In this category:

Or see the index

All categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

– Het diepste blauw

· Ton van Reen: Het diepste blauw (107). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (106). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (105). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (104). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (103). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (102). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (101). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (100). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (099). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (098). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (097). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (096). Een roman als feuilleton

»» there is more...

Ton van Reen: Het diepste blauw (107). Een roman als feuilleton

Stil luistert hij naar de zangerige stem van de juf. Luisterend naar de beschrijving van de duivel, die er in zijn nette pak nog deftiger uitzag dan de burgemeester, droomt Mels weg.

Zijn hoofd zakt op de klep van zijn lessenaar. Vaag ziet hij de bloemen op de vensterbank. De juf kweekt ze zelf. De bloemen die nog geen naam hebben, geeft ze namen van de meisjes in de klas. Alina is een plant die Mels ook kent als wilde aardbei.

`Niet’, zegt de juf.

`Wel’, zegt Mels.

Melanie lijkt op een vergeet-mij-niet maar is het niet.
De bloem die naar Thija is genoemd is een wild viooltje met gele blaadjes. Lizet is een snijgeranium. Micha is een roos in een nieuwe kleur rood.

Door het vertellen wordt de klas om hem heen een grote ballon die uit het dorp opstijgt en, net als de zeppelin die ze pas hebben gezien, over de Wijer weg zweeft.

Hij ziet zichzelf kleiner worden, tot hij tussen de wolken zweeft en hij er nog alleen maar, hand in hand, in zit met Thija. Ze draagt een lange rok die tot over haar schoenen hangt en ze heeft een strik in het haar die zo groot is dat ze onder zijn neus kriebelt als ze zich naar hem toe buigt.

Precies zoals op de dag van haar vertrek.

Ton van Reen: Het diepste blauw (107)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (106). Een roman als feuilleton

`Ken jij dat verhaal nog, over die koopman?’ vraagt Mels. `Het verhaal dat de juf voorlas?’

`Ik ken het nog’, zegt Tijger. `Het verhaal van de man in het zwart, die als een koopman langs de huizen ging. Als de mensen aan de deuren kwamen, lichtte hij zijn hoed, zodat ze de horentjes op zijn hoofd zagen.

Niemand durfde de duivel te weigeren iets van hem te kopen. Maar wat hij te koop aanbood, maakte hen bang. Het waren lege zakken, lege dozen en holle vaten met niks erin. Voor veel geld had je niks gekocht. De duivel verkocht alleen maar lucht. Daar betaalden de mensen voor, uit angst door hem te worden meegenomen. De duivel was de patroon van de kooplui, hun leermeester en hun voorbeeld.’

`Precies, zo ging dat verhaal’, zegt Mels. `Vroeger kende ik het vanbuiten.’
`Daarin was jij beter’, geeft Tijger toe. `Je had een open oor voor verhalen. Maar met sporten was ik beter. Ik heb vaak van je gewonnen.’
`Je kon niet tegen je verlies. Erger was dat je altijd beloond wilde worden. Mijn zakmes, mijn vulpen, jij pikte het allemaal in.’
`Kleine dingen maar. Weet je nog dat we onder de brug door voeren en Lizet op de brug stond. Weet je dat ik je bij de volgende overwinning de kousenband van Lizet had willen vragen?’

`Daar was ik nooit op ingegaan’, zegt Mels een beetje driftig. `Ik kon Lizet niet uitstaan.’
`Je kon je ogen niet van haar afhouden.’
`Hou op.’
`Ik vind het niet gek dat je met haar getrouwd bent.’
`En Thija?’
`Nu denk ik dat het ook een wedstrijd was.’
`Voor jou?’
`Ja, zeker voor mij.’
`En jij zou hebben gewonnen?’
`Ik won toch altijd alles?’

Ton van Reen: Het diepste blauw (106)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (105). Een roman als feuilleton

`Knikkeren?’ vraagt Tijger.
`Heb je penningen?’
`Twee. Ik zet. Jij gooit.’
Tijger gaat op zijn kont zitten, de benen uit elkaar, de penning, met de beeltenis van de Duitse keizer, staat op zijn rand. Mels probeert hem te raken, maar alle knikkers gaan er langs. Ze rollen Tijgers broekspijpen in.

De schoolbel maakt een einde aan het spel. Fluisterend lopen ze door de gang naar het natuurkundelokaal. Binnen ruikt het naar krijt en naar de meisjes die in het uur daarvoor les hebben gehad. Meisjes krijgen altijd apart natuurkundeles, omdat ze iets moeten leren wat jongens niet mogen weten.

Juf Elsbeth zet de fles kikkervisjes op haar lessenaar en begint te praten over het wonder van de schepping. Haar stem zakt weg in het geluid van motoren buiten. De ruiten van de klas trillen van het zware gebrom van de vrachtwagens die door de slurf van de silo worden leeggezogen. Een man staat op het dak van de silo en draait met een handel de slurf hoger op. Hij schreeuwt tegen de stem van de juffrouw in. `Joehoe, joehoe!’ Niemand lijkt hem te horen. Een van de ruiten van het klaslokaal protesteert tegen het lawaai op deze zonnige middag, waarop het rustig hoort te zijn, en springt met een knal in tweeën. Splinters spatten over de leerlingen, als kleine stukjes ijs.

Ton van Reen: Het diepste blauw (105)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (104). Een roman als feuilleton

Een wolk schuift voor de zon. De beelden van grootvader en het molenhuis lossen op. Mels hoort alleen nog de stemmen van het kerkhof. Als bijen zoemen ze rond zijn hoofd.

Er zijn ook stemmen die hij niet wil horen, maar het is moeilijk er zijn oren voor te sluiten. Hij hoort zijn vittende vader, die op hem kankert omdat hij lui en te speels is. `Je moet beter je best doen! Je verlummelt je tijd! Je bent net zo lui als je moeder, die zit ook altijd in de zon! Je denkt toch niet dat ik voor niets voor je werk! Zat je alweer in je bootje op de Wijer! Was je weer bij je grootvader Bernhard! Van die man leer je niets goeds!’

Hij rilt van afschuw. De kreten van zijn vader, die altijd terug blijven komen. Door zijn ongenoegen over het leven was hij zelf vroeg gestorven. Hij haatte de zon. Hij kende alleen plicht.
Om de stem van zijn vader terug te dringen in het graf, draait hij zijn hoofd weg en luistert naar de vogels die rond de silo vliegen. Hij wil nu niet denken. Het brengt de ergernis terug in zijn hoofd. Het wordt steeds moeilijker om die te onderdrukken. Zijn hersens raken erdoor op drift. Hij kan zich steeds minder goed beheersen. Zijn hoofd laat zich niet meer dwingen. Zijn hersens zijn aangetast. Hij herinnert zich dingen die hij niet meer kan plaatsen. Gesprekken die hij met Wilkington heeft gevoerd. Wilkington die hem vertelde hoe het bij hem thuis was. En over een kamertje dat bestemd was voor zijn zoon, maar dat altijd leeg was gebleven. Hij moet die gesprekken hebben gefantaseerd, want hij heeft Wilkington nooit gezien.

Nooit heeft hij geweten dat de graansilo zo veel vogels herbergde. Ze wonen in alle kieren en gaten. Ze vliegen door de kapotte ramen naar binnen en ze zingen en fluiten. Ze zijn vrolijk, maar misschien zouden ze zich ongerust moeten maken, nu Bouwbedrijf Leon van Wijk en Zonen een begin heeft gemaakt met de bouw van appartementen in de silo. De nesten zullen worden vernield.
Langgeleden is hij op het dak geweest, samen met Tijger en Thija. Twaalf jaar waren ze toen. Langs de stalen trap in de fabriek waren ze naar boven geklommen. Van boven had het dorp op een sprookjesdorp geleken.
Op hun rug hadden ze op het dak gelegen, met het gevoel veel dichter bij de wolken te zijn en er zo op te kunnen stappen om weg te zeilen. Onder een veel grotere hemel. En Thija had een gedicht van Jacob over zijn eenzaamheid voorgelezen.
De bouwlift komt omhoog en stopt. Hij hoort de stappen op het dak, achter zijn rug. Ze komen hem halen.

`Je zit hier mooi.’ Het is de stem van Tijger, achter hem, diep, zoals de stem van een zestigjarige. Hij schrikt niet eens dat Tijger zo dicht bij hem is.
Zijn vriend Tijger. In zijn dromen heeft hij altijd met Tijger gepraat. Soms was Tijger twaalf, maar vaak was hij net zo oud als hijzelf. In leeftijd blijkt hij gewoon meegegroeid, zoals een echte vriend voor het leven meegroeit.
`Kijk, het dak van mijn ouderlijk huis’, zegt Mels. `Ik ben er altijd gebleven. Ik heb er met mijn moeder gewoond tot ze stierf. Ik ben er gebleven toen ik trouwde. Als je erop neerkijkt, lijkt het heel mooi.’
`Op afstand is alles mooi’, zegt Tijger. `Maar het is écht een mooi dorp. Schilderachtig zelfs, omdat je nu de silo niet ziet. Als je beneden bent, zie je altijd die rottige toren.’
`Ze knappen de silo op’, zegt Mels. `Ze vinden hem mooi omdat hij oud is. Snap jij dat?’

`Oud is altijd mooi’, zegt Tijger. `Een natte oude krant die opdroogt in de zon wordt ook weer mooi. Ik blader graag in oude kranten. Op het kerkhof krijgen we geen andere kranten dan verwaaide oude kranten. Vaak zijn de letters bijna opgelost door zon en water. Je weet nooit precies wat je leest.’
`Zo is het met nieuw nieuws ook’, zegt Mels. `Je weet nooit precies wat ze je vertellen willen. Hoor jij de stemmen van beneden ook?’
`Waar praten ze over?’
`Veel zul je er niet meer van begrijpen. Alles is anders. Iedereen is anders. Bijna niemand van de mensen die hier nu wonen kent je nog.’
`En mijn zus?’
`Ze herinnert zich niet veel van je.’
`En mijn moeder?’
`Ze heeft zich opgehangen. Ze is nooit over het verlies van jou heen gekomen.’
`Wat spijt me dat’, zegt Tijger met een brok in zijn keel. `Als ik alles had geweten, zou ik niet zo’n waaghals zijn geweest.’
Hij loopt naar de rand van het dak en gaat zitten, zijn benen bungelend over de rand.
`Je bent nog net zo’n waaghals’, zegt Mels. Het valt hem op hoe kaal zijn vriend is geworden. Hij heeft veel weg van grootvader Bernhard.
`Ik wilde altijd alles voor honderd procent’, zegt Tijger.
`Als je toen niet verongelukt was, zou het later wel gebeurd zijn. Niet veel later. Als je zestien of twintig was geweest. Met jouw waaghalzerij zou je nooit oud zijn geworden.’
`Ik ben nooit bang geweest. Soms, in mijn slaap. Maar nu ben ik wel bang.’
`Waarvoor?’
`Voor het leven dat ik heb gemist.’
`Maar je bent teruggekomen.’
`Je weet het toch nog wel’, zegt Tijger. `John Wilkington. Je was er toch zeker van dat zijn ziel in jou doorleefde.’
`Dat denk ik nu nog.’
`De dochters van Wilkington hadden je zussen kunnen zijn.’

Mels is verbijsterd. Opeens begrijpt hij waarom zijn vader zo afstandelijk was. Dat hij nauwelijks woorden had voor zijn moeder. Dat hij altijd weg was.
`Je schrikt er toch niet van’, zegt Tijger. `Je bent uit liefde geboren, wat wil je meer? Zonder Wilkington op zolder was je er nooit geweest.’
`Je hebt gelijk. Ik moet hem dankbaar zijn.’
`Bovendien leef je voort. Je hebt een dochter. Kleinkinderen. Maar ik? Jij bent de enige die nog aan mij denkt. Straks, als jij ook weg bent, ben ik totaal vergeten. Dat maakt me bang. Ik ben bang voor de eenzaamheid. Om hier altijd te moeten blijven.’
`Misschien is het dat wat ze eeuwigheid noemen’, zegt Mels. `Dat je ergens voor altijd blijft.’
`Maar toch niet hier! Weet je nog dat wij vroeger ook wel eens stiekem op het dak van de silo stonden?’ Tijger schuift wat achteruit, trekt zijn benen op en gaat staan.
`Het is maar één keer gebeurd’, zegt Mels. `Toen Thija dat gedicht van Jacob las.’
`Vaker.’
`Dat herinner ik me niet.’
`Ik wilde vleugels maken, om naar beneden te zeilen.’
`Dat klopt. Jij wilde vliegen. Je hebt het niet geprobeerd. Je zou te pletter zijn gevallen.’
`Als iedereen zo denkt, durft niemand wat. Als niemand had willen vliegen, zouden er nog steeds geen vliegtuigen zijn.’
`Zou jij het vliegtuig hebben uitgevonden?’
`Dat denk ik wel. Als ik was blijven leven wel. Ik zou zeker hebben gevlogen.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (104)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (103). Een roman als feuilleton

Grootvader Bernhard heeft een flesje in zijn hand en dept azijn op de arm van Thija, die door een bij is gestoken. Thija wordt vaak gestoken.

`Heb je de angel er uitgezogen?’ vraagt grootvader.
Thija laat het kleine zwarte puntje zien op de nagel van haar wijsvinger, maar door zijn kippige ogen ziet grootvader het niet.
`Rotbijen’, zegt Thija. `Waarom steken bijen vooral meisjes?’
`Meisjes hebben zoet bloed’, zegt grootvader. `Jullie zijn van suiker. Vroeger woonde er een meisje in ons dorp dat helemaal door de bijen is opgegeten. Van haar hebben ze alleen de botten teruggevonden.’

`Vorige week vertelde u dat ze door een wolf was opgegeten.’
`Zei ik dat? Dan moet ik me toen hebben vergist. Zie je, ik word oud. Ik haal de dingen door elkaar. Ik denk dat er twee meisjes zijn opgegeten, een door bijen en een door een wolf.’
`Dat van die wolf is waar’, zegt Mels. `Grootvader Rudolf vertelt het ook. In een strenge winter, langgeleden, zijn de wolven uit het bos gekomen en hebben een meisje opgegeten.’
`Ik denk dat Rudolf het verhaaltje over het meisje dat is opgegeten door de wolf zelf in omloop heeft gebracht.’
`Zoals u het praatje over het meisje dat is opgegeten door de bijen zelf hebt bedacht?’

`Zo zal het wel zijn gegaan’, lacht grootvader. `Oude mannen vertellen maar wat. Zo ontstaan verhalen. Sommigen schrijven ze op. En dat leren jullie dan op school als geschiedenis.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (103)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (102). Een roman als feuilleton

Voor de bouwvakkers zit de werkdag erop. Ze lopen terug naar de auto en vertrekken. Mels rolt naar de silo om het resultaat beter te bekijken. De steigers staan al een paar meter boven de grond.

De deur van de voormalige directiekamer staat open. Hij kan er zo binnenrijden. De meubels van de laatste directeuren staan er nog. Alles is gebleven zoals het was. Niemand heeft ooit de moeite genomen hier iets weg te halen. Alles is verrot en vervuild. Het heeft voor niemand waarde meer. Het ziet ernaaruit dat de arbeiders het allemaal in een container voor grof vuil zullen gooien.

Het gepolitoerde bureau van Frans-Joseph zit onder het vuil. De kast, met de monsters van de meelproducten die ze maakten, staat er nog. De affiches aan de muur, huisvrouwen die glunderend hun pakken meel vasthouden. De foto’s van de stichters van de fabriek, de weduwe Hubben-Houba zo breed als de molenaar zelf, aan haar rokken zoon Frits, die later de molen zou overnemen, en Tom, de zoon die naar Amerika zou verdwijnen. En de dochters die naar het klooster werden gestuurd, zodat ze geen beroep konden doen op de erfenis, en zo geruisloos uit de geschiedenis van de familie en van de fabriek werden weggesluisd.

De grote foto van Frits Hubben, de erfgenaam die het bedrijf liet verhuizen van de watermolen naar de fabriek, zittend aan een bureau. Naast hem de twee zonen, Frans-Hubert en Frans-Joseph, beiden al met een blik in de ogen die verraadt dat het hen allemaal geen bal interesseert.
De foto’s van de laatste generatie. De kinderen van Frans-Hubert en van Frans-Joseph, van wie niemand nog in het bedrijf heeft gewerkt, vrolijk lachend bijeen op een grasveld voor een villa.

Hij vindt het jammer dat hij niet eerder wist dat dit hier allemaal hing te vergaan. Hij had het graag willen behouden. De foto’s had hij kunnen bewaren in zijn archief, maar nu zijn ze waardeloos. Vocht heeft ze aangetast en beschimmeld. Waterkringen lopen door het rottende papier. Deze rotzooi kan hij niet meer mee naar huis nemen, ook al zou hij het willen. Lizet wil het zeker niet in huis hebben.

In een laatje vindt hij stukken van het reclamearchief, waar Frits Hubben zo zorgvuldig mee omging. Foto’s van vrouwen die verlekkerd een beslag kloppen, met in hun hand een pak patentmeel van Hubben. Foto’s van de verpakkingen van Luxe- en Excellentmeel, die zo mooi zijn dat ze van meel een kostbaarheid maken. Een foto van een dikke man, glunderend met een pak anti-obstipatiemeel vol zemelen in de hand, het wondermeel waarvan hardlijvige mensen een gezonde stoelgang zouden krijgen. Foto’s in een bakkerij waar de balen Hubben Broodmeel hoog liggen opgeslagen, en de bakker en zijn knechten trots de glimmende broden met suikerkorst tonen. Winkels in levensmiddelen en koloniale waren met Hubbens bijzondere soorten brood- en bakmeel in de rekken. Hubbens broodmeel in Indonesië en Zuid-Afrika. Alle foto’s stralen glorie uit en demonstreren daardoor des te meer hoe onnodig de ondergang van de fabriek was.

In zijn woede grijpt hij een pot met een verdroogde bloem van de vensterbank en gooit hem naar het familieportret van de lapzwansen. Het glas rinkelt. Dat doet goed.
Dan pas ziet hij de bouwlift, aan de achterkant van de silo. Die moeten ze vandaag hebben geplaatst. In een opwelling rijdt hij ernaartoe en rolt het platform op van de lift. Hij drukt op de knop. Het ding werkt. Ze hebben vergeten de stroom uit te schakelen.

Langzaam gaat hij naar boven. Het is opwindend. Hij voelt zich een klein kind dat iets doet wat verboden is.
De lift staat stil. Hij is op het hoogste punt aangekomen. Nu weer naar beneden? Of het dak op? De vloerplaat kan uitgeschoven worden. Door een druk op een knop schuift de plaat tot op het dak en vormt een brug.
Hij rijdt het dak op. Hij kijkt rond en voelt zich vrij.

Op nog geen halve meter van de rand stopt hij de rolstoel. Tussen zijn voeten doorkijkend, in de diepte, ziet hij het dorp zoals een vogel het ziet. De rookpluimen boven de rode, blauwe en grauwe daken. Hij kan ze tellen. Nu hij er bovenop kijkt, ontdekt hij de regelmaat in het patroon. Broederlijk liggen de huizen dicht naast elkaar. Hun goten omarmen elkaar en verbinden meer dan honderd huizen. Aan elkaar gesloten pannenrijen, rood, blauw en grijs, versterken het beeld van een gesloten dorp.

Vanaf hier is zijn huis het zevende dak van rechts. Als je het dorp vanaf het noorden binnenkomt, is zijn huis het derde aan de rechterkant. Kom je vanuit het zuiden, dan is het ‘t tweeëntwintigste huis aan de linkerkant. Kom je van de weg langs de Wijer, dan is het vanaf de brug het zevende huis rechts, aan de overkant van de straat.

Zou je met een bootje over de Wijer het dorp binnenvaren tegen de stroom op, dan is het het negende huis links. Tegenover zijn huis ligt slagerij Kemp. Kemp levert bierworst aan café De Zwaan, dat aan de andere kant van de brug ligt, en fijne vleeswaren als er in De Zwaan een uitvaartmaal wordt geserveerd of als er een trouwpartij is.

Maar er komt niemand over de Wijer het dorp binnenvaren. Nu, laat in de middag, is de beek een zilveren streep tussen de weilanden, die soms heel even zwart wordt als er een wolk voor de zon trekt. Vanmiddag zijn er weinig wolken. De zon schijnt zo overdadig dat de miljoenen margrieten langs het riviertje een breed wit tapijt vormen. De oevers zijn net zo wit als vroeger, toen de weide wit was omdat zijn moeder er de lakens op te bleken had gelegd en hij haar moest helpen om stenen op de hoeken te leggen, zodat de wind ze niet kon meenemen.
Van bovenaf lijkt het dorp veel lieflijker dan het in werkelijkheid is. Het centrum van vroeger is maar klein. De huizen staan er dicht op elkaar, alsof ze bang zijn voor de uitgestrektheid van de velden, weilanden en bossen die het dorp omringen, maar vooral voor de groeiende buitenwijken.

Hoewel het dorp diep beneden hem ligt, lijkt alles waar hij naar kijkt toch heel dichtbij. De wand van de silo versterkt de geluiden van beneden, zodat hij alles hoort wat zich daar afspeelt. Er zijn maar een paar mensen op straat, maar doordat hij van zo hoog op hen neerkijkt, hebben ze hun proporties verloren: het zijn gedrongen poppetjes.

Nu hoeft hij alleen maar de rem van zijn rolstoel te ontkoppelen, de wind zal hem wel een zetje willen geven. Voor het eerst sinds lang zullen ze naar hem kijken, allemaal, daar in het dorp. Hij glimlacht bij de gedachte, juist omdat hij dat niet nodig heeft. Hij hoeft geen aandacht, hij wil alleen maar dat ze weten wie hij is.
Hij hoort hoe de mensen met elkaar praten. De daken kunnen wel het zicht op de mensen verbergen, maar nemen niet hun stemmen weg. Hij meent zelfs het ademen van de baby in de tuin van zijn dochter te horen. En het snorren van de poes, die als een bal opgerold aan het voeteneind in de kinderwagen ligt. Het is gevaarlijk. De kat mag niet op de baby gaan liggen, dat zou de dood van het kind kunnen betekenen.

Eigenlijk zou hij moeten schreeuwen, om de kat te verjagen. Maar het beest zal hem niet horen. Van beneden kan niemand hem horen. Hij heeft eens een man vanaf het dak van de silo naar beneden zien schreeuwen, de mond wijdopen, de handen als een toeter aan de mond, maar niemand hoorde hem.
Het is zelfs nog maar de vraag of ze hem van de straat af kunnen zien. Als ze naar boven zouden kijken, kijken ze tegen de onderkant van de rolstoel aan, de voetenplankjes. Ze zullen denken dat het ding iets is van de aannemer die de silo verbouwt.

Opeens hoort hij zoemen achter zijn rug. De lift. De vloerplaat wordt naar binnen gehaald. Dan zakt de lift naar beneden. Heeft iemand hem ontdekt? Halen ze hem nu van het dak?
Hij hoort veel stemmen tegelijk en doet moeite om het koor van geluiden te ontrafelen. Een voor een weet hij de stemmen in zijn oren te ontcijferen. De stem van Kemp, de slager, de stemmen van de samenwonende nichtjes Tinie en Tinie van de Bercken, die beiden al bijna honderd moeten zijn en theedrinken op het terras achter het huis waarmee ze samen in de tijd wegzakken. De postbode, die `post!’ roept bij elke brievenbus waar hij wat in gooit, ook bij een huis dat al jaren leegstaat en waarin de post zich in de gang tot een berg heeft opgehoopt.

Hij hoort niet alleen de stemmen van degenen die beneden zijn, er klinken ook fragmenten door van stemmen van langgeleden. De bewoners van het kerkhof. Grootvader Bernhard. Juffrouw Fijnhout. Ze zijn rumoerig en praten door elkaar heen, net of ze hem allemaal tegelijk iets willen zeggen. Of ze hem roepen. Eén stem is goed te verstaan omdat hij zacht en rustig is. Grootvader Bernhard. Fragmenten van zinnen. `Zonnebloemen zijn … zomerbui … lusten jullie een … heb ik al klaar’, waaruit Mels begrijpt dat regen goed was voor zonnebloemen en dat grootvader glazen limonade voor hen op het aanrecht heeft staan. Hoewel grootvader Bernhard steeds stukken van zinnen inslikt, begrijpt hij hem toch goed als hij zegt: `Niet doen … is heilig … niet de hand aan …’ Even ziet hij hem zitten, in zijn leunstoel, boven op de betonnen grafsteen, maar dan lost zijn beeld op in het zonlicht om weer op te duiken bij het molenhuis, op zijn stukje land bij de Wijer.

Ton van Reen: Het diepste blauw (102)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (101). Een roman als feuilleton

Mels is ziek van eenzaamheid. Tijger en Thija hebben diepe gaten in zijn hoofd achtergelaten. En grootvader Bernhard kan hem niet troosten, al vertelt hij nog zulke mooie verhalen. Zijn hoofd wil geen verhalen meer horen. Zelfs zijn moeder kan hem niet troosten, terwijl ze heel goed begrijpt wat er in hem omgaat.

Maar zijn vader vindt hem een mietje omdat hij zo lang verdriet heeft over een meisje.
`Het land zit vol meisjes’, zegt zijn vader. `En stuk voor stuk zijn ze mooier dan dat spichtige ding. Je wordt nog honderd keer verliefd.’ Hij kan zijn vader wel vermoorden.
Lusteloos zit hij in de boot en kijkt in het dode, zwarte water van de Wijer. Hij snapt niet dat ze hier vroeger zulke vette, blinkende vissen hebben gevangen. Zilveren forellen met roze buiken. Het is nu al meer dan een week geleden dat Thija vertrokken is en nog steeds heeft ze geen brief gestuurd.

Met moeite roeit hij naar de brug, maar de boot is veel zwaarder dan vroeger en loopt steeds aan de grond. Elke keer als hij, tot aan de knieën in het water, de boot vlot moet duwen, zou hij het liefst gillend naar het andere eind van de wereld rennen. Wat heb je aan een boot als je er helemaal alleen in zit en niet weet waar je naartoe wilt varen?

Eindelijk is hij bij de brug. Lizet van het café hangt over de reling. Hij ziet haar pas als hij de boot vastlegt en op de wal wil springen.
`Wíj hebben een echte boot’, zegt Lizet.
`Krijg de pest met je boot’, wil hij roepen, maar hij doet het niet.
`Mijn vader heeft een motorboot gekocht. Zondag gaan we varen. Je mag mee als je wilt.’
`Als ik niks te doen heb’, zegt Mels, maar hij weet nu al dat hij niet mee wil.
`Er is nooit wat te doen op zondag’, zegt Lizet.

Mels weet dat ze gelijk heeft. Dat heeft hij afgelopen zondag voor het eerst gemerkt. Toen was Thija pas één dag weg. Toen Tijger er nog was, gingen ze met z’n drieën roeien, schaatsen, of eekhoorns vangen. Op zondagen reisden ze naar China op de woorden van Thija. De zondagen waren veel te kort. Maar aan de eerste zondag waarop hij alleen was, kwam geen einde.
Hij wordt al ziek als hij denkt aan de komende zondag.

`Verdomme!’ Hij schreeuwt het uit.
`Praat je vaak in jezelf?’ vraagt Lizet.
`Hoezo?’
`Je vloekt tegen jezelf.’
`Die rotboot. Het is meer duwen dan varen.’
`Ga toch mee, zondag. Dan zie je pas een echte boot. Met een kajuit.’
`Goed, ik ga mee.’ Hij zegt het omdat hij bang is voor de komende zondag. Hij kan niet tegen een zwarte zondag, waarop alle bomen zwart zijn en het riet zwart is en hij niet eens bij zijn grootvader Bernhard kan zijn omdat alles in zijn huis zwart, morsdood en leeg is.

`We vertrekken om acht uur, met de auto.’
`Niet met de boot?’
`Je denkt toch niet dat we met een motorboot op de Wijer gaan varen. Zo’n roestbeek. We hebben de boot op de Maas liggen.’
Mels heeft al spijt van zijn belofte.

Ton van Reen: Het diepste blauw (101)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (100). Een roman als feuilleton

Wel honderd keer is hij naar Rotterdam gereisd, op zoek naar Thija. Een paar keer per jaar. Hij heeft zich nooit los kunnen maken van de Wijer en de boottochtjes met Tijger en Thija. Die herinneringen zijn z’n intiemste bezit. Als een schatbewaarder is hij bij de Wijer blijven wonen.

In Rotterdam heeft hij geen spoor van haar gevonden. Zijn hele leven is hij op zoek geweest naar een schim. Natuurlijk was ze anders geworden. Natuurlijk was ze net zo oud als hij en moest hij haar niet zoeken tussen de kinderen die op straat speelden, maar tussen de vrouwen in de winkels, in de trams, in de restaurants, in de opiumkitten. Bij alle vrouwen keek hij naar de knieën, op zoek naar het roze mondje op de rechterknie, maar hij vond het nooit terug. Vaak had hij er zich belachelijk door gemaakt.

En haar vader? Hij had er vaak over gesproken met de heer Wong Lun Hing, die een hotelletje had waar hij altijd had overnacht. De heer Wong had overal navraag gedaan in de Chinese gemeenschap, maar geen spoor gevonden van een Lacoste die getrouwd was met een Chinese. De enige Lacoste die ze hadden kunnen ontdekken was een Fransman geweest, die een theeplantage had gehad in China en die, al wat ouder, toen hij zijn plantage aan de communisten had verloren, in Rotterdam was gaan wonen en een handel in thee had opgezet. Een thee-imperium dat handelde over de hele wereld. Hij woonde in Rotterdam en had een zoon. Navraag bij hem had niets opgeleverd.

Tot Wong Lun Hing op zekere dag had geopperd dat die heren van de thee er in hun goede tijden in China meestal bijzitten op na hielden. Buitenvrouwen. Had Lacoste zo’n buitenvrouw laten overkomen en haar ver weg van Rotterdam in een huis gezet waar hij haar af en toe bezocht?

Op eigen houtje was Mels achter Lacoste aangegaan, maar op het adres dat Wong Lun Hing had achterhaald, woonde iemand anders, iemand die alleen maar wist dat hij het huis had gekocht van een makelaar, die het te koop had aangeboden omdat de vorige eigenaar was gestorven, waarna zijn weduwe met onbekende bestemming was vertrokken.

Een dood spoor, maar wel een spoor dat veel onrust in hem had gewekt.
In een paar kranten had hij een oproep geplaatst aan Thija Lacoste, ondertekend met Mels Gommans. Nooit had hij er iets op gehoord.
Door al zijn zoektochten had hij de stad Rotterdam leren kennen. De havens, die jaar na jaar veranderden. De straten die nooit hetzelfde waren. De mensen van wie hij zich nooit een gezicht herinnerde, maar wel het rumoer dat ze maakten. De hoerenbuurt. Chinese meisjes bij de vleet. Matrozenhoeren die spaarden voor een eigen zaak, een eigen bordeel.

Telkens was hij teleurgesteld teruggekomen uit Rotterdam. Thuis was zijn eerste gang steeds naar de Wijer, waar de boot lag te verrotten in het riet. Na jaren restte er niet meer van dan het rondhout van de boeg. Hij nam het mee naar huis en bewaarde het op zolder. De laatste tastbare herinnering aan Tijger en Thija.
Sinds hij in de rolstoel zit, is hij niet meer in Rotterdam geweest.

Ton van Reen: Het diepste blauw (100)
wordt vervolgd

•fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (099). Een roman als feuilleton

Thija komt buiten met haar reistas. Ze heeft een mantelpakje aan, lichtgrijs, rood afgebiesd. Ze ziet eruit als een dochter van een deftige familie, die naar kostschool vertrekt. Ze heeft een strik in het haar, net als op zondag wanneer ze naar de kerk gaat.

Ze zet de reistas op de grond en gaat erop zitten. Haar onmogelijk lange rok hangt op het trottoir, zodat ze hem wat op moet trekken.
Mels gaat op de stoep zitten, aan de andere kant van de straat, want hij is ontzettend boos.
Thija vijlt haar nagels.

`Hou op met dat gedoe’, zegt hij boos.
`Ik schrijf je toch’, zegt Thija. `Ik vergeet je echt niet.’
`Weet je nu waar je gaat wonen?’
`Rotterdam, dat zei ik toch. Ik schrijf je volgende week al. Elke week schrijf ik.’
Er rijdt een auto door de straat, langzaam. Passeert hen. Even is ze uit zijn ogen weg. Dat even doet al pijn.
`Ik heb een cadeau voor je.’
`Wat is het?’ vraagt hij.
`Kom het maar halen.’
`Je moet het me brengen.’

Blijkbaar hoort ze aan zijn toon dat hij niet toe zal geven, zeker niet nu hij zo geweldig boos is over het afscheid. Ze staat op en steekt de straat over. De rok hangt bijna op haar schoenen. De neuzen glimmen.
Uit haar reistas pakt ze een doosje, met een lint eromheen.
`Je mag het pas uitpakken als ik weg ben.’
`Goed.’
Hij neemt het pakje aan en steekt het in zijn zak.

Ze komt naast hem zitten. Even is het alsof er niets aan de hand is, alsof ze een spelletje gaan doen dat de hele dag zal duren. Zoals ze het zo vaak gedaan hebben. Raden waar je naar kijkt. De stemmen van voorbijgangers nadoen. Of gewoon verhalen vertellen.
Haar moeder komt buiten en zet een paar dozen met huisraad op de stoep.
`Nemen jullie niet alles mee?’
`De koffers worden later opgehaald. Ze zijn nooit uitgepakt. Eigenlijk hebben we er niets van nodig. Voorlopig gaan we in een hotel wonen, tot we een huis hebben gevonden.’
Ze slaat een arm om hem heen. Hij voelt hoe warm haar arm is, ook al is die nog zo dun. Haar huid is van zijde.
`Ik wil liever blijven’, zegt ze. `Ik vind het net zo erg als jij. Maar het kan niet. Als je ouders verhuizen, moet je mee.’

Een auto rijdt voor en stopt voor haar deur. Thija’s vader stapt uit. Mels heeft hem nog nooit gezien. Hij schrikt een beetje van hem. Het is een oudere, forse en grijze man. Niet veel jonger dan zijn grootvader. Niet de vader die hij had verwacht. De man groet hem niet, hij kijkt gewoon over hem heen. Het is een man die het druk heeft, dat kun je zo aan hem zien. Daarom neemt hij hen nu mee naar Rotterdam, om hen vaker te zien. Mels snapt het, maar het is niet eerlijk.
Haar vader laadt de dozen in de achterbak en klopt het stof van zijn handen.
Mels voelt de tranen langs zijn wangen lopen.

`Niet doen’, zegt ze. `Ik schrijf je toch. Ik schrijf je alles wat ik nog over China weet.’
`Je gaat naar Rotterdam!’
`Kom op, we hebben weinig tijd’, zegt haar moeder. `Je moet nu afscheid nemen.’ Ze strijkt Mels over het haar en loopt naar de auto.
`Nou, ik moet gaan.’ Thija staat op en geeft hem een kus.
Door zijn tranen heen ziet Mels haar in de auto stappen. Hij ziet hoe die stomme rok van haar even blijft haken. Ze valt bijna de auto in. Als hij een pistool had zou hij haar vader doodschieten. Maar misschien ook niet. Hij weet het niet. Hij is verlamd. Hij zou niet eens kunnen schieten.

De auto rijdt de straat uit. Ze zwaait. Hij wil terugzwaaien, maar het gaat niet. Hij is versteend. Het liefst was hij dood.
Pas als de auto al een uur weg is, of misschien wel twee uur, gaat hij naar huis.
Op zijn kamer pakt hij het cadeautje uit. Het is papier over papier. Laag na laag. Het pakje wordt steeds kleiner. Ten slotte blijft er een klein velletje van een kladblok over.

`Misschien gaan we zo ver weg dat ik je nooit meer zal zien’, leest hij. `We blijven maar even in Rotterdam. Een paar dagen, of een paar weken. Dan vertrekken we naar China, waar mijn vader op een theeplantage gaat werken. Ik weet niet eens in welk China. Hij zegt er niets over tegen mij, maar ik denk dat hij Formosa bedoelt. Meer weet ik er ook niet van. Misschien kom ik later naar Nederland terug, om te studeren. Ik moest dit opschrijven, want ik kon het je niet vertellen omdat ik zelf niet wil dat het gebeurt. Ik wil niet zonder jou naar China. Maar ook al zou ik je nooit meer zien, je moet weten dat ik altijd net zo veel van jou zal houden als van Tijger. Thija.’

Liggend op bed perst hij zijn hoofd zo vast in het kussen dat alles zwart wordt. Hij wil net zo dood zijn als Tijger.

Ton van Reen: Het diepste blauw (099)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (098). Een roman als feuilleton

Mels blijft even staan op de brug en kijkt uit over de Wijer. Was de beek vroeger blauwer?

Is het echt waar dat ze vroeger tot op de bodem konden kijken omdat het water zo helder was als kristal, of herinnert hij zich dat zo omdat hij alles van vroeger idealiseert? Als ze in hun bootje zaten, voeren ze op een kleine rivier van stromend glas.

Het blauw dat hij in zijn geheugen heeft, was onzegbaar blauw. Het diepste blauw.

Hij sluit zijn ogen om zich dat blauw van de Wijer voor de geest te halen. De blauwe zomerkleur van het stromende water. Het blauw van de libellen. Het geel van de lisdodden. De spekwitte huid van de waterlelies.

Zonder nog op te kijken draait hij zijn rolstoel en rijdt naar huis.

Ton van Reen: Het diepste blauw (098)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (097). Een roman als feuilleton

`Zullen we doen wie het eerst bij de kerk is?’ vraagt Tijger.
`Goed’, zegt Mels. `Maar ik wil twintig meter voorsprong. Mijn fiets is niet zo goed als die van jou.’

`Jij mag mijn fiets.’
`Dan starten we gelijk.’
`Jullie wachten maar op me bij de kerk’, zegt Thija.
`Ik tel tot drie’, roept Tijger.

Bij `drie’ vliegen ze ervandoor. De betere fiets helpt Mels niet. Tijger gaat op kop. Maar Mels geeft zich nog niet gewonnen.
Ze naderen het dorp. In volle vaart schiet Tijger van het pad, zoeft rakelings langs de Wijer en vindt het pad terug. Bijna had Mels hem ingehaald.
De kerk is al dichtbij. Het pad wordt breder. Op het laatste stuk van het pad, vanaf het kerkhof tot de kerk, ligt grind. Daar kunnen ze nog harder.
Tijger zoeft de straat op. Een paar tellen later gevolgd door Mels.
Hij hoort een klap. Roepen. Schelden.

Tijger ligt bewegingloos op straat. De fiets ligt verwrongen onder het wiel van de tractor. Mensen schieten te hulp. Vrouwen met handdoeken en verband. Mannen stropen in paniek hun mouwen op.
De boer probeert de fiets onder het tractorwiel vandaan te trekken.
Mels wil naar zijn vriend, maar de mensen duwen hem aan de kant. Hij ziet hoe een straaltje bloed uit het oor van Tijger loopt.
Thija slaat een arm om Mels heen. Hij ziet haar grote ogen waar de tranen uit stromen.

`Hij is dood’, horen ze de man zeggen die zijn oor aan Tijgers borst houdt.
`Hij is dood’, zegt de man tegen Tijgers moeder.
`Hij is dood’, fluistert Mels.
Thija’s tranen vloeien langs haar hals en vormen een donkere vlek op haar lichtgroene blouse.
Een politieman stuurt alle kinderen weg. Het helpt niet als ze zeggen dat Tijger hun vriend is.
`Jullie moeten weg’, zegt de agent. `En hij heet geen Tijger. Hij heet Bart.’
Ze gaan op de bank voor de kerk zitten en zien hoe een ambulance voorrijdt, hoe Tijger op een brancard wordt gelegd en hoe hij het dorp uit wordt gereden.
De moeder van Mels komt naar hem en Thija toe, gaat bij hen zitten en legt een arm om hen heen. Samen zitten ze op de bank, totdat het donker wordt. En dan blijven ze ook nog zitten, omdat ze weer moeten huilen als ze steeds opnieuw het ijselijke gillen van Tijgers moeder horen. De dokter is bij haar, en de pastoor, maar geen pillen en geen gebeden krijgen haar stil.

Dan komt ook de moeder van Thija bij hen zitten. Zo zitten ze daar uren, in het almaar killer wordende maanlicht. En opeens begint Thija’s moeder te vertellen in haar wonderlijke taal die een mengeling is van Engels, Nederlands, Chinees en gebarentaal. Haar woorden verdoven de pijn. Ze vertelt dat ze als meisje leerde zwemmen in de Jangtsekiang. Dat ze als kind met haar ouders uit China is gevlucht, en dat ze het niet erg vindt om niet in China te wonen, maar dat ze zo dolgraag dat plekje aan de Gele Rivier terug zou willen zien.
Pas als beide wijzers van de kerkklok op twaalf staan, gaan ze naar huis.

Als Thija wegloopt, ziet Mels weer hoe dun ze is. Ze is niet meer dan vel over been.
De volgende ochtend wordt er op school over Tijger gesproken. De juf vertelt verhalen over de overstap van het leven naar de dood. En dan moeten ze allemaal huilen. De juf kan zo goed vertellen dat zelfs de meisjes die een hekel hadden aan Tijger moeten huilen.
Ze maken een rouwkrans en leggen die op Tijgers bank. Daar zal hij de rest van het schooljaar blijven liggen.

Na school gaan Mels en Thija naar het molenhuis van grootvader Bernhard.
Ze klimmen naar de doodstille zolder.
`Hoe gaat het in China als kinderen doodgaan?’ vraagt Mels.
`Vraag je dat aan mij?’
`Jij was er toch? Tenminste, jouw moeder.’
`Kinderen begraven ze in glazen kisten.’
`Net als Sneeuwwitje?’
`Soms worden ze verbrand, zodat de ziel van de overledene terug kan keren in een ander lichaam.’
`Kan Tijger dat ook?’
`Hij zal wel moeten’, zegt Thija. `We kunnen niet zonder hem.’
Mels ziet dat er tranen in haar ogen staan en daarom moeten ze opeens weer allebei huilen.

`Hij moet terugkomen’, zegt Mels.
`Misschien is hij al terug.’ Thija wijst op de grote vlinder die op de ruit gaat zitten en met zijn grote gekleurde vleugels naar hen wuift.
`Zo’n grote kapel heb ik hier nog nooit gezien’, zegt Mels. `Kapellen zijn heel zeldzaam. Denk je écht dat hij het is?’
`Ik denk het wel’, zegt Thija. `In China leven de zielen van gestorven kinderen ook voort in vlinders. En dan vliegen ze wuivend door het dorp. Je ziet toch dat hij naar ons wuift! Ik vind het echt iets voor Tijger.’
Bij de begrafenis loopt Thija aan de hand van haar moeder. Mels loopt ingehaakt in de arm van zijn moeder, die zachtjes huilt, maar toch zo hard dat iedereen het hoort. Ze kan er niets aan doen.
Mels huilt niet. En ook Thija huilt niet meer. Het meer achter haar ogen is leeg. Maar haar ogen staan schuiner dan ooit, alsof ze bij de begrafenis van Tijger extra mooi wil zijn.

De kist van Tijger wordt gedragen door mannen uit de buurt.
Het hele dorp loopt van de kerk naar het kerkhof. Ook de boer die Tijger doodgereden heeft. Hij heeft een vreemd bleek voorhoofd, precies waar zijn pet gewoonlijk staat, de rest van zijn gezicht is bruingebrand door de zon. Hij houdt de pet in de hand en knijpt hem bijna fijn.
De mannen laten Tijgers kist in het graf zakken. Mels probeert naar zichzelf te luisteren, maar zo stil is het in zijn hoofd nog nooit geweest.
Thija fluistert iets. Haar mond gaat open. Ze wijst. Dan pas ziet hij de kapel met grote gekleurde vleugels die over het kerkhof vliegt en tussen de bomen verdwijnt. Tijger is voorgoed vertrokken.

Ton van Reen: Het diepste blauw (097)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (096). Een roman als feuilleton

De herinnering aan de grote brand emotioneert hem. Hij merkt dat zijn hoofd gaat dazen, of er bijen in rond zoemen. Het zijn geen bijen, maar kinderstemmen. De school is uit.

`Zit je hier al lang, opa?’ Het zijn Afke en Zhia. In hun kleurige jurken hinkelen ze rond zijn rolstoel.
`Ik wachtte op jullie.’
`Wat gaan we doen?’
`Naar de watermolen?’
`Goed’, zegt Afke.
`Is er feest?’
`Hoezo?’
`Omdat jullie jurken dragen. Jullie lopen altijd in broeken.’
`Straks ga ik bij haar thuis spelen’, zegt Afke. `Zhia’s oma is over. Ze is heel aardig, maar tegen meisjes in broeken praat ze niet.’
`Ik vind die jurken ook veel mooier.’ Hij meent het echt.
Als vlinders lopen ze voor hem uit.

Bij het vlondertje van het voormalige huis van grootvader Rudolf staan ze even stil. Omdat ze daar altijd even stilstaan en omdat Mels er altijd wat vertelt.
`Hier legde ik vroeger mijn boot vast’, zegt hij. `Dan liep ik naar binnen. Grootvader vertelde vaak over zijn denkbeeldige reizen, of over de oorlog. In het schuurtje had hij een klein museum.’
`Waar is dat spul gebleven?’ vraagt Afke.
`Het meeste ligt bij mij op zolder.’
`Mogen wij er gaan kijken?’
`Zeker. Het spul moet er trouwens weg. Misschien is het iets voor een echt museum.’
`En als we het zelf willen houden?’ zegt Afke. `Je kunt het aan mij geven. Ik bewaar het goed.’
`Dan mag jij alles hebben.’

De meisjes hinkelen voor hem uit. Als ze te ver voorop zijn, wachten ze op hem.
`Ik wil het weitje bij mijn grootvaders huis wel weer eens zien’, zegt Mels.
`Wij spelen daar vaak’, zegt Afke.
`Vroeger kwam er nooit iemand. Alleen wij. Tijger heeft er een kist met spullen begraven. Voor later.’
`Wat zat erin?’
`Zijn cadeaus van een verjaardagsfeestje. Ook de mondharmonica die ik hem had gegeven.’
`Die is allang verroest’, zegt Zhia. `Waarom heeft hij dat spul begraven?’
`Tijger was net een eekhoorn. Hij stopte de dingen waarvan hij hield weg.’
`Eekhoorns vergeten waar ze hun noten begraven hebben’, zegt Zhia.
`Tijger kreeg niet eens de tijd om zijn spullen terug te zoeken.’
Bij de brug slaat hij de weg in die langs de Wijer naar de molen en de parkeerplaats loopt.
`Jij rijdt hard’, roept Afke tegen hem. `Straks rij je het water in.’
`Passen júllie maar op. Er zitten duiveltjes in het water, die je met hun haakstokken de beek in trekken.’

Hij stopt omdat hij een dode kraai aan de kant ziet liggen. Verderop ligt een dode egel. Vroeger stonden hier de frambozen van zijn moeder. De dieren hadden er vrij spel, maar op het asfalt hebben ze geen kans. De vogels en dieren die vroeger te snel of te stekelig waren om ze te kunnen pakken, zijn nu te langzaam of te zacht om te ontsnappen aan de auto’s van de mensen die de molen bezoeken.

Ton van Reen: Het diepste blauw (096)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature