Hans Hermans Natuurdagboek augustus 2012
kempis.nl poetry magazine
More in: Hans Hermans Photos
George Gordon (Lord) Byron
(1788-1824)
And Thou Art Dead, As Young And Fair
And thou art dead, as young and fair
As aught of mortal birth;
And form so soft, and charms so rare,
Too soon return’d to Earth!
Though Earth receiv’d them in her bed,
And o’er the spot the crowd may tread
In carelessness or mirth,
There is an eye which could not brook
A moment on that grave to look.
I will not ask where thou liest low,
Nor gaze upon the spot;
There flowers or weeds at will may grow,
So I behold them not:
It is enough for me to prove
That what I lov’d, and long must love,
Like common earth can rot;
To me there needs no stone to tell,
‘T is Nothing that I lov’d so well.
Yet did I love thee to the last
As fervently as thou,
Who didst not change through all the past,
And canst not alter now.
The love where Death has set his seal,
Nor age can chill, nor rival steal,
Nor falsehood disavow:
And, what were worse, thou canst not see
Or wrong, or change, or fault in me.
The better days of life were ours;
The worst can be but mine:
The sun that cheers, the storm that lowers,
Shall never more be thine.
The silence of that dreamless sleep
I envy now too much to weep;
Nor need I to repine
That all those charms have pass’d away,
I might have watch’d through long decay.
The flower in ripen’d bloom unmatch’d
Must fall the earliest prey;
Though by no hand untimely snatch’d,
The leaves must drop away:
And yet it were a greater grief
To watch it withering, leaf by leaf,
Than see it pluck’d to-day;
Since earthly eye but ill can bear
To trace the change to foul from fair.
I know not if I could have borne
To see thy beauties fade;
The night that follow’d such a morn
Had worn a deeper shade:
Thy day without a cloud hath pass’d,
And thou wert lovely to the last,
Extinguish’d, not decay’d;
As stars that shoot along the sky
Shine brightest as they fall from high.
As once I wept, if I could weep,
My tears might well be shed,
To think I was not near to keep
One vigil o’er thy bed;
To gaze, how fondly! on thy face,
To fold thee in a faint embrace,
Uphold thy drooping head;
And show that love, however vain,
Nor thou nor I can feel again.
Yet how much less it were to gain,
Though thou hast left me free,
The loveliest things that still remain,
Than thus remember thee!
The all of thine that cannot die
Through dark and dread Eternity
Returns again to me,
And more thy buried love endears
Than aught except its living years.
“And Thou art Dead, as Young and Fair” is reprinted from Works. George Gordon Byron. London: John Murray, 1832
George Gordon (Lord) Byron poetry
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive A-B, Byron, Lord
Ton van Reen
DE MOORD IX
In sommige kringen ging de vreemde uitspraak dat mierrijden dierenmishandeling zou zijn. Dat sloeg natuurlijk op het doden van de beestjes nadat ze over een afstand van dertig centimeter bereden waren. Dat was geen mishandeling! Deze mieren werden bevrijd uit hun gareel. Ze hoefden niet meer in de trein te lopen die, dag in, dag uit, het hol uitkroop en zand vervoerde. Korrels zand die ze nauwelijks konden dragen met hun haarfijne voorpootjes. Trouwens, in de oorlog zag je andere dingen. Ik heb gezien dat mensen elkaar neerschoten. Ze bleven liggen op straat. Ze waren van een ander vaderland. Welk land wist geen hond, want geen mens was er ooit geweest. Soms waren ze gewond. Niemand keek naar hen om. Niemand keek in hun van pijn vertrokken gezicht. Zo’n gezichten waren in die tijd gewoon. Het was voor de eer van vorst en vaderland. Ieder liet hen liggen, bang voor eigen hachje. Toch lag niemand de woorden ‘voor vorst en vaderland’ bestorven op de lippen. Degenen die daar lagen te sterven, konden een schop krijgen. Die waren van een ander vaderland. Dat telde niet.
Oorlog was net een stiekem spelletje. Het spelletje van leven en dood. Zoiets als pandverbeuren. Dit telt niet en dat telt niet. Ik zet deze helm op en jij die. Ik heb mijn vaderland achter mijn rug. Jij hebt jouw vaderland achter jouw rug. We proberen elkaar te vermoorden. We vechten voor een waardeloze vlag. Voor de eer van een regiment. Voor de versleten banier van God. Wanneer de waarden gekelderd zijn, wanneer God vermoord is, geven we elkaar de hand. De een druipt van het bloed van de ander. Godnogtoe, laat mierrijden mierrijden blijven!
Er stonden weinig mensen bij de bushalte. Enkele vrouwen met uitpuilende tassen. Een oudere heer met een hond die voortdurend zijn poot optilde tegen de paal van de bushalte en die me netjes goedendag blafte. Ik moest wachten. Ik had een hekel aan wachten. De vrouwen met de tassen niet. Die hadden de tijd. Die wachtten niet. Die stonden er alleen maar om het staan. Die dachten: zo en zo laat vertrekt de bus. Eerder vertrekken we lekker niet. Zo lang mogen we hier nog blijven staan. Lekker, met volle tassen in de hand. Het is prettig volle tassen in de hand te hebben. Zo lang hebben we geen honger. We zijn de oorlog nog lang niet vergeten. Gewone mensen vergeten niet zo gauw!
De man wachtte ook niet. Die stond er alleen voor de hond. Die man hoefde helemaal niet met de bus mee. Alleen de hond moest naar de bus kijken, zijn poot opheffen tegen de haltepaal en mij goedendag blaffen.
Eindelijk kwam de bus. Ze stamde nog uit de oorlog. Was haar carrière begonnen als frontbus. Bracht soldaten naar het front. Haalde lijken en gewonden naar huis. Nu reed ze van de Lichtstad Kork naar Oeroe, kwam nooit langs het Woud van Tubbs, wel over de brug van Kork, reed door het forensenplaatsje Tepple, langs het Lange Rak naar Gretz, deed daarna nog Wrak en Borz aan, stak de brug over bij Borz, bereikte over Boeroe Oeroe en reed de hele weg terug. In nog steeds dezelfde kleur als frontbus. Met hetzelfde gemis aan boslucht uit het Woud van Tubbs. Net als al de andere keren dat ze de reis begonnen was en beëindigd had.
Ik stapte in. Betaalde niet. Ik had vrij vervoer. In die tijd hadden kinderen tot zes jaar vrij reizen. Ik ging achter in de bus zitten. Vandaar kon ik alles overzien en was ik aan niemand iets schuldig. Je was aan iemand iets schuldig in de bus als je zou moeten omkijken om zijn gezicht te zien. Ik kon geen van de gezichten zien. Iedereen zat met de rug naar me toe. Hoogstens één kant van de gezichten kon ik onduidelijk zien spiegelen in de vuile ruiten. Ik had er geen behoefte aan om gezichten te zien.
(wordt vervolgd)
kempis.nl poetry magazine
More in: - De moord
William Shakespeare
(1564-1616)
THE SONNETS
Sonnet 149
Canst thou O cruel, say I love thee not,
When I against my self with thee partake?
Do I not think on thee when I forgot
Am of my self, all-tyrant, for thy sake?
Who hateth thee that I do call my friend,
On whom frown’st thou that I do fawn upon,
Nay if thou lour’st on me do I not spend
Revenge upon my self with present moan?
What merit do I in my self respect,
That is so proud thy service to despise,
When all my best doth worship thy defect,
Commanded by the motion of thine eyes?
But love hate on for now I know thy mind,
Those that can see thou lov’st, and I am blind.
kempis.nl poetry magazine
More in: -Shakespeare Sonnets
J.A. Woolf: Making memories (#30)
kempis.nl poetry magazine 2012
More in: J.A. Woolf
The Awkward Squad, 2012 – Oil on canvas, 76cm x 61cm
SAMUEL HERBERT (1976)
Samuel Herbert was born in London in 1976. He studied painting at Wimbledon School of Art and gained an MA from Goldsmiths college. He has over a decade of exhibiting experience and in that time has had six solo shows and numerous group shows in galleries and museums across Britain and Europe. His work is represented in several important collections of contemporary art, most notably the Saatchi collection, London. Herbert lives and works in London and is programme leader for the foundation degree in fine art practice with K College, University of Kent.
Converse, 2012 – Oil on canvas, 60cm x 40cm
Troll, 2012 – Oil on canvas, 24cm x 30cm
Samuel Herbert (1976)
Contemporary Artist – CV
Born: London, 1976,
lives and works in London
Education
2001-2004 Goldsmiths College, MA Fine Art
1997-2000 Wimbledon School of Art, BA Fine Art, Painting
1995-1997 Newham College, Foundation Diploma in Art and Design
Solo Exhibitions
2008
The Cremation of care
Gone Tomorrow Gallery, London
May-June 2008
2007
The Heritage of Cain
ZINGERpresents, Amsterdam, the Netherlands
September-October 2007
Art Cologne
Vamiali’s Gallery at Cologne Art Fair, Germany, April 18-22, 2007
2006
Skulduggery
Gone Tomorrow Gallery, Bethnal Green, London, August 5-28, 2006
Alien Subjects
Vamiali’s Gallery, Athens, Greece. March 11 – April 22 2006
2005
Natives and Colonials
ZINGERpresents, The Netherlands, October 19 – November 26, 2005
Unforgiven
Bearspace, Deptford High Street, London SE8, March 31 – April 18 2005
Selected Group Exhibitions
2012
The Perfect Nude
The Gallery, University of the Arts Wimbledon London, UK, January 12th-February 10th
Charlie Smith Gallery, London, UK, July 6th-July 28th
2011
Connection Point London
The Nunnery Gallery, London, UK, June 17th-July 17th
2010
Dawnbreakers
John Hansard Gallery, Southampton, UK, April 27-June 12
2009
In Their Own Words
End Gallery, Sheffield, UK, Nov – Dec 2009
The Royal Republic
Master Piper Gallery, London, May – June 2009
And Now?
Greek State Museum, Thessaloniki, Greece, Dec 17 – Feb 22
2008
Life is Only Half the Story,
Christchurch, Spitalfields, London, February 2008
2007
NADA Miami
ZINGERpresents, Miami, Florida Dec 5 – 9 Dec 2007
Late Night Ficition
Agisilaou 61A, Keramikos, Athens October 2007
Eau Sauvage II
Fieldgate Gallery, London E1, May 18 – 10 June 2007
Those Quaint Moments of Distress
Montana Space, Berlin. March-April, 2007
Art Rotterdam
ZINGERpresents at Rotterdam art fair, the Netherlands, February 7-11, 2007
Salon Nouveau
Engholm Englehorn Gallery, Vienna, January 25 – March, 2007
2006
Crossing Borders
Museum of Contemporary Art, Thessaloniki, Greece, September – November 2006
Kamikaze Blossom
Fieldgate Gallery, 14 Fieldgate Street, London E1, April – June 2006
Eau Sauvage
Lucy mackintosh Gallery, Lausanne, Switzerland, March – May 2006
2005
Hydrophobia II
ZINGERpresents, The Netherlands, December 14 – January 21, 2005-06
Artissima
Turin Artfair, Italy. Showing with Vamiali’s Gallery, 10-14 November 2005
‘When I lived in Modern Times’: Archive, artefact, album.
Northern Gallery for Contemporary Art, Sunderland, September 16 – November 12 2005
Gigolo
The Trafalgar Hotel, Trafalgar Square, London SW1, February 11-March 13 2005
Sunset in Athens
Vamiali’s Gallery, Athens, Greece, February 5-March 13 2005
Insurgence (Art Projects area, London Art Fair 2005)
Business Design Centre, Islington N1, January 18-23, 2005
2004
Revolution
Mare Street Studios, Hackney, London E8, October 17-24, 2004
Bonequake
16 Upper Wimpole Street, London W1, October 14-19, 2004
Goldsmiths Postgraduate Show 2004
Goldsmiths College, New Cross, London, July 22-26, 2004
Cinderella
Tower Bridge Business Complex, Bermondsey, London, July 16-31, 2004
The Solar Anus
Henry Peacock Gallery, London W1, May 28 – July 3, 2004
Ready, Steady, GO!
Three Colts Gallery, Bethnal Green, London E2, April 17 – May 1 2004
2003
Godzilla
2-10 Hertford Road, London N1, 25 October- 9 November 2003
2002
Work, Rest and Play
3-5 Leighton Place, London. 13-17 December 2002
Goldsmiths Postgraduate Show
Goldsmiths College London, July 2002, Postgraduate Diploma Show
Media/Collections
Collections
The Saatchi Collection, London
Various private collections in the UK, Europe, Asia and the USA
Media
Audio Visual Interviews
Television
Working Lunch, BBC 2, Feature on Art Fairs, Broadcast 22/10/04 12.30-13.30
The Week, ITV1 (LWT), Feature on the Turner Prize, Broadcast 24/10/04 12.45-13.15
Radio
In Business, ‘Framed’ BBC Radio 4, Broadcast 3/2/05 20.30-21.00 and 6/2/05 21.30-22.00′
Printed Media
Articles and Reviews
Contemporary, Annual 2007, p. 118-119
Timeout London (review) Martin Coomer, August 15 2006
De Telegraaf., National newspaper the Netherlands 14/2/06
‘When I lived in Modern Times’: Archive, artefact, album. ’Essay accompanying the exhibition by Alistair Robinson, Northern Gallery for Contemporary Art, Sept 2005.
Metro (north East) Review of Sunderland show, p.32 12/10/05
Metro (London), ‘Metro Life- London for Free’ p.25 Thursday 31/3/05
The Art Newspaper (International Edition) Judith Bumpus, Photo of work and discussion p.36 No 156, March 2005
The Independent,‘Save and Spend’p.5 Saturday 14/1/05
Scratch Band, 2012 – Oil on canvas, 80cm x 60cm
fleursdumal.nl magazine
More in: FDM in London, Samuel Herbert
Marieke Houwers, Where I end and You Begin
Tentoonstelling Visuele Poëzie opent in stijl
9 en 10 november optredens van dichters en muzikanten
Vrijdagavond 9 november opent wethouder Marjo Frenk de Tentoonstelling Visuele Poëzie in Goretti aan het Wilhelminapark 53 in Tilburg, die van start gaat met een spectaculaire performance avond. Ook zaterdagavond 10 november zullen tal van dichters en muzikanten hun opwachting maken. De aanvang is om 20.00 uur en de toegang is gratis.
De tentoonstelling Visuele Poëzie toont het werk van tien visuele dichters. Het gaat hierbij om reeds gevestigde namen, maar ook om aanstormend talent uit Nederland en Vlaanderen. De deelnemende dichters zijn: Renaat Ramon, SAGE, ACG Vianen, Helen White, Marieke Houwers, Nick J. Swarth, Ellen Vedder, Rossella Bargiacchi, Rozalie Hirs en Tonnus Oosterhoff.
Nick J Swarth en Sander Neijnens, plekgedicht
Vrijdagavond 9 november treden de dichters ACG Vianen, Esther Porcelijn en Philip Meersman op. Muziek is er van Gijs ter haar en Jouke Koning, van wie op 18 november de CD ‘Niemandsland’ verschijnt.
Op zaterdag 10 november zijn er performances van voormalig nachtdichter Daan Taks, slamdichteres Barbara Beckers, Thomas Maarten van der Zwan, Rossella Bargiacchi en Martin Beversluis.
De laatste twee performance avonden zijn op 24 en 25 november 2012. Dan staan op het programma: Nick J. Swarth en Frank Crijns, Dichterscollectief ‘Hongerlief’, Helen White, Daniël Dee, Martin Beversluis, Ellen Vedder en Rossella Bargiacchi. Ook vindt via een interactieve installatie uitwisseling met het publiek op diverse locaties in de stad Tilburg plaats.
Meer informatie is te vinden op www.facebook.com/VisuelePoezie
fleursdumal.nl magazine
More in: CONCRETE , VISUAL & SOUND POETRY, Nick J. Swarth, Sander Neijnens
Hondje
Gaan we naar buiten? Gaan we naar buiten? Jaa we gaan naar buiten! We gaan naar buiten, jaa! Mijn baas. Mijn geweldige baas. Zo loyaal en mooi en perfect en hij kan goed koken. Ik dacht dat ik altijd alleen zou blijven, dat niemand mij zou willen maar toen kwam hij en toen en toen en en en en. We gaan naar buiten!
Baas lacht. De tanden bloot. Grr. Ja baas. Grr. Boos! Ik ben ook boos. Grr. Samen boos! Jaa! Blote tanden baas! Heel bloot! Gaan we nog naar buiten baas? Ja? Ja! Baas begrijpt mij altijd goed. Weet precies wat ik leuk vind en ook wat ik niet leuk vind. Ik vind leuk: eten, en vooral lekker eten, stukje vlees, en ik vind leuk: goed geaaid worden en geborsteld, en een mooi bed en ik vind ook leuk: om anderen weg te jagen en het huis bewaken vind ik ook leuk. Wat ik niet leuk vind: katten, poedels en cavia’s. Die moeten maar weg, die zijn niet leuk. En ik vind ook niet leuk: anderen die de baas spelen. Ik ben de baas. IK ben de baas, en baas zegt ook altijd: “wij zijn de baas!” Ha! En ik vind raar eten ook niet leuk. Maar knakworsten wel, want die zijn normaal.
Ja, we gaan naar buiten! Samen de baas van buiten! Sinds ik baas heb, durf ik veel sneller te happen naar vreemden. Ik vond ze altijd al niet leuk, maar nu zijn we samen de baas. Ha! Baas is vrolijk boos. Hij heeft gekke blote tanden. Even hier plassen. En hier. Baas trekt me hard weg. Maar ik wil plassen baas! Baas zegt nee. Hij rinkelt met sleutels. Maar ik wil hier plassen, en hier nog een druppel. Zo. Toch gedaan. Nu ben ik de baas van de neuzen van de vreemden. Baas is ineens boos. Boze baas. Sorry baas echt sorry sorry maar ik wil nog even hier plassen. Baas. BAAS!! Ik wil hier nog even. Ah toeeee! Nou baahaas! Hij trekt mij mee. Hij laat mij nooit helemaal los. Maar ik kan toch zo ver lopen als baas wil, en dat is ver genoeg. Baas doet ineens gek. Rinkelt weer met zijn sleutels. Hoge piep. Grr.. boos. Hij tilt mij op en duwt mij in zijn wielenmachine. Dat gebruikt baas omdat hij niet zo hard kan rennen als ik. Elke dag gaat hij daarin en dan is hij lang weg en dan denk ik dat hij nooit meer terugkomt maar dan komt hij toch altijd weer terug. O, wat ben ik dan blij. Ik hoef nooit in de wielenmachine, alleen als ik ziek ben. Maar ik ben niet ziek en ik ben in de wielenmachine. Baas!! Baaaas!! Naast mij ligt een grote koffer, ik ruik eraan. Het ruikt naar, naar naar.. Die machine waar baas altijd zijn vacht in schoonmaakt! Waarom baas? Je hebt al een vacht aan! Één met bloemen erop vandaag.
Baas doet lief maar is boos. Ik zie dat. Hij praat nu lief zoals normaal maar ik zie aan zijn tanden dat hij boos is. Hij doet neplief. Stom.
Oo, maar andere wielenmachines! Die zijn ook leuk. Met baas ben ik niet meer alleen, zoef zoef zoef zoef zoef, overal wielenmachines en we gaan veel sneller dan ik kan rennen. Zoef! Samen de baas, baas? Samen de baas? Baas doet boos. Baas is boos. Hij roept “af” en nog wat andere dingen die ik niet versta. En hij wil niet dat we samen roepen. Alleen hij mag nu roepen. Goed dan. Ik ga wel een rondje om mijzelf heen waggelen in de wielenmachine. Nu lig ik beter. Ik lig goed. Maar dan stopt de wielenmachine. Oo ik mag eruit! Gaan we naar buiten baas? Gaan we naar buiten??
Ja, we gaan naar buiten. Jaa!
Baas pakt mij bij mijn kraag en trekt mij naar buiten. Grr baas, grr!!! Boos!
Hij slaat mij op mijn hoofd, dan draait het even. Whaa.. dat is gek, maar niet fijn gek, stom gek. We lopen naar een boom! Jaa, toch nog een plas doen! Whaa! Even een baas zijn van de neuzen! Jaa!! Jaa baas?
Maar hij pakt mij bij de kraag en ik hoor klik en dan zegt hij iets met veel û en o klanken.
Baas loopt weg.
BaBaas? Waar ga je heen baas? Ben je weer lang weg? Baas?? Ik loop achter baas aan maar ik word teruggetrokken. Hallo! Baas! Ik zit vast baas!
Baas doet niets. Hij gaat in zijn wielenmachine en zoeft weg.
Naast mij zoeven nog heel veel wielenmachines. Zoef-zoef-zoef-zoef. Hele hoge en lage tonen. Baas komt vast nog wel met een stuk vlees. Of een cavia om te bijten. Of een fris kussen waar ik dan de baas van mag zijn. Of met een aai.
Vast aan de boom. ’t Trekt aan mijn hals. Bah. Flauw. Stom. Baas was een nepbaas. Ik ben nu wel buiten, dat wel.
Esther Porcelijn 2012
Esther Porcelijn is stadsdichter van Tilburg
kempis.nl poetry magazine
More in: Archive O-P, Porcelijn, Esther, Porcelijn, Esther
William Shakespeare
(1564-1616)
THE SONNETS
Sonnet 148
O me! what eyes hath love put in my head,
Which have no correspondence with true sight,
Or if they have, where is my judgment fled,
That censures falsely what they see aright?
If that be fair whereon my false eyes dote,
What means the world to say it is not so?
If it be not, then love doth well denote,
Love’s eye is not so true as all men’s: no,
How can it? O how can love’s eye be true,
That is so vexed with watching and with tears?
No marvel then though I mistake my view,
The sun it self sees not, till heaven clears.
O cunning love, with tears thou keep’st me blind,
Lest eyes well-seeing thy foul faults should find.
Sonnet 148
O liefde! wat doe jij mijn ogen aan,
Die niet meer meezien met het ware zicht,
Of wat heb je anders met mijn brein gedaan,
Dat wat zij juist zien van bedrog beticht?
Is ’t zuiver, waar mijn valse oog mee dweept,
Waarom is ’t gros het daar dan niet mee eens?
Is ’t vals, dan wordt door liefde onderstreept
Dat ’t liefdesoog meer dwaalt dan iedereens:
Hoe nu? Geeft waarheid licht in ’t liefdesoog,
Zo zeer door tranen en gestaar belaagd?
Niet vreemd dan, als mijn inzicht mij beloog,
De zon is ook blind, tot een blauw zwerk daagt.
O sluwe liefde, jij houdt mij met tranen blind,
Opdat geen welziend oog jouw streken vindt.
Vertaling Cornelis W. Schoneveld
(november 2012)
kempis.nl poetry magazine
More in: Shakespeare, Shakespeare, William
Norbert de Vries
Kemp natuurlijk (VIII)
Stille dingen stil laten? Niks ervan!
De Muzen van Kemp waren (voornamelijk) jonge vrouwen die hem inspireerden tot, zoals Karel Reijnders het uitdrukt, “ondeugend-erotische verhaalverzinsels in versvorm, waarin hij graag een inslag van plagerij verweefde.” We kennen deze Muzen onder pseudoniemen als Amaranth en Turkoois (moeder en dochter), Zonne-bruintje en Romanie. De drie eerstgenoemden kende hij als mede-forensen in de trein. De laatstgenoemde is Mya Brennenraedts, die trouwens een hele reeks van eretitels kreeg, waarvan de wel meest indrukwekkende luidt: Marguerite Marie Tumetues de la Boislisière d’Outremeuse, in Kemps eigen vertaling: Supergriet-Marie-Je-maakt-me-kapot-Van-de-bosrand van Overmaas.
Zo’n naam is rijk aan betekenissen die enkel door ingewijden begrepen zullen worden.
De twee belangrijkste Muzen lijken me Turkoois en Mya Brennenraedts te zijn geweest. De identiteit van Turkoois ken ik (nog) niet, maar die is met wat inventiviteit best te achterhalen. Zij was een blonde juriste (zo blijkt uit de gedichten) die (zo las ik bij Jef Leunissen) na haar huwelijk op 29 januari 1948 met haar echtgenoot in Amsterdam ging wonen.
Terzijde: Jef Leunissen, Turennestraat 17, is een van de 19 getrouwen van Pierre Kemp. Mannen als Fred van Leeuwen, Harry Prick, Fernand Lodewick (van de ‘Literaire kunst’) en Karel Reijnders behoorden onder anderen tot die groep. Wiel Kusters die onlangs een grote studie over Kemp heeft gepubliceerd, beschouw ik als de twintigste im Bunde. Zoals Paulus de dertiende apostel genoemd wordt, kan Wiel gelden als de twintigste in de kring der intieme vrienden van Kemp.
Terug naar de Muzen. Die waren enkel bekend onder hun pseudoniem. Ook de gezworen vrienden van Kemp beweren niet te weten wie het werkelijk waren. Ik betwijfel de juistheid van die bewering.
Karel Reijnders, bijvoorbeeld, schrijft in zijn artikel over ‘Romanie oftewel eros en emeritus’ (Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1977) in noot 8: “Ik stel er prijs op te verklaren dat PK die mij toch in vertrouwen heeft genomen over allerlei aspecten van deze delicate materie, me de identiteit van geen der Muzen heeft onthuld. Het is overigens veel aantrekkelijker, uit reverentie voor de poëzie, ook deze stille dingen stil te laten.”
“Stierenpoep!”, luidt mijn reactie. Laffe praatjes ‘uit eerbied voor de poëzie’. Bah!
De Muzen zijn voor Kemps werk heel belangrijk geweest. Zij waren niet enkel ‘inspiratrices’, zij hadden bovendien grote invloed op de gedichten die aan haar waren gewijd. Zij hadden zelfs verregaande inspraak. Mya schrijft in 1948 bijvoorbeeld: “En ik voelde me niet weinig gevleid toen ik las over de naam van de ‘hoofdrol’-speelster die ik mocht geven.” Zij schrok hier overigens voor terug, want ‘hoeveel lettergrepen moest die naam krijgen?’ Ze kon zich heel wel vinden in het voorstel van Kemp. Op 11 augustus 1948 schreef ze: “De naam ‘Romanie’ voor de heldin van het Havergedicht lijkt me echt de geschiktste.”
Ook gaf ze haar mening over het verloop van het verhaal, en Kemp volgde haar kritiek en veranderde het gedicht dat trouwens zou opgaan (of: uiteenvallen) in twee nieuwe gedichten, namelijk ‘Tzigane’ en ‘Franse les in een korenveld’.
Over die directe invloed van de Muzen op zijn dichtwerk schrijft Kemp aan een van zijn vrienden: “U kunt onmogelijk volgen wat ik breek en samenlijm met de Muzen, in zulk een tempo gaat dat alles. Een circus met drie pistes kan daar niet tegen op.”
Als lezer van de gedichten van Kemp wil ik daarom weten wie die Muzen waren. Ik wil de stille dingen kennen.
Ik kan me voorstellen dat de 19 getrouwen het uit reverentie, voor de poëzie wellicht, maar waarschijnlijk meer nog voor de echtgenote en drie zoons van Kemp, niet veel kwijt wilden over zijn betekenisvolle vriendschappen met de Muzen, maar veertig jaar na het overlijden van de dichter lijkt me nu de tijd rijp om opening van zaken te geven. Alle betrokkenen zijn inmiddels dood.
En Kemp heeft die zaken ook nooit geheim willen houden. Mya schrijft in haar bijdrage aan het boekje ‘Pierre Kemp, man in het zwart, heer van het groen’ dat ze schrok toen PK in een van zijn latere brieven aan haar schreef, dat hij wenste dat zijn brieven aan haar na zijn dood aan het Letterkundig Museum zouden worden overgedragen. Zij schrok, omdat ze een deel van de correspondentie al had vernietigd.
Nee, van Pierre Kemp mochten we alles over de Muzen te weten komen!
Ter afsluiting het gedicht ‘Geheim’
Geheim
‘Wij hebben samen een geheim Turkoois’
Eens op een avond in dat groot verdriet
van Juli zijt gij goed voor mij geweest,
blond Meestertje, al bedankteik toen niet
althans, in rijm, voor ’t schuiven van Uw leest.
’t Was in dat kleed: Rotspark-bij-nacht met één
lantaarn, dat in de blaadjes zendt haar schijn,
dat Gij weer wijlen deed, wat wijkend scheen
in ramp, bij drie jaren te oud, te klein te zijn.
De blaadren bronzen al, de winden wit
verwelken langs de lijn en ik vergis
mij hoop ik niet, wanneer ik meen, dat dit
’t geheim der spin en niet der vlooien is.
16 juli 1942
Norbert de Vries: Kemp natuurlijk (VIII – slot)
Mijmeringen over Pierre Kemp uit mijn Maastrichtse tijd
fleursdumal.nl magazine
More in: Kemp, Pierre, Norbert de Vries
Arthur Rimbaud
(1854-1891)
Sensation
Par les soirs bleus d’été, j’irai dans les sentiers,
Picoté par les blés, fouler l’herbe menue :
Rêveur, j’en sentirai la fraîcheur à mes pieds.
Je laisserai le vent baigner ma tête nue.
Je ne parlerai pas, je ne penserai rien :
Mais l’amour infini me montera dans l’âme,
Et j’irai loin, bien loin, comme un bohémien,
Par la Nature, – heureux comme avec une femme.
Arthur Rimbaud, Poésies
Hans Hermans Natuurdagboek juli 2012
kempis.nl poetry magazine
More in: Arthur Rimbaud, Hans Hermans Photos, MUSEUM OF NATURAL HISTORY - department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra, spring, summer, autumn, winter, Rimbaud, Arthur
Gustave Flaubert
(1821-1880)
DICTIONNAIRE DES IDÉES REÇUES (G)
G
GAGNE-PETIT: Belle enseigne pour une boutique, comme inspirant la confiance.
GAIETÉ: Toujours accompagnée de folle.
GALANT HOMME: Suivant les circonstances prononcer galantuomo ou gentleman.
GALBE: Dire devant toute statue qu’on examine: «Ca manque de galbe.»
GALETS: Il faut en rapporter de la mer.
GALLOPHOBE: Se servie de cette expression en parlant des journalistes allemands.
GAMIN: Toujours de Paris. Ne jamais laisser sa femme dire: «Quand je suis gaie, j’aime à faire le gamin.»
GANTS: Donnent l’air comme il faut.
GARDE: La garde meurt et ne se rend pas! Huit mots pour remplacer cinq lettres.
GARDE-COTE: Ne jamais employer cette expression au pluriel en parlant des seins d’une femme.
GARES de chemin de fer: S’extasier devant elles et les donner comme modèles d’architecture.
GAUCHERS: Terribles à l’escrime. Plus adroits que ceux qui se servent de la main droite.
GENDARME: Rempart de la société.
GENDARMERIE: Dites: force publique ou maréchaussée.
GENDRE: Mon gendre, tout est rompu!
GÉNÉRATION SPONTANÉE: Idée de socialiste.
GÉNÉRAL: Est toujours brave. Fait généralement ce qui ne concerne pas son état, comme être ambassadeur, conseiller municipal ou chef de gouvernement.
GÉNIE (le): Inutile de l’admirer, c’est une «névrose»
GENOVEFAIN: On ne sait pas ce que c’est.
GENRE ÉPISTOLAIRE: Genre de style exclusivement réservé aux femmes.
GENTILHOMME: Il n’y en a plus.
GÉOMÈTRE: «Nul n’entre ici s’il n’est géomètre.»
GIAOUR: Expression farouche, d’une signification inconnue, mais on sait que ça se rapporte à l’Orient.
GIBELOTTE: Toujours faite avec du chat.
GIBERNE: Etui pour bâton de maréchal de France.
GIBIER: N’est bon que faisandé.
GIRAFE: Mot poli pour ne pas appeler une femme chameau.
GIRONDINS: Plus à plaindre qu’à blâmer.
GLACES: Il est dangereux d’en prendre.
GLACIERS: Tous Napolitains.
GLÈBE (la): S’apitoyer sur la glèbe.
GLOBE: Mot pudique pour désigner les seins d’une femme. «Laissez- moi baiser vos globes adorables.»
GLOIRE: N’est qu’un peu de fumée.
GLORIA: Un gloria ne marche jamais sans sa consolation.
GOBELINS (tapisserie des): Est une oeuvre inouïe et qui demande cinquante ans à finir. S’écrier devant: «C’est plus beau que la peinture!» L’ouvrier en sait pas ce qu’il fait.
GODDAM: «C’est le fond de la langue anglaise» , comme disait Beaumarchais, et là-dessus on ricane de pitié.
GOD SAVE THE KING: Chez Béranger se prononce «God savé te King» et rime avec sauvé, préservé…
GOG: Toujours suivi de Magog.
GOMME ÉLASTIQUE: Est faite avec le scrotum de cheval.
GOTHIQUE: Style d’architecture portant plus à la religion que les autres.
GOURMÉ: Toujours précédé de raide.
GOÛT: Ce qui est simple est toujours de bon goût. Doit toujours se dire à une femme qui s’excuse de la modestie de sa toilette.
GRAMMAIRE: L’apprendre aux enfants dès le plus bas âge comme étant une chose claire et facile.
GRAMMAIRIENS: Tous pédants.
GRAS: Les personnes grasses n’ont pas besoin d’apprendre à nager. Font le désespoir des bourreaux parce qu’elles offrent des difficultés d’exécution. Ex.: la Du Barry.
GRÊLÉ: Les femmes grêlées sont toutes lascives.
GRENIER: On y est bien à vingt ans!
GRENOUILLE: La femelle du crapaud.
GRISETTES: Il n’y a plus de grisettes. Cela doit être dit avec l’air déconfit du chasseur qui se plaint qu’il n’y a plus de gibier.
GROG: Pas comme il faut.
GROTTES À STALACTITES: Il y a eu dedans une fête célèbre, bal ou souper, donné par un grand personnage. On y voit «comme des tuyaux d’orgue» . On y a dit la messe pendant la Révolution.
GROUPE: Convient sur une cheminée et en politique.
GUÉRILLA: Fait plus de mal à l’ennemi que l’armée régulière.
GUERRE: Tonner contre.
GULF-STREAM: Ville célèbre de Norvège, nouvellement découverte.
GYMNASE (le): Succursale de la Comédie-Française.
GYMNASTIQUE: On ne saurait trop en faire. Exténue les enfants.
Gustave Flaubert
DICTIONNAIRE DES IDÉES REÇUES (G)
(Oeuvre posthume: publication en 1913)
kempis.nl poetry magazine
More in: - Dictionnaire des idées reçues, DICTIONARY OF IDEAS
Thank you for reading Fleurs du Mal - magazine for art & literature