New

  1. Karel van de Woestijne: Vlaanderen, o welig huis (Gedicht)
  2. August Stramm: Fluch (Gedicht)
  3. Dubuffets collectie Art Brut voor het eerst te zien in Nederland
  4. Daniil Charms: Verzameld werk in Nederlandse vertaling
  5. Lord Byron: I Speak Not (Poem)
  6. Thierry Laget: Proust, prix Goncourt. Une émeute littéraire
  7. 50th Poetry International Festival Rotterdam. Going for gold from 13 – 16 June 2019
  8. Ton van Reen: Het diepste blauw (102). Een roman als feuilleton
  9. Louise Bourgeois in de Rijksmuseumtuinen
  10. Paul Laurence Dunbar : The Scapegoat (II). Short story
  11. Paul Laurence Dunbar: The Scapegoat (I). Short story
  12. Lady Chatterley’s Lover: keep this important piece of literary and social history in the UK
  13. SIGN NOW: Demand Charges be Dropped Against Three Saudi Writer-Activists
  14. Federico Garcia Lorca: Poet in Spain
  15. The Valedictorian of Being Dead: The True Story of Dying Ten Times to Live by Heather B. Armstrong
  16. Emily Dickinson: If I should die (Poem)
  17. H. G. Wells: The Flying Man
  18. Ton van Reen: Het diepste blauw (101). Een roman als feuilleton
  19. Marcel Schwob: Le Voyage (Poème)
  20. Karel van de Woestijne: De Dichter (Gedicht)
  21. Lord Byron: Farewell! If Ever Fondest Prayer (Poem)
  22. Gladys Cromwell: The Fugitive (Poem)
  23. Ton van Reen: Het diepste blauw (100). Een roman als feuilleton
  24. “Oculus”: Poems by Sally Wen Mao
  25. E. du Perronprijs 2018 voor Jan Leyers
  26. World Press Freedom Day on May 3, 2019
  27. Bert Bevers: Alle bomen in het woud (Gedicht)
  28. ‘Spiral’ new book by Louise Bourgeois
  29. August Stramm: Siede (Gedicht)
  30. A Matter Of Doctrine by Paul Laurence Dunbar (Short story)
  31. Pol Kurucz: Politicas
  32. The History of the Future. Oculus, Facebook, and the Revolution That Swept Virtual Reality by Blake J. Harris
  33. Ton van Reen: Het diepste blauw (099). Een roman als feuilleton
  34. Bert Bevers: Selfie (Gedicht)
  35. Marcel Schwob: Hugo (Poème)
  36. Maxime Rovere: Le clan Spinoza. Amsterdam, 1677. L’invention de la liberté
  37. Karel van de Woestijne: Er komt iemand bij mij (Gedicht)
  38. Paul Laurence Dunbar: The Interference Of Patsy Ann. Short Story
  39. Reel Verse. Poems About the Movies. Edited by Michael Waters and Harold Schechter
  40. Ton van Reen: Het diepste blauw (098). Een roman als feuilleton
  41. Clemens J. Setz: Der Trost runder Dinge (Erzählungen)
  42. Brabantse schrijver Jan Naaijkens (1919 – 2019) overleden
  43. Majella Cullinane: Whisper of a Crow’s Wing (Poetry)
  44. Victor Hugo: Chanson de grand-père (Poème)
  45. Antoine de Latour : Notre-Dame de Paris (Poème)
  46. Arcana. A Stephen Jonas Reader
  47. Ton van Reen: Het diepste blauw (097). Een roman als feuilleton
  48. Pol Kurucz: The Normals
  49. Hera Lindsay Bird: Pamper Me to Hell & Back (Poetry)
  50. Marcel Schwob: Singeries (Poème)

Categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·

 

  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Delmira Agustini: El Nudo

Delmira Agustini

(1886-1914)


El Nudo


Su idilio fue una larga sonrisa a cuatro labios…
En el regazo cálido de rubia primavera
Amáronse talmente que entre sus dedos sabios
Palpitó la divina forma de la Quimera.

En los palacios fúlgidos de las tardes en calma
Hablábanse un lenguaje sentido como un lloro,
Y se besaban hondo hasta morderse el alma!…
Las horas deshojáronse como flores de oro,

Y el Destino interpuso sus dos manos heladas…
Ah! los cuerpos cedieron, mas las almas trenzadas
Son el más intrincado nudo que nunca fue…
En lucha con sus locos enredos sobrehumanos
Las Furias de la vida se rompieron las manos
Y fatigó sus dedos supremos Ananké…

Delmira Augustini poetry

fleursdumal.nl magazine

More in: Agustini, Delmira, Delmira Agustini

De Schoolmeester: Schoolmeesters

De Schoolmeester

(Gerrit van de Linde, 1808-1858)

 

Schoolmeesters

Hij die, uit vrije keus,
En in zijn achter kamer,
Met hoofdpijn als een hamer,
En volgestopten neus,
Met klemming op zijn water,
En lusten als een kater,
En met een stijven nek,
En vijf gebroken ruiten,
En deuren, die niet sluiten,
En ‘t Pootjen in zijn kuiten,
Er uitziet als een gek;
Is min nog te beklagen
Dan hy, die drie paar dagen,
In ‘t woelziek schoolvertrek,
De veestlucht en den drek,
De snotneus, d’Ezelsvragen,
‘t Afzichtlijk nagelknagen,
Het krabblend luis-verjagen,
De vuile witte kragen,
En ‘t hartverduiv’lend plagen
Der Jonkheid moet verdragen.


De schoolmeester

(Gerrit van de Linde) gedicht

kempis poetry magazine

More in: Archive K-L, Archive S-T

William Shakespeare: Sonnet 036

William Shakespeare

(1564-1616)

THE SONNETS

 

36

Let me confess that we two must be twain,

Although our undivided loves are one:

So shall those blots that do with me remain,

Without thy help, by me be borne alone.

In our two loves there is but one respect,

Though in our lives a separable spite,

Which though it alter not love’s sole effect,

Yet doth it steal sweet hours from love’s delight.

I may not evermore acknowledge thee,

Lest my bewailed guilt should do thee shame,

Nor thou with public kindness honour me,

Unless thou take that honour from thy name:

But do not so, I love thee in such sort,

As thou being mine, mine is thy good report.

kempis poetry magazine

More in: -Shakespeare Sonnets

Robert Browning: Memorabilia

R o b e r t   B r o w n i n g

(1812-1889)

 

M e m o r a b i l i a

 

Ah, did you once see Shelley plain,

And did he stop and speak to you,

And did you speak to him again?

How strange it seems and new!

 

But you were living before that,

And also you are living after;

And the memory I started at–

My starting moves your laughter!

 

I crossed a moor, with a name of its own

And a certain use in the world no doubt,

Yet a hand’s-breadth of it shines alone

‘Mid the blank miles round about:

 

For there I picked up on the heather,

And there I put inside my breast

A molted feather, an eagle-feather!

Well, I forget the rest.

 

Robert Browning poetry

kempis poetry magazine

More in: Browning, Robert

Nicolaas Beets: Aan Rachel

Nicolaas Beets

(1814-1903)

 

Aan Rachel

(Treurdichtspeelster )

Draagt gij den naam, zoo zacht, zoo schoon,
En zijt ge een dochter der geliefde,
Die Izaaks verbannen zoon
Vertroosten mocht van wat hem griefde;
Zijt gij geboren uit het bloed
Van haar, voor wie hij veertien jaren,
Die hem als zooveel dagen waren,
Eens anders schapen beeft gehoed;
Een kind dier lieve en lievenswaarde,
Die hem zijn lieven Jozef baarde,
Maar onder Benjamin bezweek;
Voor wie bij, in de kleine streek,
Die Efrata van Bethel scheidde,
Een rustplaats aan den weg bereidde;
Die nooit uit zijn gedachten week;
Zijt ge uit die koningsheup gesproten,
Die godlijke eere heeft genoten,
In ’t worstelperk aan Jabboks beek;
Vloeit u ’t gezegend bloed door de aderen
Van honderd uitverkoren vaderen;
Zijt ge uit het heilige geslacht
Der godsbeminden, godgewijden,
Dat, in de volheid van Gods tijden,
D’ Immanuel heeft voortgebracht;
Ligt al de plechtige ernst van ’t Oosten
Op ’t donker voorhoofd, dat ge ons toont,
En komt uw zonnig oog ons troosten,
Van al de flauwheid, die hier troont;
Verraden houding en gebaren
Een aangeboren vorstenrang,
En galmt ons, in uw stem, de zang
Van Sions maagdelijke scharen;
Is daar een weerschijn in uw geest
Van al de lichten, al de krachten,
 Die in den tijd der voorgeslachten
De roem der Natie zijn geweest;
Verschijnt ons, tusschen uwe vlechten,
Een glans van grootheid en een gloed,
Om ’t pleit voor Isrel te beslechten,
Trots onbesneden overmoed;
Schijnt, onzen tijden tot een teeken,
De dochter Sions opgestaan,
En komt ze, ook in uw roem, zich wreken
Voor al den hoon haar aangedaan…
— En is er bij de breede scharen
Bestendiger bewonderaren,
Wier menigte om uw schreden woelt,
Geen enkel hart, dat dit gevoelt?
Ontroert gij niemand, onder allen,
De ziel als dochter Abrahams,
Als spruit des uitverkoren stams,
Nu van Jehova’s gunst vervallen?
Zoo ge elken avond nederziet
Op duizenden gedoopte hoofden,
Wier lippen den Messias loofden,
Dien uwe blindheid nog verstiet,
Zegt niemands bloedend hart zich: „Deze
Is hem een zuster naar den vleesche,
Maar Rachel kent dien Jozef niet!”

O Dochter Sems! als ge op uw lokken
Den haarband der vorstinnen drukt,
Om ’t hart van koningen te schokken,
Van ’t toovren uwer kunst verrukt;
Als ze optreedt om de rol te spelen
Der edelsten uit Japhets bloed,
Is daar geen stem in uw gemoed
Die andre rangen uit zou deelen?
Zijn daar geen driften in uw borst,
Die anders spreken, anders woelen
Dan westersch harte kan gevoelen?
En blaakt u niet een groote dorst,
En voelt ge u ’t kloppend hart niet persen,
En roept uw ziel niet overluid
Naar goddelijker dichtgeest uit,
Dan die u toegalmt in de verzen
Van Javans nagespeelde luit?
Verzucht gij niet naar ruimer snoeren
Dan van ’t Europisch maatgedicht,
Dat gij zoo kalm beheerscht, wellicht
Als niet geschikt uw ziel te ontroeren,
Als niet in staat u mee te voeren
Tot waar de kunst voor ’t leven zwicht?
O Telg der priestren en profeten,
Wie de ongewijde lauwer wast,
Heeft nooit uw hart u dien verweten,
Als voor uw schedel ongepast?
Ontwaakt er, als de kreten rijzen,
Waarin uw lof zoo luid weerklinkt,
In u geen zielszucht, die u dringt
Om al die glorie af te wijzen?
Is daar geen hoogheid In uw hart,
Waardoor u al die grootheid smart?
Geen hoogheid, die den smaad kan kiezen,
Waaronder ’t kroost van Abram bukt,
Maar niets van d’ adel wil verliezen,
Door God hem in de ziel gedrukt?
Ja, in vernedering en lijden
Den volken wezen tot een spel,
Dat is uw lot. o Israël!
Daarin vervullen zich uw tijden;
Dat is het erf-lot van uw schuld,
Waarin een groote ziel kan deelen
En waardiglijk haar plaats vervult;
Maar op hun heidensche tooneelen,
De rol der heidenen te spelen…
Geen dochter Rachels, die het duldt!
En zoo zij ’t duldt — in Rama’s velden
Ruischt daar een klacht op d’ avondwind,
Om Rachels boezemsmart te melden,
Beweenend haar verloren kind.

Gij hoort het niet. Gij hoort het galmen
Eens lofs, dien u een wereld brengt.
Als zij uw lauwren strooit en palmen,
Met parelsnoeren ondermengd.
Maar somtijds, in uw eenzaamheden,
Als gij, vermoeid van kunst en eer,
Uzelve zijn moogt, voor een keer,
Denkt gij terug aan ’t bang verleden,
En ziet uw haavloos hutje weer,
Waar gij, verloren en vergeten
In ’t luid getier der groote stad,
Die brood noch deernis voor u had,
Uw jeugd in kommer hebt gesleten.
Nog heugt u ’t lijden van uw hart,
Als ’t zich bewust werd van zijn krachten,
En aanving met een vreemde smart
 Naar ’t onbekende goed te smachten
Dat nooit uw oogen duidlijk werd.
Nog heugt u, hoe u ’t denkbeeld krenkte,
Dus arm te zijn en onbekend,
Maar hoe een goede geest u wenkte
Daar kwam een eind aan deze ellend;
Uw brandend hart zou ademhalen,
Zou zijn verlangens zien geboet;
U zou een heldre zon bestralen,
En rozen blozen voor uw voet.
Maar hoe zich uw verbeelding pijnde,
Dat zij het woord des raadsels ried,
Zij vond het in haar droomen niet;
Dies uwe jeugd weemoedig kwijnde,
Omtastende in een blind verschiet
Waarover zich een nevel wolkte,
Die echter alles hopen liet — —
Ha, hoe het sedert zich bevolkte
En in wat glans gij ’t heden ziet!
Thans moogt gij in uw armen vatten,
Wat vóór u zweefde ver en dof.
Egypten offert u zijn schatten,
En Babels palmbosch ruischt uw lof.
Der kunsten nectar komt u laven,
En uw versmachting is geweest;
De zelfbewustheid van uw gaven
Verheft uw schedel onbedeesd.
Gesloten deuren vallen open;
Daar ligt de wereld van uw hopen
En gij beveelt haar door uw geest.

Maar ook die wereld heeft haar nachten.
Maar ook dat leven kent een dood;
Daar blijft een onverklaarbaar wachten,
Een onvervulde zielenood.
Nog komen zij, die oogenblikken,
Waarin de sterkste geest bezwijkt,
Wie heeft dan teugen die verkwikken
Wie, wat naar lafenis gelijkt?
Geen ziel kan ooit zichzelf bezielen
Wanneer zij wegzinkt zonder moed!
Geen wereld, die een ziel voldoet!
Schoon al heur goden voor haar knielen
Nog grijpt zij naar een meerder goed;
Nog kan haar, bij de gouden vruchten,
Haar mild geworpen in den schoot,
Wel hongren naar een voedend brood;
Nog overvallen haar de zuchten
Naar stille wateren van rust,
Te midden van haar schoonsten lust;
En welk genot haar mag bekoren
In ’t vrij gebied, dat haar behoort,
Niet altlid blijft de wensch gesmoord,
Om zelve een Meerdren toetehooren,
Een Meerdren, die die vrijheid stoort!
Een Meerdren! Ja, maar meer dan allen
En alles wat zij om zich ziet;
Met zulk een wil zij staan of vallen,
Maar met haar eigen wereld niet.

O Rachel! Toen uw zwarte lokken
U slordig hingen voor ’t gezicht,
Toen heeft zich, naakt en mager wicht,
’t Meelijdend hart u aangetrokken,
En uit den nacht gebracht in ’t licht.
De goeden, de eedlen, en de grooten
Wedijverden voor u in gunst,
En door de koningen der kunst
Werd u de weg des roems ontsloten;
Elk hunner gaf u — wat hij had;
Elk hunner wees u — wat hij kende;
Ondankbaar zoo gij ’t ooit vergat!…
Maar hadde u in die groote stad,
Als ge in de dagen dier ellende
Uw bedelbrood met tranen at,
Eens Christens mond het brood geprezen,
Dat uit den hemel is gedaald,
Uw ziele bij haar God bepaald,
Hij hadde u beter dienst bewezen,
Waarbij geen andre goedheid haalt;
En, mooglijk, ware u ’t licht gerezen,
Dat om het kruis van Christus straalt!

Het strale u nog! Het overschijne
Den lichtglans, waar uw hoofd van blinkt;
Totdat gij aan zijn voeten zinkt,
Voortaan geen andre, dan de zijne!
Totdat gij roept met luider keel:
„Mijn Heer, mijn God, mijn rots, mijn deel!”
Totdat gij nederwerpt de kronen
Der Phedra’s en der Hermionen,
En elke rol en iedren schijn
Vergeet, om zondares te zijn;
Totdat uw hand de Grieksche tressen,
Naar Joodsche wijze, op ’t hoofd ontsnoert,
En grijpt naar de alabaster flesschen,
Door dankbre liefdedrift vervoerd;
Tot gij de smaadheid uwes Heeren
Zult boven iedren krans begeeren,
En dragen Hem het kruishout na,
Die ’t droeg voor u, op Golgotha;
Totdat gij verre zult verkiezen
Al Faro’s gunsten te verliezen,
Mishandeld met het volk van God,
Voor ijdelheid en zingenot;
Totdat ge een wereld zult beklagen,
Die roemt in de evangelieleer,
Maar mooglijk luide rouw zal dragen,
Als ze u moet afstaan aan uw Heer.

Nicolaas Beets gedicht

kempis poetry magazine

More in: Archive A-B

Friedrich von Schiller: Der Kampf mit dem Drachen

Friedrich von Schiller

(1759-1805)

 

Der Kampf mit dem Drachen

 

Was rennt das Volk, was wälzt sich dort
Die langen Gassen brausend fort?
Stürzt Rhodus unter Feuers Flammen?
Es rottet sich im Sturm zusammen,
Und ein Ritter, hoch zu Ross,
Gewahr’ ich aus dem Menschentross;
Und hinter ihm, welch Abenteuer!
Bringt man geschleppt ein Ungeheuer;
Ein Drache scheint es von Gestalt,
Mit weitem Krokodilesrachen,
Und alles blickt verwundert bald
Den Ritter an und bald den Drachen.

   Und tausend Stimmen werden laut:
"Das ist der Lindwurm, kommt und schaut,
Der Hirt und Herden uns verschlungen!
Das ist der Held, der ihn bezwungen!
Viel’ andre zogen vor ihm aus,
Zu wagen den gewalt’gen Strauß,
Doch Keinen sah man wiederkehren;
Den kühnen Ritter soll man ehren!"
Und nach dem Kloster geht der Zug,
Wo Sankt Johanns, des Täufers, Orden,
Die Ritter des Spitals, im Flug
Zu Rate sind versammelt worden.

   Und vor den edeln Meister tritt
Der Jüngling mit bescheidnem Schritt;
Nachdrängt das Volk, mit wildem Rufen,
Erfüllend des Geländers Stufen.
Und Jener nimmt das Wort und spricht:
"Ich hab’ erfüllt die Ritterpflicht.
Der Drache, der das Land verödet,
Er liegt von meiner Hand getötet;
Frei ist dem Wanderer der Weg,
Der Hirte treibe ins Gefilde,
Froh walle auf dem Felsensteg
Der Pilger zu dem Gnadenbilde."

   Doch strenge blickt der Fürst ihn an,
Und spricht: "Du hast als Held getan;
Der Mut ist’s, der den Ritter ehret,
Du hast den kühnen Geist bewähret.
Doch sprich! Was ist die erste Pflicht
Des Ritters, der für Christum ficht,
Sich schmücket mit des Kreuzes Zeichen?"
Und Alle rings herum erbleichen.
Doch er, mit edlem Anstand, spricht,
Indem er sich errötend neiget:
"Gehorsam ist die erste Pflicht,
Die ihn des Schmuckes würdig zeiget."

   "Und diese Pflicht, mein Sohn," versetzt
Der Meister, "Hast du frech verletzt
Den Kampf, den das Gesetz versaget,
Hast du mit frevlem Mut gewaget!" –
"Herr, richte, wenn du Alles weißt,"
Spricht Jener mit gesetztem Geist,
"Denn des Gesetzes Sinn und Willen
Vermeint! ich treulich zu erfüllen.
Nicht unbedachtsam zog ich hin,
Das Ungeheuer zu bekriegen;
Durch List und klug gewandten Sinn
Versucht’ ich’s, in dem Kampf zu siegen."

"Fünf unsers Ordens waren schon,
Die Zierden der Religion,
Des kühnen Mutes Opfer worden:
Da wehrtest du den Kampf dem Orden.
Doch an dem Herzen nagten mir
Der Unmut und die Streitbegier,
Ja, selbst im Traum der stillen Nächte
Fand ich mich keuchend im Gefechte;
Und wenn der Morgen dämmernd kam
Und Kunde gab von neuen Plagen,
Da fasste mich ein wilder Gram,
Und ich beschloss, es frisch zu wagen."

   "Und zu mir selber sprach ich dann:
Was schmückt den Jüngling, ehrt den Mann?
Was leisteten die tapfern Helden,
Von denen uns die Lieder melden,
Die zu der Götter Glanz und Ruhm
Erhub das blinde Heidentum?
Sie reinigten von Ungeheuern
Die Welt in kühnen Abenteuern,
Begegneten im Kampf dem Leun
Und rangen mit dem Minotauren,
Die armen Opfer zu befrein,
Und ließen sich das Blut nicht dauren."

   "Ist nur der Sarazen es wert,
Dass ihn bekämpft des Christen Schwert?
Bekriegt er nur die falschen Götter?
Gesandt ist er der Welt zum Retter,
Von jeder Not und jedem Harm
Befreien muss sein starker Arm;
Doch seinen Mut muss Weisheit leiten,
Und list muss mit der Stärke streiten.
So sprach ich oft und zog allein,
Des Raubtiers Fährte zu erkunden;
Da flösste mir der Geist es ein,
Froh rief ich aus: Ich hab’s gefunden!"

   "Und trat zu dir und sprach das Wort:
Mich zieht es nach der Heimat fort.
Du, Herr, willfahrtest meinen Bitten,
Und glücklich war das Meer durchschnitten.
Kaum stieg ich aus am heim’schen Strand,
Gleich ließ ich durch des Künstlers Hand,
Getreu den wohl bemerkten Zügen,
Ein Drachenbild zusammenfügen.
Auf kurzen Füßen wird die Last
Des langen Leibes aufgetürmet;
Ein schuppicht Panzerhemd umfasst
Den Rücken, den es furchtbar schirmet."

   "Lang strecket sich der Hals hervor,
Und grässlich, wie ein Höllentor,
Als schnappt’ es gierig nach der Beute,
Eröffnet sich des Rachens Weite,
Und aus dem schwarzen Schlunde dräun
Der Zähne stachelichte Reihn;
Die Zunge gleicht des Schwertes Spitze,
Die kleinen Augen sprühen Blitze;
In eine Schlange endigt sich
Des Rückens ungeheure Länge,
Rollt ums ich selber fürchterlich,
Dass es um Mann und Ross sich schlänge."

   "Und Alles bild’ ich nach, genau,
Und kleid’ es in ein scheußlich Grau;
Halb Wurm erschien’s, halb Molch und Drache,
Gezeuget in der gift’gen Lache.
Und als das Bild vollendet war,
Erwähl’ ich mir ein Doggenpaar,
Gewaltig, schnell, von flinken Läufen,
Gewohnt, den wilden Ur zu greifen;
Die hetz’ ich auf den Lindwurm an,
Erhitze sie zu wildem Grimme,
Zu fassen ihn mit scharfem Zahn,
Und lenke sie mit meiner Stimme."

   "Und wo des Bauches weiches Vließ
Den scharfen Bissen Blöße ließ,
Da reiz’ ich sie, den Wurm zu packen,
Die spitzen Zähne einzuhacken.
Ich selbst, bewaffnet mit Geschoss,
Besteige mein arabisch Ross,
Von adeliger Zucht entstammet,
Und als ich seinen Zorn entflammet,
Rasch auf den Drachen spreng’ ich’s los,
Und stachl’ es mit den scharfen Sporen,
Und werfe zielend mein Geschoss,
Als wollt’ ich die Gestalt durchbohren."

   "Ob auch das Ross sich grauend bäumt
Und knirscht und in den Zügel schäumt,
Und meine Doggen ängstlich stöhnen,
Nicht rast’ ich, bis sie sich gewöhnen.
So üb’ ich’s aus mit Emsigkeit,
Bis dreimal sich der Mond erneut,
Und als sie Jedes recht begriffen,
Führ’ ich sie her auf schnellen Schiffen.
Der dritte Morgen ist es nun,
Dass mir’s gelungen hier zu landen;
Den Gliedern gönnt’ ich kaum zu ruhn,
Bis ich das große Werk bestanden."

   "Denn heiß erregte mir das Herz
Des Landes frisch erneuter Schmerz:
Zerrissen fand man jüngst die Hirten;
Die nach dem Sumpfe sich verirrten,
Und ich beschließe rasch die Tat,
Nur von dem Herzen nehm’ ich Rat.
Flugs unterricht’ ich meine Knappen,
Besteige den versuchten Rappen,
Und von dem edeln Doggenpaar
Begleitet, auf geheimen Wegen,
Wo meiner Tat kein Zeuge war,
Reit’ ich dem Feinde frisch entgegen."

   "Das Kirchlein kennst du, Herr, das hoch
Auf eines Felsenberges Joch,
Der weit die Insel überschauet,
Des Meisters kühner Geist erbauet.
Verächtlich scheint es, arm und klein,
Doch ein Mirakel schließt es ein,
Die Mutter mit dem Jesusknaben,
Den die drei Könige begaben.
Auf dreimal dreißig Stufen steigt
Der Pilgrim nach der steilen Höhe;
Doch hat er schwindelnd sie erreicht,
Erquickt ihn seines Heilands Nähe."

   "Tief in den Fels, auf dem es hängt,
ist eine Grotte eingesprengt,
Vom Tau des nahen Moors befeuchtet,
Wohin des Himmels Strahl nicht leuchtet.
Hier hausete der Wurm und lag,
Den Raub erspähend, Nacht und Tag.
So hielt er, wie der Höllendrache,
Am Fuß des Gotteshauses Wache;
Und kam der Pilgrim hergewallt
Und lenkte in die Unglückstraße,
hervorbrach aus dem Hinterhalt
Der Feind und trug ihn fort zum Fraße."

   "Den Felsen stieg ich jetzt hinan,
Eh’ ich den schweren Strauß begann;
Hin kniet’ ich vor dem Christuskinde
Und reinigte mein Herz von Sünde.
Darauf gürt’ ich mir im Heiligtum
Den blanken Schmuck der Waffen um,
Bewehre mit dem Spieß die Rechte,
Und nieder steig’ ich zum Gefechte.
Zurücke bleibt der Knappen Tross;
Ich gebe scheidend die Befehle,
Und schwinge mich behend aufs Ross,
Und Gott empfehl’ ich meine Seele."

   "Kaum seh’ ich mich im ebnen Plan,
Flugs schlagen meine Doggen an,
Und bang beginnt das Ross zu keuchen
Und bäumet sich und will nicht weichen;
Denn nahe liegt, zum Knäul geballt,
Des Feiendes scheußliche Gestalt
Und sonnet sich auf warmem Grunde.
Auf jagen ihn die flinken Hunde;
Doch wenden sie sich pfeilgeschwind,
Als es den Rachen gähnend teilet
Und von sich haucht den gift’gen Wind
Und winselnd wie der Schakal heulet."

   "Doch schnell erfrisch’ ich ihren Mut,
Sie fassen ihren Feind mit Wut,
Indem ich nach des Tieres Lende
Aus starker Faust den Speer versende;
Doch machtlos, wie ein dünner Stab,
Prallt er vom Schuppenpanzer ab,
Und eh’ ich meinen Wurf erneuet,
Da bäumet sich mein Ross und scheuet
An seinem Basiliskenblick
Und seines Atems gift’gem Wehen,
Und mit Entsetzen springt’s zurück,
Und jetzo war’s um mich geschehen -"

   "Da schwing’ ich mich behend vom Ross,
Schnell ist des Schwertes Schneide bloß;
Doch alle Streiche sind verloren,
Den Felsenharnisch zu durchbohren.
Und wütend mit des Schweifes Kraft
Hat es zur Erde mich gerafft;
Schon seh’ ich seinen Rachen gähnen,
Es haut nach mir mit grimmen Zähnen,
Als meine Hunde, wutentbrannt,
An seinen Bauch mit grimm’gen Bissen
Sich warfen, dass es heulend stand,
Von ungeheurem Schmerz zerrissen."

   "Und eh’ es ihren Bissen sich
Entwindet, rasch erheb’ ich mich,
Erspähe mir des Feindes Blöße
Und stoße tief ihm ins Gekröse,
Nachbohrend bis ans Heft den Stahl;
Schwarz quellend springt des Blutes Strahl;
Hin sinkt es und begräbt im Falle
Mich mit des Leibes Riesenballe,
Dass schnell die Sinne mir vergehn,
Und als ich neu gestärkt erwache,
Seh’ ich die Knappen um mich stehn,
Und tot im Blute liegt der Drache."

   Des beifalls lang gehemmte Lust
Befreit jetzt aller Hörer Brust,
So wie der Ritter dies gesprochen;
Und zehnfach am Gewölb gebrochen,
Wälzt der vermischten Stimmen Schall
Sich brausend fort im Widerhall.
Laut fordern selbst des Ordens Söhne,
Dass man die Heldenstirne kröne,
Und dankbar im Triumphgepräng
Will ihn das Volk dem Volke zeigen;
Da faltet seine Stirne streng
Der Meister und gebietet Schweigen.

   Und spricht: "Den Drachen, der dies Land
Verheert, schlugst du mit tapfrer Hand;
Ein Gott bist du dem Volke worden,
Ein Feind kommst du zurück dem Orden,
Und einen schlimmern Wurm gebar
Dein Herz, als dieser Drache war.
Die Schlange, die das Herz vergiftet,
Die Zwietracht und Verderben stiftet,
Das ist der widerspenst’ge Geist,
Der gegen Zucht sich frech empöret,
Der Ordnung heilig Band zerreißt;
Deun der ist’s, der die Welt zerstöret."

   "Muth zeiget auch der Mameluck;
Gehorsam ist des Christen Schmuck;
Denn wo der Herr in seiner Größe
Gewandelt hat in Knechtesblöße,
Da stifteten, auf heil’gem Grund,
Die Väter dieses Ordens Bund,
Der Pflichten schwerste zu erfüllen,
Zu Bändigen den eignen Willen.
Dich hat der eitle Ruhm bewegt,
Drum wende dich aus meinen Blicken!
Denn wer des Herren Joch nicht trägt,
Darf sich mit seinem Kreuz nicht schmücken."

   Da bricht die Menge tobend aus,
Gewalt’ger Sturm bewegt das Haus,
Um Gnade flehen alle Brüder;
Doch schweigend blickt der Jüngling nieder,
Still legt er von sich das Gewand
Und küsst des Meisters strenge Hand
Und geht. Der folgt ihm mit dem Blicke,
Dann ruft er liebend ihn zurücke
Und spricht: "Umarme mich, mein Sohn!
Dir ist der härtre Kampf gelungen.
Nimm dieses Kreuz. Es ist der Lohn
Der Demut, die sich selbst bezwungen."

Friedrich von Schiller Gedichte

kempis poetry magazine

More in: Schiller, Friedrich von

Speziallager Nr. 3: Berlin-Hohenschönhausen

Speziallager Nr. 3: Berlin-Hohenschönhausen

Die Gedenkstätte Berlin-Hohenschönhausen besteht aus den Räumlichkeiten der ehemaligen zentralen Untersuchungshaftanstalt der Staatssicherheit der DDR, die von 1951 bis 1989 in Berlin-Alt-Hohenschönhausen in Betrieb war. Dort wurden vor allem politische Gefangene inhaftiert und physisch und psychisch gefoltert.

Im Mai 1945 übernahm das sowjetische NKWD das Gefangenenlager und richtete hier ein Speziallager ein, die Nr. 3 von zehn Lagern in der Sowjetischen Besatzungszone. In diesem Gefängnis waren bei einer Durchschnittsbelegung von 1800 Häftlingen (Höchstbelegung: 4000 bis 5000) insgesamt mehr als 20.000 politische Häftlinge und andere für die Sowjetunion verdächtige Menschen inhaftiert und wurden von hier auf die andeSpeziallager verteilt. Inhaftiert waren so genannte „feindliche Elemente“, unter ihnen ehemalige aktive Mitglieder der NSDAP oder Gestapo, Spione, Terroristen, Betreiber von illegalen Funkstationen oder Druckereien, Zeitungs- und Zeitschriftenredakteure und Autoren, die anti-sowjetische Schriften veröffentlicht hatten sowie Jugendliche unter „Werwolf“-Verdacht. Das Speziallager Nr. 3 wurde im Oktober 1946 aufgelöst. Die überwiegende Zahl der Häftlinge wurde anschließend freigelassen, die verbliebenen Häftlinge wurden nach Sachsenhausen, Buchenwald oder in das Gulag Workuta weitertransportiert.

Von den 20.000 Inhaftierten des Speziallagers Nr. 3 verstarben schätzungsweise 3.000 Menschen. Für sie wurde auf dem Friedhof an der Gärtnerstraße / Ferdinand-Schultze-Straße ein Gedenkstein errichtet.

Nachrichten aus Berlin

von unser Korrespondent Anton K.

fleursdumal.nl magazine

More in: Nachrichten aus Berlin

Peyo Kracholov Yavorov: Two Lovely Eyes

Peyo Kracholov Yavorov

(1878-1914)


Two Lovely Eyes


Two lovely eyes. The spirit of a child.

   Two lovely eyes. Sunrays and music.

   They don’t want anything and they don’t vow.

   My soul is praying,

   Child!

   My soul is praying…


The passions and the woes

   Will cast tomorrow over them

The veil of sin and shame.

The veil of sin and shame

   Won’t cast tomorrow over them

The passions and the woes

 

   My soul is praying,

   Child!

   My soul is praying…

   They don’t want anything and they don’t vow…

   Two lovely eyes – sunrays and music.

   Two lovely eyes. The spirit of a child.

 

Peyo Kracholov Yavorov poetry

kempis poetry magazine

More in: Archive Y-Z

Erika De Stercke gedicht: Vallend schilderij


Erika De Stercke

Vallend schilderij

Je had de zon van Indië nog in de ogen
de verf zat op de schildershanden
die zwarte haren blonken in de herinneringen

tussen koppig speenkruid en resten van broodjes
fietste je in vergeten stegen van de grootstad
zwalpend
het bloed in de lege benen
het hart telde dubbel zo snel af
en dreef je veel te vroeg over de eindstreep

tussen de sterren zweeft jouw oprechte glimlach

 

Erika De Stercke poetry

kempis poetry magazine

More in: De Stercke, Erika

Muhammed Iqbal: The intellect and the heart

Muhammed Iqbal
(1877-1938)

 

The intellect and the heart

One day Intellect said to the heart
"A guide to the misguided ones I am

Being on the earth I reach up to the sky
Look, how deep in comprehension I am

Guidance on earth is my sole occupation
Like the auspicious Khidr 1 in character I am

Interpreter of the book of life I am
The Manifestation of God’s Glory I am

You are only a drop of blood, but
The invaluable ruby’s envy I am"

Hearing this the heart said, "All this is true
But look at me as well, what I am

You understand the secrets of life
But seeing them with my own eyes I am

Concerned with the manifest order you are
And acquainted with the inward I am

Learning is from you, but Divine Knowledge is from me
You only seek Divinity, but showing Divinity I am

Restlessness is the end of Knowledge
But the remedy for that malady I am

You are the candle of the assembly of Truth
The lamp of the Divine Beauty’s assemblage I am

You are related to time and space
The bird recognizing the Sidrah 3 I am

Look at the grandeur of my station
The throne of the God of Majesty I am

 

Muhammed Iqbal poetry
kempis poetry magazine

More in: Archive I-J

Delmira Agustini: El Poeta Y La Ilusion

Delmira Agustini

(1886-1914)


El Poeta Y La Ilusion

La princesita hipsipilo, la vibrátil filigrana,
—Princesita ojos turquesas esculpida en porcelana—
Llamó una noche a mi puerta con sus manitas de lis.
Vibró el cristal de su voz como una flauta galana.

—Yo sé que tu vida es gris.
Yo tengo el alma de rosa, frescuras de flor temprana,
Vengo de un bello país
A ser tu musa y tu hermana!—

Un abrazo de alabastro…luego en el clavel sonoro
De su boca, miel suavísima; nube de perfume y oro
La pomposa cabellera me inundó como un diluvio.
O miel, frescuras, perfumes!…Súbito el sueño, la sombra
Que embriaga..Y, cuando despierto, el sol que alumbra en mi alfombra
Un falso rubí muy rojo y un falso rizo muy rubio!

Delmira Augustini poetry

fleursdumal.nl magazine

More in: Agustini, Delmira, Archive A-B, Delmira Agustini

Tentoonstelling en manifestatie rond Willem Elsschot in Antwerpen

fdm02

ANTWERPEN DE STAD VAN ELSSCHOT

Openingsfestival ‘Tussen droom en daad’

Evenement  29 mei, zaterdag – 30 mei, zondag – 2010

Muzikanten, politici en andere liefhebbers geven de aftrap van het festival, dat wordt gehouden ter gelegenheid van  de 50ste sterfdag van de Antwerpse schrijver,  en brengen een toepasselijke ode aan Elsschot.
Het openingsfestival ‘Tussen droom en daad’ werd vernoemd naar een passage uit het bekendste gedicht van Willem Elsschot: Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren. Behoud de Begeerte ging de uitdaging aan om de daad bij de droom te voegen, en organiseert een festival ter ere van de schrijver.

    * Officiële opening met afterparty – 29 mei

    * Dagfestival – 30 mei


Zaterdag 29 mei 2010

Gouden uitvaart Op zaterdag 29 mei 2010 vindt in de salle des pas perdus Willem Elsschots gouden uitvaart plaats. Burgemeester Patrick Janssens doet de Antwerpse bakkerszoon, echtgenoot, vader, grootvader, reclamemaker en schrijver uitgeleide met een geactualiseerde versie van de grafrede van zijn voorganger Lode Craeybeckx. Acteur Frank Aendenboom treedt hem bij met het requiem van Herman Teirlinck over ‘de ridder die zich, als aan molenwieken, kwetst aan eigen dromen’. Willem Elsschot laat zich echter geen tweede maal begraven. Bij monde van Yves Petry en François Beukelaers treedt hij in het hiernamaals in discussie met de Ultieme Recensent, in de figuur van Volkskrant-journalist Arjan Peters. De plechtigheid wordt opgeluisterd door Arsis 4, het strijkkwartet van Elsschots achterkleinkind Romek Maniewski.

Tussen droom en daad Dat de stem van Willem Elsschot nog lang niet is uitgestorven, bewijzen in het tweede deel van het programma Kees van Kooten, Tom Lanoye en Annelies Verbeke. De staande uitdrukking ‘Tussen droom en daad’ brengt hen tot eloquente en speciaal voor de gelegenheid geschreven exposés. Voor The Bony King of Nowhere (Bram Vanparys) leiden de gevleugelde woorden uit Elsschots gedicht ‘Het huwelijk’ naar een nummer over moord en brand, weemoedigheid en praktische bezwaren.

Receptie Tijdens de afsluitende receptie wordt in het Vlinderpaleis geklonken op een leven dat sprankelt na de dood. De uitvaart en de viering van het leven worden in goede banen geleid door Lisbeth Imbo.

Poetracks en Bal Littéraire Daarna wordt het festival verdergezet in Petrol Club. Daar geven bekende muzikanten enkele gedichten van Willem Elsschot de Poetracks-behandeling (die Absynthe Minded onlangs zeer succesvol toepaste op een gedicht van Hugo Claus met Envoi). Naast bewerkte gedichten brengen de artiesten ook eigen werk. Met Luc De Vos, The Bony King of Nowhere, La Femme Belge, Dez Mona, Mintzkov en De Anale Fase.

29 mei om 20 uur – Officiële opening in het nieuwe justitiepaleis & Poetracks en afterparty in Petrol Club

29 mei om 23 uur – Poetracks en afterparty in Petrol Club (zonder officiële opening in het nieuwe justitiepaleis)


Zondag 30 mei 2010

Brunch Acteur en televisiekok Gène Bervoets nodigt de Antwerpse topchefs Dave De Belder (De Godevaart), Kenny Burssens (Invincible), Dave De Croebele (Rimbaud), Carlo Didden (Glenns Grand Café), Rowan Drowart (Hofstraat 24), Fatima Marzouki (El Warda) en Ingrid Neven (Pazzo) uit voor een hedendaagse interpretatie van het menu dat Willem Elsschot op 11 mei 1952 kreeg voorgeschoteld ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag. Naast Gène Bervoets serveren Warre Borgmans, Joke Devynck en Karlijn Sileghem ondertussen smaakmakende fragmenten uit het werk van de bakkerszoon met een snorretje.

30 mei om 11 uur – Brunch met Gène Bervoets

Elsschot-parcours Dat het duo Alfons De Ridder en Willem Elsschot meerdere gezichten heeft, komt zondagnamiddag aan het licht in zes gehoorzalen van het Vlinderpaleis.

Joke Devynck en Ides Meire lezen fragmenten in naam van de zoon, de echtgenoot en de (groot)vader. Terwijl Koen Peeters verleidingstrucs uit de reclame analyseert, wordt verderop de Partij van Elsschot gesticht. Yasmine Allas, Chokri Ben Chikha en Rachida Lamrabet dwalen met een geëngageerde Laarmans door Antwerpen. Charles Ducal en Y.M. Dangre  treden in dialoog met de verzamelde verzen. Christophe Vekeman en Vitalski zetten de humor van Villa des Roses in de verf.

Literair café In de salle des pas perdus zorgt een bloemlezing uit brieven van en aan (de personages van) Willem Elsschot voor borrelnootjes bij de drank.

Om het groepsportret bij te kleuren sluiten navorsers Wieneke ‘t Hoen, Matthijs de Ridder, Eric Rinckhout en Koen Rymenants en nazaten Ida Dequeecker, Willem Dolphyn en Jan Maniewski het feestweekend af met een mozaïek van feiten en anekdoten. Cyriel Van Tilborgh, voorzitter van het Willem Elsschot Genootschap, en Philip Heylen, schepen voor Cultuur en Toerisme krijgen het laatste woord.

30 mei van 14 tot 18 uur – Dagfestival in het nieuwe justitiepaleis


Dicht bij Elsschot

Tentoonstelling Letterenhuis

30 mei, zondag – 31 december, vrijdag 2010

Van 10 tot 17 uur, gesloten op maandag en op 1 november, 25 en 26 december 2010

Expo in het Letterenhuis: vanaf 30 mei 2010

Een spraakmakende tentoonstelling geeft u een nieuwe kijk op het leven en werk van Elsschot. U maakt er kennis met Elsschot als schrijver, zakenman, bohémien en Antwerpenaar. Rond de Antwerpse schrijver Willem Elsschot circuleren een aantal mythes die zijn uitzonderlijkheid mooi in de verf zetten, maar niet altijd stroken met de realiteit. Schreef hij ‘Kaas’ echt in twee weken tijd? Was hij echt een schrijver die steeds maar schrapte, tot de naakte essentie overbleef? De tentoonstelling ‘Dicht bij Elsschot’ toont de harde feiten van de sterke verhalen.

Voor deze tentoonstelling wordt geput uit het Elsschot archief dat de Vlaamse Gemeenschap en de stad Antwerpen in 2009 verwierven. Hierdoor kan u ook kennismaken met Willem Elsschot als zakenman. Al zal de literatuurliefhebber waarschijnlijk meer voelen voor de literaire handschriften van ‘Lijmen’, ‘Pensioen’, ‘Het tankschip’ en ‘Het dwaallicht’. De handschriften plus verbeterde drukproeven tonen u hoe Elsschot een tekst herwerkte en bijstuurde.
Behalve het verhaal van zijn leven en zijn taal zal de tentoonstelling ook een tijdsbeeld schetsen, zodat de romans meer reliëf krijgen. Beelden van de Antwerpse haven, zoals die er uit zag in de tijd van Het dwaallicht, bijvoorbeeld. Info over de politieke situatie van na de oorlog. Reclamemateriaal van de bedrijven waar Elsschot voor werkte. ‘Dicht bij Elsschot’  zoekt de verbanden tussen de tijd, de man en de schrijver.

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive E-F, Willem Elsschot

« Read more | Previous »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature