In this category:

Or see the index

All categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Ton van Reen

· Ton van Reen: Het diepste blauw (094). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (093). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (092). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (090). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (089). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (088). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (087). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (086). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (085). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (084). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (083). Een roman als feuilleton

»» there is more...

Ton van Reen: Het diepste blauw (094). Een roman als feuilleton

Hij rijdt de winkel in, rechtdoor naar de bloemenhoek die nu op de plek zit waar vroeger de keuken van juffrouw Fijnhout was.

Al een paar dagen na de begrafenis van juffrouw Fijnhout betrok nicht Jozefien, met man en kinderen, het huis.
Haar man begon direct met het uitbreiden van de winkel. Hij verkocht ook verf en behang, kalk en wasbenzine. En hij had een drukpersje voor geboortekaartjes. En wie geboortekaartjes kocht, kocht ook bloemen. Daarom stond een hoek van de winkel altijd vol kleurige bloemen voor geboortefeesten en een andere hoek vol witte ruikers voor bruiloften en begrafenissen.

Nicht Jozefien vlocht ook grafkransen. Ze had wel wat van haar overleden tante. Voor alles kon men bij haar terecht.
In de loop der jaren is de winkel uitgebreid. Mels komt er nog graag. De geuren van de bloemen doen hem goed. En de kleuren. Hij hoort het druppelen van de fonteintjes. Overal staan ze. Het is mode. Fonteintjes van aardewerk, van hard, gekleurd plastic, van glas. En veel spiegels die het wereldje van de winkel uitvergroten tot een ware tuin. Door al die spiegels lijken er meer meisjes in de winkel te zijn, maar er is alleen Christine, de kleindochter van nicht Jozefien.

`Geef die witte aronskelken maar’, zegt Mels. Hij is een beetje gek op haar, door de manier waarop ze alles doet, bedachtzaam en vanzelfsprekend. Ze weet precies wat mooi is. Een prinses in een koninklijke tuin. Ze is altijd vriendelijk.
`Jammer dat het kerkhof weggaat, hè’, zegt Christine, terwijl ze bezig is met een bloemstuk voor een begrafenis. Ze lijkt als twee druppels water op haar grootmoeder Jozefien. Ze is al de vijfde generatie in de winkel.

`Ik kom er zelf niet meer te liggen’, zegt Mels. `Ik dacht bij mijn vriend Tijger begraven te worden, maar als het zover is, brengen ze me naar een plek waar ik nu al niet meer op eigen kracht kan komen.’
`Hoelang is uw vriend al dood?’
`Al bijna vijftig jaar. Hem laten ze gewoon liggen. De huizen worden gewoon op de resterende graven gebouwd.’
`Ik zou daar niet willen wonen.’
`Tijger kan er wel om lachen’, zegt Mels.

Christine pakt de aronskelken in en legt ze op zijn schoot. Ze zijn wit en ruiken naar vanille.
Hij ziet zichzelf in de spiegel naast de kassa. Vanaf zijn borst. De bloemen op zijn schoot verbergen zijn onderlijf. Hij ziet er goed uit, met die bloemen op schoot. Bloemen houden van hem. Ze maken hem mooier. Daarom geeft hij ze aan Tijger. Hij weet nog wat zijn moeder zei: je moet altijd de dingen geven waarvan je het meest houdt.
Mels betaalt. De kassa rinkelt. Het is een geluid dat in een winkel hoort.

`Ik voel me hier nog steeds net zo thuis als toen het de kleine winkel van juffrouw Fijnhout was.’
`Juffrouw Fijnhout?’
`De oudtante van je grootmoeder.’
`O, die. Ze had geen kinderen, hè?’
`Jouw grootmoeder leek ook op haar. Net als jouw moeder op haar lijkt. En jij op allemaal.’
`Was ze knap?’
`Wil je weten of jij knap bent?’
`Zeg maar niets’, lacht ze.
`Ja, ze was knap. Maar dat besefte ik later pas. Een kind ziet zoiets niet. Maar ik kwam graag bij haar. Dat is wat telt. Of jij knap bent, laat ik over aan de jongemannen.’
`Bonnetje?’
`Welnee’, zegt hij, overmoedig door de bloemen op zijn schoot. `Geef mij maar een kus.’
Ze kijkt hem lachend aan en geeft hem dan een kus op zijn wang.
`Ik hoop dat er ook nog iemand aan mij denkt als ík al vijftig jaar dood ben’, zegt ze.
`Vast wel’, lacht Mels. `Ik gun je veel kleinkinderen.’
Hij rijdt de winkel uit en kijkt nog een keer om. Hij ziet Christine in drie spiegels tegelijk. Van voor en van achter en van opzij. Alle Christines zijn even mooi.

Hij rijdt door naar het kerkhof en stopt bij het graf van grootvader Rudolf. Hij haalt een bloem uit het boeket en legt die bij het kruis waaronder grootvader Rudolf is begraven, boven op zijn veel eerder gestorven vrouw.
`Rudolphus Johannes Cremers’, leest hij hardop. `Voormalig hoofd der school.’ En daarboven staat: `Katelijne Melanie Jansen’, `huisvrouw’. De kruisjes geven aan dat grootmoeder Katelijne in 1944 is overleden en grootvader Rudolf in 1978. Hij is, geboren in 1882, bijna honderd geworden. Grootmoeder Katelijne is geboren in 1906. Ze was dus achttien jaar jonger en pas achtendertig toen ze stierf. Van horen zeggen weet hij dat ze pianospeelde op familiefeestjes.
Wat doen ze nu met hen? Wordt grootvader naar het nieuwe kerkhof verhuisd en blijft grootmoeder hier achter omdat ze hier al meer dan veertig jaar ligt?

Op elk graf van een familielid legt hij een bloem.
Hij rijdt een rondje. Een deel van de graven is al weg. Door al die lege plekken, ziet het er rommelig uit.
Het graf van Tijger ligt tussen de kindergraven. De meeste opschriften op de kinderkruisen zijn onleesbaar geworden. Ook dat van Tijger is afgebladderd. Van zijn voornaam is alleen een a over, maar het kan ook een o zijn. Hij is een vergeten kind. Wie geen nageslacht heeft, houdt op te bestaan.
Hij legt de bloemen op het graf.

`Dank je.’ Het is de stem van Tijger. Elke keer als hij bloemen op het graf legt, hoort hij hem. Het kan natuurlijk niet, maar toch.
Hij klopt het stuifmeel van zijn jas.

In de eerste maanden na zijn dood brachten Thija en hij vaak boeketten naar het graf. Bloemen die ze langs de Wijer hadden geplukt. Distels, lelies, judaspenningen, alles wat er in het wild groeide.
Vroeger, met de schoolklas, hebben ze vaak het kerkhof geharkt, het onkruid gewied, het mos van de stenen gekrast. Er was hun respect bijgebracht voor het kerkhof. De plek van de voorouders, die altijd zo hoorde te blijven.

Het graf van vliegenier John Wilkington, dat altijd door Mels’ moeder werd onderhouden, is allang weg. Het houten kruis, waarvan de verf verdwenen is, staat in een hoekje van het kerkhof te wachten op mensen die zich het lot van John Wilkington willen aantrekken en de geschiedenis aan hem levend willen houden, maar Mels is een van de weinigen die nog weten wie John Wilkington was. En hij is niet meer in staat het kruis op te knappen om John de eer te geven die hem toekomt.

Bij de poort van het kerkhof staat het beeld van Christoffel met Jezus op zijn schouder. Half tussen de struiken. Langgeleden is het bij de grote kerkbrand van de toren gevallen. Christoffel is een deel van zijn hoofd kwijtgeraakt en mist ook zijn voeten. Jezus heeft de arm verloren die hij om Christoffels schouder had geslagen. Na de restauratie van de kerk is het beeld niet teruggeplaatst op de toren maar vervangen door een haan. Het gehavende beeld is in de tuin gezet en vergeten. Het is een verkeerde plek. Christoffel met op zijn schouder het kind dat over het water wil worden gedragen, had langs de Wijer moeten staan.

De brand van de kerk was de grootste ramp die het dorp ooit getroffen had.

Ton van Reen: Het diepste blauw (094)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (093). Een roman als feuilleton

Als Mels door de achterdeur binnenkomt hoort hij het direct: het is te stil.

Op zijn tenen loopt hij naar de keuken. Juffrouw Fijnhout zit aan tafel, met haar hoofd op haar armen.

Het is zes uur, tijd om de klok op te winden. Is ze het vergeten? Is ze er te moe voor?

Hij gaat tegenover haar zitten en kijkt naar haar witte haar. De ene helft van haar gezicht. Haar ogen zijn dicht.

Nu pas valt hem de vreemde lucht op. Hij ziet het plasje onder haar stoel.
Kalm gaat hij naar huis.

`Er is iets met juffrouw Fijnhout’, zegt hij tegen zijn moeder.
`Ze is dood’, zegt ze. `Dat zie ik aan je gezicht.’ Ze slaat een kruis. `Dat de Here zich over haar moge ontfermen. Ze heeft een mooie plek in de hemel verdiend. Amen.’

`Ze hield van haar winkel. Denk jij dat ze in de hemel een winkeltje begint?’
`Maar of ze daar ook Hohner-muziekinstrumenten hebben? Haal je tante. We moeten juffrouw Fijnhout gaan verzorgen. En waarschuw de dokter. Ze is niet dood voordat hij het zegt.’

Mels rent naar zijn tante en brengt haar het nieuws. Nog geen vijf minuten later weet iedereen in de buurt over de dood van juffrouw Fijnhout, die zonder veel pijn is overleden. De mensen zijn tevreden. Ze heeft een zachte dood verdiend.

Ton van Reen: Het diepste blauw (093)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (092). Een roman als feuilleton

Vaak koopt Mels een boeketje bloemen, voor op het graf van Tijger. Soms gaan er weken voorbij zonder dat hij aan hem denkt, maar er zijn dagen dat hij juist heel vaak aan hem denkt, vooral nu de gemeente bekend heeft gemaakt dat het kerkhof zal worden verplaatst.

Als hij die plek niet meer kan bezoeken, raakt hij een groot deel van zichzelf kwijt. En wie zal de graven van zijn dierbaren op het nieuwe kerkhof verzorgen? Alle graven die jonger zijn dan veertig jaar worden verplaatst naar het nieuwe kerkhof, een paar kilometer buiten het dorp, waar de nieuwe overledenen al een jaar of tien worden begraven. De overige graven zullen worden geruimd. Tijger en grootvader Bernhard zullen worden weggewist.

Het nieuwe kerkhof is ver weg. Te ver voor een rolstoel. Hij zou moeten protesteren tegen de ruiming, maar hij beseft dat hij te weinig medestanders heeft. De mensen op het oude kerkhof zijn grotendeels vergeten. De meeste mensen in het dorp zijn nieuw. Mensen uit de stad die op het platteland willen wonen, maar door hun komst de stad naar het dorp hebben gehaald.
Hoelang zal hij zijn doden nog kunnen bezoeken?

Ton van Reen: Het diepste blauw (092)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton

`Ik heb het schrift van Jacob bij me’, zegt Mels. `Ik wil eruit voorlezen.’
`Dat doen we op het dak van de silo’, zegt Thija. `Kom op.’

Aan de achterkant van de fabriek lopen ze door een openstaande deur naar binnen. De fabriek zelf is klein en valt in het niet bij de silo waarin het graan wordt opgeslagen.
Over een ijzeren trap gaan ze omhoog. Hun schoenen klepperen op de stalen roosters die de traptreden vormen.
Het gebouw is gevuld met vier kleinere, ronde silo’s, voor elke graansoort een. Het ruikt er naar de enorme berg graan die opgeslagen is. Stoffig graan, dat op hun keel werkt.

`Het is helemaal niet wit hierbinnen’, zegt Thija. `Ik dacht altijd dat het vol meel zat.’
`Na de oogst komt hier het graan binnen’, zegt Tijger. `Genoeg om de fabriek het hele jaar te laten draaien.’

Door kleine raampjes kijken ze uit over het dorp en de Wijer, die nu lang en dun is en op een slang lijkt.
Door een luik stappen ze op het dak. De wind krijgt vat op Thija’s rok en blaast hem bollend op.

`Hou je vast!’ roept Tijger. `Je vliegt weg!’
`Dat wil ik juist’, lacht Thija, maar toch houdt ze zich aan hem vast.
Ze kijken uit over het dorp. Ze horen de mensen beneden, die bonkende, kloppende en tikkende geluiden maken.
Ze gaan op hun rug op het dak liggen. Van zo hoog lijkt de hemel veel weidser.

Mels droomt, met open ogen. Met z’n drieën zitten ze in de boot op de Wijer. Ze zijn van plan naar China te gaan. Thija heeft haar reistas op schoot, met daarin een cadeautje voor de keizer. Alleen zij weet wat het is. Ze heeft er Tijger en Mels niets over gezegd. Die vragen er ook niet naar. Dat heeft geen zin, want als je haar wat vraagt, zegt ze het zeker niet.
De boot gaat maar langzaam vooruit. Het water staat laag. Mels moet flink roeien.

Eindelijk komen ze in het dorp aan. Tijd om afscheid te nemen. Er staat maar één persoon op de brug. Tijgers moeder, in een zwarte flodderjurk. Door de wind wappert haar rode haar rond haar hoofd. Mels mist zijn moeder. En waar zijn de grootvaders? Hij is teleurgesteld. Ze horen er te staan, om hen uit te wuiven. Interesseert het hen niet meer dat ze weggaan?
Mels vindt het vooral vreemd dat zijn eigen moeder hem niet uitzwaait en dat ze doodgewoon de ramen aan het lappen is. Hij hoort haar zingen. `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren. Ik zal nog van je houden, ook al word je zo groot als de kerktoren.’ Maar als ze zo veel van hem houdt, waarom zwaait ze hem dan niet uit?

Terwijl ze onder de brug door varen, verandert de boot in een groene helikopter.
Tijger zit aan de stuurknuppel. Hij roept iets. Wat? Het lawaai van de helikopter is zo oorverdovend dat Mels hem niet verstaat. Hij ziet dat Thija tegen Tijger praat, want haar mond beweegt. Hij hoort alleen zijn moeder die zingt: `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren.’

Dan gebeurt er iets vreemds. De helikopter verandert in een zwarte flodderjurk. Opeens zitten Mels en Thija in de donkere buik van Tijgers moeder. Tijger zit in haar glazen hoofd. Hij kijkt door haar ogen en veegt de wapperende rode haren weg die hem het uitzicht ontnemen.

`Ze vliegt ons naar de duivel!’ roept Mels.
Mels hoort dat Tijger iets terugroept, in paniek, maar zijn stem gaat verloren in het geraas. Met een enorme klap vliegen ze tegen de silo. De jurk van zwart glas laat een sneeuwbui van zwarte splinters over het dorp vallen.
`Je ligt te slapen’, zegt Thija.
`Het komt door de wind’, zegt Mels. `Ik droomde dat we naar China vertrokken, in een groene helikopter die veranderde in Tijgers moeder.’
`En toen?’
`We vlogen tegen de silo.’

`Zie je wel’, zegt Thija. `Die droom voorspelt dat onze reis nooit zal lukken. Tijger komt nooit van zijn moeder los.’
`En jij?’
`Ik?’ Thija lijkt verbaasd. `Ik ben geen moederskindje. Jij?’
`Nee’, zegt Mels, maar hij weet dat het anders is. Hij houdt ervan dat zijn moeder zingt.
Om zich niet verder te hoeven verdedigen, pakt Mels het schrift van Jacob.
`Lees jij voor?’ Hij geeft het schrift aan Thija.
Ze slaat het open, bladert het door.
`Hij schreef ook gedichten.’
Ze schraapt haar keel, zoals ook meester Hajenius altijd deed als hij begon met voorlezen.

`Ze vroegen aan mij waarom ik huilde.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij vroegen,
jongen, waarom ben jij zo alleen?
Ze zeggen tegen mij,
ze zeggen het niet,
maar ze zouden het willen zeggen.
Waarom is je huis zo leeg?
Waarom is je hart alleen?
Waarom ben je verlaten?
Ze zeggen het niet.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij dat vroegen.
Als ik gestorven ben,
zal de wind het aan jullie vragen.
Als ik gestorven ben,
zullen de vogels aan jullie vragen,
waarom ik zo alleen was.’

Ze zijn er stil van, omdat Jacob zo precies had geweten hoe het hem zou vergaan.
Ze staan op en dalen de trap af.
Beneden, in bijna lege ruimtes, draaien de machines die het lawaai veroorzaken. Het is er zo lawaaiig dat ze naar elkaar schreeuwen en elkaar toch nauwelijks kunnen verstaan. Het is niet duidelijk wat de machines doen. Er is niemand. Het is net of er niemand werkt. Het is een spookfabriek.

`Het lijkt of we in een boek van Jules Verne terecht zijn gekomen’, roept Tijger.
`We zijn op de maan’, roept Mels terug in Tijgers oor. `De machines maken lucht en water, zodat wij hier ook kunnen leven.’
`Bij die herrie kan niemand leven’, roept Thija, de handen voor de oren.
`Ik wel’, roept Tijger. `Ik hou van hard. Lawaai is mooi. Ik zou hier graag willen wonen.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (091)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (090). Een roman als feuilleton

Een lange vrachtwagen van Bouwbedrijf Leon van Wijk en Zonen stopt bij de silo. Een kraan takelt bouwmateriaal uit de bak: planken, stalen stutbalken, steigermateriaal, een werkkeet en een bouwlift. Een ploegje arbeiders begint met het bouwen van de steigers.

Met gemengde gevoelens ziet Mels het aan. Als een moederkloek heeft het enorme gebouw altijd het dorp beheerst. Tot zomaar, van de ene op de andere dag, aan de werknemers werd verteld dat het bedrijf verkocht was en de productie werd gestaakt. Terwijl het toch volop winst maakte en er een paar maanden eerder nog een uitbreiding was aangekondigd. De fabriek was ten onder gegaan aan haar eigen succes en was opgekocht door de concurrentie om te worden uitgeschakeld.

De vrachtwagen van het bouwbedrijf vertrekt. De chauffeur steekt een hand op. Mels groet terug.
Even later loopt de opzichter naar het café. Hij staat stil op de brug en kijkt naar het water.

`Viswater?’
`Vroeger zat er forel in’, zegt Mels. `Als jongen heb ik er genoeg gevangen. En aal.’
`Nu niets meer?’
`Ze vangen soms baars. Een enkele snoek.’
`Kom ik zondag eens kijken. Ik gooi graag een hengeltje uit.’
Hij loopt door naar het café en komt even later naar buiten met een pakje shag.
`Wat komt er in de silo?’ vraagt Mels.
`Appartementen.’ De man rolt een sigaret. `Ze worden verkocht als exclusief.’
`Dat ding is toch niet apart?’
`Ze zeggen dat het een monument is. Een dorpsbepalend beeld. Zoiets. Hij moet blijven staan vanwege het historisch belang.’ Hij likt zijn shagje dicht. `Ze hadden er beter een bom op kunnen gooien. Hadden ze plaats gehad voor echte huizen. Mij maakt het niks uit. Wij hebben er een mooie klus aan.’

`Ik wil je wat vragen. Ik zoek iemand om een paar pannen op mijn dak te vervangen.’
`Heb je nog pannen?’
`Genoeg.’
`Ik stuur wel een mannetje. Stop hem maar wat toe. Altijd goed.’
`Dank je.’
De man loopt verder.
`Toch missen we de fabriek’, zegt Mels nog. `We waren eraan gewend. Het lawaai in de maalderij was onbeschrijflijk mooi.’
`Mooi?’
`De een vindt dit mooi, de ander dat.’
`Gelukkig dat we allemaal van andere meisjes houden,’ lacht de man, `anders bleven er veel over.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (090)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (089). Een roman als feuilleton

Er is steeds minder te koop in de winkel van juffrouw Fijnhout. Er komt weinig geld binnen. En daar moet wat op gevonden worden, want ze moet ook haar medicijnen kunnen betalen. En de abonnementen op de meer dan twintig missieblaadjes.

Daar zitten ze steeds in te bladeren, op zoek naar foto’s van China. Die knippen ze uit en plakken ze in. Ze hebben al drie schriften vol met foto’s van katholieke Chinese kinderen, zodat het lijkt of bijna heel China katholiek is, maar in werkelijkheid zijn het er maar een paar duizend tussen de miljoenen. Volgens Tijger kijken de Chinezen zelf naar de katholieken zoals de mensen hier naar de Jehova’s getuigen kijken: een paar fanatieke dwepers die de bijbel naar hun hand zetten en hun kinderen nog liever dood laten gaan dan ze in te laten enten tegen pokken en kinderverlamming.

Om de rekken in de winkel minder leeg te laten lijken leggen de jongens er van alles bij. Zomerappels, maar die krijgen al vlug een oud vel. Niemand koopt appels, omdat de meeste mensen zelf zomerappels in de tuin hebben. Overbodig speelgoed. Te klein geworden laarzen. Schaatsen met lint, maar wie koopt er in de zomer schaatsen? Oude jaargangen van missieblaadjes, maar iedereen wordt al onder die dingen bedolven. Soms wijst juffrouw Fijnhout iets aan in haar kast om in de rekken te zetten, een servies, kristallen glazen, een blauwe puddingvorm in de vorm van een vis, een zilveren asbak. Ze doet er glimlachend afstand van omdat ze ze toch niet meer gebruikt. Soms koopt iemand wat, niet omdat hij iets nodig heeft, maar omdat niemand wil dat juffrouw Fijnhout in armoede sterft.

In de winkel blijven vooral spullen over die wachten op volgende seizoenen, voor de herfst en de winter. Overgebleven pakjes zaaigoed voor tomaten, bonen en prei, die onder een luchtdichte glazen stolp worden bewaard en ook volgend jaar nog goed zijn.

Bij het leegruimen van een kast vindt Mels spullen die jarenlang achter andere spullen verborgen zijn gebleven. Een foto van een jongeman met de toen nog jonge juffrouw Fijnhout, een meisje nog. De jongeman heeft een arm rond haar schouder geslagen. Mels denkt dat de foto met opzet op de bovenste plank is gelegd. Achteloos legt hij hem op de hoek van de tafel. Ze ziet het direct en pakt hem op.

`Nadat die foto is gemaakt, heb ik hem nooit meer gezien.’
`Wie is het?’
`Tom, de oudste zoon van de weduwe Hubben-Houba. De broer van directeur Frits. Het was zijn laatste dag hier. Hij ging studeren, in Amerika. Een paar jaar later zou hij terugkomen, om zijn moeder op te volgen en met mij te trouwen. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord. Zijn jongere broer Frits heeft de zaak alleen overgenomen.’
`Wist zijn moeder niet waar hij was?’
`Dat denk ik wel, maar die sprak niet met mij. De rijk geworden familie haalde haar neus op voor de dochter van een dorpssmid.’
`En andere jongens?’ vraagt Mels, de foto bekijkend waarop ze een knappe, jonge vrouw is.
`Eerst heb ik te lang gewacht. En daarna was ik te zeer teleurgesteld. En later vond ik het wel goed zoals het ging. Van mijn winkel kon ik bestaan.’
Mels ruimt alles weer op. Hij legt de foto’s op een schapje waar juffrouw Fijnhout ze kan pakken zonder op te staan.
Tijgers moeder komt Mels aflossen, want juffrouw Fijnhout mag niet meer alleen zijn. Om de beurt blijven de vrouwen uit de buurt ‘s nachts bij haar.
Mels gaat naar huis.

Ze hebben bezoek. De moeder van Jacob zit in de kamer. Ze drinken thee.
`Ik heb wat voor je meegebracht’, zegt Jacobs moeder. Uit haar tas haalt ze het schrift. `Jacob wilde dat ik de verhalen die hij heeft opgeschreven aan jou gaf.’
`Wilt u ze zelf niet houden?’
`Ik kan niet lezen. Jacob heeft vier jaar in een sanatorium gelegen. Daar heeft hij leren lezen en schrijven.’
`En vioolspelen?’
`Wij maken allemaal muziek. Dat is hem met de paplepel ingegoten.’
`Dank u voor het schrift’, zegt Mels. `Jammer dat ik Jacob maar zo kort heb gekend.’
`Lang genoeg om vrienden te worden.’ Jacobs moeder staat op. Mels’ moeder brengt haar naar de deur.
`U komt nog maar eens aan’, zegt moeder.
`Wij gaan hier weg’, zegt Jacobs moeder. `Wij hebben hier weinig geluk gevonden. Misschien gaat het ons ergens anders beter.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (089)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (088). Een roman als feuilleton

Het was Frans-Joseph die de nieuwe tijd naar het dorp had gehaald, toen hij het gezellenhuis had laten bouwen. Jonggezellen op kamertjes hadden meisjes nodig. Een van de kasteleins was op die behoefte ingesprongen, had rode lampen voor het raam gezet en meisjes uit de stad laten komen.

Frans-Joseph dacht als een grootindustrieel. Hij was ook de man die het grote flatgebouw had laten bouwen, net niet zo hoog als de silo. Zestig woningen in vier lagen, niet ver van de fabriek. Flats voor buitenlandse gezinnen met veel kinderen die later, naar hij dacht, vanzelf in de fabriek zouden gaan werken. Maar daar had hij zich in misrekend. Met de fabriek liep het mis toen de kinderen groot waren. Bovendien wilden de zonen van de gastarbeiders geen werkezels zijn zoals hun vaders.

Mels rommelt wat in de paperassen. Vraagt zich af of hij al de kladjes en volgeschreven vellen toch nog kan ordenen tot een boek. Een exemplaar voor zichzelf. Na zijn dood kan dat naar het archief van de gemeente.

Hij heeft moeite om het verhaal rond te maken. Hij zit met te veel losse stukjes. Van de arbeidersfamilies die in de jaren zeventig naar het dorp kwamen, weet hij maar weinig. In de flats is hij nooit geweest.

Vanaf de dag dat de fabriek gesloten is en de arbeiders uit de uitgewoonde flatwoningen zijn vertrokken, op zoek naar werk elders of door verhuizing naar de nieuwe wijken in het dorp, staat de flat erbij als een blind bakbeest. Kapotgegooide ruiten. Uitgebroken sponningen. Graffiti, waaruit nog steeds de haat van de nieuwkomers tegen de oorspronkelijke dorpsbevolking af te lezen is. En omgekeerd. Het heeft nooit geboterd tussen de flatbewoners en de dorpelingen.

Er zijn nog een paar flats bewoond. Enkele weduwvrouwen die nergens naartoe kunnen en een halfdemente man die wacht op een plaats in een inrichting. En mevrouw Lecoeur, de hoerenmadam, die er, samen met een paar jongere vrouwen, mannen ontvangt. Iedereen spreekt er schande van. Niemand doet er wat aan. Mels weet niet wat hij van haar moet denken. In het café, waar ze elke ochtend komt en koffie met cognac drinkt, praat hij wel eens met haar. Ze is innemend. Als ze over de mannen praat die haar meisjes bezoeken, is het net alsof ze het over haar jongens heeft. In haar ogen zijn mannen kinderen die beschermd en getroost moeten worden.

Hij doet de mappen dicht, trekt zijn jas aan, slaat de plaid over zijn benen, rolt naar de lift en gaat naar beneden.
Hij weet dat Lizet in de keuken is en luistert. Het blijft stil. Ze negeert hem.
Hij opent de deur en rijdt naar buiten.
Even stopt hij bij de marktkramen die ze aan het opbouwen zijn. Eén middag in de week is er markt. Een kraam met groenten en fruit, een kaaswagen, een viskar, een poelier met roze kippen en konijnen, een broodjesbar, een Turkse kraam met olijven, dadels en paprika’s.
Bij de bakkerskraam koopt hij krentenbollen. Met de zak broodjes op schoot rijdt hij de straat uit.

Ton van Reen: Het diepste blauw (088)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (087). Een roman als feuilleton

Mels is met zijn vader in het café en mag bier tappen omdat de kastelein meedoet met kaarten.
Hij bedient de paar mannen die op het terras zitten.

Mannen van het soort dat hier eerst verdwaald leek, maar van wie hij nu weet dat het wandelaars zijn die de Wijer nalopen. Van de monding van de beek in de rivier terug naar de bron. Ze dragen hoge laarzen om door de broeklanden en rietvelden te stappen.

Over hun rug kijkt hij mee naar de kaart van het riviertje en het opengeslagen boek op tafel. Hij verbaast zich erover dat de Wijer meer dan honderd kilometer lang is en dat de bron ergens ligt bij een dorp dat Weierwiese heet. En dat het officieel geen beek maar een rivier is. En dat er honderdtachtig soorten vis in zitten, terwijl hij er maar tien kent. En dat hij nog nooit een zoetwaterkreeft met schaarvormige kaken heeft gezien. Geen wonder, want volgens het onderschrift bij het plaatje van het dier is het nog geen halve centimeter groot.

De mannen drinken chocomel. De bierdrinkende kerels die zitten te kaarten, lachen hen uit. Mels is boos, vooral over de opmerkingen van meneer Frans-Joseph. Die scheldt de wandelaars uit voor mietjes en hoerenlopers. Het is extra gênant omdat iedereen weet dat hij zelf een hoerenloper is.

Ton van Reen: Het diepste blauw (087)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (086). Een roman als feuilleton

Een tik op zijn schouder. Hij trekt de plaid van zijn gezicht en opent zijn ogen. Het is Afke.
`Je was tegen iemand aan het praten.’

`Ik praatte met Tijger en Thija.’
`Over school?’
`Goh, dat ik zo duidelijk praat als ik droom.’
Ze helpt hem van het bed in zijn stoel. Ze helpt hem vaak. Tegenover haar voelt hij niet de gêne die hij wel voelt bij zijn vrouw en zijn dochter. Soms is ook Zhia erbij. Dan helpen ze hem als twee jonge verpleegsters.
Zijn vrouw haat het als de meisjes boven zijn, al weet hij niet waarom.

`Je bent nat van het zweet.’
`Dat komt door de medicijnen. Ik zweet nog als het vriest.’
Ze trekt zijn overhemd uit.
`De haren op je rug zijn nog zwart.’ Ze droogt zijn rug en hals. `Had je vroeger zwart haar? Vonden de meisjes je knap?’
`Er waren hier niet zo veel meisjes. Het dorp was nog klein.’
`En die paar dan?’
`Thija vond me knap. Maar ik denk dat ze Tijger knapper vond.’
`En oma?’
`Toen zij een meisje was? Ze wilde me alleen hebben omdat ze jaloers was op Thija. Dat denk ik nu.’
`Vond jij haar knap?’
`Anders.’
`Je was toch wel verliefd op haar? Je bent toch met haar getrouwd?’
`Het liep nu eenmaal zo. Er waren hier maar een paar meisjes, dat zei ik toch. Kemp wilde haar ook.’
`Ben je met haar getrouwd omdat je haar niet aan Kemp gunde?’
`Ja.’ Tegen haar kan hij alleen maar eerlijk zijn.
`Wel vreemd’, zegt ze. `Nu heb ik precies zulke grootvaders zoals jij had.’
`Hoezo?’
`Jij zegt toch altijd dat ze elkaar niet mochten.’
Ze rijdt hem voor de wastafel.
`Moet ik je scheren?’
`Ik doe het zelf.’

Ze pakt het mes uit de la, haalt het uit de houder en pakt kwast en scheerzeep uit de kast.
`Scheerzeep ruikt lekker.’
`Het ruikt naar jongens.’
`Jongens! Was je gelukkig als kind?’
`Alleen toen Tijger en Thija er nog waren.’
`Er waren toch ook anderen die van je hielden.’
`Wie dan?’
`Je moeder.’
`Dat is ook zo.’
`Ik hou ook van je.’

Hij ziet haar oprechte gezicht in de spiegel.
`Het is waar’, zegt hij. `Jij houdt net zo veel van mij als ik van jou. En je opa Kemp?’
`Van hem hou ik ook. Anders. Zal ik je inzepen?’ Ze haalt de kwast door het schuim en zeept hem zorgvuldig in. `Ik kan je ook scheren. Laat mij het maar doen. Jij snijdt je te vaak.’
`Ik heb een zware baard. Een scheerapparaat werkt niet bij mij.’
`Voortaan scheer ik je wel.’ Ze zet het mes aan. Protesteren helpt niet. Hij voelt hoe zacht het mes over zijn huid glijdt. In de spiegel ziet hij de inspanning op haar gezicht. Hij blijft muisstil zitten. Ze wil het beter doen dan hij.
Terwijl ze met hem bezig is, hoort hij een zacht gebrom, door de muur heen. Net alsof in het buurhuis een of ander apparaat aanstaat. Hij spant zich in om het geluid te kunnen traceren. Het kan ook een vliegtuig zijn, ver weg.

`Klaar’, zegt ze triomfantelijk en ze bet zijn gezicht. `Geen bloed. Zie je dat ik het beter kan.’
`Mooi. Je moet verpleegster worden.’
`Later ga ik met dieren werken. In een circus. Of bij een dierenarts. Of in een asiel. Zhia wordt verpleegster. Of dokter. Ze wil naar Afrika. Of in een kindertehuis.’
`Dat jullie al zo goed weten wat je wilt! Toen ik twaalf was, wist ik nog niets.’
Hij hoort de voordeur dichtslaan.

`Kan ik boven komen?’
`Kom maar’, roept Afke.
Zhia holt de trap op en komt de kamer binnen.
`Bij de silo is een ongeluk gebeurd’, hijgt Zhia.
`Ernstig?’ schrikt Mels.
`Een witte muis is van het dak gevallen. Recht in de bek van een buizerd.’
`Dat is dubbele pech’, zegt Mels.
`Of dubbel geluk’, zegt Zhia. `Misschien was de muis blij dat ze werd opgevreten en dat ze niet te pletter viel.’
`Van dat laatste had ze niets gevoeld’, zegt Mels. `Maar zo’n roofvogel die je verslindt, dat is wel erg.’
`Het is niet waar’, zegt Zhia. `Het was geen witte muis, het was een zwarte.’
Afke trekt hem een overhemd aan en maakt de knoopjes dicht.
`We moeten naar school. Na het avondeten kom ik weer, als je zin hebt in vertellen.’
`Daar heb ik altijd zin in.’
Hij hoort hen de trap af lopen. De deur valt dicht.

Ze hollen weg. Hij luistert tot hij niets meer hoort in de straat. Hij weet weer voor wie hij leeft.
Hij rolt naar de kast en pakt het boek. Elke dag kijkt hij er even in. Het boek dat Thija aan Tijger heeft gegeven toen hij twaalf werd, maar dat hij niet wilde. `Chine, pays inconnu.’ `Les couleurs pastel de la Chine’, leest hij onder een foto van een rivier van blauw krijt. De oevers zijn van pastelkleurig paars, de lucht is blauw en vet van de regen en gepokt met zwarte ganzen die zich op het water laten vallen. Boten met rieten daken, met naakte jongens voorop die met een stok de diepte peilen, drijven op het water.

De foto van een riviertje van blauw porselein, en een man in een bootje van bamboe, omringd door groenten met de kleur van gras. `Un homme transporte des légumes’.

Hij zet het boek terug, rolt naar het bureau en opent het album met de levenslopen van de directeuren van de fabriek. Hun levensbeschrijvingen, hun foto’s en doodsprentjes. Hij is bezig ze te ordenen, er een lijn in te krijgen.
Een grote leugen is het doodsprentje van Frans-Joseph Hubben, waarop te lezen staat dat hij zijn leven lang gehoorzaam aan God is geweest en een goed en trouw echtgenoot en vader was. Mels weet beter. Meneer Frans-Joseph kwam zelden in de kerk. Vlak na de verkoop van de fabriek is hij in Zwitserland gestorven aan een hartaanval, naar men zegt nadat ze hem uit een café hadden gezet waar hij vrouwen lastigviel.

Ton van Reen: Het diepste blauw (086)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (085). Een roman als feuilleton

`Als we China hebben gezien, zullen we pas begrijpen hoe nietig het hier allemaal is’, zegt Tijger.

`Hoe klein het dorp is, hoe smal de beek, hoe de fabriek stinkt.’

`Jij hoeft helemaal niet op reis te gaan om dat te ontdekken’, zegt Thija. `Jij weet het nu al.’

`Na de zomervakantie gaan we ieder naar een andere school’, zegt Tijger.

`Het is ellendig’, zegt Mels. `Ik wil helemaal niet naar een andere school. We moeten bij elkaar blijven.’

`We hebben er niets over te zeggen’, zegt Tijger. `Het is allemaal al beslist.’

`Stom’, zegt Thija. `Ik zal jullie maanden niet zien.’

`Dat is het ergst van alles,’ zegt Mels, `dat jij naar kostschool moet.’

`Ik wil het niet. Mijn váder wil het.’

`Ons vragen ze niets’, zegt Mels.

Ton van Reen: Het diepste blauw (085)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (084). Een roman als feuilleton

Hij heeft geen idee waar Jacob begraven is. Toen heeft hij er niet naar gevraagd.

Hebben ze met z’n drieën nooit bloemen willen brengen naar zijn graf? Hij weet het niet meer. Er was te veel afstand tussen de zigeuners en de dorpelingen. Ze werden gedoogd, daar hield het mee op. Je ging er niet mee om. Dat wilden ze zelf waarschijnlijk ook niet. Ze bleven onder elkaar.

Hij rijdt door naar huis. Het is bijna twaalf uur.
Met moeite kan hij bij de bel.

Lizet doet open.

`Dat werd tijd. Ik zit op je te wachten.’

`Het is nog geen twaalf uur.’

`Ik wil de boel aan kant hebben. Hoe was het?’

`Geen mens. Jij niet. Niemand.’

Over die hoerenmadam praat hij niet.

Hij rijdt door naar de keuken. De tafel is gedekt. In een hoek staat de kinderwagen. De baby van zijn dochter slaapt. De kat ligt in het mandje onder in de wagen.

Lizet legt een beboterde snee brood op zijn bord en doet er een omelet op.
Hij neemt een hap. Het ei is koud. Hij schuift het bord terug.

`Is het niet goed?’

`Het smaakt niet als het koud is.’

Buiten slaat de torenklok twaalf uur. Hij rolt zijn stoel terug.

`Eet je niet?’

`Nee.’

`Doe ik daar al die moeite voor?’

`Vanochtend gooide je mijn koffie weg. Nu is het ei koud.’

`Je was beter af in dat revalidatiecentrum’, gooit ze eruit.

`Ik ben blij dat je het gezegd hebt.’

`Zo bedoel ik het niet.’

`Je krijgt je zin.’

`Dram niet zo door.’

`Ik geef je gelijk.’

Ze weet dat ze te ver is gegaan. Nu heeft hij haar in de tang, ook al is het maar voor een paar tellen.
Met de lift gaat hij naar boven. Hij kijkt niet naar de schilderijen van de Wijer bij de trap. Hij wil niets zien.

Als hij van buiten komt, ziet hij elke keer hoe klein zijn kamer is. Ze lijkt steeds kleiner te worden. Een cel. Hij wil hier weg.
Hij kijkt niet in de spiegel. Hij wil zijn kwade hoofd niet zien.

Zijn bed is niet opgemaakt. Hij sluit zijn ogen en houdt de handen voor zijn oren, om de woede in hem te bedaren. Hij moet rustig worden. Aanvallen van woede kunnen het tekort aan bloed in zijn hoofd verergeren, zodat hij een aanval van verwardheid kan krijgen. Hij wil het niet. Hij moet overeind blijven. Als hij een aanval krijgt, laat ze hem in zijn vet gaar koken. Dan komt ze niet eens naar zijn kamer om hem te verzorgen.

Ze heeft hem al eens een hele nacht in zijn rolstoel laten zitten, voor straf. Hij was zo duizelig dat hij niet bij machte was om zelf in bed te komen. Toen hij naar het toilet ging, was hij naast de pot gevallen. Pas toen had ze hem geholpen. De vernedering had meer pijn gedaan dan de blauwe plekken.

Toch moet hij eventjes gaan liggen. Plat liggen is het best voor de bloedtoevoer naar zijn hoofd. Hij glijdt vanuit de rolstoel op bed en valt achterover. Het is gelukt. Hij rukt de plaid uit de rolstoel en trekt die over zijn hoofd. Donker verzacht zijn woede.
In huis is het stil. Zijn woorden hebben pijn gedaan, daar is hij zeker van. Hij heeft het niet gewild, maar hij heeft het ook niet kunnen voorkomen.

Hoe moet hij hier weg? Nergens zitten ze te wachten op een man die thuis nog een vrouw en dochter heeft die hem kunnen verzorgen. Maar de grens is bereikt.

Kan hij zijn manuscripten meenemen? Al die mappen? Het zijn stofnesten. Daar hebben ze de pest aan in zo’n verpleeghuis.
Hij zal het dorp missen. En de kleine rivier. De kleuren en de geuren van de Wijer.

Ton van Reen: Het diepste blauw (084)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (083). Een roman als feuilleton

`Doe de deur achter je dicht en loop maar naar boven’, roept Tijgers moeder, de lieve roodharige heks.

Mels holt de trap op, zijn vingers roffelend langs de spijlen. De deur van Tijgers slaapkamer staat open. Thija is er al. Ze zit op het hoofdeinde naast Tijger, haar arm om zijn hals. Hun ogen zijn gericht op iets wat voor Tijger op het bed ligt, maar Mels kan het niet zien.

Ze hebben hem niet gehoord. Geruisloos gaat Mels achterwaarts de trap af, opent zacht de voordeur en sluipt naar buiten. Met kloppend hart loopt hij naar de Wijer, de handen gebald in zijn broekzakken, alsof hij iemand wil wurgen.

Pas laat komt hij thuis. Het is al donker. Zijn moeder vraagt niets, ze begrijpt altijd alles.
Ze geeft hem thee met een stapel biscuitjes en wacht tot hij tot rust is gekomen.
`Ik heb slecht nieuws’, zegt ze dan. `Wil je het horen. Of is het voor vandaag te veel?’
`Zeg maar.’

`Die zigeunerjongen is gestorven.’
`Hij wilde nog lang niet dood.’ Mels is geschokt. En kwaad. `Het is niet eerlijk.’
`In het leven is niets eerlijk. Wat je graag wilt hebben, krijg je nooit.’

Denkt ze aan zijn vader? Hij vindt het verschrikkelijk dat die twee zo verschillend zijn en bijna nooit met elkaar praten. Zou zijn moeder gelukkiger zijn geweest met een andere man?

Omdat zijn vader er niet is, kan hij wat tegen zijn moeder aanhangen op de bank, op zoek naar troost. Zijn vader wil nooit dat hij zich door haar laat aanhalen. Hij vindt het iets voor moederskindjes.

Die nacht kan hij niet slapen. De hele nacht klinkt er vioolmuziek van heel ver. Woedende muziek. Alsof er wolven naar de maan huilen.

Als het nog donker is, staat hij al op en zoekt op de radio naar verre zenders. Vier uur. Tijd voor nachtraven. De fluitende en joelende tonen die van wie weet waar komen, stemmen hem rustig. Hij weet zeker dat het geheime boodschappen zijn. Misschien zijn er berichten bij uit China. Van de Chinese communisten voor de communisten hier die in het land geheime cellen opzetten, om later, samen met de Chinese legers, de macht te grijpen. Grootvader Rudolf weet zeker dat het ooit zover komt. Hij heeft visioenen van horden grijnzende gele mannetjes die het land onder de voet lopen. Voor elk van hen die sneuvelt komen er tientallen anderen.

Volgens grootvader hebben de Chinezen meer ruimte nodig in de wereld omdat ze met zo veel zijn. `Ze planten zich voort als ratten’, zegt hij. `Alleen maar om de wereld te overheersen. Wij zijn hier al bijna net zover. In het Rood Dorp zijn ook gezinnen met tien of twaalf kinderen. Die leggen rode lopers voor hen uit. Heel Europa zal worden platgewalst door het Gele Gevaar.’ `Is dat net zoiets als de gele verf?’ `Jazeker, mijn jongen, alleen wat erger.’ Maar grootvader Bernhard denkt er precies het tegenovergestelde van. Hij zegt juist dat de Chinezen liever in China blijven en dat China groot genoeg voor hen is. `En als ze dan toch zullen komen, dan zal ik ze vriendelijk ontvangen. In China heb ik alleen maar aardige mensen gezien.’

Mels probeert de code van een zender die een aantal verschillende pieptonen laat horen, te ontcijferen. Drie pieptonen in veel verschillende combinaties. Hij schrijft zijn vingers blauw op een velletje papier, maar alle rijtjes naast elkaar laten geen enkel verband met elkaar zien. Is het een zender die er juist voor bedoeld is om de vijand in de war te brengen? Hij komt er niet eens achter van wie de zender is en uit welk land hij zendt.

Al vroeg staat hij bij Thija aan de deur. Tijger heeft hem voorbij zien komen en volgt hem op de voet.
`Waar was je gisteren?’ vraagt Thija.
`Ik kon niet’, zegt hij. `Heb jij vannacht die viool ook gehoord?’
`Ik heb niets gehoord.’
`Jacob is dood’, zegt Mels. `Het moet zijn vader zijn geweest.’
`We wisten dat hij doodging.’
`We hadden vaker naar hem toe moeten gaan.’
`Stom, om zoiets achteraf te zeggen’, zegt Thija.

Ton van Reen: Het diepste blauw (083)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature