In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry, 1968
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

– Het diepste blauw

· Ton van Reen: Het diepste blauw (059). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (058). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (057). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (056). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (055). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (054). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (053). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (052). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (051). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (050). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (049). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (048). Een roman als feuilleton

»» there is more...

Ton van Reen: Het diepste blauw (059). Een roman als feuilleton

Mels springt uit de boot en rent naar het plein voor de kerk, waar de baas van de carrousel zijn truck heeft geparkeerd. Het is de vaste plek voor de molen.
De baas herkent hem.

`Blij dat jij er bent’, zegt de man. `Nu kunnen we de handen uit de mouwen steken.’ Zijn vrouw is al begonnen met het schoonvegen van de plek.
Een paar andere jongens komen erbij. Met z’n allen schuiven ze de vloerplanken uit de auto en leggen ze uit. Na een half uur is de omtrek van de carrousel al zichtbaar.

Mels helpt met het poetsen van de figuren. Het chroom moet blinken.
Waar blijft Tijger? Hij is er ook altijd als de kippen bij als de kermis wordt opgebouwd.
Tijger? Hoe kan hij bijna vergeten waar hij al weken aan gedacht heeft! Tijger is jarig. Hij moet naar hem toe, nu direct. Hij laat de poetsdoek uit zijn handen vallen en holt naar Tijgers huis.
Thija is er al.

`We wachten al een tijdje op je’, zegt Thija.
`De kermis is er’, hijgt hij. `We mogen helpen.’
`Dat is iets voor kinderen’, zegt Tijger. Nu hij twaalf is doet hij of hij er opeens te groot voor is.

`Hier, mijn cadeau. Alsjeblieft.’ Mels haalt het pakje uit zijn broekzak. Het cadeaupapier is wat verfrommeld omdat hij het zo lang in zijn broekzak heeft gehad, maar dat geeft niet. Duidelijker voelt hij de pijn dat hij iets geeft wat hij zelf had willen houden. Het is net of iemand hem met een naald in zijn vel prikt.
Tijger is verrast. Hij speelt een deuntje op de harmonica. Het klinkt prachtig. De mensen komen altijd woorden te kort als ze Tijgers muzikale talent prijzen. Ze zeggen dat hij met muziek geboren is. De harmonie kwam voorbij op het moment dat hij uit de buik van zijn moeder kwam.

Thija heeft ook een cadeau voor Tijger. Nu pas geeft ze het. Een boek. Het is niet nieuw, maar dat geeft niet, vooral omdat het over China gaat. Het is zeker al een eeuw oud.
`Mijn vader heeft het voor mij gekocht. Hij weet dat ik gek ben op alles wat met China te maken heeft. Nu is het van jou.’

Tijger is er blij mee. Zo blij dat hij de harmonica vergeet. Het maakt Mels onrustig. Hij is een beetje jaloers, ook al geeft hij dat niet graag toe. Zo’n mooi boek heeft hij nog nooit van haar gekregen. Zoiets kostbaars kan ze alleen maar geven aan degene van wie ze het meest houdt.

Samen kijken ze naar de plaatjes. Mensen in vreemde kleren. Mannen met staarten en forse sabels. Een pottenbakker bij een oven vol kruiken. Kinderen met hoedjes die als lampenkappen op hun hoofd staan. Ze dragen een juk met emmers op de schouders. Een vismarkt. Oude mensen in hangmatten. Gestrafte mannen in een schandblok. Een beul die een geknielde man het hoofd afslaat, in een serie van acht plaatjes. De ogen van het wegrollende hoofd kijken vragend, net of het niet weet wat het heeft misdaan. Zelfs bij het laatste plaatje, waar het hoofd meters van de romp ligt en een soldaat er een trap tegen geeft, staan ze nog open. Had de man zo’n zware straf verdiend, of werd hij alleen maar gedood voor de lol? Het boek staat vol gruwelijke foto’s. Martelingen en executies. Als er iemand wordt doodgeslagen, staan de mensen eromheen te lachen. In China lijkt een mensenleven niet zwaar te tellen.

`Ik weet niet of ik nog wel naar China wil’, zegt Tijger na de zoveelste gruwelijke plaat waarop mannen zijn opgehangen aan hun kin.
`Natuurlijk wel’, zegt Thija. `Dit zijn oorlogsfoto’s. Als je weet wat híér allemaal is gebeurd in de oorlog, dat was net zo gruwelijk.’

Gelukkig staan er in het boek, dwars door al dat gruwelijks heen, ook betoverende platen. Fraaie opnames van vrolijke mensen op de Chinese Muur. Schitterende foto’s van bergen die in pasteltinten lijken te zijn geschilderd, maar ze zijn echt. Er liggen dorpen en tempels tegen de flanken en blauwe rivieren vloeien naar beneden. Als een grote stralende lamp staan de stromen van een waterval tegen een heuvel. Het water lijkt omhoog te vloeien. Beneden aan de rivier staat een tijger met een paarse tong, die loert naar een blauw schaap. Vrouwen met gele strohoeden snijden groene rijst.

Dan pas zien ze het kind dat met een ketting vastzit aan een paal.
Ze kijken elkaar verwonderd aan.
`Is dit China?’ vraagt Mels.
`Het is het verkeerde boek’, zegt Tijger. `Er zijn betere boeken over China.’ Hij geeft Thija het boek terug.
`Misschien kan ik het ruilen.’ Thija is geschokt.

Mels voelt met haar mee. Hij wil niet winnen van Thija.
`Ik wil het boek graag hebben’, zegt hij, om het goed te maken. `Ik ruil het voor mijn zakmes. Dan geef je het zakmes aan hem.’
Ze ruilen. Thija geeft Tijger het mes. Alles is weer goed.

Mels is echt blij met het boek. Het laat zien hoe China werkelijk is. Het is niet zo sprookjesachtig als uit de verhalen van Thija en ook anders dan het leek na de verhalen van grootvader Bernhard.
Tijgers moeder roept hen naar de keuken.
De appeltaart is net uit de oven. De stukken dampen nog op hun bord, en nog meer als Tijgers moeder er warme vanillesaus over giet.

`Eten ze in China ook appeltaart?’ vraagt Mels.
`Elke dag’, zegt Thija.
`Appeltaart met bloed’, zegt Tijger. `Ik lust het niet.’
Tijgers moeder is verbaasd. `Bloed?’ zegt ze. `Er zit alleen melk in. En meel.’
`En toch lust ik het niet’, zegt Tijger hard.
Zijn moeder, het zweet nog op haar voorhoofd, zwijgt.
`We gaan naar de Wijer’, zegt Thija, die met haar te doen heeft. `Straks komen we de appeltaart opeten.’
`Ik ga weer helpen op de kermis’, zegt Mels.
`Ik niet meer’, zegt Tijger. `Dat is iets voor kinderen.’
Ze lopen naar de Wijer en komen langs de attracties in opbouw.
`Hé’, roept de baas van de carrousel als hij Mels voorbij ziet lopen. `Help je me niet meer?’
`We hebben het te druk’, roept Mels. Hij kijkt recht voor zich uit. Hij schaamt zich, maar nu Tijger niet meer wil en ook Thija zich te groot lijkt te voelen om te helpen, kan hij niet doen alsof hij nog een kind is.

Ze lopen over het pad en gaan in het gras langs de Wijer zitten.
`Ik weet niet of ik nog wel naar China wil’, zegt Tijger. `Ik weet het echt niet meer.’
`Ik wel’, zegt Thija. `Ik ga wel.’
`Dan gaan we met z’n tweeën’, zegt Mels.

Ton van Reen: Het diepste blauw (059)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (058). Een roman als feuilleton

De chauffeur van de vliegende schotels stopt bij Mels.
`Ik zit hier toch wel goed?’ roept hij. `Is hier komende zondag kermis?’
Mels knikt.

`Ik kom hier voor het eerst. Is het hier wat? Komt hier volk?’
`Veel kabaal en zatlappen’, zegt Mels.
`En meiden?’
`Die komen uit de stad. Ze doen hier missiewerk.’

`Nonnen?’ zegt de chauffeur verbaasd.
`Nee, net zulke meiden als in jouw vliegende schotels.’
`Dan zit ik hier goed’, lacht de chauffeur.

Mels wijst hem de weg naar het weiland achter de molen, dat sinds een paar jaar dienstdoet als evenemententerrein. Een flink stuk wei is onlangs bestraat als parkeerterrein voor de bezoekers van de feesten en van de watermolen.

De kleine carrousel, waarin hij als kind zo veel plezier beleefde, is al in geen jaren meer geweest.

Ton van Reen: Het diepste blauw (058)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (057). Een roman als feuilleton

Mels voelt zich te groot voor de draaimolen, maar hij kan er uren bij rondhangen. Hij is gek op orgelmuziek. Het is een mondharmonica in het groot.

Soms mag hij helpen met het verwisselen van de banden, maar het zijn steeds dezelfde deuntjes. `Schneewälzer’, `Holzackerbuben’, `Klatsch’ en `Muss i denn’ zijn de favorieten van de baas, maar Mels weet er soms `Roseanne, hoog te paard’ en `Er waren eens twee koningskinderen’ tussen te krijgen.

‘s Ochtends, voordat het zeil wordt weggehaald, helpt hij met het schoonmaken.
Binnen in de gesloten draaimolen is het een andere wereld, met figuren die hier hun eigen leven leiden. Paarden uit duizend-en-een-nacht. Scheepjes teruggekeerd van verre zeeën. Olifanten en leeuwen uit het oerwoud.

Binnen heerst rust. Midden tussen de kinderen die hij om zich heen op het plein hoort spelen, is hij er alleen. Buiten lijkt ver weg. Dit geheimzinnige wereldje lijkt een beetje op die andere wereld waarover hij zo vaak droomt. Hier is hij al een beetje in China.

Soms wordt de droom verstoord door spiedende ogen die door gaten in het zeil naar binnen gluren.

Ton van Reen: Het diepste blauw (057)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (056). Een roman als feuilleton

Een paar kermiswagens rijden richting watermolen. Stapvoets. Op een trailer staat de opbouw van een carrousel. Op de wanden van een andere vrachtwagen staan halfblote meiden in vliegende schotels die op enorme bromtollen lijken.

Elk jaar wordt de kermis groter. Het dorp groeit, en met het dorp groeit de kermis mee. Stonden er vroeger alleen een zweefmolen, een schommel, een carrousel, een schiettent en een viskraam, nu komen er elk jaar steeds nieuwe attracties bij, de een nog groter dan de ander. Met knallende muziek. Vorig jaar nog is hij er gaan kijken, vooral om te luisteren naar het orgel van de carrousel, maar het geluid verzoop in het lawaai.

Ton van Reen: Het diepste blauw (056)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (055). Een roman als feuilleton

Mels ligt op zijn rug op de bodem van de boot en kijkt naar de lucht. De pluimen van het riet glijden voorbij en aaien hem over zijn wang. Vogels vliegen over. Als je op je rug ligt, lijkt de wijde ruimte van de hemel heel dichtbij. Hij voelt zich het middelpunt van de grote blauwe koepel boven zich.

Het bootje haakt vast in het riet en ligt stil. De stroom ruist langs. Het water borrelt onder de boeg. Het lijkt op het rochelen van een man. Is er iemand in de buurt?

Hij gaat rechtop zitten. Er is niemand. Het borrelen komt uit een putje van de bunker die verscholen ligt in het riet op de oever. Voor de oorlog hebben er Nederlandse soldaten in gezeten, in de oorlog Duitse. Na de bevrijding kwamen de soldaten er naar de hoeren die er in waren getrokken bij gebrek aan betere behuizing. Volgens grootvader Rudolf waren het zwerfsters die hun ziel aan de duivel hadden verkocht. Ze waren er alleen ‘s nachts. Overdag sliepen ze in het hooi bij een boer die hen er flink voor liet betalen.

Mels legt de boot vast aan een tak, stapt uit en klimt door het mitrailleurgat in de bunker. Muizen vluchten alle kanten op.

Hij veegt de spinnenwebben weg. Op de vloer liggen een paar verrotte matrassen. Die hoeren moeten vuile wijven zijn geweest. Lang hebben ze hier niet gezeten. Ze zijn opgepakt en weggebracht naar een tehuis voor arme meisjes, waar nonnen hen probeerden op te voeden tot huishoudsters en pastoorsmeiden. Dat laatste was wat grootvader Bernhard erover vertelde, maar volgens grootvader Rudolf waren ze gewoon naar de gevangenis gebracht.

Smeerlappen hebben gore tekeningen op de muren gemaakt. Vrouwen met de benen wijd. Kerels met een pik van een meter. Mels begrijpt waarom kinderen hier niet mogen komen.

Hij loopt terug naar de boot en roeit tegen de stroom in terug naar het dorp.

Van ver af ziet hij de oude Amerikaanse legervrachtwagens waarop de geraamtes van de zweefmolen en de carrousel liggen opgestapeld, onder kleurig zeildoek. Hij roeit vlugger. Over een paar dagen is het kermis. Al een paar jaar mag hij meehelpen met het opbouwen van de attracties.

Ton van Reen: Het diepste blauw (055)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (054). Een roman als feuilleton

Mels veegt het angstzweet uit zijn nek. Werktuiglijk klopt hij zijn schouders af. Hij kijkt naar de silo verderop. Er is geen vliegtuig tegenaan gevlogen. Hij zit in zijn rolstoel langs de Wijer. Hij is helemaal alleen.

Hij kijkt in het water dat tegen de pilaren van de brug kolkt. Zijn ogen volgen blaadjes die mee glijden in de stroom. Tot ze plotseling worden aangezogen door een kolk en in de spiraal naar beneden worden gedrukt, gevangen in een trechter van water. Wat kan hij doen om ze te bevrijden?

Hij weet dat het door zijn eigen gevoel van gevangenschap komt. Zijn gebonden zijn doet hem meeleven met alles wat onvrij is. Wat zou hij graag, net als vroeger, in een bootje met de stroom mee drijven. Zomaar naar nergens. Net zo lang tot het bootje ergens vast komt te zitten in de begroeiing van de oever.

Zijn ogen volgen een stuk hout dat snel aan komt drijven. Te groot om te worden aangezogen, snelt het langs de kolken en duikt onder de brug door.

Ton van Reen: Het diepste blauw (054)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (053). Een roman als feuilleton

`Hé, Mels! Kom je nog!’ De stem van Thija.
Hij rent naar de Wijer.
Tijger en Thija zitten in de boot.
Tijger roeit. Thija zit op het bankje, een reistas op haar knieën.
`We gaan naar China’, roept Tijger.

Mels springt in de boot en neemt de roeispanen over. Ze zakken de Wijer af, naar het hart van het dorp.
Mels ziet de mensen naar buiten komen. Zijn moeder, samen met tante Noortje, de roodharige heks en de moeder van Thija, die een glinsterende groene jurk draagt. Ze is nauwelijks groter dan Thija en net zo dun. Die twee lijken wel zussen.
`Waar gaan jullie heen?’ roept Thija’s moeder bezorgd.
`We reizen naar China’, roept Thija.
`Hoelang blijven jullie weg?’
`Dat weten we nog niet.’
`Je moet je slaapjurk meenemen! En je tandenborstel!’
`We hebben niets nodig. In China slapen we in het paleis van de keizer.’
`Ik wil mee’, roept Thija’s moeder. `Ik wil graag terug!’
`Spring maar in de boot’, roept Thija. `Ik vang je op!’

Te laat. De boot schiet onder de brug. Mels kijkt recht in het gezicht van Lizet, die over de reling hangt, altijd benieuwd naar wat die drie aan het doen zijn. Nog net ziet hij dat ze haar rechterbeen naar voren plaatst, zodat hij onder haar rok kijkt en de kousenband rond haar dij ziet. In dezelfde oogopslag ziet hij dat Thija ziet wat hij ziet. Hij vervloekt het. Hij kan er niets aan doen dat Lizet hem altijd zo uitdaagt.

Als de boot aan de andere kant onder de brug uit komt, is hij in een vliegtuig veranderd. Heel gewoon, zoals in dromen alles heel gewoon is. In een wijde boog vliegt de kleine pipercub omhoog.
Ze zwaaien naar hun moeders.

`Kijk uit!’ roept Mels naar Tijger die aan de stuurknuppel zit, maar doordat hij naar zijn moeder zwaait, ziet hij niet dat ze recht op de silo afvliegen. Met een enorme knal spat het vliegtuig uit elkaar. Meel wolkt op.

Ton van Reen: Het diepste blauw (053)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (052). Een roman als feuilleton

Over het pad rijdt hij terug naar de brug. Boos. Er is niets over van de molen die hij zich herinnert. Niets van de sprookjesachtige wereld van vroeger. De graanzolder waar zich bokkenrijders verscholen hadden. Het molenhuis waar de stenen over elkaar schuurden, een geluid dat leek op het kermen van gemartelde heksen. Was hij er maar niet naartoe gegaan. Wat hij gezien heeft tast zijn herinneringen aan.

Had hij kunnen voorkomen dat de molen een uitspanning zou worden voor dagjesmensen? Na de dood van grootvader Bernhard was de molen opnieuw in verval geraakt. Een boer had er kalveren in ondergebracht. Later had er een autosloper in gezeten. Het weitje had zo vol hoog opgetast schroot gestaan dat de molen uit het zicht was verdwenen.

Veel te laat had hij beseft dat hijzelf de molen had moeten kopen. Voor een prikje had hij hem kunnen krijgen van de heren Hubben, die altijd eigenaren waren gebleven, maar er geen enkele belangstelling voor hadden. Nu beseft hij pas dat er geen mooiere plek was geweest om te wonen.

Toen de autosloper was verdwenen, was de molen uitgeroepen tot monument. Historisch erfgoed, dat behouden kon blijven door er een nuttig doel voor te zoeken. Dit was het dan geworden: een koek-en-zopie-tent in zuurtjeskleuren.
Waarom ergert hij zich zo aan de mensen die de molen veranderd hebben? Hij moet zichzelf verwijten maken.

Hij staat stil, vlak bij de beek. Langs de oever is een palissade geslagen, om afkalving te voorkomen. De waterlelies en lisdodden zijn verdwenen.

Ton van Reen: Het diepste blauw (052)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (051). Een roman als feuilleton

`Zo, jongens’, zegt grootvader, die het altijd druk heeft met de restauratie van de molen. `De zon is zo rood als een radijs. Vandaag krijgen we veel gratis water. Dat belooft dat we een week lang kunnen malen.’ Hij wrijft zich in de handen.

Hij geeft hun elk een bos frisse radijsjes.
`Weten jullie dat hier vroeger een kasteel stond, iets verderop langs de beek?’
`Waar is het gebleven?’ vraagt Mels, bijtend op een radijsje dat zijn tong prikkelt.
`Een paar honderd jaar geleden is het verzonken, met bewoners en al. In één nacht was alles weg. Als een straf van God voor de bewoners. Ze leefden in zonde. Ze werkten niet.’
`Dat is toch geen zonde’, zegt Thija. `Dat wil toch iedereen?’

`Verspilling van tijd was zonde. Feestvieren was toegeven aan de lusten van de duivel. De bewoners van het kasteel onderdrukten de mensen die grond en huizen van hen pachtten waar ze veel voor moesten betalen. Ze waren hoogmoedig. Op een kerstnacht moet het zijn gebeurd. In plaats van naar de kerk te gaan, vierden ze feest. Dat heeft God zo vertoornd dat hij hen met huid en haar naar de hel heeft gestuurd. Toen de mensen vroeg in de ochtend terugkwamen van de nachtmis, was alles weg. Van het slot was geen spoor meer te vinden. Maar soms kun je de klokken van het verdronken kasteel nog horen luiden.’

Ze lopen naar het weitje en gaan op de oever van de Wijer zitten, tussen madeliefjes en boterbloemen. Mels denkt na over het verhaal van grootvader. Hij kent het allang. De meester heeft het verteld, zijn moeder ook. Maar elke keer is het anders. In het verhaal van de meester was het de duivel aan wie de kasteelbewoners hun ziel hadden verkocht, Satan zelf die hen met hun hele hebben en houden naar de hel had gesleurd. In het verhaal van zijn moeder was het alleen een ridder die na dertig jaar thuiskwam van een kruisvaart en toen zijn vrouw aantrof met een andere man en een dozijn kinderen die ze van die ander had. In zijn woede had hij allen vermoord, maar net toen hij de hand aan zichzelf wilde slaan, zakte hij met kasteel en al weg in de grond, waar hij voor eeuwig zou blijven voortleven, jammerend over de moorden die hij had begaan.

Thija blaast de pluizen van een uitgebloeide paardenbloem. Wie alle pluizen in één keer wegblaast, mag een wens doen, maar je mag er niet over praten. Tegen niemand. Ook niet tegen vrienden. Mels moet op zijn tong bijten om er niet naar te vragen.

Hij trekt een pluim van het riet en steekt hem tussen de tanden. Hij buigt zich voorover en spiegelt zijn gezicht in een hoekje van de stroom waar het water stilstaat. Hij pakt zijn zakkammetje. Zijn haar is dik. De kam gaat er maar met moeite doorheen.

Hij hoort zijn moeder zingen, vlakbij, op haar veldje achter de tuin van grootvader Bernhard. Ze plukt onkruid dat ze altijd aan de kippen voert, zodat ze eieren met mooie donkergele dooiers leggen. Over het pad langs de Wijer loopt hij naar haar toe. In een opwelling laat hij haar de harmonica zien die hij al dagen in zijn zak heeft, zonder dat de anderen er iets van weten.

`Mooi.’ Moeder is verwonderd. `Hoe kom je eraan?’
`Hij is voor Tijger.’ Hij zegt het met een brok in zijn keel. `Maar nu ik hem heb gekocht, wil ik hem graag zelf houden.’
`Dan wordt het lastig.’ Moeder bukt zich naar de jonge slaplantjes om ze op slakken na te kijken. Waar ze slakken vermoedt, strooit ze zout, waarvan ze smelten. `Hou je dat ding zelf, dan heb je geen cadeau. Een geschenk is pas een echt geschenk als je iets geeft wat je graag voor jezelf wilt houden.’

Mels wil daarover nadenken. Dat kan hij beter als hij alleen is.
Hij loopt terug naar de molen en klimt over de buitentrap naar de zolder. Het is een plek waar ze vaak komen. Soms is hij er alleen.

Hij gaat op de grote weegschaal zitten en kijkt door het raam naar buiten. Nu hij hier binnen is, valt hem ineens op dat de wereld buiten heel anders is dan wanneer hij buiten is. In de stilte van de zolder is dit een plek die onaards is. Het komt door de zon die de spinnenwebben die in lagen voor de ruitjes zijn geweven in tovergordijnen verandert.

Ton van Reen: Het diepste blauw (051)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (050). Een roman als feuilleton

Een man op een racefiets stopt bij Mels, trekt hem op het pad en jaagt weer verder. Alles zonder woorden, in grote haast, om de verloren tijd goed te maken.

Tegenover de molen staat de villa die directeur Frans-Joseph heeft laten bouwen. Zo groot als het huis is, toont het vooral hoe klein de watermolen is. Het is respectloos tegenover de geschiedenis van de fabriek waarvan de wortels bij de watermolen liggen. Na het vertrek van Frans-Joseph naar Zwitserland heeft het grote huis een paar jaar leeggestaan. Nu wordt het verbouwd. Niemand weet voor wie.

Op de parkeerplaats bij de watermolen staan al auto’s. Het huis van grootvader Bernhard is veranderd in een restaurant met dagcafé. Er lopen mensen rond de molen. Ze fotograferen elkaar bij het draaiende waterrad dat gifgroene schoepen heeft gekregen die blikkerig rammelen, alsof er kiezelstenen in rond rollen. Het geluid is zo onecht dat het pijn doet in de oren van iemand die het geluid van de oorspronkelijke molen kent.

De molen lijkt op een sprookjesmolen uit een kinderboek. Het is een museum geworden, met winkel. Er worden pakken meel van verschillende graansoorten verkocht. En koeken, gebakken volgens een recept van de vroegere molenaarsvrouw. Dat staat op het etiket. Maar Mels kan zich geen molenaarsvrouw herinneren, of het moet de weduwe Hubben-Houba zijn, maar ze was al dood voordat hij werd geboren. Van haar weet men nog nauwelijks iets. Op het kantoor hing een vergeelde foto van haar. En hij kent haar handschrift van de rekeningen en loonboekjes.

Hij proeft het stukje koek dat hij, net als iedereen die plaatsneemt op het terras, aangeboden krijgt. Het smaakt naar zoet brood. Maar niet dat van vroeger. Zo zoet, dat bestond toen niet.

Door de openstaande deur ziet hij dat de as die het waterrad koppelt met de overbrenging naar de molensteen is losgemaakt. Achter een kast zit een elektromotor verborgen die de molen aandrijft. Wie niet weet hoe het maalwerk werkt, ziet het niet. Het waterrad draait nutteloos rond. Het maakt Mels kwaad. Zo wordt het publiek dat meel uit grootmoeders tijd koopt, belazerd.

Hij bestelt koffie. Het meisje dat de bestelling noteert, vraagt achteloos of hij ook een pak koeken wil kopen. Hij geeft geen antwoord. Hij windt zich op over het bedrog.

Hij zit vlak bij het keukenraam van grootvader Bernhard. Vroeger was het donkerblauw, nu is het geverfd in een zoetroze kleur. Niets is hier nog echt. Van het werk van grootvader Bernhard, die de molen had teruggebracht in zijn oorspronkelijke staat, is niets over.

Ton van Reen: Het diepste blauw (050)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (049). Een roman als feuilleton

`Koop je veters van me? Knopen? Karamels? Ulevellen?’

In de schaduw van de linden staat de zigeunerin die soms in het dorp komt venten, aan de ene arm een tas met koopwaar, op de andere arm een kind. Haar man zit op het stoepje voor een huis een sigaret te roken. In zijn karretje liggen dikke rollen touw, voor paarden en schepen. Jammer dat in dit dorp de paarden langzaam maar zeker vervangen worden door vrachtwagens en tractors en dat er buiten een paar roeibootjes op de Wijer geen schepen te vinden zijn.

Alleen grootvader Bernhard werkt nog met touw, voor de hijsinrichting in de watermolen. Hij leert hun hoe ze touw moeten knopen, om sterke verbindingen te maken.
Een jongen van zijn eigen leeftijd zit roerloos onder een boom. Hij kijkt naar Mels als een kat die weet dat ze bespied wordt. Het is Jacob, nu ziet hij het pas.

`Heb je je viool bij je?’ vraagt Mels.
`Ik speel niet meer.’
`En je bent zo goed.’
`Wat ik mooi vind, vinden de mensen niet mooi.’
`Toen speelde je “Twee koningskinderen”.’
`Weet ik. Ik speelde het vaak. Te vaak. Ik speel het nooit meer.’
`Ik snap hem niet’, zegt zijn vader. `Hij verdient tien keer zoveel met zijn viool als ik met de verkoop van touw.’

Pas heeft Mels nog met grootvader over zigeuners gesproken. Zoiets noemt Thija een voorschouw. Dat je praat over iets waar je nog niets van weet maar dat binnenkort gaat gebeuren. Thija heeft dat vaak. Ze is helderziende. Soms weet ze dingen over hen die ze eigenlijk helemaal niet kan weten. Of dingen die hij gedroomd heeft. Sommige kinderen op school zijn bang voor haar, omdat ze met haar lichte ogen door hen heen kan kijken.
De vrouw heeft zwart haar en donkere ogen en draagt een bonte rok met diermotieven die tot op de grond hangt. Vogels, eekhoorns, konijnen, alle dieren van het bos leven met haar mee in de beweging van haar rok.
`Voor een stuiver karamels’, zegt Mels.

Ze telt tien karamels af, licht- en donkerbruin in doorzichtige papiertjes. Ze doet er gratis vijf ulevellen bij.
`Dank u wel.’
`Je lijkt op mijn jongen’, zegt ze.
`Oh’, antwoordt hij verbaasd. Meer weet hij niet te zeggen. Sabbelend loopt hij naar de boot. Hij voelt zich wat ongemakkelijk. Het was net of de zigeunerin hem iets wilde vertellen. Hij had haar ook wat kunnen vragen, nu is het net of het hem niet interesseert.
Hij hoort dat hij gevolgd wordt. Het is de jongen.

Mels springt in de boot.
`Is die boot van jou?’
`Ja.’
`Ik wil ook graag varen.’
`Als je wilt, mag je een stuk mee.’
`Vandaag kan niet. We gaan zo naar huis.’
`Dan een andere keer.’
`Graag. Zit je op school?’
`Ja, natuurlijk. Jij dan niet?’
`Geen tijd voor. Nou, tot gauw.’
`Tot ziens.’
Mels roeit weg.

Ton van Reen: Het diepste blauw (049)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (048). Een roman als feuilleton

Het kleine winkeltje van juffrouw Fijnhout zou in de erker passen die de entree tot de nieuwe zaak vormt. De huizen die vroeger rondom haar winkeltje lagen, zijn een voor een opgekocht en bij het pand getrokken. De winkel is nu een straatlengte breed.

Winkeljuffrouw Christine ziet Mels voorbijrijden en steekt haar hand op. Hij groet terug. Niet iedereen heeft een hekel aan hem. Ook de mensen die tot het laatst in de fabriek werkten, steken meestal hun hand op. Kameraadschap tussen mannen die samen de donkerste tijden hebben doorgemaakt. Vaak zijn het Turken, arbeiders van de laatste groepen die in het buitenland geronseld werden. Hij heeft ze altijd geholpen, ervoor gezorgd dat hun papieren in orde waren, dat hun gezinsleden konden overkomen en dat ze een flat kregen toegewezen. Hij heeft ze geholpen met het inrichten van een gebedsruimte in een leegstaand lokaal van de school en met de vergunningen voor de bouw van een moskee, achter het voetbalveld. Daar hebben ze nu ook een ontmoetingsruimte, een winkel en een islamitische slagerij.

Van de Turken verwacht hij er ook een aantal bij zijn lezing. Hij heeft immers ook foto’s van hen toen ze hier aankwamen: jonge jongens met verbaasde ogen, onderdanig en beleefd. In onwennige slobberige pakken, maar allemaal met stropdassen. Ze waren heel anders dan hun zonen die hem nu met hun snelle auto’s de stuipen op het lijf jagen. Van die tweede generatie verwacht hij niemand. Ze hebben nooit in de fabriek gewerkt. Er zitten er een paar in de handel. Niemand weet precies wat ze doen. Auto’s, drugs, dat zegt men. Ze scheuren op en neer tussen het dorp en de stad. Ze bezitten videotheken en slagerijen. Of dat waar is? En sommigen brengen klanten uit de stad naar de hoerenkast van mevrouw Lecoeur, die sinds een paar jaar in het dorp zit. In de paar winkels die het dorp rijk is, zijn ze graag gezien, want ze kopen bloemen, drank en lekkernijen. Ze hebben het geld los in de zak. Misschien dat hun ouders daarom zo zuur kijken. Hun vaders, de verbaasde jongemannen van toen, zijn gaan lijken op hun vaders die ze hebben achtergelaten in de dorpen in Turkije. Uit heimwee zijn ze zich net zo gaan kleden als de mensen vroeger thuis.

Misschien komen de Turkse arbeiders samen met hun vrouwen. Dat hij daar niet eerder aan heeft gedacht! Ook de andere arbeiders zullen hun vrouwen meebrengen. Die kennen hem ook allemaal. En hun vrienden. Of kinderen die hen begeleiden. Vijftig stoelen is te weinig.

Doet hij er wel goed aan de voorstelling te houden in het zaaltje van het café? Het is te klein. Hij onderschat de mensen. Hij had de parochiezaal moeten huren. Er kunnen er een paar honderd in. Maar dan had hij het probleem met de koffie. Daar kan hij zelf niet voor zorgen. En zijn vrouw en dochter? Nee, hij had het hun niet durven vragen. Stel je voor dat hij de parochiezaal had gehuurd en dat Lizet en Marjan hadden geweigerd voor de koffie te zorgen? Gênant. Het is beter dat de kastelein het doet. Als het echt te druk wordt, is een tweede presentatie mogelijk. En een derde. Bij succes kan alles.

Maar komen de Turken wel naar het café? Hij ziet er nooit een. De ouderen drinken geen alcohol, maar dat hoeft ook niet. In de parochiezaal ziet hij hen ook nooit. Moet hij een aparte voorstelling houden in hun eigen ontmoetingsruimte? Hij twijfelt. Waarom zou het hém wel lukken alle groepen uit het dorp in het café bij elkaar te brengen. Zelfs in de fabriek was er een tweedeling. Turken wilden in een ploeg met Turken. In de kantine zaten ze in een aparte hoek. De Turkse vrouwen die met inpakken hielpen, hadden een eigen hoekje in de inpakkerij. Ze kwamen niet eens in de kantine, want daar zaten ook andere mannen.

De kantine was altijd de toren van Babel van de fabriek geweest. Elke hoek voor een ander soort arbeider. Oorspronkelijk was de hoek bij de koffiebar de plek waar de arbeiders uit het dorp zaten. Vaders en zonen, mannen die er van generatie op generatie werkten, voor wie nooit iets anders had bestaan dan de fabriek. De hoek bij de kleedruimte en de wasplek was altijd bezet door de arbeiders die van her en der waren gekomen. Als eenlingen die ze in het begin waren, hadden ze ten slotte een eigen clan gevormd. Daar zaten zelfs protestanten tussen die op zondag naar kerken in de stad gingen. Dan was er de hoek van de ploegbazen, die stoelen hadden, terwijl de gewone arbeiders het moesten doen met banken aan tafels. De hoek naar de buitendeur was de hoek van de Turken, met een groot raam naar buiten. Ze moesten om zich heen kunnen kijken. Op een werkplek waar ze de lucht niet konden zien, gingen ze niet staan. Dat vertikten ze. Het waren buitenmensen.

De seizoenarbeiders kwamen zelden in de kantine. De meesten aten hun boterham op hun werkplek. Net als de mensen van kantoor. Die bleven achter hun bureau zitten om te lunchen. Zij mengden zich niet graag met de arbeiders. Dat was pas veranderd toen de directeuren erop aangedrongen hadden. In de laatste tien jaar van het bestaan mocht er geen verschil meer worden gemaakt tussen mannen in overalls en kantoormensen. Er was een aparte tafel gekomen voor de witteboordenmensen, dicht bij het koffieapparaat.

De kantine was het dorp op een kleinere schaal. Het oude dorp met de arbeiders van vader op zoon. De nieuwbouwwijk, met de nieuwkomers. De Turken en Marokkanen in hun flats. De werkbazen en het kantoorpersoneel in de bungalows aan de andere kant van het voetbalveld. Vier wijken die weinig met elkaar te maken hadden.

Hij stopt bij de brug en legt zijn hand op de leuning. Vanaf hier kan hij een heel eind over de Wijer uitkijken. Door de lichtval lijkt het of het water terugstroomt naar de bron.

Hij rijdt het verharde pad af, dat op de plaats ligt waar vroeger het zandpad langs de Wijer liep. Een paar skaters schreeuwen hem van het pad. Als ze voorbij zijn, zitten de voorwielen van de rolstoel vast in het modderige bermgras. De motor trekt het niet. Hij vloekt.

Ton van Reen: Het diepste blauw (048)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature