In this category:

Or see the index

All categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

BOOKS. The final chapter?

· Occupying the Stage. The Theater of May ’68 by Kate Bredeson · Ton van Reen: Het diepste blauw (103). Een roman als feuilleton · Hands of Spring : Anthology of Poetry by Federico García Lorca · Daniil Charms: Verzameld werk in Nederlandse vertaling · Thierry Laget: Proust, prix Goncourt. Une émeute littéraire · 50th Poetry International Festival Rotterdam. Going for gold from 13 – 16 June 2019 · Ton van Reen: Het diepste blauw (102). Een roman als feuilleton · Louise Bourgeois in de Rijksmuseumtuinen · Lady Chatterley’s Lover: keep this important piece of literary and social history in the UK · Federico Garcia Lorca: Poet in Spain · The Valedictorian of Being Dead: The True Story of Dying Ten Times to Live by Heather B. Armstrong · H. G. Wells: The Flying Man

»» there is more...

Occupying the Stage. The Theater of May ’68 by Kate Bredeson

Occupying the Stage: the Theater of May ’68 tells the story of student and worker uprisings in France through the lens of theater history, and the story of French theater through the lens of May ’68.

Based on detailed archival research and original translations, close readings of plays and historical documents, and a rigorous assessment of avant-garde theater history and theory, Occupying the Stage proposes that the French theater of 1959–71 forms a standalone paradigm called “The Theater of May ’68.”

The book shows how French theater artists during this period used a strategy of occupation-occupying buildings, streets, language, words, traditions, and artistic processes-as their central tactic of protest and transformation. It further proposes that the Theater of May ’68 has left imprints on contemporary artists and activists, and that this theater offers a scaffolding on which to build a meaningful analysis of contemporary protest and performance in France, North America, and beyond.

At the book’s heart is an inquiry into how artists of the period used theater as a way to engage in political work and, concurrently, questioned and overhauled traditional theater practices so their art would better reflect the way they wanted the world to be. Occupying the Stage embraces the utopic vision of May ’68 while probing the period’s many contradictions. It thus affirms the vital role theater can play in the ongoing work of social change.

Occupying the Stage
The Theater of May ’68
Kate Bredeson (Author)
Publication Date: November 2018
Pages 232
Trim Size 6 x 9
Paper Text – $34.95
Northwestern University Press
Drama & Performance Studies
ISBN 978-0-8101-3815-5

# new books
Occupying the Stage
The Theater of May ’68
Kate Bredeson

• fleursdumal.nl magazine

More in: #Editors Choice Archiv, - Book News, - Book Stories, Archive A-B, Art & Literature News, AUDIO, CINEMA, RADIO & TV, Protests of MAY 1968, THEATRE


Ton van Reen: Het diepste blauw (103). Een roman als feuilleton

Grootvader Bernhard heeft een flesje in zijn hand en dept azijn op de arm van Thija, die door een bij is gestoken. Thija wordt vaak gestoken.

`Heb je de angel er uitgezogen?’ vraagt grootvader.
Thija laat het kleine zwarte puntje zien op de nagel van haar wijsvinger, maar door zijn kippige ogen ziet grootvader het niet.
`Rotbijen’, zegt Thija. `Waarom steken bijen vooral meisjes?’
`Meisjes hebben zoet bloed’, zegt grootvader. `Jullie zijn van suiker. Vroeger woonde er een meisje in ons dorp dat helemaal door de bijen is opgegeten. Van haar hebben ze alleen de botten teruggevonden.’

`Vorige week vertelde u dat ze door een wolf was opgegeten.’
`Zei ik dat? Dan moet ik me toen hebben vergist. Zie je, ik word oud. Ik haal de dingen door elkaar. Ik denk dat er twee meisjes zijn opgegeten, een door bijen en een door een wolf.’
`Dat van die wolf is waar’, zegt Mels. `Grootvader Rudolf vertelt het ook. In een strenge winter, langgeleden, zijn de wolven uit het bos gekomen en hebben een meisje opgegeten.’
`Ik denk dat Rudolf het verhaaltje over het meisje dat is opgegeten door de wolf zelf in omloop heeft gebracht.’
`Zoals u het praatje over het meisje dat is opgegeten door de bijen zelf hebt bedacht?’

`Zo zal het wel zijn gegaan’, lacht grootvader. `Oude mannen vertellen maar wat. Zo ontstaan verhalen. Sommigen schrijven ze op. En dat leren jullie dan op school als geschiedenis.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (103)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Hands of Spring : Anthology of Poetry by Federico García Lorca

Manos de primavera. Antología poética de Federico García Lorca

Hands of Spring : Anthology of Poetry by Federico García Lorca

La voz de Lorca ilustrada por la mano poética de Aitor Saraiba.

La luna, el agua, la tierra, las imágenes lorquianas caminan de la mano de las poéticas ilustraciones de Aitor Saraiba. Una defensa de las voces únicas y las imágenes indestructibles. Un libro, sí, un canto a la libertad y al arte.

Lorca’s voice, illustrated by the poetic hand of Aitor Saraiba.

The moon, water, earth: Lorca’s images go hand-in-hand with the poetic illustrations of Aitor Saraiba. A defense of unique voices and indestructible images. A book—and a song to freedom and art.

Manos de primavera. Antología poética de Federico García Lorca
Hands of Spring : Anthology of Poetry by Federico García Lorca
By Federico Garcia Lorca
Hardcover
Pages: 128
10 x 11
Aug 20, 2019
Published by Montena
PRH Grupo Editoria
Category: Poetry
Spanish Language Nonfiction
ISBN 9788417671419
ISBN-13: 9788417671419
$20.95

# More poetry
Anthology of Poetry
by Federico García Lorca

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive K-L, Archive K-L, Art & Literature News, Garcia Lorca, Federico, WAR & PEACE


Daniil Charms: Verzameld werk in Nederlandse vertaling

Het Russische absurdisme laat zich gemakkelijk terugbrengen tot één man: Daniil Charms. “Charms is kunst,’ schreef een vriend over hem.

Met zijn opvallende verschijning, zijn excentriciteit, zijn creatieve tegendraadsheid was hij een fenomeen en groeide hij na zijn dood uit tot een wereldwijd bekende cultschrijver. “Mij interesseert alleen “onzin”,’ schreef hij ooit, “alleen dat wat geen enkele praktische zin heeft.’

Charms blinkt uit in het tonen van de onsamenhangendheid van het bestaan en de onvoorspelbaarheid van het lot. Hij zoekt naar een ongefilterde verbeelding van de chaos die wij voortbrengen, los van zingeving en in de hoop op nieuwe ervaringen en aha-erlebnissen. In zijn werk laat hij willekeur vergezeld gaan van een stevige dosis, vaak zwartgallige, humor.

Voor het eerst verschijnt een grote uitgave van Charms’ werk in de Russische Bibliotheek, samengesteld uit proza, toneelteksten, gedichten, autobiografisch proza en kinderverhalen, en rijkelijk aangevuld met avantgardistische illustraties.

Auteur: Daniil Charms
Verzameld werk
Vertaald door Yolanda Bloemen
Russische Bibliotheek (RB)
Uitgeverij van Oorschot
Verschijningsdatum januari 2018
Taal Nederlands
1e druk
Bindwijze: Hardcover
Afmetingen 20,3 x 12,8 x 3,4 cm
736 pagina’s
ISBN 9789028282353
€ 44,99

• fleursdumal.nl magazine

More in: *Concrete + Visual Poetry A-E, - Book News, - Bookstores, Archive C-D, Archive C-D, Art & Literature News, Expressionism, Kharms (Charms), Daniil, Psychiatric hospitals


Thierry Laget: Proust, prix Goncourt. Une émeute littéraire

10 décembre 1919: le prix Goncourt est attribué à Marcel Proust pour À l’ombre des jeunes filles en fleurs.

Aussitôt éclate un tonnerre de protestations : anciens combattants, pacifistes, réactionnaires, révolutionnaires, chacun se sent insulté par un livre qui, ressuscitant le temps perdu, semble dédaigner le temps présent.

Pendant des semaines, Proust est vilipendé dans la presse, brocardé, injurié, menacé. Son tort? Ne plus être jeune, être riche, ne pas avoir fait la guerre, ne pas raconter la vie dans les tranchées.

Retraçant l’histoire du prix et les manœuvres en vue de son attribution à Proust, s’appuyant sur des documents inédits, dont il dévoile nombre d’extraits savoureux, Thierry Laget fait le récit d’un événement inouï – cette partie de chamboule-tout qui a déplacé le pôle magnétique de la littérature – et de l’émeute dont il a donné le signal.


Thierry Laget
Proust, prix Goncourt. Une émeute littéraire
Collection Blanche, Gallimard
Parution : 04-04-2019
272 pages
140 x 205 mm
ISBN : 9782072846786
Genre : Essais
Prix €19,50

# new books
Thierry Laget
Proust
prix Goncourt

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive K-L, Archive O-P, Archive O-P, Art & Literature News, Awards & Prizes, Marcel Proust, Proust, Marcel


50th Poetry International Festival Rotterdam. Going for gold from 13 – 16 June 2019

  

This year, the Poetry International Festival Rotterdam turns 50!

The milestone makes it the oldest festival in the city, and one of the oldest in the country, with a wealth of history and highlights. Nobel Prize-winning poets once stood on Poetry’s stages as bright young talents, and the festival is both a shining example for, and founding parent of, poetry festivals worldwide.

Poetry International celebrates its golden anniversary with an extra festive edition at Concertgebouw De Doelen, which also hosted the debut festival back in 1970. Trailblazing poets will deliver transformative work thrumming with the now.

Unique fusions of poetry by engaging artists from the worlds of music, cinema, and dance amplify the power, the beauty, and the personal impact of poetry, here in the form of an intimate reading or workshop, there as a multidisciplinary theatrical poetry spectacle. Right in the heart of the city, inviting, challenging, unmissable.

What Happened to the Future? Since 1970, poetry luminaries from all over the world travel to Rotterdam for the annual Poetry International Festival. Thousands of poets have shared their work on the stages of De Doelen and the Schouwburg, but also in the city’s squares, parks, and trams. A landmark anniversary like this is an invitation to look back and celebrate the past, but at the same time, Poetry International will be looking ahead. Under the title What Happened to the Future?, the 50th Poetry International Festival unites its rich history with the world’s poems and poets of today and tomorrow.

The Metropole Orchestra – nominated for 18 Grammy Awards – will open the 50th Poetry International Festival with a literal bang. In this theatrical kick-off, the orchestra will perform unique duets with poets, including the legendary Last Poets, godfathers of hip hop and spoken word. Inspired by the festival’s theme, “What Happened to the Future?”, poets from the festival’s rich past, such as Judith Herzberg, Antjie Krog, Rita Dove, Raúl Zurita, and Tom Lanoye, will perform side by side with poets of a more recent vintage, such as Marieke Lucas Rijneveld, Koleka Putuma, Patricia Lockwood, Lieke Marsman, Frank Báez, Sayaka Osaki, Ulrike Almut Sandig, and Galina Rymboe. Whether rooted in the past or inspired by the future, their readings will festively raise the curtains on this golden-anniversary edition.

From festival hub De Doelen, Poetry International will take you on a poetic walking tour through the heart of Rotterdam. Led by a guide from UrbanGuides, you will discover extraordinary art in public spaces and have surprising encounters with festival poets and spoken-word artists. Explore the city’s hidden stories together!

Practical festival information
Following the Opening Night on 13 June the 50th Poetry International Festival will presents three days packed with readings, concerts, workshops, specials, poetic city walks, interviews, award ceremonies and book presentations. Check the changing starting times beforehand! Almost all programs take place or depart from De Doelen, in the heart of the city within a 5-minute walk of Rotterdam Central Station.

The 50th Poetry International Festival will kick-off on 13 June in the Main Auditorium of de Doelen. On 14, 15 and 16 June most events will take place in or around the Jurriaanse zaal. De Doelen is situated within walking distance of Rotterdam Central Station

# More information on website Poetry International Festival

• fleursdumal.nl magazine

More in: #Archive A-Z Sound Poetry, #More Poetry Archives, - Book News, Art & Literature News, AUDIO, CINEMA, RADIO & TV, LITERARY MAGAZINES, Marieke Lucas Rijneveld, MODERN POETRY, Poetry International, STREET POETRY, Tom Lanoye


Ton van Reen: Het diepste blauw (102). Een roman als feuilleton

Voor de bouwvakkers zit de werkdag erop. Ze lopen terug naar de auto en vertrekken. Mels rolt naar de silo om het resultaat beter te bekijken. De steigers staan al een paar meter boven de grond.

De deur van de voormalige directiekamer staat open. Hij kan er zo binnenrijden. De meubels van de laatste directeuren staan er nog. Alles is gebleven zoals het was. Niemand heeft ooit de moeite genomen hier iets weg te halen. Alles is verrot en vervuild. Het heeft voor niemand waarde meer. Het ziet ernaaruit dat de arbeiders het allemaal in een container voor grof vuil zullen gooien.

Het gepolitoerde bureau van Frans-Joseph zit onder het vuil. De kast, met de monsters van de meelproducten die ze maakten, staat er nog. De affiches aan de muur, huisvrouwen die glunderend hun pakken meel vasthouden. De foto’s van de stichters van de fabriek, de weduwe Hubben-Houba zo breed als de molenaar zelf, aan haar rokken zoon Frits, die later de molen zou overnemen, en Tom, de zoon die naar Amerika zou verdwijnen. En de dochters die naar het klooster werden gestuurd, zodat ze geen beroep konden doen op de erfenis, en zo geruisloos uit de geschiedenis van de familie en van de fabriek werden weggesluisd.

De grote foto van Frits Hubben, de erfgenaam die het bedrijf liet verhuizen van de watermolen naar de fabriek, zittend aan een bureau. Naast hem de twee zonen, Frans-Hubert en Frans-Joseph, beiden al met een blik in de ogen die verraadt dat het hen allemaal geen bal interesseert.
De foto’s van de laatste generatie. De kinderen van Frans-Hubert en van Frans-Joseph, van wie niemand nog in het bedrijf heeft gewerkt, vrolijk lachend bijeen op een grasveld voor een villa.

Hij vindt het jammer dat hij niet eerder wist dat dit hier allemaal hing te vergaan. Hij had het graag willen behouden. De foto’s had hij kunnen bewaren in zijn archief, maar nu zijn ze waardeloos. Vocht heeft ze aangetast en beschimmeld. Waterkringen lopen door het rottende papier. Deze rotzooi kan hij niet meer mee naar huis nemen, ook al zou hij het willen. Lizet wil het zeker niet in huis hebben.

In een laatje vindt hij stukken van het reclamearchief, waar Frits Hubben zo zorgvuldig mee omging. Foto’s van vrouwen die verlekkerd een beslag kloppen, met in hun hand een pak patentmeel van Hubben. Foto’s van de verpakkingen van Luxe- en Excellentmeel, die zo mooi zijn dat ze van meel een kostbaarheid maken. Een foto van een dikke man, glunderend met een pak anti-obstipatiemeel vol zemelen in de hand, het wondermeel waarvan hardlijvige mensen een gezonde stoelgang zouden krijgen. Foto’s in een bakkerij waar de balen Hubben Broodmeel hoog liggen opgeslagen, en de bakker en zijn knechten trots de glimmende broden met suikerkorst tonen. Winkels in levensmiddelen en koloniale waren met Hubbens bijzondere soorten brood- en bakmeel in de rekken. Hubbens broodmeel in Indonesië en Zuid-Afrika. Alle foto’s stralen glorie uit en demonstreren daardoor des te meer hoe onnodig de ondergang van de fabriek was.

In zijn woede grijpt hij een pot met een verdroogde bloem van de vensterbank en gooit hem naar het familieportret van de lapzwansen. Het glas rinkelt. Dat doet goed.
Dan pas ziet hij de bouwlift, aan de achterkant van de silo. Die moeten ze vandaag hebben geplaatst. In een opwelling rijdt hij ernaartoe en rolt het platform op van de lift. Hij drukt op de knop. Het ding werkt. Ze hebben vergeten de stroom uit te schakelen.

Langzaam gaat hij naar boven. Het is opwindend. Hij voelt zich een klein kind dat iets doet wat verboden is.
De lift staat stil. Hij is op het hoogste punt aangekomen. Nu weer naar beneden? Of het dak op? De vloerplaat kan uitgeschoven worden. Door een druk op een knop schuift de plaat tot op het dak en vormt een brug.
Hij rijdt het dak op. Hij kijkt rond en voelt zich vrij.

Op nog geen halve meter van de rand stopt hij de rolstoel. Tussen zijn voeten doorkijkend, in de diepte, ziet hij het dorp zoals een vogel het ziet. De rookpluimen boven de rode, blauwe en grauwe daken. Hij kan ze tellen. Nu hij er bovenop kijkt, ontdekt hij de regelmaat in het patroon. Broederlijk liggen de huizen dicht naast elkaar. Hun goten omarmen elkaar en verbinden meer dan honderd huizen. Aan elkaar gesloten pannenrijen, rood, blauw en grijs, versterken het beeld van een gesloten dorp.

Vanaf hier is zijn huis het zevende dak van rechts. Als je het dorp vanaf het noorden binnenkomt, is zijn huis het derde aan de rechterkant. Kom je vanuit het zuiden, dan is het ‘t tweeëntwintigste huis aan de linkerkant. Kom je van de weg langs de Wijer, dan is het vanaf de brug het zevende huis rechts, aan de overkant van de straat.

Zou je met een bootje over de Wijer het dorp binnenvaren tegen de stroom op, dan is het het negende huis links. Tegenover zijn huis ligt slagerij Kemp. Kemp levert bierworst aan café De Zwaan, dat aan de andere kant van de brug ligt, en fijne vleeswaren als er in De Zwaan een uitvaartmaal wordt geserveerd of als er een trouwpartij is.

Maar er komt niemand over de Wijer het dorp binnenvaren. Nu, laat in de middag, is de beek een zilveren streep tussen de weilanden, die soms heel even zwart wordt als er een wolk voor de zon trekt. Vanmiddag zijn er weinig wolken. De zon schijnt zo overdadig dat de miljoenen margrieten langs het riviertje een breed wit tapijt vormen. De oevers zijn net zo wit als vroeger, toen de weide wit was omdat zijn moeder er de lakens op te bleken had gelegd en hij haar moest helpen om stenen op de hoeken te leggen, zodat de wind ze niet kon meenemen.
Van bovenaf lijkt het dorp veel lieflijker dan het in werkelijkheid is. Het centrum van vroeger is maar klein. De huizen staan er dicht op elkaar, alsof ze bang zijn voor de uitgestrektheid van de velden, weilanden en bossen die het dorp omringen, maar vooral voor de groeiende buitenwijken.

Hoewel het dorp diep beneden hem ligt, lijkt alles waar hij naar kijkt toch heel dichtbij. De wand van de silo versterkt de geluiden van beneden, zodat hij alles hoort wat zich daar afspeelt. Er zijn maar een paar mensen op straat, maar doordat hij van zo hoog op hen neerkijkt, hebben ze hun proporties verloren: het zijn gedrongen poppetjes.

Nu hoeft hij alleen maar de rem van zijn rolstoel te ontkoppelen, de wind zal hem wel een zetje willen geven. Voor het eerst sinds lang zullen ze naar hem kijken, allemaal, daar in het dorp. Hij glimlacht bij de gedachte, juist omdat hij dat niet nodig heeft. Hij hoeft geen aandacht, hij wil alleen maar dat ze weten wie hij is.
Hij hoort hoe de mensen met elkaar praten. De daken kunnen wel het zicht op de mensen verbergen, maar nemen niet hun stemmen weg. Hij meent zelfs het ademen van de baby in de tuin van zijn dochter te horen. En het snorren van de poes, die als een bal opgerold aan het voeteneind in de kinderwagen ligt. Het is gevaarlijk. De kat mag niet op de baby gaan liggen, dat zou de dood van het kind kunnen betekenen.

Eigenlijk zou hij moeten schreeuwen, om de kat te verjagen. Maar het beest zal hem niet horen. Van beneden kan niemand hem horen. Hij heeft eens een man vanaf het dak van de silo naar beneden zien schreeuwen, de mond wijdopen, de handen als een toeter aan de mond, maar niemand hoorde hem.
Het is zelfs nog maar de vraag of ze hem van de straat af kunnen zien. Als ze naar boven zouden kijken, kijken ze tegen de onderkant van de rolstoel aan, de voetenplankjes. Ze zullen denken dat het ding iets is van de aannemer die de silo verbouwt.

Opeens hoort hij zoemen achter zijn rug. De lift. De vloerplaat wordt naar binnen gehaald. Dan zakt de lift naar beneden. Heeft iemand hem ontdekt? Halen ze hem nu van het dak?
Hij hoort veel stemmen tegelijk en doet moeite om het koor van geluiden te ontrafelen. Een voor een weet hij de stemmen in zijn oren te ontcijferen. De stem van Kemp, de slager, de stemmen van de samenwonende nichtjes Tinie en Tinie van de Bercken, die beiden al bijna honderd moeten zijn en theedrinken op het terras achter het huis waarmee ze samen in de tijd wegzakken. De postbode, die `post!’ roept bij elke brievenbus waar hij wat in gooit, ook bij een huis dat al jaren leegstaat en waarin de post zich in de gang tot een berg heeft opgehoopt.

Hij hoort niet alleen de stemmen van degenen die beneden zijn, er klinken ook fragmenten door van stemmen van langgeleden. De bewoners van het kerkhof. Grootvader Bernhard. Juffrouw Fijnhout. Ze zijn rumoerig en praten door elkaar heen, net of ze hem allemaal tegelijk iets willen zeggen. Of ze hem roepen. Eén stem is goed te verstaan omdat hij zacht en rustig is. Grootvader Bernhard. Fragmenten van zinnen. `Zonnebloemen zijn … zomerbui … lusten jullie een … heb ik al klaar’, waaruit Mels begrijpt dat regen goed was voor zonnebloemen en dat grootvader glazen limonade voor hen op het aanrecht heeft staan. Hoewel grootvader Bernhard steeds stukken van zinnen inslikt, begrijpt hij hem toch goed als hij zegt: `Niet doen … is heilig … niet de hand aan …’ Even ziet hij hem zitten, in zijn leunstoel, boven op de betonnen grafsteen, maar dan lost zijn beeld op in het zonlicht om weer op te duiken bij het molenhuis, op zijn stukje land bij de Wijer.

Ton van Reen: Het diepste blauw (102)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Louise Bourgeois in de Rijksmuseumtuinen

Metershoge spinnen, kolossale ogen en hangende spiralen in de monumentale vleugelnootboom.

Dit voorjaar presenteert het Rijksmuseum Louise Bourgeois in de Rijksmuseumtuinen. Het is voor het eerst dat een ruime selectie van Bourgeois’ buitenbeelden bijeen wordt gebracht.

Met twaalf beelden toont het Rijksmuseum een overzicht van een halve eeuw werk, van The Blind Leading the Blind (1947-49) tot Crouching Spider (2003). Veel van deze werken zijn nooit eerder in Nederland te zien geweest.

Louise Bourgeois (1911-2010) geniet internationale faam als een van de belangrijkste vrouwelijke kunstenaars van de twintigste eeuw en werd wereldberoemd met haar monumentale beelden van spinnen.

Louise Bourgeois in de Rijksmuseumtuinen

Tentoonstelling 24 mei – 3 november 2019

Van de hand van de samensteller van de tentoonstelling, Alfred Pacquement, verschijnt een catalogus: Louise Bourgeois in de Rijksmuseumtuinen in het Nederlands en Engels. Vanaf begin juni verkrijgbaar via rijksmuseumshop.nl. Prijs: €15,-

# meer informatie op website rijksmuseum

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive A-B, Art & Literature News, Exhibition Archive, Louise Bourgeois, Sculpture


Lady Chatterley’s Lover: keep this important piece of literary and social history in the UK

 

English PEN have launched a crowdfunding campaign to ensure that a hand-annotated copy of Lady Chatterley’s Lover used by the judge in its landmark obscenity trial can remain in the UK

During the trial, the presiding judge, the Hon. Sir Laurence Byrne, referred to a copy of the book which had been annotated by his wife. She had made notes of character names in the margins, underlined important sections, and had produced a list of page numbers relating to significant passages in the book (“love making”, “coarse”, etc).

Because of its unique crucial importance in British history, the arts minister, Michael Ellis, has determined that it should remain in the UK and has placed a temporary bar preventing its overseas export from being exported overseas if a UK-based bidder can match its price. English PEN have launched the GoFundMe campaign to raise the money required to keep the book in the UK.

Philippe Sands QC, President of English PEN, said:
DH Lawrence was an active member of English PEN and unique in the annals of English literary history. Lady Chatterley’s Lover was at the heart of the struggle for freedom of expression, in the courts and beyond. This rare copy of the book, used and marked up by the judge, must remain in the UK, accessible to the British public to help understand what is lost without freedom of expression. This unique text belongs here, a symbol of the continuing struggle to protect the rights of writers and readers at home and abroad.

Lady Chatterley’s Lover was published in Europe in 1928, but remained unpublished in the UK for thirty years following DH Lawrence’s death in 1930. Its narrative – of an aristocratic woman embarking on a passionate relationship with a groundskeeper outside of her sexless marriage – challenged establishment sensibilities, and publishers were unwilling to publish it through fear of prosecution.

The 1960 obscenity trial of Lady Chatterley’s Lover was one of the most important cases in British literary and social history, and led to a significant shift in the cultural landscape. The trial highlighted the distance between modern society and an out-of-touch establishment, shown in the opening remarks of Mervyn Griffith-Jones, the lead prosecutor:

Would you approve of your young sons, young daughters – because girls can read as well as boys – reading this book?

Is it a book that you would have lying around in your own house? Is it a book that you would even wish your wife or your servants to read?

However, it took the jury just three hours to reach a decision that the novel was not obscene, and, within a day, the book sold 200,000 copies, rising to more than 2 million copies in the next two years.

The verdict was a crucial step in ushering the permissive and liberal sixties and was an enormously important victory for freedom of expression.

We want to ensure this piece of our cultural history remains in the UK. Please support us and help spread the word.

# Support the campaign see website ENGLISH PEN

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, Archive K-L, D.H. Lawrence, Erotic literature, Lawrence, D.H., PRESS & PUBLISHING, REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS


Federico Garcia Lorca: Poet in Spain

For the first time in a quarter century, a major new volume of translations of the beloved poetry of Federico García Lorca, presented in a beautiful bilingual edition

The fluid and mesmeric lines of these new translations by the award-winning poet Sarah Arvio bring us closer than ever to the talismanic perfection of the great García Lorca. Poet in Spain invokes the “wild, innate, local surrealism” of the Spanish voice, in moonlit poems of love and death set among poplars, rivers, low hills, and high sierras.

Arvio’s ample and rhythmically rich offering includes, among other essential works, the folkloric yet modernist Gypsy Ballads, the plaintive flamenco Poem of the Cante Jondo, and the turbulent and beautiful Dark Love Sonnets—addressed to Lorca’s homosexual lover—which Lorca was revising at the time of his brutal political murder by Fascist forces in the early days of the Spanish Civil War.

Here, too, are several lyrics translated into English for the first time and the play Blood Wedding—also a great tragic poem. Arvio has created a fresh voice for Lorca in English, full of urgency, pathos, and lyricism—showing the poet’s work has grown only more beautiful with the passage of time.

Federico García Lorca may be Spain’s most famous poet and dramatist of all time. Born in Andalusia in 1898, he grew up in a village on the Vega and in the city of Granada. His prolific works, known for their powerful lyricism and an obsession with love and death, include the Gypsy Ballads, which brought him far-reaching fame, and the homoerotic Dark Love Sonnets, which did not see print until almost fifty years after his death. His murder in 1936 by Fascist forces at the outset of the Spanish Civil War became a literary cause célébre; in Spain, his writings were banned. Lorca’s poems and plays are now read and revered in many languages throughout the world.

Sarah Arvio is the author of night thoughts:70 dream poems & notes from an analysis, Sono: Cantos, and Visits from the Seventh: Poems. Winner of the Rome Prize and the Bogliasco and Guggenheim fellowships, among other honors, Arvio works as a translator for the United Nations in New York and Switzerland and has taught poetry at Princeton University.

Poet in Spain
By Federico Garcia Lorca
Translated by Sarah Arvio
Hardcover
576 Pages
Published by Knopf
2017
ISBN 9781524733117
Category: Poetry
$35.00

# More poetry
Federico Garcia Lorca
Poet in Spain

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive K-L, Archive K-L, Art & Literature News, Garcia Lorca, Federico, REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS, WAR & PEACE


The Valedictorian of Being Dead: The True Story of Dying Ten Times to Live by Heather B. Armstrong

From blogger Heather B. Armstrong (dooce), author of It Sucked and Then I Cried, comes The Valedictorian of Being Dead (Gallery), an irreverent new memoir – reminiscent of Brain on Fire – about her experience as one of only a few people to participate in an experimental treatment for depression involving 10 rounds of a chemically-induced coma approximating brain death.

For years, Heather Armstrong has alluded to her struggle with depression on her website, dooce. It’s scattered throughout her archive, where it weaves its way through posts about pop culture, music, and motherhood. But in 2016, Heather found herself in the depths of a depression she just couldn’t shake, an episode darker and longer than anything she had previously experienced. She had never felt so discouraged by the thought of waking up in the morning, and it threatened to destroy her life. So, for the sake of herself and her family, Heather decided to risk it all by participating in an experimental clinical trial involving a chemically induced coma approximating brain death.

Now, for the first time, Heather recalls the torturous eighteen months of suicidal depression she endured and the month-long experimental study in which doctors used propofol anesthesia to quiet all brain activity for a full fifteen minutes before bringing her back from a flatline. Ten times. The experience wasn’t easy. Not for Heather or her family. But a switch was flipped, and Heather hasn’t experienced a single moment of suicidal depression since.

Disarmingly honest, self-deprecating, and scientifically fascinating, The Valedictorian of Being Dead brings to light a groundbreaking new treatment for depression.

Author: Heather B. Armstrong
The Valedictorian of Being Dead:
The True Story of Dying Ten Times to Live
Binding: Hardcover
Publication date: 04/23/2019
Publisher: SIMON & SCHUSTER TRADE
Pages: 272
ISBN13: 9781501197048
ISBN10: 1501197045
List Price $26.00

# new books
Heather B. Armstrong
The Valedictorian of Being Dead

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive A-B, DRUGS & MEDICINE & LITERATURE, MONTAIGNE, NONFICTION: ESSAYS & STORIES


H. G. Wells: The Flying Man

The Flying Man

The Ethnologist looked at the bhimraj feather thoughtfully. “They seemed loth to part with it,” he said.

“It is sacred to the Chiefs,” said the lieutenant; “just as yellow silk, you know, is sacred to the Chinese Emperor.”

The Ethnologist did not answer. He hesitated. Then opening the topic abruptly, “What on earth is this cock-and-bull story they have of a flying man?”

The lieutenant smiled faintly. “What did they tell you?”

“I see,” said the Ethnologist, “that you know of your fame.”

The lieutenant rolled himself a cigarette. “I don’t mind hearing about it once more. How does it stand at present?”

“It’s so confoundedly childish,” said the Ethnologist, becoming irritated. “How did you play it off upon them?”

The lieutenant made no answer, but lounged back in his folding-chair, still smiling.

“Here am I, come four hundred miles out of my way to get what is left of the folk-lore of these people, before they are utterly demoralised by missionaries and the military, and all I find are a lot of impossible legends about a sandy-haired scrub of an infantry lieutenant. How he is invulnerable — how he can jump over elephants — how he can fly. That’s the toughest nut. One old gentleman described your wings, said they had black plumage and were not quite as long as a mule. Said he often saw you by moonlight hovering over the crests out towards the Shendu country. — Confound it, man!”

The lieutenant laughed cheerfully. “Go on,” he said. “Go on.”

The Ethnologist did. At last he wearied. “To trade so,” he said, “on these unsophisticated children of the mountains. How could you bring yourself to do it, man?”

“I’m sorry,” said the lieutenant, “but truly the thing was forced upon me. I can assure you I was driven to it. And at the time I had not the faintest idea of how the Chin imagination would take it. Or curiosity. I can only plead it was an indiscretion and not malice that made me replace the folk-lore by a new legend. But as you seem aggrieved, I will try and explain the business to you.

“It was in the time of the last Lushai expedition but one, and Walters thought these people you have been visiting were friendly. So, with an airy confidence in my capacity for taking care of myself, he sent me up the gorge — fourteen miles of it — with three of the Derbyshire men and half a dozen Sepoys, two mules, and his blessing, to see what popular feeling was like at that village you visited. A force of ten — not counting the mules — fourteen miles, and during a war! You saw the road?”

“Road!” said the Ethnologist.

“It’s better now than it was. When we went up we had to wade in the river for a mile where the valley narrows, with a smart stream frothing round our knees and the stones as slippery as ice. There it was I dropped my rifle. Afterwards the Sappers blasted the cliff with dynamite and made the convenient way you came by. Then below, where those very high cliffs come, we had to keep on dodging across the river — I should say we crossed it a dozen times in a couple of miles.

“We got in sight of the place early the next morning. You know how it lies, on a spur halfway between the big hills, and as we began to appreciate how wickedly quiet the village lay under the sunlight, we came to a stop to consider.

“At that they fired a lump of filed brass idol at us, just by way of a welcome. It came twanging down the slope to the right of us where the boulders are, missed my shoulder by an inch or so, and plugged the mule that carried all the provisions and utensils. I never heard such a death-rattle before or since. And at that we became aware of a number of gentlemen carrying matchlocks, and dressed in things like plaid dusters, dodging about along the neck between the village and the crest to the east.

“‘Right about face,’ I said. ‘Not too close together.’

“And with that encouragement my expedition of ten men came round and set off at a smart trot down the valley again hitherward. We did not wait to save anything our dead had carried, but we kept the second mule with us — he carried my tent and some other rubbish — out of a feeling of friendship.

“So ended the battle — ingloriously. Glancing back, I saw the valley dotted with the victors, shouting and firing at us. But no one was hit. These Chins and their guns are very little good except at a sitting shot. They will sit and finick over a boulder for hours taking aim, and when they fire running it is chiefly for stage effect. Hooker, one of the Derbyshire men, fancied himself rather with the rifle, and stopped behind for half a minute to try his luck as we turned the bend. But he got nothing.

“I’m not a Xenophon to spin much of a yarn about my retreating army. We had to pull the enemy up twice in the next two miles when he became a bit pressing, by exchanging shots with him, but it was a fairly monotonous affair — hard breathing chiefly — until we got near the place where the hills run in towards the river and pinch the valley into a gorge. And there we very luckily caught a glimpse of half a dozen round black heads coming slanting-ways over the hill to the left of us — the east that is — and almost parallel with us.

“At that I called a halt. ‘Look here,’ says I to Hooker and the other Englishmen; ‘what are we to do now?’ and I pointed to the heads.

“‘Headed orf, or I’m a nigger,’ said one of the men.

“‘We shall be,’ said another. ‘You know the Chin way, George?’

“‘They can pot every one of us at fifty yards,’ says Hooker, ‘in the place where the river is narrow. It’s just suicide to go on down.’

“I looked at the hill to the right of us. It grew steeper lower down the valley, but it still seemed climbable. And all the Chins we had seen hitherto had been on the other side of the stream.

“‘It’s that or stopping,’ says one of the Sepoys.

“So we started slanting up the hill. There was something faintly suggestive of a road running obliquely up the face of it, and that we followed. Some Chins presently came into view up the valley, and I heard some shots. Then I saw one of the Sepoys was sitting down about thirty yards below us. He had simply sat down without a word, apparently not wishing to give trouble. At that I called a halt again; I told Hooker to try another shot, and went back and found the man was hit in the leg. I took him up, carried him along to put him on the mule — already pretty well laden with the tent and other things which we had no time to take off. When I got up to the rest with him, Hooker had his empty Martini in his hand, and was grinning and pointing to a motionless black spot up the valley. All the rest of the Chins were behind boulders or back round the bend. ‘Five hundred yards,’ says Hooker, ‘if an inch. And I’ll swear I hit him in the head.’

“I told him to go and do it again, and with that we went on again.

“Now the hillside kept getting steeper as we pushed on, and the road we were following more and more of a shelf. At last it was mere cliff above and below us. ‘It’s the best road I have seen yet in Chin Lushai land,’ said I to encourage the men, though I had a fear of what was coming.

“And in a few minutes the way bent round a corner of the cliff. Then, finis! the ledge came to an end.

“As soon as he grasped the position one of the Derbyshire men fell a-swearing at the trap we had fallen into. The Sepoys halted quietly. Hooker grunted and reloaded, and went back to the bend.

“Then two of the Sepoy chaps helped their comrade down and began to unload the mule.

“Now, when I came to look about me, I began to think we had not been so very unfortunate after all. We were on a shelf perhaps ten yards across it at widest. Above it the cliff projected so that we could not be shot down upon, and below was an almost sheer precipice of perhaps two or three hundred feet. Lying down we were invisible to anyone across the ravine. The only approach was along the ledge, and on that one man was as good as a host. We were in a natural stronghold, with only one disadvantage, our sole provision against hunger and thirst was one live mule. Still we were at most eight or nine miles from the main expedition, and no doubt, after a day or so, they would send up after us if we did not return.

“After a day or so . . . ”

The lieutenant paused. “Ever been thirsty, Graham?”

“Not that kind,” said the Ethnologist.

“H’m. We had the whole of that day, the night, and the next day of it, and only a trifle of dew we wrung out of our clothes and the tent. And below us was the river going giggle, giggle, round a rock in mid stream. I never knew such a barrenness of incident, or such a quantity of sensation. The sun might have had Joshua’s command still upon it for all the motion one could see; and it blazed like a near furnace. Towards the evening of the first day one of the Derbyshire men said something — nobody heard what — and went off round the bend of the cliff. We heard shots, and when Hooker looked round the corner he was gone. And in the morning the Sepoy whose leg was shot was in delirium, and jumped or fell over the cliff. Then we took the mule and shot it, and that must needs go over the cliff too in its last struggles, leaving eight of us.

“We could see the body of the Sepoy down below, with the head in the water. He was lying face downwards, and so far as I could make out was scarcely smashed at all. Badly as the Chins might covet his head, they had the sense to leave it alone until the darkness came.

“At first we talked of all the chances there were of the main body hearing the firing, and reckoned whether they would begin to miss us, and all that kind of thing, but we dried up as the evening came on. The Sepoys played games with bits of stone among themselves, and afterwards told stories. The night was rather chilly. The second day nobody spoke. Our lips were black and our throats afire, and we lay about on the ledge and glared at one another. Perhaps it’s as well we kept our thoughts to ourselves. One of the British soldiers began writing some blasphemous rot on the rock with a bit of pipeclay, about his last dying will, until I stopped it. As I looked over the edge down into the valley and saw the river rippling I was nearly tempted to go after the Sepoy. It seemed a pleasant and desirable thing to go rushing down through the air with something to drink — or no more thirst at any rate — at the bottom. I remembered in time, though, that I was the officer in command, and my duty to set a good example, and that kept me from any such foolishness.

“Yet, thinking of that, put an idea into my head. I got up and looked at the tent and tent ropes, and wondered why I had not thought of it before. Then I came and peered over the cliff again. This time the height seemed greater and the pose of the Sepoy rather more painful. But it was that or nothing. And to cut it short, I parachuted.

“I got a big circle of canvas out of the tent, about three times the size of that table-cover, and plugged the hole in the centre, and I tied eight ropes round it to meet in the middle and make a parachute. The other chaps lay about and watched me as though they thought it was a new kind of delirium. Then I explained my notion to the two British soldiers and how I meant to do it, and as soon as the short dusk had darkened into night, I risked it. They held the thing high up, and I took a run the whole length of the ledge. The thing filled with air like a sail, but at the edge I will confess I funked and pulled up.

“As soon as I stopped I was ashamed of myself — as well I might be in front of privates — and went back and started again. Off I jumped this time — with a kind of sob, I remember — clean into the air, with the big white sail bellying out above me.

“I must have thought at a frightful pace. It seemed a long time before I was sure that the thing meant to keep steady. At first it heeled sideways. Then I noticed the face of the rock which seemed to be streaming up past me, and me motionless. Then I looked down and saw in the darkness the river and the dead Sepoy rushing up towards me. But in the indistinct light I also saw three Chins, seemingly aghast at the sight of me, and that the Sepoy was decapitated. At that I wanted to go back again.

“Then my boot was in the mouth of one, and in a moment he and I were in a heap with the canvas fluttering down on the top of us. I fancy I dashed out his brains with my foot. I expected nothing more than to be brained myself by the other two, but the poor heathen had never heard of Baldwin, and incontinently bolted.

“I struggled out of the tangle of dead Chin and canvas, and looked round. About ten paces off lay the head of the Sepoy staring in the moonlight. Then I saw the water and went and drank. There wasn’t a sound in the world but the footsteps of the departing Chins, a faint shout from above, and the gluck of the water. So soon as I had drunk my full I started off down the river.

“That about ends the explanation of the flying man story. I never met a soul the whole eight miles of the way. I got to Walters’ camp by ten o’clock, and a born idiot of a sentinel had the cheek to fire at me as I came trotting out of the darkness. So soon as I had hammered my story into Winter’s thick skull, about fifty men started up the valley to clear the Chins out and get our men down. But for my own part I had too good a thirst to provoke it by going with them.

“You have heard what kind of a yarn the Chins made of it. Wings as long as a mule, eh? — And black feathers! The gay lieutenant bird! Well, well.”

The lieutenant meditated cheerfully for a moment. Then he added, “You would scarcely credit it, but when they got to the ridge at last, they found two more of the Sepoys had jumped over.”

“The rest were all right?” asked the Ethnologist.

“Yes,” said the lieutenant; “the rest were all right, barring a certain thirst, you know.”

And at the memory he helped himself to soda and whisky again.

Herbert George Wells
(1866-1946)
The Stolen Bacillus and other incidents
short stories

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Lovers, Archive W-X, H.G. Wells, Tales of Mystery & Imagination, Wells, H.G.


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature