coat, a garment which he usually reserved for the garden. She then waited as patiently as her sex would permit for him to broach his business, but he was at first strangely silent.

“I–was asked to call,” he said at last, and stooped and picked a piece of cotton from his trousers. “I come from Maw and Meggins.”

The old lady started. “Is anything the matter?” she asked breathlessly. “Has anything happened to Herbert? What is it? What is it?”

Her husband interposed. “There, there, Mother,” he said hastily. “Sit down, and don’t jump to conclusions. You’ve not brought bad news, I’m sure, sir,” and he eyed the other wistfully.

“I’m sorry–” began the visitor.

“Is he hurt?” demanded the mother.

The visitor bowed in assent. “Badly hurt,” he said quietly, “but he is not in any pain.”

“Oh, thank God!” said the old woman, clasping her hands. “Thank God for that! Thank–“

She broke off suddenly as the sinister meaning of the assurance dawned upon her and she saw the awful confirmation of her fears in the other’s averted face. She caught her breath, and turning to her slower-witted husband, laid her trembling old hand upon his. There was a long silence.
“He was caught in the machinery,” said the visitor at length, in a low voice.

“Caught in the machinery,” repeated Mr. White, in a dazed fashion, “yes.”

He sat staring blankly out at the window, and taking his wife’s hand between his own, pressed it as he had been wont to do in their old courting days nearly forty years before.

“He was the only one left to us,” he said, turning gently to the visitor. “It is hard.”

The other coughed, and rising, walked slowly to the window. “The firm wished me to convey their sincere sympathy with you in your great loss,” he said, without looking around. “I beg that you will understand I am only their servant and merely obeying orders.”

There was no reply; the old woman’s face was white, her eyes staring, and her breath inaudible; on the husband’s face was a look such as his friend the sergeant might have carried into his first action.

“I was to say that Maw and Meggins disclaim all responsibility,” continued the other. “They admit no liability at all, but in consideration of your son’s services they wish to present you with a certain sum as compensation.”

Mr. White dropped his wife’s hand, and rising to his feet, gazed with a look of horror at his visitor. His dry lips shaped the words, “How much?”
“Two hundred pounds,” was the answer.
Unconscious of his wife’s shriek, the old man smiled faintly, put out his hands like a sightless man, and dropped, a senseless heap, to the floor.
. . .
In the huge new cemetery, some two miles distant, the old people buried their dead, and came back to a house steeped in shadow and silence. It was all over so quickly that at first they could hardly realize it, and remained in a state of expectation, as though of something else to happen–something else which was to lighten this load, too heavy for old hearts to bear. But the days passed, and expectation gave place to resignation–the hopeless resignation of the old, sometimes miscalled apathy. Sometimes they hardly exchanged a word, for now they had nothing to talk about, and their days were long to weariness.

It was about a week after that that the old man, waking suddenly in the night, stretched out his hand and found himself alone. The room was in darkness, and the sound of subdued weeping came from the window. He raised himself in bed and listened.

“Come back,” he said tenderly. “You will be cold.”

“It is colder for my son,” said the old woman, and wept afresh.

The sound of her sobs died away on his ears. The bed was -warm, and his eyes heavy with sleep. He dozed fitfully, and then slept until a sudden cry from his wife awoke him with a start.

“The monkey’s paw!” she cried wildly. “The monkey’s paw!”

He started up in alarm. “Where? Where is it? What’s the matter?” She came stumbling across the room toward him. “I want it,” she said quietly. “You’ve not destroyed it?”

“It’s in the parlor, on the bracket,” he replied, marveling. “Why?”

She cried and laughed together, and bending over, kissed his cheek.

“I only just thought of it,” she said hysterically. “Why didn’t I think of it before? Why didn’t you think of it?”

“Think of what?” he questioned.

“The other two wishes,” she replied rapidly. “We’ve only had one.”

“Was not that enough?” he demanded fiercely.

“No,” she cried triumphantly; “we’ll have one more. Go down and get it quickly, and wish our boy alive again.”

The man sat up in bed and flung the bedclothes from his quaking limbs. “Good God, you are mad!” he cried, aghast.

“Get it,” she panted; “get it quickly, and wish– Oh, my boy, my boy!”

Her husband struck a match and lit the candle. “Get back to bed,” he said unsteadily. “You don’t know what you are saying.”

“We had the first wish granted,” said the old woman feverishly; “why not the second?”

“A coincidence,” stammered the old man.

“Go and get it and wish,” cried the old woman, and dragged him toward the door.

He went down in the darkness, and felt his way to the parlor, and then to the mantelpiece.

The talisman was in its place, and a horrible fear that the unspoken wish might bring his mutilated son before him ere he could escape from the room seized upon him, and he caught his breath as he found that he had lost the direction of the door. His brow cold with sweat, he felt his way around the table, and groped along the wall until he found himself in the small passage with the unwholesome thing in his hand.

Even his wife’s face seemed changed as he entered the room. It was white and expectant, and to his fears seemed to have an unnatural look upon it. He was afraid of her.

“Wish!” she cried, in a strong voice.

“It is foolish and wicked,” he faltered.

“Wish!” repeated his wife.

He raised his hand. “I wish my son alive again.”

The talisman fell to the floor, and he regarded it shudderingly. Then he sank trembling into a chair as the old woman, with burning eyes, walked to the window and raised the blind.

He sat until he was chilled with the cold, glancing occasionally at the figure of the old woman peering through the window. The candle end, which had burned below the rim of the china candlestick, was throwing pulsating shadows on the ceiling and walls, until, with a flicker larger than the rest, it expired. The old man, with an unspeakable sense of relief at the failure of the talisman, crept back to his bed, and a minute or two afterward the old woman came silently and apathetically beside him.

Neither spoke, but both lay silently listening to the ticking of the clock. A stair creaked, and a squeaky mouse scurried noisily through the wall. The darkness was oppressive, and after lying for some time screwing up his courage, the husband took the box of matches, and striking one, went downstairs for a candle.

At the foot of the stairs the match went out, and he paused to strike another, and at the same moment a knock, so quiet and stealthy as to be scarcely audible, sounded on the front door.

The matches fell from his hand. He stood motionless, his breath suspended until the knock was repeated. Then he turned and fled swiftly back to his room, and closed the door behind him. A third knock sounded through the house.

“What’s that?” cried the old woman, starting up.

“A rat,” said the old man, in shaking tones, “a rat. It passed me on the stairs.”

His wife sat up in bed listening. A loud knock resounded through the house.

“It’s Herbert!” she screamed. “It’s Herbert!”

She ran to the door, but her husband was before her, and catching her by the arm, held her tightly.

“What are you going to do?” he whispered hoarsely.

“It’s my boy; it’s Herbert!” she cried, struggling mechanically. “I forgot it was two miles away. What are you holding me for? Let go. I must open the door.”

“For God’s sake don’t let it in,” cried the old man, trembling.

“You’re afraid of your own son,” she cried, struggling. “Let me go. I’m coming, Herbert; I’m coming.”

There was another knock, and another. The old woman with a sudden wrench broke free and ran from the room. Her husband followed to the landing, and called after her appealingly as she hurried downstairs. He heard the chain rattle back and the bottom bolt drawn slowly and stiffly from the socket. Then the old woman’s voice, strained and panting.

“The bolt,” she cried loudly. “Come down. I can’t reach it.”

But her husband was on his hands and knees groping wildly on the floor in search of the paw. If he could only find it before the thing outside got in. A perfect fusillade of knocks reverberated through the house, and he heard the scraping of a chair as his wife put it down in the passage against the door. He heard the creaking of the bolt as it came slowly back, and at the same moment, he found the monkey’s paw, and frantically breathed his third and last wish.

The knocking ceased suddenly, although the echoes of it were still in the house. He heard the chair drawn back and the door opened. A cold wind rushed up the staircase, and a long, loud wail of disappointment and misery from his wife gave him courage to run down to her side, and then to the gate beyond. The streetlamp flickering opposite shone on a quiet and deserted road.

W. W. Jacobs (1863-1943)
The Monkey’s Paw
fleursdumal.nl magazine

More in: -Short Stories Archive, Archive I-J


48e POETRY INTERNATIONAL Festival Rotterdam

Op dinsdag 30 mei 2017 opent de 48e Poetry International in de Rotterdamse Schouwburg, aansluitend vindt het festival plaats tot en met zaterdag 3 juni in de zaal van het Ro Theater aan de William Boothlaan.

Voor de achtenveertigste keer haalt Poetry International de beste dichters uit alle windstreken naar Rotterdam. Naast gedichten in uiteenlopende talen brengt het festival een randprogramma met film, muziek, interviews, themabijeenkomsten en masterclasses. Een reis langs verre culturen met de kunst van het woord als brandstof. Iedereen is uitgenodigd op het jaarlijkse feest van de poëzie.

Op dinsdag 30 mei gaat het 48e Poetry International Festival van start in de Rotterdamse Schouwburg. Van woensdag 31 mei tot en met zondag 4 juni wordt het festival vervolgd in het Ro Theater aan de William Boothlaan en op verschillende andere locaties in het Witte de With Kwartier. Voor de achtenveertigste keer haalt Poetry International de beste dichters uit alle windstreken naar Rotterdam. Naast poëzievoordrachten in uiteenlopende talen brengt het festival films, muziek, interviews, lezingen, themabijeenkomsten en masterclasses. Een kermis van verlangen, kritiek, avontuur en troost, met de kunst van het woord als brandstof. Iedereen is uitgenodigd op het jaarlijkse feest van de poëzie.

Roberto Amato (ITA)
Mischa Andriessen (NLD)
Hannah van Binsbergen (NLD)
Dumitru Crudu (MDA)
Mária Ferenčuhová (SVK)
Gozo Yoshimasu (JAP)
Stefan Hertmans (BEL)
Ishion Hutchinson (JAM)
Mookie Katigbak-Lacuesta (PHL)
Anne Kawala (FRA)
John Kinsella (AUS)
Harry Man (GBR)
Marianne Morris (CAN / GBR)
Cees Nooteboom (NLD)
Michael Palmer (USA)
Margarida Vale de Gato (PRT)
Jan Wagner (DEU)
Mae Yway (MMR)
Zang Di (CHN)
Zhu Zhu (CHN)

48e Poetry International 30 mei – 4 juni 2017
Het jaarlijkse feest van de internationale poëzie

  #  Meer info op website Poetry International  

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Lovers, Art & Literature News, POETRY ARCHIVE, Poetry International


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature