In this category:

Or see the index

All categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Archive Q-R

«« Previous page · Ton van Reen: Het diepste blauw (096). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (095). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (094). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (093). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (092). Een roman als feuilleton · Thanks for the View, Mr. Mies: Lafayette Park, Detroit · Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (090). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (089). Een roman als feuilleton · ‘Fantoommerrie’ nieuwe dichtbundel van Marieke Lucas Rijneveld · Ton van Reen: Het diepste blauw (088). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (087). Een roman als feuilleton

»» there is more...

Ton van Reen: Het diepste blauw (096). Een roman als feuilleton

De herinnering aan de grote brand emotioneert hem. Hij merkt dat zijn hoofd gaat dazen, of er bijen in rond zoemen. Het zijn geen bijen, maar kinderstemmen. De school is uit.

`Zit je hier al lang, opa?’ Het zijn Afke en Zhia. In hun kleurige jurken hinkelen ze rond zijn rolstoel.
`Ik wachtte op jullie.’
`Wat gaan we doen?’
`Naar de watermolen?’
`Goed’, zegt Afke.
`Is er feest?’
`Hoezo?’
`Omdat jullie jurken dragen. Jullie lopen altijd in broeken.’
`Straks ga ik bij haar thuis spelen’, zegt Afke. `Zhia’s oma is over. Ze is heel aardig, maar tegen meisjes in broeken praat ze niet.’
`Ik vind die jurken ook veel mooier.’ Hij meent het echt.
Als vlinders lopen ze voor hem uit.

Bij het vlondertje van het voormalige huis van grootvader Rudolf staan ze even stil. Omdat ze daar altijd even stilstaan en omdat Mels er altijd wat vertelt.
`Hier legde ik vroeger mijn boot vast’, zegt hij. `Dan liep ik naar binnen. Grootvader vertelde vaak over zijn denkbeeldige reizen, of over de oorlog. In het schuurtje had hij een klein museum.’
`Waar is dat spul gebleven?’ vraagt Afke.
`Het meeste ligt bij mij op zolder.’
`Mogen wij er gaan kijken?’
`Zeker. Het spul moet er trouwens weg. Misschien is het iets voor een echt museum.’
`En als we het zelf willen houden?’ zegt Afke. `Je kunt het aan mij geven. Ik bewaar het goed.’
`Dan mag jij alles hebben.’

De meisjes hinkelen voor hem uit. Als ze te ver voorop zijn, wachten ze op hem.
`Ik wil het weitje bij mijn grootvaders huis wel weer eens zien’, zegt Mels.
`Wij spelen daar vaak’, zegt Afke.
`Vroeger kwam er nooit iemand. Alleen wij. Tijger heeft er een kist met spullen begraven. Voor later.’
`Wat zat erin?’
`Zijn cadeaus van een verjaardagsfeestje. Ook de mondharmonica die ik hem had gegeven.’
`Die is allang verroest’, zegt Zhia. `Waarom heeft hij dat spul begraven?’
`Tijger was net een eekhoorn. Hij stopte de dingen waarvan hij hield weg.’
`Eekhoorns vergeten waar ze hun noten begraven hebben’, zegt Zhia.
`Tijger kreeg niet eens de tijd om zijn spullen terug te zoeken.’
Bij de brug slaat hij de weg in die langs de Wijer naar de molen en de parkeerplaats loopt.
`Jij rijdt hard’, roept Afke tegen hem. `Straks rij je het water in.’
`Passen júllie maar op. Er zitten duiveltjes in het water, die je met hun haakstokken de beek in trekken.’

Hij stopt omdat hij een dode kraai aan de kant ziet liggen. Verderop ligt een dode egel. Vroeger stonden hier de frambozen van zijn moeder. De dieren hadden er vrij spel, maar op het asfalt hebben ze geen kans. De vogels en dieren die vroeger te snel of te stekelig waren om ze te kunnen pakken, zijn nu te langzaam of te zacht om te ontsnappen aan de auto’s van de mensen die de molen bezoeken.

Ton van Reen: Het diepste blauw (096)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (095). Een roman als feuilleton

`Wat een allemachtig mooie bliksem’, zegt Tijger vol bewondering. Het hele dorp wordt geraakt door vuurpijlen die sissend in de grond slaan.

`Onweer is sprookjesweer’, zegt Thija.
Door het raampje van de zolder is het uitzicht op de wereld altijd sprookjesachtig, maar vooral nu, nu de bliksem het dorp wil afbranden en de donkere bossen aan de bovenloop van de Wijer in een witte gloed zet.

In hun bijna geluiddichte schuilplaats op de zolder van de molen horen ze het onweer nauwelijks, maar zien ze wel de bliksem wanneer die als een drietand boven het dorp staat. Hij vonkt langs de bliksemafleider van de kerk. De vlammen spatten van het beeld van Christoffel dat boven op de toren staat en die het dorp bewaakt, met op zijn schouder het kindje Jezus dat al een paar honderd jaar wacht om over de Wijer te worden gedragen.

Thija leest voor uit een van de bijbelboeken die in een doos op de zolder staan. Ze hebben er pas twee gelezen. De rest moet nog.

`Zodra Izebel, de weduwe van koning Achab van Juda, hoorde dat Jehoe, de nieuwe koning van Juda en moordenaar van haar man, haar kwam bezoeken, liet zij haar huis beschilderen, plantte bloemen in haar tuin en nodigde vrouwen in haar huis.’

`Dat zijn veel komma’s in één zin’, zegt Mels.
`Ik kan niet anders lezen dan dat wat er staat’, zegt Thija. Ze leest verder.
`Deze vrouwen waren in de hogere kringen zeer geliefd. Zij verstonden de kunst van het verleiden en maakten daar gebruik van.’
`Hoeren dus’, zegt Tijger. `Net als in de bunker.’

`Op de dag van Jehoes aankomst, verfde Izebel haar ogen zwart, haar lippen rood en haar nagels paars.’ Thija doet een vinger op haar lippen om te voorkomen dat Tijger daar weer opmerkingen over maakt. `Ze maakte haar kapsel in orde, kleedde zich in een jurk van doorschijnende zijde, sierde zich met paarlen, robijnen en blauw glanzende brokken aquamarijn. Daarna ging ze op het met bloemen gestikte kussen voor het venster zitten en wachtte af. Toen ze Jehoe zag naderen, raakte ze zeer opgewonden. “Hoe gaat het de nieuwe koning van Juda?” vroeg ze. “Hoe gaat het de moordenaar van mijn man? Het zal wel goed met hem zijn. De Heer onze God is met hem, want hij heeft het land een dienst bewezen door mijn man Achab te vermoorden.”‘

`Ze had wel lef’, zegt Tijger.
`Toen Jehoe haar hoorde, riep hij woedend tegen zijn soldaten: “Gooi dat kreng het raam uit!” De soldaten grepen Izebel en gooiden haar op de binnenplaats. Daar liet Jehoe haar door de paarden vertrappen. Haar bloed spoot tegen de muur. Wilde honden vraten haar vlees. Haar hersenen werden verzameld door een bedelaar die ermee aan de haal ging.

In de volgende dagen liet Jehoe alle zonen van Achab vermoorden. Achab had zeventig zonen, verwekt bij Izebel, slavinnen en publieke vrouwen. Hij had geen dochters, omdat Izebel nooit een dochter gebaard had. De dochters die Achab verwekt had bij slavinnen en publieke vrouwen, had hij voor de leeuwen laten werpen. Volgens de wetten van het volk waren ze een doorn in het oog van God. De zonen van Achab woonden verspreid over heel Israël, bij oude leermeesters. Ze werden door Jehoes soldaten neergestoken en ontmand. Hun hoofden werden afgehouwen en verpakt in manden naar Jehoe gezonden. Jehoe voerde de hoofden van Achabs zonen aan de wilde dieren. Zo kwam er een einde aan het geslacht van Achab.’

Verbijsterd kijken ze elkaar aan.
`Waarom staat zoiets in de bijbel?’ vraagt Tijger.
`De bijbel is een geschiedenisboek’, zegt Thija.
`Denk je dat dit echt is gebeurd?’
`Natuurlijk. De mensen leefden als beesten.’
`Net als in China?’
`Net als in China.’

`Lees nog maar een verhaal. Met dit weer kunnen we toch niet weg. Maar wel een verhaal dat minder gruwelijk is.’
Thija slaat het boek weer open, maar stokt in haar beweging als de wind de pannen rijtje voor rijtje oplicht en ze roffelend weer op hun plek laat vallen. Een paar pannen vallen kapot. De regen slaat als een waterval op de ruit. Het is echt noodweer.
De bliksem treft de kerk opnieuw. Het kind op de schouder van Christoffel staat in brand.
`Ik hoor dat Jezus “help” roept’, zegt Tijger

`Hierboven horen we niks’, zegt Mels.
`We horen Hem wel’, zegt Thija. `Hij is nog maar een kind. We horen het als Hij angst heeft. Hij roept naar ons. Jezus kan dat. God kan alles.’
`Hij staat echt in brand’, zegt Mels, nauwelijks gelovend wat hij ziet. `De toren brandt.’
Ze zien dat Christoffel wankelt en naar voren helt. Even houdt hij zich vast aan de antenne op zijn rug en draait een halve slag om zijn as. Dan valt hij samen met het kind naar beneden. Hun val wordt gebroken door uitstekende draden en haken, dan tuimelen ze in de afgrond tussen de daken van het dorp.

`Jezus komt thuis bij Zijn Vader op het altaar’, zegt Thija bleek. Ze glijdt van de stapel meelzakken af, knielt neer, haar hoofd gebogen en bidt.
De jongens houden hun adem in. Mels weet dat dit een moment is waarop de wereld kan blijven stilstaan.
Op zolder is het nog stiller dan het al was. Verbijsterd kijken ze naar de vlammen die uit de toren slaan en over het dak van de kerk dansen. In een paar tellen zetten ze het hele gebouw in lichterlaaie.

Ton van Reen: Het diepste blauw (095)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (094). Een roman als feuilleton

Hij rijdt de winkel in, rechtdoor naar de bloemenhoek die nu op de plek zit waar vroeger de keuken van juffrouw Fijnhout was.

Al een paar dagen na de begrafenis van juffrouw Fijnhout betrok nicht Jozefien, met man en kinderen, het huis.
Haar man begon direct met het uitbreiden van de winkel. Hij verkocht ook verf en behang, kalk en wasbenzine. En hij had een drukpersje voor geboortekaartjes. En wie geboortekaartjes kocht, kocht ook bloemen. Daarom stond een hoek van de winkel altijd vol kleurige bloemen voor geboortefeesten en een andere hoek vol witte ruikers voor bruiloften en begrafenissen.

Nicht Jozefien vlocht ook grafkransen. Ze had wel wat van haar overleden tante. Voor alles kon men bij haar terecht.
In de loop der jaren is de winkel uitgebreid. Mels komt er nog graag. De geuren van de bloemen doen hem goed. En de kleuren. Hij hoort het druppelen van de fonteintjes. Overal staan ze. Het is mode. Fonteintjes van aardewerk, van hard, gekleurd plastic, van glas. En veel spiegels die het wereldje van de winkel uitvergroten tot een ware tuin. Door al die spiegels lijken er meer meisjes in de winkel te zijn, maar er is alleen Christine, de kleindochter van nicht Jozefien.

`Geef die witte aronskelken maar’, zegt Mels. Hij is een beetje gek op haar, door de manier waarop ze alles doet, bedachtzaam en vanzelfsprekend. Ze weet precies wat mooi is. Een prinses in een koninklijke tuin. Ze is altijd vriendelijk.
`Jammer dat het kerkhof weggaat, hè’, zegt Christine, terwijl ze bezig is met een bloemstuk voor een begrafenis. Ze lijkt als twee druppels water op haar grootmoeder Jozefien. Ze is al de vijfde generatie in de winkel.

`Ik kom er zelf niet meer te liggen’, zegt Mels. `Ik dacht bij mijn vriend Tijger begraven te worden, maar als het zover is, brengen ze me naar een plek waar ik nu al niet meer op eigen kracht kan komen.’
`Hoelang is uw vriend al dood?’
`Al bijna vijftig jaar. Hem laten ze gewoon liggen. De huizen worden gewoon op de resterende graven gebouwd.’
`Ik zou daar niet willen wonen.’
`Tijger kan er wel om lachen’, zegt Mels.

Christine pakt de aronskelken in en legt ze op zijn schoot. Ze zijn wit en ruiken naar vanille.
Hij ziet zichzelf in de spiegel naast de kassa. Vanaf zijn borst. De bloemen op zijn schoot verbergen zijn onderlijf. Hij ziet er goed uit, met die bloemen op schoot. Bloemen houden van hem. Ze maken hem mooier. Daarom geeft hij ze aan Tijger. Hij weet nog wat zijn moeder zei: je moet altijd de dingen geven waarvan je het meest houdt.
Mels betaalt. De kassa rinkelt. Het is een geluid dat in een winkel hoort.

`Ik voel me hier nog steeds net zo thuis als toen het de kleine winkel van juffrouw Fijnhout was.’
`Juffrouw Fijnhout?’
`De oudtante van je grootmoeder.’
`O, die. Ze had geen kinderen, hè?’
`Jouw grootmoeder leek ook op haar. Net als jouw moeder op haar lijkt. En jij op allemaal.’
`Was ze knap?’
`Wil je weten of jij knap bent?’
`Zeg maar niets’, lacht ze.
`Ja, ze was knap. Maar dat besefte ik later pas. Een kind ziet zoiets niet. Maar ik kwam graag bij haar. Dat is wat telt. Of jij knap bent, laat ik over aan de jongemannen.’
`Bonnetje?’
`Welnee’, zegt hij, overmoedig door de bloemen op zijn schoot. `Geef mij maar een kus.’
Ze kijkt hem lachend aan en geeft hem dan een kus op zijn wang.
`Ik hoop dat er ook nog iemand aan mij denkt als ík al vijftig jaar dood ben’, zegt ze.
`Vast wel’, lacht Mels. `Ik gun je veel kleinkinderen.’
Hij rijdt de winkel uit en kijkt nog een keer om. Hij ziet Christine in drie spiegels tegelijk. Van voor en van achter en van opzij. Alle Christines zijn even mooi.

Hij rijdt door naar het kerkhof en stopt bij het graf van grootvader Rudolf. Hij haalt een bloem uit het boeket en legt die bij het kruis waaronder grootvader Rudolf is begraven, boven op zijn veel eerder gestorven vrouw.
`Rudolphus Johannes Cremers’, leest hij hardop. `Voormalig hoofd der school.’ En daarboven staat: `Katelijne Melanie Jansen’, `huisvrouw’. De kruisjes geven aan dat grootmoeder Katelijne in 1944 is overleden en grootvader Rudolf in 1978. Hij is, geboren in 1882, bijna honderd geworden. Grootmoeder Katelijne is geboren in 1906. Ze was dus achttien jaar jonger en pas achtendertig toen ze stierf. Van horen zeggen weet hij dat ze pianospeelde op familiefeestjes.
Wat doen ze nu met hen? Wordt grootvader naar het nieuwe kerkhof verhuisd en blijft grootmoeder hier achter omdat ze hier al meer dan veertig jaar ligt?

Op elk graf van een familielid legt hij een bloem.
Hij rijdt een rondje. Een deel van de graven is al weg. Door al die lege plekken, ziet het er rommelig uit.
Het graf van Tijger ligt tussen de kindergraven. De meeste opschriften op de kinderkruisen zijn onleesbaar geworden. Ook dat van Tijger is afgebladderd. Van zijn voornaam is alleen een a over, maar het kan ook een o zijn. Hij is een vergeten kind. Wie geen nageslacht heeft, houdt op te bestaan.
Hij legt de bloemen op het graf.

`Dank je.’ Het is de stem van Tijger. Elke keer als hij bloemen op het graf legt, hoort hij hem. Het kan natuurlijk niet, maar toch.
Hij klopt het stuifmeel van zijn jas.

In de eerste maanden na zijn dood brachten Thija en hij vaak boeketten naar het graf. Bloemen die ze langs de Wijer hadden geplukt. Distels, lelies, judaspenningen, alles wat er in het wild groeide.
Vroeger, met de schoolklas, hebben ze vaak het kerkhof geharkt, het onkruid gewied, het mos van de stenen gekrast. Er was hun respect bijgebracht voor het kerkhof. De plek van de voorouders, die altijd zo hoorde te blijven.

Het graf van vliegenier John Wilkington, dat altijd door Mels’ moeder werd onderhouden, is allang weg. Het houten kruis, waarvan de verf verdwenen is, staat in een hoekje van het kerkhof te wachten op mensen die zich het lot van John Wilkington willen aantrekken en de geschiedenis aan hem levend willen houden, maar Mels is een van de weinigen die nog weten wie John Wilkington was. En hij is niet meer in staat het kruis op te knappen om John de eer te geven die hem toekomt.

Bij de poort van het kerkhof staat het beeld van Christoffel met Jezus op zijn schouder. Half tussen de struiken. Langgeleden is het bij de grote kerkbrand van de toren gevallen. Christoffel is een deel van zijn hoofd kwijtgeraakt en mist ook zijn voeten. Jezus heeft de arm verloren die hij om Christoffels schouder had geslagen. Na de restauratie van de kerk is het beeld niet teruggeplaatst op de toren maar vervangen door een haan. Het gehavende beeld is in de tuin gezet en vergeten. Het is een verkeerde plek. Christoffel met op zijn schouder het kind dat over het water wil worden gedragen, had langs de Wijer moeten staan.

De brand van de kerk was de grootste ramp die het dorp ooit getroffen had.

Ton van Reen: Het diepste blauw (094)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (093). Een roman als feuilleton

Als Mels door de achterdeur binnenkomt hoort hij het direct: het is te stil.

Op zijn tenen loopt hij naar de keuken. Juffrouw Fijnhout zit aan tafel, met haar hoofd op haar armen.

Het is zes uur, tijd om de klok op te winden. Is ze het vergeten? Is ze er te moe voor?

Hij gaat tegenover haar zitten en kijkt naar haar witte haar. De ene helft van haar gezicht. Haar ogen zijn dicht.

Nu pas valt hem de vreemde lucht op. Hij ziet het plasje onder haar stoel.
Kalm gaat hij naar huis.

`Er is iets met juffrouw Fijnhout’, zegt hij tegen zijn moeder.
`Ze is dood’, zegt ze. `Dat zie ik aan je gezicht.’ Ze slaat een kruis. `Dat de Here zich over haar moge ontfermen. Ze heeft een mooie plek in de hemel verdiend. Amen.’

`Ze hield van haar winkel. Denk jij dat ze in de hemel een winkeltje begint?’
`Maar of ze daar ook Hohner-muziekinstrumenten hebben? Haal je tante. We moeten juffrouw Fijnhout gaan verzorgen. En waarschuw de dokter. Ze is niet dood voordat hij het zegt.’

Mels rent naar zijn tante en brengt haar het nieuws. Nog geen vijf minuten later weet iedereen in de buurt over de dood van juffrouw Fijnhout, die zonder veel pijn is overleden. De mensen zijn tevreden. Ze heeft een zachte dood verdiend.

Ton van Reen: Het diepste blauw (093)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (092). Een roman als feuilleton

Vaak koopt Mels een boeketje bloemen, voor op het graf van Tijger. Soms gaan er weken voorbij zonder dat hij aan hem denkt, maar er zijn dagen dat hij juist heel vaak aan hem denkt, vooral nu de gemeente bekend heeft gemaakt dat het kerkhof zal worden verplaatst.

Als hij die plek niet meer kan bezoeken, raakt hij een groot deel van zichzelf kwijt. En wie zal de graven van zijn dierbaren op het nieuwe kerkhof verzorgen? Alle graven die jonger zijn dan veertig jaar worden verplaatst naar het nieuwe kerkhof, een paar kilometer buiten het dorp, waar de nieuwe overledenen al een jaar of tien worden begraven. De overige graven zullen worden geruimd. Tijger en grootvader Bernhard zullen worden weggewist.

Het nieuwe kerkhof is ver weg. Te ver voor een rolstoel. Hij zou moeten protesteren tegen de ruiming, maar hij beseft dat hij te weinig medestanders heeft. De mensen op het oude kerkhof zijn grotendeels vergeten. De meeste mensen in het dorp zijn nieuw. Mensen uit de stad die op het platteland willen wonen, maar door hun komst de stad naar het dorp hebben gehaald.
Hoelang zal hij zijn doden nog kunnen bezoeken?

Ton van Reen: Het diepste blauw (092)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Thanks for the View, Mr. Mies: Lafayette Park, Detroit

“See glossy photos of bathroom doorknobs and mail slots, learn more about early community newsletters, whistle with the neighborhood bagpiper. In two words: be amazed.” –Sebastian Hofer, The Detroit News

Lafayette Park, a middle-class residential area in downtown Detroit, is home to the largest collection of buildings designed by Ludwig Mies van der Rohe in the world.

Throughout the 1990s and 2000s, it remained one of Detroit’s most racially integrated and economically stable neighborhoods, although it was surrounded by evidence of a city in financial distress.

Through interviews with and essays by residents, reproductions of archival material: new photographs by Karin Jobst, Vasco Roma and Corine Vermeulen, and previously unpublished photographs by documentary filmmaker Janine Debanné.

Thanks for the View, Mr. Mies examines the way that Lafayette Park residents confront and interact with this unique modernist environment.

This book is a reaction against the way that iconic modernist architecture is often represented. Whereas other writers may focus on the design intentions of the architect, authors Aubert, Cavar and Chandani seek to show the organic and idiosyncratic ways in which the people who live in Lafayette Park actually use the architecture and how this experience, in turn, affects their everyday lives.

Thanks for the View, Mr. Mies was originally published in 2012, two years before the city of Detroit entered into the largest municipal bankruptcy in the country.

The 2019 edition of Thanks for the View, Mr. Mies includes a revised introduction and two new texts by Lafayette Park residents, and authors, Marsha Music and Matthew Piper.

Music and Piper reflect on the changes the neighborhood underwent between 2012 and 2018, when the city went through and emerged from bankruptcy and entered into a new phase, as a desirable place for real estate investment.

Thanks for the View, Mr. Mies
Lafayette Park, Detroit
Edited by Danielle Aubert, Lana Cavar, Natasha Chandani. Text by Danielle Aubert, Lana Cavar, Natasha Chandani, Marsha Music, Matthew Piper.
URBAN STUDIES AND THEORY
Publisher Metropolis Books
Forthcoming | 4/23/2019
Paperback, 6.5 x 9.5 in.
304 pgs
Illustrated throughout
ISBN 9781942884408
$29.95

# New books
Thanks for the View, Mr. Mies
Lafayette Park, Detroit
URBAN STUDIES AND THEORY

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Bookstores, Architecture, Archive Q-R, Art & Literature News, Bauhaus, Bauhaus, De Stijl, Modernisme


Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton

`Ik heb het schrift van Jacob bij me’, zegt Mels. `Ik wil eruit voorlezen.’
`Dat doen we op het dak van de silo’, zegt Thija. `Kom op.’

Aan de achterkant van de fabriek lopen ze door een openstaande deur naar binnen. De fabriek zelf is klein en valt in het niet bij de silo waarin het graan wordt opgeslagen.
Over een ijzeren trap gaan ze omhoog. Hun schoenen klepperen op de stalen roosters die de traptreden vormen.
Het gebouw is gevuld met vier kleinere, ronde silo’s, voor elke graansoort een. Het ruikt er naar de enorme berg graan die opgeslagen is. Stoffig graan, dat op hun keel werkt.

`Het is helemaal niet wit hierbinnen’, zegt Thija. `Ik dacht altijd dat het vol meel zat.’
`Na de oogst komt hier het graan binnen’, zegt Tijger. `Genoeg om de fabriek het hele jaar te laten draaien.’

Door kleine raampjes kijken ze uit over het dorp en de Wijer, die nu lang en dun is en op een slang lijkt.
Door een luik stappen ze op het dak. De wind krijgt vat op Thija’s rok en blaast hem bollend op.

`Hou je vast!’ roept Tijger. `Je vliegt weg!’
`Dat wil ik juist’, lacht Thija, maar toch houdt ze zich aan hem vast.
Ze kijken uit over het dorp. Ze horen de mensen beneden, die bonkende, kloppende en tikkende geluiden maken.
Ze gaan op hun rug op het dak liggen. Van zo hoog lijkt de hemel veel weidser.

Mels droomt, met open ogen. Met z’n drieën zitten ze in de boot op de Wijer. Ze zijn van plan naar China te gaan. Thija heeft haar reistas op schoot, met daarin een cadeautje voor de keizer. Alleen zij weet wat het is. Ze heeft er Tijger en Mels niets over gezegd. Die vragen er ook niet naar. Dat heeft geen zin, want als je haar wat vraagt, zegt ze het zeker niet.
De boot gaat maar langzaam vooruit. Het water staat laag. Mels moet flink roeien.

Eindelijk komen ze in het dorp aan. Tijd om afscheid te nemen. Er staat maar één persoon op de brug. Tijgers moeder, in een zwarte flodderjurk. Door de wind wappert haar rode haar rond haar hoofd. Mels mist zijn moeder. En waar zijn de grootvaders? Hij is teleurgesteld. Ze horen er te staan, om hen uit te wuiven. Interesseert het hen niet meer dat ze weggaan?
Mels vindt het vooral vreemd dat zijn eigen moeder hem niet uitzwaait en dat ze doodgewoon de ramen aan het lappen is. Hij hoort haar zingen. `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren. Ik zal nog van je houden, ook al word je zo groot als de kerktoren.’ Maar als ze zo veel van hem houdt, waarom zwaait ze hem dan niet uit?

Terwijl ze onder de brug door varen, verandert de boot in een groene helikopter.
Tijger zit aan de stuurknuppel. Hij roept iets. Wat? Het lawaai van de helikopter is zo oorverdovend dat Mels hem niet verstaat. Hij ziet dat Thija tegen Tijger praat, want haar mond beweegt. Hij hoort alleen zijn moeder die zingt: `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren.’

Dan gebeurt er iets vreemds. De helikopter verandert in een zwarte flodderjurk. Opeens zitten Mels en Thija in de donkere buik van Tijgers moeder. Tijger zit in haar glazen hoofd. Hij kijkt door haar ogen en veegt de wapperende rode haren weg die hem het uitzicht ontnemen.

`Ze vliegt ons naar de duivel!’ roept Mels.
Mels hoort dat Tijger iets terugroept, in paniek, maar zijn stem gaat verloren in het geraas. Met een enorme klap vliegen ze tegen de silo. De jurk van zwart glas laat een sneeuwbui van zwarte splinters over het dorp vallen.
`Je ligt te slapen’, zegt Thija.
`Het komt door de wind’, zegt Mels. `Ik droomde dat we naar China vertrokken, in een groene helikopter die veranderde in Tijgers moeder.’
`En toen?’
`We vlogen tegen de silo.’

`Zie je wel’, zegt Thija. `Die droom voorspelt dat onze reis nooit zal lukken. Tijger komt nooit van zijn moeder los.’
`En jij?’
`Ik?’ Thija lijkt verbaasd. `Ik ben geen moederskindje. Jij?’
`Nee’, zegt Mels, maar hij weet dat het anders is. Hij houdt ervan dat zijn moeder zingt.
Om zich niet verder te hoeven verdedigen, pakt Mels het schrift van Jacob.
`Lees jij voor?’ Hij geeft het schrift aan Thija.
Ze slaat het open, bladert het door.
`Hij schreef ook gedichten.’
Ze schraapt haar keel, zoals ook meester Hajenius altijd deed als hij begon met voorlezen.

`Ze vroegen aan mij waarom ik huilde.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij vroegen,
jongen, waarom ben jij zo alleen?
Ze zeggen tegen mij,
ze zeggen het niet,
maar ze zouden het willen zeggen.
Waarom is je huis zo leeg?
Waarom is je hart alleen?
Waarom ben je verlaten?
Ze zeggen het niet.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij dat vroegen.
Als ik gestorven ben,
zal de wind het aan jullie vragen.
Als ik gestorven ben,
zullen de vogels aan jullie vragen,
waarom ik zo alleen was.’

Ze zijn er stil van, omdat Jacob zo precies had geweten hoe het hem zou vergaan.
Ze staan op en dalen de trap af.
Beneden, in bijna lege ruimtes, draaien de machines die het lawaai veroorzaken. Het is er zo lawaaiig dat ze naar elkaar schreeuwen en elkaar toch nauwelijks kunnen verstaan. Het is niet duidelijk wat de machines doen. Er is niemand. Het is net of er niemand werkt. Het is een spookfabriek.

`Het lijkt of we in een boek van Jules Verne terecht zijn gekomen’, roept Tijger.
`We zijn op de maan’, roept Mels terug in Tijgers oor. `De machines maken lucht en water, zodat wij hier ook kunnen leven.’
`Bij die herrie kan niemand leven’, roept Thija, de handen voor de oren.
`Ik wel’, roept Tijger. `Ik hou van hard. Lawaai is mooi. Ik zou hier graag willen wonen.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (091)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (090). Een roman als feuilleton

Een lange vrachtwagen van Bouwbedrijf Leon van Wijk en Zonen stopt bij de silo. Een kraan takelt bouwmateriaal uit de bak: planken, stalen stutbalken, steigermateriaal, een werkkeet en een bouwlift. Een ploegje arbeiders begint met het bouwen van de steigers.

Met gemengde gevoelens ziet Mels het aan. Als een moederkloek heeft het enorme gebouw altijd het dorp beheerst. Tot zomaar, van de ene op de andere dag, aan de werknemers werd verteld dat het bedrijf verkocht was en de productie werd gestaakt. Terwijl het toch volop winst maakte en er een paar maanden eerder nog een uitbreiding was aangekondigd. De fabriek was ten onder gegaan aan haar eigen succes en was opgekocht door de concurrentie om te worden uitgeschakeld.

De vrachtwagen van het bouwbedrijf vertrekt. De chauffeur steekt een hand op. Mels groet terug.
Even later loopt de opzichter naar het café. Hij staat stil op de brug en kijkt naar het water.

`Viswater?’
`Vroeger zat er forel in’, zegt Mels. `Als jongen heb ik er genoeg gevangen. En aal.’
`Nu niets meer?’
`Ze vangen soms baars. Een enkele snoek.’
`Kom ik zondag eens kijken. Ik gooi graag een hengeltje uit.’
Hij loopt door naar het café en komt even later naar buiten met een pakje shag.
`Wat komt er in de silo?’ vraagt Mels.
`Appartementen.’ De man rolt een sigaret. `Ze worden verkocht als exclusief.’
`Dat ding is toch niet apart?’
`Ze zeggen dat het een monument is. Een dorpsbepalend beeld. Zoiets. Hij moet blijven staan vanwege het historisch belang.’ Hij likt zijn shagje dicht. `Ze hadden er beter een bom op kunnen gooien. Hadden ze plaats gehad voor echte huizen. Mij maakt het niks uit. Wij hebben er een mooie klus aan.’

`Ik wil je wat vragen. Ik zoek iemand om een paar pannen op mijn dak te vervangen.’
`Heb je nog pannen?’
`Genoeg.’
`Ik stuur wel een mannetje. Stop hem maar wat toe. Altijd goed.’
`Dank je.’
De man loopt verder.
`Toch missen we de fabriek’, zegt Mels nog. `We waren eraan gewend. Het lawaai in de maalderij was onbeschrijflijk mooi.’
`Mooi?’
`De een vindt dit mooi, de ander dat.’
`Gelukkig dat we allemaal van andere meisjes houden,’ lacht de man, `anders bleven er veel over.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (090)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (089). Een roman als feuilleton

Er is steeds minder te koop in de winkel van juffrouw Fijnhout. Er komt weinig geld binnen. En daar moet wat op gevonden worden, want ze moet ook haar medicijnen kunnen betalen. En de abonnementen op de meer dan twintig missieblaadjes.

Daar zitten ze steeds in te bladeren, op zoek naar foto’s van China. Die knippen ze uit en plakken ze in. Ze hebben al drie schriften vol met foto’s van katholieke Chinese kinderen, zodat het lijkt of bijna heel China katholiek is, maar in werkelijkheid zijn het er maar een paar duizend tussen de miljoenen. Volgens Tijger kijken de Chinezen zelf naar de katholieken zoals de mensen hier naar de Jehova’s getuigen kijken: een paar fanatieke dwepers die de bijbel naar hun hand zetten en hun kinderen nog liever dood laten gaan dan ze in te laten enten tegen pokken en kinderverlamming.

Om de rekken in de winkel minder leeg te laten lijken leggen de jongens er van alles bij. Zomerappels, maar die krijgen al vlug een oud vel. Niemand koopt appels, omdat de meeste mensen zelf zomerappels in de tuin hebben. Overbodig speelgoed. Te klein geworden laarzen. Schaatsen met lint, maar wie koopt er in de zomer schaatsen? Oude jaargangen van missieblaadjes, maar iedereen wordt al onder die dingen bedolven. Soms wijst juffrouw Fijnhout iets aan in haar kast om in de rekken te zetten, een servies, kristallen glazen, een blauwe puddingvorm in de vorm van een vis, een zilveren asbak. Ze doet er glimlachend afstand van omdat ze ze toch niet meer gebruikt. Soms koopt iemand wat, niet omdat hij iets nodig heeft, maar omdat niemand wil dat juffrouw Fijnhout in armoede sterft.

In de winkel blijven vooral spullen over die wachten op volgende seizoenen, voor de herfst en de winter. Overgebleven pakjes zaaigoed voor tomaten, bonen en prei, die onder een luchtdichte glazen stolp worden bewaard en ook volgend jaar nog goed zijn.

Bij het leegruimen van een kast vindt Mels spullen die jarenlang achter andere spullen verborgen zijn gebleven. Een foto van een jongeman met de toen nog jonge juffrouw Fijnhout, een meisje nog. De jongeman heeft een arm rond haar schouder geslagen. Mels denkt dat de foto met opzet op de bovenste plank is gelegd. Achteloos legt hij hem op de hoek van de tafel. Ze ziet het direct en pakt hem op.

`Nadat die foto is gemaakt, heb ik hem nooit meer gezien.’
`Wie is het?’
`Tom, de oudste zoon van de weduwe Hubben-Houba. De broer van directeur Frits. Het was zijn laatste dag hier. Hij ging studeren, in Amerika. Een paar jaar later zou hij terugkomen, om zijn moeder op te volgen en met mij te trouwen. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord. Zijn jongere broer Frits heeft de zaak alleen overgenomen.’
`Wist zijn moeder niet waar hij was?’
`Dat denk ik wel, maar die sprak niet met mij. De rijk geworden familie haalde haar neus op voor de dochter van een dorpssmid.’
`En andere jongens?’ vraagt Mels, de foto bekijkend waarop ze een knappe, jonge vrouw is.
`Eerst heb ik te lang gewacht. En daarna was ik te zeer teleurgesteld. En later vond ik het wel goed zoals het ging. Van mijn winkel kon ik bestaan.’
Mels ruimt alles weer op. Hij legt de foto’s op een schapje waar juffrouw Fijnhout ze kan pakken zonder op te staan.
Tijgers moeder komt Mels aflossen, want juffrouw Fijnhout mag niet meer alleen zijn. Om de beurt blijven de vrouwen uit de buurt ‘s nachts bij haar.
Mels gaat naar huis.

Ze hebben bezoek. De moeder van Jacob zit in de kamer. Ze drinken thee.
`Ik heb wat voor je meegebracht’, zegt Jacobs moeder. Uit haar tas haalt ze het schrift. `Jacob wilde dat ik de verhalen die hij heeft opgeschreven aan jou gaf.’
`Wilt u ze zelf niet houden?’
`Ik kan niet lezen. Jacob heeft vier jaar in een sanatorium gelegen. Daar heeft hij leren lezen en schrijven.’
`En vioolspelen?’
`Wij maken allemaal muziek. Dat is hem met de paplepel ingegoten.’
`Dank u voor het schrift’, zegt Mels. `Jammer dat ik Jacob maar zo kort heb gekend.’
`Lang genoeg om vrienden te worden.’ Jacobs moeder staat op. Mels’ moeder brengt haar naar de deur.
`U komt nog maar eens aan’, zegt moeder.
`Wij gaan hier weg’, zegt Jacobs moeder. `Wij hebben hier weinig geluk gevonden. Misschien gaat het ons ergens anders beter.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (089)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


‘Fantoommerrie’ nieuwe dichtbundel van Marieke Lucas Rijneveld

Op 24 januari 2019 verscheen ‘Fantoommerrie’ de nieuwe dichtbundel van Marieke Lucas Rijneveld, een van de grootste nieuwe talenten van de Nederlandse letteren.

Je zou kunnen zeggen dat deze bundel verder gaat waar haar vorige bundel,‘Kalfsvlies’, was opgehouden, maar dat suggereert dat we met een vervolg te maken hebben, en dat is niet zo.

Deze bundel is een nieuwe verkenning in het universum van Rijneveld, dat paradoxaal genoeg aan de ene kant compleet onnavolgbaar is, maar aan de andere kant ook onmiddellijk herkenbaar en altijd eigen. Over een oma die onsterfelijk had moeten zijn, het noodlottig einde van een onvoorzichtige kat, over dromen natuurlijk: mooie en lelijke, over bidden om speelgoed, de zithouding van de schrijver – en over voorleesvaders, die lastige vragen krijgen: ‘waar komen kinderen vandaan als ouders nooit kussen?

‘Fantoommerrie’ is een dichtbundel om in te verdwalen, en dan te besluiten om er te blijven.

Marieke Lucas Rijneveld
Fantoommerrie
Gedichten
Gepubliceerd 24 januari 2019
Uitgeverij Atlas Contact
Pagina’s 64
Type Paperback / softback
ISBN 9789025453459
€ 19,99

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive Q-R, Archive Q-R, Art & Literature News, Marieke Lucas Rijneveld, Rijneveld, Marieke Lucas


Ton van Reen: Het diepste blauw (088). Een roman als feuilleton

Het was Frans-Joseph die de nieuwe tijd naar het dorp had gehaald, toen hij het gezellenhuis had laten bouwen. Jonggezellen op kamertjes hadden meisjes nodig. Een van de kasteleins was op die behoefte ingesprongen, had rode lampen voor het raam gezet en meisjes uit de stad laten komen.

Frans-Joseph dacht als een grootindustrieel. Hij was ook de man die het grote flatgebouw had laten bouwen, net niet zo hoog als de silo. Zestig woningen in vier lagen, niet ver van de fabriek. Flats voor buitenlandse gezinnen met veel kinderen die later, naar hij dacht, vanzelf in de fabriek zouden gaan werken. Maar daar had hij zich in misrekend. Met de fabriek liep het mis toen de kinderen groot waren. Bovendien wilden de zonen van de gastarbeiders geen werkezels zijn zoals hun vaders.

Mels rommelt wat in de paperassen. Vraagt zich af of hij al de kladjes en volgeschreven vellen toch nog kan ordenen tot een boek. Een exemplaar voor zichzelf. Na zijn dood kan dat naar het archief van de gemeente.

Hij heeft moeite om het verhaal rond te maken. Hij zit met te veel losse stukjes. Van de arbeidersfamilies die in de jaren zeventig naar het dorp kwamen, weet hij maar weinig. In de flats is hij nooit geweest.

Vanaf de dag dat de fabriek gesloten is en de arbeiders uit de uitgewoonde flatwoningen zijn vertrokken, op zoek naar werk elders of door verhuizing naar de nieuwe wijken in het dorp, staat de flat erbij als een blind bakbeest. Kapotgegooide ruiten. Uitgebroken sponningen. Graffiti, waaruit nog steeds de haat van de nieuwkomers tegen de oorspronkelijke dorpsbevolking af te lezen is. En omgekeerd. Het heeft nooit geboterd tussen de flatbewoners en de dorpelingen.

Er zijn nog een paar flats bewoond. Enkele weduwvrouwen die nergens naartoe kunnen en een halfdemente man die wacht op een plaats in een inrichting. En mevrouw Lecoeur, de hoerenmadam, die er, samen met een paar jongere vrouwen, mannen ontvangt. Iedereen spreekt er schande van. Niemand doet er wat aan. Mels weet niet wat hij van haar moet denken. In het café, waar ze elke ochtend komt en koffie met cognac drinkt, praat hij wel eens met haar. Ze is innemend. Als ze over de mannen praat die haar meisjes bezoeken, is het net alsof ze het over haar jongens heeft. In haar ogen zijn mannen kinderen die beschermd en getroost moeten worden.

Hij doet de mappen dicht, trekt zijn jas aan, slaat de plaid over zijn benen, rolt naar de lift en gaat naar beneden.
Hij weet dat Lizet in de keuken is en luistert. Het blijft stil. Ze negeert hem.
Hij opent de deur en rijdt naar buiten.
Even stopt hij bij de marktkramen die ze aan het opbouwen zijn. Eén middag in de week is er markt. Een kraam met groenten en fruit, een kaaswagen, een viskar, een poelier met roze kippen en konijnen, een broodjesbar, een Turkse kraam met olijven, dadels en paprika’s.
Bij de bakkerskraam koopt hij krentenbollen. Met de zak broodjes op schoot rijdt hij de straat uit.

Ton van Reen: Het diepste blauw (088)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (087). Een roman als feuilleton

Mels is met zijn vader in het café en mag bier tappen omdat de kastelein meedoet met kaarten.
Hij bedient de paar mannen die op het terras zitten.

Mannen van het soort dat hier eerst verdwaald leek, maar van wie hij nu weet dat het wandelaars zijn die de Wijer nalopen. Van de monding van de beek in de rivier terug naar de bron. Ze dragen hoge laarzen om door de broeklanden en rietvelden te stappen.

Over hun rug kijkt hij mee naar de kaart van het riviertje en het opengeslagen boek op tafel. Hij verbaast zich erover dat de Wijer meer dan honderd kilometer lang is en dat de bron ergens ligt bij een dorp dat Weierwiese heet. En dat het officieel geen beek maar een rivier is. En dat er honderdtachtig soorten vis in zitten, terwijl hij er maar tien kent. En dat hij nog nooit een zoetwaterkreeft met schaarvormige kaken heeft gezien. Geen wonder, want volgens het onderschrift bij het plaatje van het dier is het nog geen halve centimeter groot.

De mannen drinken chocomel. De bierdrinkende kerels die zitten te kaarten, lachen hen uit. Mels is boos, vooral over de opmerkingen van meneer Frans-Joseph. Die scheldt de wandelaars uit voor mietjes en hoerenlopers. Het is extra gênant omdat iedereen weet dat hij zelf een hoerenloper is.

Ton van Reen: Het diepste blauw (087)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »« Newer Entries

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature