In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Antony Kok

«« Previous page · Jef van Kempen over Het debuut van Antony Kok · Antony Kok Prijs 2012 voor Hans Stevens · Project Muurgedichten Leiden: Jagadada van Antony Kok opnieuw aangebracht · Ivo van Leeuwen: Portrait of Antony Kok · Hanneke van Kempen over de klankpoëzie van Antony Kok · New poetry website: www.antonykok.nl · Marco Entrop over het gedicht De Wisselwachter · Marco Entrop over Antony Kok · Marco Entrop: Nachtkroeg van Antony Kok · Jef van Kempen over Antony Kok · Hanneke van Kempen over Antony Kok · Jef van Kempen over Antony Kok

Jef van Kempen over Het debuut van Antony Kok

foto fleursdumal.nl

EXPERIMENTEN BIJ DE SLAGER

Het debuut van Antony Kok

Door Jef van Kempen

Toen Antony Kok (1882-1969) in 1908 werd aangesteld als commies bij de Staatsspoorwegen in Tilburg, betrok hij een kamer boven slagerij De Brouwer op de hoek van de Tuinstraat en de Telefoonstraat. Hij zou het daar tien jaar lang erg naar zijn zin hebben, want hoewel Kok een verstokte vrijgezel was, hield hij van huiselijkheid en gezelligheid. Het was een druk huishouden bij het slagersechtpaar Bernard en Elisabeth de Brouwer. Zij hadden negen kinderen en er woonde ook nog een ongetrouwde broer bij hen in.

Sinds hij in 1914 met Antony Kok bevriend was geraakt, was beeldend kunstenaar, schrijver en dichter Theo van Doesburg een graag geziene gast in de Tuinstraat. Van Doesburg kon daar later nog lyrisch over worden: “Ik ben voortdurend met mijn gedachten te Tilburg. Ik zie voortdurend de Zomerstraat, de Heuvelstraat, de Stationsstraat en niet het minst de Tuinstraat.”

Er werden op Koks kamer heftige discussies gevoerd over literatuur, beeldende kunst en muziek en ze maakten plannen voor een eigen tijdschrift. In 1915 waagde Kok zich onder invloed van zijn vriend aan het schrijven van experimentele klankgedichten, zoals de gedichten De Wisselwachter en Nachtkroeg. Of zo maar een gedicht voor de grap, zoals Klanken. Kok had de door een toevallige voorbijganger uitgesproken zin “De straat daar rechts daar zullen we heen” verkeerd verstaan.

‘t Landschap blonk

in de zonne die zonk

toen kwam ik twee mensen tegen.

“Stratewets da wubbel dahee”.

 

Ik dacht bij mij zelf,

wat zeggen die twee.

Stratewets da wubbel dahee?

Van Doesburg vond het allemaal prachtig: “Verzen lezen is verzen luisteren. Men leest de woorden en luistert naar den zin er van in zijn binnenste. Zoo heb ik je verzen gelezen: beluisterd”.

In oktober 1917 was het eindelijk zover. Het eerste nummer van het al zo lang geplande tijdschrift verscheen en kreeg de door Kok bedachte naam: De Stijl. Het zou een van de belangrijkste tijdschriften worden uit de Nederlandse kunstgeschiedenis. Antony Kok debuteerde niet met een gedicht maar met een essay: De moderne schilderij in het interieur. Hij zal het ongetwijfeld vol trots aan slager De Brouwer hebben laten zien.

(Brabants Dagblad, 19 juni 2003)

Jef van Kempen: Experimenten bij de slager.  Het debuut van Antony Kok

fleursdumal.nl magazine

WEBSITE ANTONY KOK MAGAZINE  over De Stijl & DADA

More in: Antony Kok, Dada, De Stijl, Jef van Kempen, Literaire sporen


Antony Kok Prijs 2012 voor Hans Stevens

Antony Kok Prijs  2012 voor Hans Stevens

Hans Stevens, misschien wel de eigenzinnigste man uit de Tilburgse kunsthistorie, heeft zondag  9 september 2012 de Antony Kok Prijs ontvangen uit handen van Jan Doms. Dat gebeurde in Galerie Kokon tijdens de opening van ‘wat Hans’ laatste tentoonstelling zal zijn’, aldus een desbetreffend persbericht. Die ongebruikelijke formulering is ingegeven door de droevige omstandigheid dat de geestelijke vader van  het Tilburgse experimentele kunstenpodium Argument ongeneeslijk ziek is. Desondanks wist hij bijna van geen ophouden toen hij zijn gehoor vergastte op een langdurig openingsbetoog, daarbij ook reclame makend voor zijn magnum opus, de meer dan 2 miljoen pagina’s tellende ‘EN-collectie’. 

In zijn dankwoord betrok hij niet op de laatste plaats zijn levensgezellin Sandra Eijkman.

Hieronder volgt het juryrapport dat uitgesproken werd door Jan Doms.

Juryrapport Antony Kok Prijs

Hans Stevens, beeldend kunstenaar, volger van het grote wereldgebeuren vanaf de roemruchte vijfsprong van Tilburg, theoreticus van de valutamarkten en het beelden in de breedste en wezenlijke zin van het woord, menner van de taal, maar bovenal, althans in het kader van deze eervolle prijs, bedenker en initiatiefnemer van Argument Vertoningsruimte in Tilburg.

Al twintig jaar lang een bescheiden doch bijzonder belangrijke waarde voor de kunst die met onze stad verbonden is en wil zijn. Een stedelijke oase voor het vrije artistieke proces, vertaald in de bekende witte ruimte met de twee daglichten die het elke keer weer een feest maken de teweeggebrachte transformatie door de kunstenaars, te aanschouwen. Hans voegt daar gevraagd (en ongevraagd) bij elke nieuwe opening nog zijn béschouwing aan toe die, naar eigen zeggen, voor het eerst voluit uit de verf kwam tijdens zijn optreden op de Documenta in Kassel.

De jury heeft, voordat ze besloot de prijs aan Hans Stevens toe te kennen, natuurlijk gekeken naar het gewicht van deze altruïstische inspanningen voor kunst en kunstenaars en voor Tilburg in zijn artistieke verbondenheid met andere steden in de wereld. Er is gekeken naar het belang, het effect of, zoals men tegenwoordig pleegt uit te drukken, naar het rendement.

Daar kan de jury duidelijk over zijn. Er is vastgesteld dat Argument als van grote waarde wordt gezien door de kunstenaars die in de gelegenheid worden (werden) gesteld te experimenteren met ruimte, vorm en betekenis. En waarom vinden ze Argument van waarde. Dat is vooral omdat het doel van de experimenten is om iets uit te vinden dat nadien in andere omgevingen die meer op het overdrachtelijke gericht zijn zoals galeries en musea, tot volle wasdom kan komen.

Natuurlijk zal de criticaster zeggen, al dan niet onder de druk van de overheid, het publiek zal Argument niet overlopen. Dat kan ook niet om de simpele reden dat massale aanwezigheid op last van de brandweer niet toegestaan is en omdat er maar 1 toilet beschikbaar is. De jury heeft dan ook vooral gekeken naar de waarde van het publiek in dit concept van wezenlijk experiment. Ook publiek moet de gelegenheid krijgen om te gaan met de kunst zoals die ter plekke ontstaat, dikwijls onaf en (nog) niet op het schild gehesen omwille van het prestige of het geld. Bescheidenheid en onaanzienlijkheid is troef. En daar ligt nu net de waarde van Argument Vertoningsruimte. 

Hans is een ware tekenaar. De enige tekenaar die onder andere al twintig jaar lang op klein formaat ‘schriftelijk’ verslag doet van de kunstenaars in residentie bij Argument. Wij allen weten dat daar nu een eind aan komt. Tezamen vormen deze tekeningen een waar monument van de stedelijke kunst zoals zich die in Argument gemanifesteerd heeft.

Een ander voor de burger meer toegankelijk verslag van de gebeurtenissen in ‘Argumentenlaboratorium Het Ei’ kan men vinden op de website. Een van de zaken die slechts mogelijk zijn met inzet van collega-kunstenaars en vrienden van de kunst op het vlak van fotografie en film en aanverwant. Dat kenmerkt Argument ook. Het is de belangeloze inzet van velen die het wonder van de kunsten mogelijk maken.

Het is natuurlijk ondenkbaar de rol van Sandra Eijkman – let wel ! drs. Sandra Eijkman, kenner van de kunstenaarsinitiatieven in Nederland – hierin niet te betrekken. Rots in de branding, administratrice, secretaresse, toeverlaat, gastvrouw, woman’s brain, enz. enz. en natuurlijk coördinator en communicator van Argument, bezoldigd en onbezoldigd en last but not least, levenspartner tot het einde.

Er gingen in de jury stemmen op om Sandra de prijs toe te kennen, of tenminste mede toe te kennen. Maar volgens het onderliggende statuut van de Anthony Kok Prijs is dat onmogelijk. Want die kan alleen worden toegekend aan een kunstenaar die zich substantieel, met overgave en met het nodige gevolg op belangeloze wijze inzet voor de kunsten en de daarmee verbonden kunstenaars.

Alles overwegende heeft de jury na rijp beraad besloten Hans Stevens de Antony Kok Prijs toe te kennen. Hij vervolmaakt de reeks van kunstenaars die hem zijn voorgegaan. Zoals Ernest Potters, fotograaf, die met zijn Ruimte-X de spits afbeet, Jan Spit, beeldend kunstenaar, die met zijn galerie Artikel als tweede werd gelauwerd en Paul van Kemenade, saxofonist/componist met o.a. met Stranger than Paranoia die als derde werd geëerd.

De prijs in geld bedraagt EURO 5.000, niet te besteden ten eigen bate – dat maakt de prijs niet alleen eervol maar ook uniek in zijn soort – doch uitsluitend te besteden aan de kunst van anderen. In dit geval biedt Argument Vertoningsruimte daar de beste gelegenheid voor.

De jury wenst Hans, Sandra en alle andere betrokkenen bij Argument Vertoningsruimte veel genoegen om wederom met behulp van het ter beschikking gestelde prijzengeld de kunst te dienen.

photos and text joep eijkens

fleursdumal.nl magazine

More in: Antony Kok, Joep Eijkens Photos, Kok, Antony


Project Muurgedichten Leiden: Jagadada van Antony Kok opnieuw aangebracht

Foto Ed Visser

PROJECT MUURGEDICHTEN LEIDEN

Openbare Basisschool De Morskring

Damlaan 1 2332 XG Leiden

In april 2010 is het muurgedicht Jagadada van Antony Kok, dat met de sloop van de gymzaal van Basisschool De Morskring in Leiden in de zomer van 2004 is verdwenen, opnieuw aangebracht.

Voor informatie zie website: Muurgedichten Leiden

Antony Kok (1882 – 1969) – gedicht Jagadada 1923


fleursdumal magazine

More in: Antony Kok, Antony Kok, Kok, Antony, Street Art, Urban Art


Ivo van Leeuwen: Portrait of Antony Kok

Ivo van Leeuwen: 

Portrait of Antony Kok (1882-1969)

fleursdumal.nl magazine – gallery of poets’ portraits

lino © ivo van leeuwen

More in: Antony Kok, Ivo van Leeuwen, Poets' Portraits


Hanneke van Kempen over de klankpoëzie van Antony Kok


De klankpoëzie van Antony Kok

door Hanneke van Kempen


De gedichten die mijn jeugd kleurden, kwamen niet uit een boek. Ze hingen in grote reproducties aan de muur, en werden voorgelezen. Ik raakte al vroeg vertrouwd met de gedichten van dichter Antony Kok, met hun mysterieuze klanken, charme – en humor. Maar in de boekenkast stonden ze niet. Pas in 2000 werd een deel ervan in boekvorm verzameld en uitgegeven door Jef van Kempen – inderdaad mijn vader -in de bundel Gedichten & Aforismen.

Antony Kok (1882-1969) werd in zijn dichterschap gestimuleerd door zijn vriend Christian Emil Marie Küpper – beter bekend als beeldend kunstenaar, schrijver en dichter Theo van Doesburg (1883-1931). Kok werkte vanaf 1908 bij de spoorwegen in Tilburg, de stad waar ik opgroeide. Eind 1914 leerde hij daar Van Doesburg kennen, die dat jaar vanwege de oorlogsdreiging als sergeant met zijn divisie in Brabant werd geplaatst. De mannen sloten een vriendschap voor het leven, onder meer op basis van hun beider liefde voor muziek. Via Van Doesburg raakte Kok, naast bijvoorbeeld Piet Mondriaan, betrokken bij de plannen voor een eigen tijdschrift voor hun ideeën over moderne kunst en literatuur. Het verschijnt in oktober 1917 voor het eerst met de door Kok bedachte titel: De Stijl.

Koks liefde voor muziek kreeg hij van huis uit mee via zijn vader – zoals ik mijn liefde voor poëzie voor een groot deel aan de mijne te danken heb. Koks vader trad naast zijn werk als onderwijzer in zijn vrije tijd op als zanger en als dirigent van een operettekoor. Kok was een begaafd pianospeler, een talent dat hij in de praktijk bracht tijdens de twee Soirées Intime die hij en Van Doesburg in 1915 organiseerden in Tilburg. Tijdens deze voorstellingen speelde Kok op de piano muziek van Wagner, Beethoven en Schumann. Maar hij had ook zijn best gedaan om moderner werk, de ‘Heeresmarsch’ van Herwarth Walden te bemachtigen, in 1914 in het tijdschrift Der Sturm uitgegeven. Vriend Maurits Manheim zong liederen van Méhul, Schubert en Mendelssohn. Van Doesburg las voor uit werk van Nietzsche, Oscar Wilde en Lodewijk van Deyssel en droeg verzen voor van zichzelf en van zijn eerste echtgenote, Agnita Feis. In 1917 en 1918 is Kok Van Doesburg per trein achterna blijven reizen om Van Doesburgs lezingen over moderne kunst en architectuur, die hij door het hele land gaf, muzikaal te omlijsten met pianomuziek van moderne componisten als Satie en Debussy.

Kok bouwde gedurende zijn leven een uitgebreide collectie bladmuziek op. Hij genoot misschien nog wel het meest van de muziek van anderen, en betaalde tot op hoge leeftijd muzieklessen voor getalenteerde kinderen uit de buurt. Die mecenas-rol (ondanks de beperkte middelen waarover hij beschikte, Kok had een goedbetaalde vaste baan bij de spoorwegen, maar kon niet zoals veel mecenassen teren op familiegeld) was ook mede bepalend voor zijn verhouding met onder meer Piet Mondriaan, die zijn artistieke succes financieel gezien voor een deel dankte aan de vrijgevigheid van Kok.

In de brieven van Kok en Van Doesburg keerde de muziek als thema regelmatig terug. Zoals in de brief van 7 juni 1915 waarin Van Doesburg aan Kok schrijft: ‘Wat echter een veel grootere plaats in mijn muzikaal begrip heeft ingenomen is vorm. Denk eens aan die bomen zwart, tegen witte achtergrond, welke wij op een nacht in de Willem II straat bewonderden. Niets kwam het abstracte begrip van muziek zoo dicht nabij als die kleurlooze bomen.’

Muziek en literatuur waren geen gescheiden entiteiten, klank en woord waren voor Kok en Van Doesburg eerder nauw met elkaar verbonden. Op 11 februari 1916 schrijft Van Doesburg aan Kok: ‘Verzen lezen is verzen luisteren. Men leest de woorden en luistert naar den zin er van in zijn binnenste. Zoo heb ik je verzen gelezen: beluisterd’.

In 1915 had Kok mede onder invloed van zijn vriend zijn eerste experimentele klankgedichten geschreven, zoals het gedicht ‘Nachtkroeg’, dat pas in 1923 voor het eerst zou worden gepubliceerd in De Stijl. :


NACHTKROEG

        Stil_       
        Stap        
        Steen        
        Stil_        
        Stap        
        Steen        
        Stil_ _    

        Dà        
        Domb_    
        Dà
        Domb_    
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_

        Drusch

        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_

        Drisch

        Dà
        Domb_
        Rusch
        Domb_
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_

        Stil_

(zeer
snel)
        Hé
        rom    
        mm mm            
        oemmenoem oemmenoem
        oemm                
        tjaa                
        doemezoem            
        bomb doem            
        homb oem            
        hei ha            
        hehehe            

        hei zoem m m        
        haaa houw            
        doemenoemenoemenoem    
        zoemhoem            
        rusj oemenoem rek
        rusj oemenoem        
        rink kink            
        hakala            
        noemenoemenoemezoem
        kreuh_zoemm m        
        hakala aa            
        oemenoemenoem        
        oemenoemenoemzoem    
        hakaha             
        romb domb            
        domb
        zoemenoem            
        bomm
        zoemm m                    
        hei roemenoem
        zoem m
        zoe m
        oem m
        oem
        m m
        m
        m
        m
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_
        
        Rîss

        Domb_
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_
        Dà
        Domb_
        
        Sjrih_ _
        
        DEUR

 

Het gedicht verbeeldt het geluid van een man die afgaat op het geroezemoes (‘oemenoemenoemzoem’) van een café, en is geschreven als een fonetisch hoorspelscript, inclusief het vallen van het doek (in dit geval: ‘DEUR’). ‘Nachtkroeg’ werd in De Stijl door Van Doesburg geroemd als begin van een nieuwe dichtkunst: ‘Nimmer kwam in Holland een dichter tot zoo sober en zuiver gebruik van zijn uitdrukkingsmateriaal. Dit alles zijn symptomen van een nieuwe versconstructie in Holland.’ Die erkenning kreeg Kok ook later toen het gedicht werd opgenomen in Rodenko’s belangrijke avantgardische bloemlezing Nieuwe griffels, schone leien uit 1954.


De ‘nieuwe versconstructie’ was geen lang leven beschoren, ook niet in het werk van Kok. In het gedicht ‘Trein’ uit 1921 hanteerde Kok hetzelfde principe nog een tweede keer, met als belangrijkste verschil dat het hier de geluidenkakofonie van een trein betrof. Let wel: dit was in de hoogtijdagen van de stomme film, die begonnen met de beelden van een aankomende trein door de gebroeders Lumière in 1896. Voor spoorbeambte Kok was de trein een voor de hand liggend onderwerp.

Er werden van Kok slechts twee gedichten gepubliceerd in De Stijl. Naast ‘Nachtkroeg’ verscheen twee jaar eerder, in oktober 1921, het klankvers ‘Stilte + stem (vers in w)’. De titel van het gedicht doet denken aan een muziekcompositie. De eerdere titel ‘Stem in de stilte’ was op aandringen van Van Doesburg vervangen, deze deed ‘[. . .] nog wat sentimenteel aan’. Van Doesburg was verder erg enthousiast over het gedicht. Dat gold niet voor de recensent van de Limburgsche Koerier van 21 december 1921 die over de publicatie schreef: ‘Er zijn verschillende manieren om zich beroemd te maken. Alcibiades sneed den staart van zijn hond af; de heer Antony Kok schrijft verzen in De Stijl. Het laatste is erger dan het eerste. Want de hond kan hoogstens gejankt hebben.’ Het gedicht vond meer weerklank bij Kurt Schwitters, die het in 1923 publiceerde in het eerste nummer van zijn tijdschrift Merz.

Kok publiceerde na het overlijden van zijn vriend en inspirator Van Doesburg in 1931 tot zijn eigen dood in 1969 vrijwel geen poëzie meer. Bij leven werden zes gedichten gepubliceerd, een aantal andere werd na zijn dood gebundeld – enkele tientallen bleven ongepubliceerd. Ook de duizenden aforismen die Kok schreef bleven grotendeels ongebundeld en werden deels zelfs door hem vernietigd. Een deel van het overgebleven materiaal vind je als lezer op de website www.antonykok.nl. Maar het verzameld werk van en over Antony Kok in boekvorm moet nog verschijnen. In mijn boekenkast is alvast een plaatsje ingeruimd.

 

Hanneke van Kempen over

de klankpoëzie van Antony Kok

Gepubliceerd in Vooys,

Tijdschrift voor letteren

Themanummer: Muziek en literatuur

Jaargang 27, nr 2, 2009


 

 KEMP=MAG – kempis poetry magazine

More in: Antony Kok, Hanneke van Kempen, Kok, Antony


New poetry website: www.antonykok.nl

NEW POETRY WEBSITE

A project from

fleursdumal.nl magazine:

www.antonykok.nl

Antony Kok (1882-1969)

poet & writer & co-founder of DE STIJL


More in: Antony Kok


Marco Entrop over het gedicht De Wisselwachter

Marco Entrop

Antony Kok: de spoorwegbeambte als dichter

‘Heb 42 jaar bij de spoorwegen moeten werken en altijd hard moeten klerken.’ Een bondiger typering van zijn maatschappelijk leven heeft de dichter Antony Kok niet nagelaten. Er staat geen datum bij, maar het zal in of kort na 1942 zijn geweest dat hij dit aforisme schreef. Net zestig geworden, was Kok op 1 mei van dat jaar vroegtijdig op pensioen gesteld, nadat hij daar ‘wegens leeftijd’ zelf om had verzocht. In zijn aforisme liet Kok er geen twijfel over bestaan dat hij met weinig plezier op zijn ambtelijke loopbaan terugzag.

Sinds 1899 was Kok onafgebroken bij het spoor in dienst geweest. Evenals zijn vader had hij, enkele jaren later daarin gevolgd door zijn jongste broer, voor een carrière bij het spoor gekozen. Kok was zeventien toen hij op het centraalbureau van de Staats spoorwegen te Utrecht als ‘hulpschrijver’ werd aangesteld. Uit zijn personeelstaat blijkt dat het aanvankelijk om een tijdelijke benoeming ging, die op 12 september 1900, precies zes maanden nadat hij het surnumerairsexamen met goed gevolg had afgelegd, werd omgezet in een vaste aanstelling als klerk-telegrafist 3e klasse op het station van het Limburgse Reuver. In de daaropvolgende jaren promoveerde Kok binnen deze functie naar de hoogste rang, waarbij het jaarsalaris opliep van f 450 in 1900 tot f 600 in 1908. In die periode verwisselde Kok vrijwel jaarlijks van standplaats: na Reuver volgden Eindhoven, Venlo, Emmerik, ‘s-Hertogenbosch, Oisterwijk en ten slotte Tilburg, waar hij nog verder in de ambtenarenhiërarchie opklom tot commies en zelfs korte tijd chef-commies was, maar die positie na een conflict met zijn superieuren eind 1923 weer verloor, en in de rang van commies zijn pensioen bereikte.

Voor Kok mocht het kantoor leven dan een weinig opwekkend bestaan hebben betekend, Mondriaan had hem er ooit nog om benijd. Op 5 december 1922 schreef hij vanuit Parijs aan Kok: "t Is altoos prettiger en rustiger iets geld te hebben voor voorkomende gelegenheden en voor tijden van gebrek; […]. Ik had veel liever dat ‘t buiten kunst was zooals jij werk hebt dat betaalt, buiten kunst. Maar ik heb voor niets anders geleerd: Kok had wel een vak geleerd, maar waarschijnlijk liever een leven in en voor de kunst geleid. Leven van de pen bleek voor Kok helaas niet weggelegd. En dat is ook een beetje wat in zijn aforisme doorklinkt: spijt omdat door het jarenlange dagelijkse, en voorzeker eentonige en geestdodende werk op kantoor zijn literaire ambities er te veel bij waren ingeschoten.

Na een bescheiden explosie van creativiteit in de jaren rond 1920, waarin Kok zich had begeven in de artistieke avant-garde van De Stijl, bevriend was geweest met Theo van Doesburg en ook met andere kunstenaars uit de kring van dit tijdschrift had verkeerd als Piet Mondriaan en Kurt Schwitters, was zijn poëtisch elan zo goed als gedoofd. Anno 1942 was ook de rest inmiddels tot herinneringen verstild: De Stijl bestond niet meer, Van Doesburg was dood en de vriendschappen met Mondriaan en Schwitters waren in de loop der jaren verwaterd. Schrijven deed Kok nog wel, vrijwel uitsluitend aforismen die hij tot op hoge leeftijd is blijven maken, overigens zonder er één te publiceren.

Toen Kok in 1969 overleed, was hij als dichter nagenoeg vergeten. Zijn poëzie heeft de herinnering aan hem ook nauwelijks vast kunnen houden. Bij zijn leven zag Kok slechts zes van zijn gedichten gepubliceerd. De in De Stijl opgenomen verzen ‘Stilte + stem (vers in W)’ en ‘Nachtkroeg’ hebben in kleine kring nog enige bekendheid gekregen. ‘Nachtkroeg’ beleefde sinds 1954 zelfs enkele herdrukken, dank zij de plaats die het gedicht kreeg in Paul Rodenko’s bloemlezing uit de Nederlandse avant-gardepoëzie Nieuwe griffels, schone leien. De andere verzen verdwenen in de anonimiteit van thans vrijwel onvindbaar geworden tijdschriftjes. Een van die gedichten is aardig genoeg om op deze plaats terug te halen, omdat dit het enige in druk overgeleverde gedicht van Kok is geweest dat op de spoorwegen is geïnspireerd.

Zonder Theo van Doesburg zou Koks dichterschap waarschijnlijk nooit van de grond zijn gekomen. Ze leerden elkaar kennen in de herfst die volgde op het uitbreken van de oorlog in augustus 1914, toen Van Doesburg als gemobiliseerd dienstplichtige in de buurt van Tilburg was gelegerd. De vriendschapsrelatie die uit dit contact ontstond, is ongetwijfeld de meest hechte in Van Doesburgs leven geweest. Dat de in zijn vriendschappen nogal grillige Van Doesburg de duurzaamheid van deze relatie al vroeg moet hebben voorvoeld, blijkt wel uit de brief die hij op oudejaarsdag 1915 vanuit Utrecht aan Kok verzond: ‘Onze vriendschap is […] onverwoestbaar niet alleen, maar onpeilbaar diep: Kok en Van Doesburg zouden voor het leven met elkaar bevriend blijven.

Niet alleen stimuleerde Van Doesburg Kok tot dichten, in hem vond Kok ook een belangrijk oriëntatiepunt en zijn literaire mentor. Via de door Van Doesburg aangedragen lectuur maakte hij kennis met het werk van de literaire avant-garde van zijn tijd, zoals dat van de Duitse expressionisten en de futuristen in Italië, naar welke voorbeelden Kok verzen begon te schrijven die regelmatig aan Van Doesburg ter beoordeling werden voorgelegd.

Tussen beide vrienden kwam een intensieve literaire uitwisseling op gang, waarin weldra ook Van Doesburgs eerste vrouw Agnita Feis werd betrokken. Van hen zou Feis als enige al vroeg met haar vernieuwende poëzie naar buiten treden. Eind 1915 bracht zij in eigen beheer een bundeltje kubistisch-expressionistische gedichten uit onder de titel Oorlog. Verzen in staccato, dat door Albert Verwey in De Beweging van oktober 1916 lovend werd besproken.

Kok zou pas in 1917 voor het eerst publiceren. Aan het einde van dat jaar verschenen de eerste twee afleveringen van het mede door hem opgerichte tijdschrift De Stijl, waarin ook een artikel van zijn hand was opgenomen. In januari werden er twee gedichten van hem in Eenheid gepubliceerd. Van dit ‘Weekblad voor maatschappelijke en geestelijke stroomingen’ waren Van Doesburg en Feis al sinds enige jaren zeer regelmatige medewerkers.

Eenheid zou in januari 1918 opnieuw een gedicht van Kok plaatsen. Pogingen zijn poëzie bij de destijds toonaangevende literaire tijdschriften onder te brengen, liepen echter op niets uit. Zowel de redactie van De Beweging als die van Het Getij stuurde zijn verzen terug. Als dichter was en bleef Kok aangewezen op de meer marginale periodieken, zoals Eenheid en Holland Express dat zijn "gedicht ‘De wisselwachter’ publiceerde. Het Van Doesburg-archief, waar Koks poëtische nalatenschap goeddeels berust, bevat over die publikatie enige correspondentie.

Naast ‘Spoorweggoederenwagens’, geschreven in 1915 en ‘Trein’, een geheel uit klanknabootsingen opgebouwd gedicht uit 1921, is ‘De wisselwachter’ het enige van Kok bewaard gebleven gedicht dat aan zijn verleden als spoorwegbeambte herinnert.

Met de mededeling ‘Zoo juist geschreven’ kreeg Van Doesburg op 15 augustus 1917 een afschrift van ‘De wisselwachter’ per briefkaart toegestuurd -het handschrift zoals dat hier is afgedrukt. Dat Kok zich bij het schrijven van zijn gedicht had laten inspireren door de poëzie van Feis, sterker: de vorm van haar staccatoverzen zelfs letterlijk had nagevolgd, vond Van Doesburg kennelijk geen bezwaar. Via zijn toenmalige echtgenote Lena Milius liet hij per omgaande weten dat hij het gedicht ‘zeer goed’ vond.

Kok besloot het gedicht onmiddellijk te publiceren. Waarschijnlijk op aanraden van Van Doesburg zond hij het gedicht naar het geïllustreerde Rotterdamse weekblad Holland Express, het eenmanstijdschrift van de letterkundige, schilder en toneelschrijver Bernard Canter. Van Doesburg had Kok al eerder het advies gegeven iets naar Canter te sturen. Op 19 mei 1917 schreef hij hem: ‘Zeg dat je nieuwe moderne denkbeelden over mystiek, kunst enz. te ontwikkelen hebt. Noem mij gerust. Zeg b.v. dat ik je gezegd heb tot de Holl. Express te wenden, dan weet hij waarvanuit den wind waait: Voor Canter zal de naam Theo van Doesburg beslist geen aanbeveling zijn geweest. Hoewel Canter zeker niet onwelwillend tegenover de nieuwe stromingen in de beeldende kunst stond, gezien de mate waarin hij deze in zijn blad aan bod liet komen, lagen hij en Van Doesburg elkaar volstrekt niet. In september 1917 raakten die twee nog in een heftige polemiek verwikkeld naar aanleiding van de dood van de schilder Matthijs Maris, wiens kunstenaarschap door Van Doesburg toen fel werd verdedigd.

Holland Express was geen letterkundig maar meer een algemeen cultureel tijdschrift dat, zo blijkt uit de ondertitel, naast ‘Kunst’ en ‘Cultuur’, ook een orgaan wilde zijn voor ‘Handel’, ‘Nijverheid’ en ‘Verkeer’. De literaire bijdragen in het blad stonden op een bijzonder laag peil en bleven beperkt tot wekelijks één gedicht, duidelijk afkomstig van dichters van het tweede garnituur, en een enkel verhaal dat meestal was geschreven door Canter zelf, die trouwens voor de meeste artikelen in Holland Express tekende.

Canter zegde toe Koks inzending te zullen publiceren, al zou het nog enige tijd duren, zeker tot begin oktober 1917, alvorens de dichter een bevestiging daarvan ontving. Van Doesburg, die toen zojuist met Canter de degens had gekruist, had er zo zijn twijfels over. "t Zal me benieuwen of dat Joodje het opneemt; antwoordde hij op 5 oktober smalend aan Kok.

Toen ‘De wisselwachter’ na maanden eindelijk in het nummer van 28 november 1917 in Holland Express verscheen, was misschien daarmee wel Koks geduld, maar zeker niet zijn dichterlijke prestatie beloond. Plaatsgebrek – voor het gedicht was onderaan de pagina een ruimte over twee kolommen gereserveerd – had de opmaker van het blad gedwongen tot het nemen van een rigoureuze beslissing. Hij knipte het gedicht simpelweg doormidden en drukte de beide helften naast elkaar af, waardoor het tweede en het derde drietal strofen van plaats werden verwisseld en het vers niet meer te volgen was.

‘De wisselwachter’ was het enige experimentele gedicht dat Kok buiten De Stijl publiceerde en het zou tot oktober 1921, toen zijn eerste poëtische bijdrage aan dit tijdschrift verscheen, ook het enige gedrukte bewijs van zijn modernistische overtuiging als dichter zijn. Toen Van Doesburg in maart 1921 in het Franstalige, Antwerpse maandblad Ça Ira! de balans opmaakte van de literaire avant-garde in Nederland, kon hij voor Kok eigenlijk niet anders dan naar dit ene gedicht verwijzen. In Eenheid had Kok zich verre van het extreme gehouden en drie uiterst conventionele verzen afgeleverd. Omdat Van Doesburg één publikatie blijkbaar niet overtuigend genoeg vond, dichtte hij zijn vriend er maar wat meer toe en schreef: ‘Antony Kok publiceerde kubistische verzen in "Holland Express" (1917).’ Aan Canter zal Kok echter nooit meer een gedicht hebben toevertrouwd.

(Het Oog in het Zeil, juni 1989)

Marco Entrop: Antony Kok, de spoorwegbeambte als dichter

kemp=mag poetry magazine

More in: Antony Kok, Marco Entrop


Marco Entrop over Antony Kok

Marco Entrop over Antony Kok

Met weinig woorden

De experimentele gedichten 1915-1923

Bij het tot stand komen van het opstel over Antony Kok werd terdege rekening gehouden met de mogelijkheid dat binnen afzienbare tijd! nieuwe gegevens over de dichter naar boven zouden komen. Een enkele maal werd zelfs een voorbehoud gemaakt ten aanzien van teksten die nog niet alle beschikbaar waren. Zo was mij bij voorbeeld bekend, maar niet in het artikel verwerkt, dat Kok begin 1921 het klankgedicht ‘Trein’ had geschreven. Theo van Doesburg maakt er tenminste melding van in zijn correspondentie. Kort nadat het verhaal over Kok was afgerond en ingeleverd, verscheen ‘Trein’ in een verzameling experimentele poëzie uit de periode 1915-1923, onder de titel Met weinig woorden bij de Avalon Pers te Woubrugge.

W. de Graaf, die al eerder aandacht vroeg voor Kok met een tweetal uitgaafjes van respectievelijk aforismen en een vertaling van Tristan Tzara’s ‘Pour faire un poème dadaïste’, bracht tien verzen bijeen die blijk geven van Koks poëtisch experimentalisme en voorzag het geheel van een uitgebreid nawoord. Niet alle gedichten worden hierin voor het eerst openbaar gemaakt. Behalve ‘Nachtkroeg’, ‘Stilte + stem (vers in W)’ en ‘De wisselwachter’ werd ook ‘Vlahaïsvatka, poème dada’ eerder uitgegeven, zij het postuum in 1981 door Houtpers te Haarlem.

Het heterogene karakter van Koks poëzie komt ook in deze verzenverzameling duidelijk naar voren. Het meest geslaagd zijn nog ‘(Volle) nachtkroeg’ en ‘Trein’ en de zeer speelse dada-poëmen ‘Jagadada’ en ‘Vlahaïsvatka’.

‘Spoorweggoederenwagons’, waarmee de bundel met gedichten uit Koks ‘prae-tijd’ (en niet ‘proe-tijd’, zoals De Graaf vermeldt en corrigeert in ‘poëzie-tijd’) opent, is nauwelijks experimenteel te noemen. Het enige bijzondere is de kortregelige strofenbouw, zoals deze onder meer is te vinden in het werk van Agnita Feis en de Duitse expressionistische dichter August Stramm. Bij dit gedicht ontbreekt echter de aantekening dat het in een latere versie deel uitmaakt van een groter geheel. In ‘Conflict’ dat Kok schreef op 17 augustus 1915, is dit vers met nog vier strofen uitgebreid en vormt het met ‘Vlinder’ één gedicht. Kok construeerde beide onderdelen tot een tegenstelling: de morsige, onbeweeglijke goederenwagons tegenover de gracieuze beweeglijkheid van een vlinder.

Onder de titel ‘Over Antony Kok – een ingewijde buitenstaander’ geeft De Graaf een uitvoerig exposé van het leven en werk van de Tilburgse spoorwegbeambte. Een informatief doch tamelijk breedsprakig verhaal, dat in omvang het aantal bladzijden poëzie ruimschoots overtreft. De auteur stond kennelijk een minutieuze levensbeschrijving voor ogen, want de lezer wordt geen detail onthouden. Zo acht hij het bij voorbeeld noodzakelijk twee irrelevante personages als de vroedvrouw die bij Koks geboorte aanwezig was en de ambtenaar die het kind inschreef, met naam en toenaam te vermelden. Daarentegen is het hem geheel ontgaan dat het gezin Kok op 4 oktober 1884 werd uitgebreid met nog een zoon. Het is de geboortedag van Hendrik Herminius Johannes Kok, die later in het voetspoor van zijn vader zou treden en onderwijzer werd.

Uit dezelfde registers die het bestaan van Hendrik aantonen, blijkt dat Kok in meer steden heeft gewoond dan die welke De Graaf noemt. Daarvan is Utrecht zeker vermeldenswaard, aangezien hij er zijn militaire dienstplicht heeft vervuld.

Het zijn slechts bijzaken. Veel van wat De Graaf naar voren brengt, is zonder meer verhelderend. Met weinig woorden geeft een redelijk goede indruk van de figuur die opereerde in de marge van de Stijl-beweging.

Marco Entrop

Antony Kok: Met weinig woorden. De experimentele gedichten 1915-1923.  
Oplage: 133 exemplaren. Avalon Pers, Woubrugge z.j.   (1984)

Uit  Marco Entrop: Antony Kok, de dichter van ´Nachtkroeg´, nawoord
Gepubliceerd in: Het oog in ‘t Zeil, jrg. 1, nr. 5, juni 1984

More in: Antony Kok, Marco Entrop


Marco Entrop: Nachtkroeg van Antony Kok

Marco Entrop

Antony Kok,

de dichter van

N a c h t k r o e g

‘Er zijn verschillende manieren om zich beroemd te maken. Alcibiades sneed den staart van zijn hond af; de heer Antony Kok schrijft verzen in “De Stijl”. Het laatste is erger dan het eerste. Want de hond kan hoogstens gejankt hebben; de heer Kok -non omnes sunt Kokki qui longos portere messos -schrijft ultra-moderne verzen in een letter-toonaard.’Hoewel de dichter zelf hoogstens om deze zeldzame recensie van zijn werk zal hebben gelachen, heeft hij -anno 1921 -niet kunnen vermoeden dat de (anonieme) criticus in zekere zin gelijk heeft gekregen.

Antony Kok (1882- 1969), dichter, filosoof en mede-oprichter van De Stijl heeft inderdaad met zijn poëtische bijdragen aan dit internationaal vermaarde kunstperiodiek enige faam verworven. In elk geval waren deze verzen voor Paul Rodenko aanleiding Kok te scharen in de gelederen der avantgarde-dichters. In zijn bekende bloemlezing Nieuwe griffels, schone leien uit 1954 is van Kok het inmiddels klassieke klankgedicht ‘Nachtkroeg’ opgenomen naast de poëzie van een andere Stijl-dichter: I. K. Bonset, achter wie de veelzijdige kunstenaar Theo van Doesburg schuilgaat. Behalve een literaire bestaat er in de eerste plaats tussen beiden een vriendschappelijke relatie, die is ontstaan in het tweede halfjaar van 1914. Kok leert dan de ruim één jaar jongere Van Doesburg kennen, wanneer deze bij het uitbreken van de oorlog, in augustus van dat jaar, in het kader van de mobilisatie wordt gedetacheerd in de omgeving van Tilburg, sinds begin 1908 de woon- en werkplaats van de spoorwegbeambte Antony Kok.

Het is ongetwijfeld de kunst die hen tot elkaar heeft gebracht. Koks verhouding tot de muze beperkt zich aanvankelijk uitsluitend tot het terrein van de toonkunst. De besteding van de vrije tijd bestaat voor hem hoofdzakelijk in de beoefening van het pianospel. Eerst in de aanvang van 1915 zet Kok de eerste schreden op het schrijverspad, zich daarin vooralsnog publiekelijk beperkend tot de naaste vriendenkring. Over hun contact tot 1931, het jaar waarin Van Doesburg overlijdt, zijn we tamelijk goed geïnformeerd dank zij de uitvoerige correspondentie die bewaard is gebleven, zij het slechts in één richting: de brieven ván Kok zijn naar alle waarschijnlijkheid verloren geraakt. Niettemin geven die van Van Doesburg een redelijk goede indruk van Koks literaire ambitie en activiteit, welke laatste in een aantal handschriften uit de periode 1915-1918 is overgeleverd. Deze en het zestal gedichten dat Kok tijdens zijn leven publiceerde, getuigen van een nogal onstandvastig dichterschap. Het overwegend impressionistische karakter van zijn poëzie maakt Kok in feite tot een traditioneel dichter. In enkele verzen daarentegen zijn verbindingen aan te wijzen met vernieuwingstendensen als het expressionisme, het futurisme en het dadaïsme, die de indruk wekken dat de dichter het experiment niet schuwde. Deze tweeslachtigheid in zijn verskunst kenmerkt de dichter-in-ontwikkeling die Kok was. Als zodanig wordt hij door Van Doesburg ook beschouwd. Deze bekijkt en kritiseert zijn verzen met een nauwgezet doch waarderend oog en geeft hem adviezen ter vervolmaking van zijn poëzie.

In zijn literaire ontwikkeling kent Kok al vrij vroeg een hoogtepunt. Op 13 september 1915 legt hij de laatste hand aan het gedicht dat later, zij het enigszins gewijzigd, in De Stijl onder de titel ‘Nachtkroeg’ wordt afgedrukt. Dit ‘Volle nachtkroeg’, zoals het oorspronkelijke opschrift luidt, is in een transcriptie van Van Doesburg bewaard gebleven. Het is ontegenzeglijk Koks beste en belangrijkste dichterlijke prestatie. Kort nadat hij het heeft voltooid, moet Kok het manuscript ter beoordeling naar Van Doesburg hebben gezonden, te zamen met de niet overgeleverde verzen ‘Kermis 1915′ en “t Deftige huis’. Op 18 september schrijft Van Doesburg: ‘Hartelijk dank voor je brief en de verzen: Kermis vind ik niet heel erg, maar geweldig is “nachtkroeg”. Juist daar moet het heen.’ In zijn daaropvolgende brief, die van 22 september, spreekt Van Doesburg opnieuw zijn waardering uit voor ‘Volle nachtkroeg’, dat hij vergelijkt met het, werk van de Italiaanse futuristische dichter Aldo Palazzeschi. ‘Dit vers deed mij sterk denken aan eenige Italiaansche verzen: de stroom b.v. van Palazzechi [sic]. Er zijn dus italianen, die zonder ‘t te weten in deze trant werken. En er zijn hollanders (al is ‘t er maar een) die met klanken werkt, en veel dieper dan met woorden. Dit vers is volmaakt goed in zijn stijl.’

Ook Agnita Henrica Feis, de eerste vrouw van Van Doesburg en schrijfster van het bundeltje Oorlog. Verzen in staccato (1915), toont haar ingenomenheid met het gedicht. Zij schrijft Kok op 3 oktober: ‘Je vers: Volle Nachtkroeg vind ik enorm. Het is iets heel anders als “Kermis 1915”.’ En eigenlijk ook heel anders dan de poëzie die Kok nadien zou schrijven. Zijn volgende verzen zijn, behoudens enkele min of meer experimentele, waarin hij op bescheiden schaal klankvormen toepast, wederom traditioneel van vorm en inhoud.  Een van die gedichten is ‘Bloei’ -in de chronologie der handschriften vrijwel onmiddellijk volgend op ‘Volle nachtkroeg’- waarin Kok de ontwikkeling van zijn dichterschap onder invloed van Van Doesburg bezingt. Dit gedicht zou indirect de aanleiding worden tot zijn eerste publikatie. In een brief van 27 mei 1916 belooft Van Doesburg hem ‘Bloei’ voor te leggen aan Jan Eigenhuis, de redacteur van het weekblad Eenheid dat zich, onder het motto ‘verscheidenheid in eenheid’, openstelde voor allerlei levensbeschouwelijke groeperingen die toentertijd in Nederland floreerden. Zelf levert Van Doesburg sedert 1912 regelmatig kunsttheoretische en literaire bijdragen aan dit blad, dat ook werk van Feis opneemt. ‘Wat die expressionistische verzen betreft,’ schrijft hij nadrukkelijk, ‘had ik graag dat je nog even wachtte in mijn belang.’ Vooralsnog blijft ‘Volle nachtkroeg’ in portefeuille. Eigenhuis geeft weldra te kennen dat hij geïnteresseerd is in het werk van Kok. Het zou nochtans tot januari 1917 duren alvorens hij als dichter debuteert. In het tijdsbestek van één jaar verschijnen in Eenheid achtereenvolgens ‘Excelsior’, ‘De rozelaar’ en ‘Gods licht’. Drie conventionele gedichten die opvallen door hun mystieke strekking. Dit laatste is niet zo verwonderlijk gezien Koks belangstelling voor de filosofie en de levenswijze der Rozenkruisers, een beweging die in Eenheid volop aandacht krijgt.

Antony Kok en Theo en Nelly van Doesburg, Scheveningen 1923

Behalve in Eenheid, dat zich overigens niet als een literair tijdschrift presenteerde, tracht Kok in de officiële Nederlandse letterkunde te participeren. Omstreeks april 1917 benadert hij via Janus de Winter, de Utrechtse kunstschilder die hij door Van Doesburg heeft leren kennen, Frederik van Eeden. Deze laat echter weten Koks proza, literaire sprookjes, niet geschikt voor publikatie te vinden. Nog voordat hij op de hoogte is van Van Eedens afwijzend oordeel, schrijft Kok Albert Verwey aan met het verzoek ‘Reukengram’ te beoordelen, een gedicht dat Van Doesburg nog’ [ …] een der beste verzen van onzen tijd’ heeft genoemd. Tevens probeert Kok zijn expressionistische verzen, waaronder ‘Volle nachtkroeg’, onder Verweys aandacht te brengen .Maar tevergeefs  De dichter-criticus zendt ‘Reuk-engram’ retour, wat ook Het Getij en De Nieuwe Stem met Koks werk zouden doen. Alleen het weekblad Holland Express, wederom geen uitgesproken letterkundig periodiek, neemt van Kok ‘De wisselwachter’ op. Een gedicht dat duidelijk is geïnspireerd door de staccatoverzen van Feis. Begin oktober 1917 verschijnt De Stijl.

In de eerste drie jaargangen publiceert  Kok een aantal beschouwingen over beeldende kunst en enkele ‘Denkextracten’. Voor letterkunde is voorlopig geen plaats in dit ‘Maandblad voor de Beeldende Vakken’, zoals de ondertitel al aangeeft. Pas in april 1920 wordt De Stijl met literatuur uitgebreid. Dan wordt het literaire manifest uitgevaardigd, dat sterk tegen de traditie, in het bijzonder de gevoels- en  stemmingspoëzie, is gericht. De ondertekenaars, Theo van Doesburg, Piet Mondriaan en Antony Kok, pleiten voor een nieuwe, zuivere woordkunst (met de nadruk op woord). Zij willen ‘[. . .] het woord een nieuwe beteekenis en een nieuwe uitdrukkingskracht geven’ en met formele middelen als syntaxis, prosodie, typografie en dergelijke een ‘[…] constructieve eenheid van vorm en inhoud’ creëren. Even daarvoor, op 19 maart, wordt Kok door Van Doesburg van deze nieuwe ontwikkeling binnen het tijdschrift op de hoogte gesteld.’Heb je mijn manifest ontvangen. We moeten nu eindelijk de literatuur eens aanpakken. Ik reken op je steun.’ Met de ondertekening heeft Kok, naar men toch mag aannemen, zijn instemming betuigd met de in het manifest geponeerde stellingen, wat uiteraard consequenties heeft voor zijn literaire werk. Zijn Koks vroege verzen voornamelijk volgens de traditionele poëzie-opvatting geschreven, in zijn nieuwe werk kan hij niet om de literaire principes van het Stijl-manifest heen, wil hij althans in het tijdschrift publiceren.

Koks enige bekende proeve van de nieuwe dichtkunst is ‘Stilte + stem (vers in W)’ dat in het oktobernummer van 1921 van De Stijl verschijnt en in de zomer van dat jaar moet zijn geschreven. Op 17 augustus verklaart Van Doesburg uitdrukkelijk zijn enthousiasme voor dit gedicht. Wel heeft hij enige bezwaren tegen de oorspronkelijke titel ‘Stem in de stilte’, omdat die hem ‘[. . .] nog wat sentimenteel aandoet’. Het is voorlopig Koks enige literaire bijdrage aan De Stijl. Hoewel hij indertijd meer poëzie moet hebben geschreven, blijft een nieuwe publikatie achterwege. Zelfs wanneer in 1922-23 Van Doesburgs dadaïstische pamflet Mécano verschijnt, ontbreekt Antony Kok daarin, ofschoon hij op verzoek daarvoor een aantal dada-geschriften aandraagt. Alleen ‘Stilte + stem (vers in W)’ beleeft een herdruk. Kurt Schwitters neemt het gedicht op in het eerste nummer van Merz (januari 1923), dat geheel in het teken staat van het dadaïsme in Nederland.

Het is opmerkelijk dat Van Doesburg zijn vriend nauwelijks of geen gelegenheid biedt zijn dichtkunst openbaar te maken. In de jaren die volgen op het literatuurmanifest, verschijnen in De Stijl gedichten van I.K. Bonset, Paul Bommersheim en Kurt Schwitters, terwijl het novembernummer van 1921 geheel gewijd is aan de poëzie van Van Doesburgs alter ego. Wat heeft hem ertoe bewogen ‘Volle nachtkroeg’ niet eerder te publiceren? Zijn voorliefde voor dit gedicht is in de loop der jaren zeker niet verminderd. Er zijn aanwijzingen dat hij het op verscheidene verzenavonden heeft voorgedragen en mogelijk ook op de dadasoirees in Duitsland, september 1922, waar Van Doesburg verkeert in het gezelschap van prominente dadaïsten als Hans Arp, Kurt Schwitters en Tristan Tzara. Tijdens de Nederlandse dada-tournee in de eerste maanden van 1923 wil Van Doesburg ‘Volle nachtkroeg’ mede in het programma opnemen. Hij verzoekt Kok althans een afschrift te sturen. Aangezien deze daarop laat weten geen duplicaat meer te bezitten, is het niet zeker dat het gedicht metterdaad ten gehore is gebracht. Het wordt in geen geval vermeld op de aankondigingen.

Begin 1923 lijkt een publikatie binnen bereik. In februari doet Van Doesburg een poging Koks poëzie te bundelen, nadat eerder, in 1920, een dergelijk voornemen door financiële problemen niet kon worden verwezenlijkt. Dat ook deze anthologie niet is verschenen, is mogelijk het gevolg van Van Doesburgs vertrek naar het buitenland. In mei van dat jaar vestigt hij zich definitief te Parijs. Dan wordt het stil rond Antony Kok. In het verloop van de correspondentie komt nergens meer literair werk van hem ter sprake. Het lijkt er zelfs op dat hij sindsdien in een creatieve impasse verkeert, want op 6 augustus 1923 schrijft Van Doesburg: ‘Schreef je maar weer eens wat, het zij voor “Stijl”, Mécano of G ? [het constructivistisch tijdschrift G (Gestaltung), ME]. Altijd welkom. [. ..] Ik hoop altijd, dat je weer eens aan het schrijven komt! Ik hoop dat die “aanleiding” gauw komt!’ Tevens kondigt hij aan dat ‘Nachtkroeg’ is gedrukt en in het komende nummer van De Stijl (3/4, mei-juni 1923) zal worden geplaatst als onderdeel van een artikel van Bonset.

Wanneer het gedicht, bijna acht jaar na zijn voltooiing, eindelijk in druk verschijnt, blijkt het niet in zijn oorspronkelijke vorm gehandhaafd. Niet alleen is de titel gekort, ook de inhoud is gereduceerd tot louter zijn fonetische verzen die worden ingeleid door een regelmatig geheel van enkellettergrepige allitererende woorden, dat uit de eerste strofe lijkt samengesteld. Bonset noemt het gedicht in zijn toelichting ‘[…] een voorbeeld van suggestieve klankverwerking. Goed doorgewerkt, bewust en met overleg geordend is hier het materiaal tot een gesloten woordkegel opgebouwd. De ope[e]nvolging der klankvormen werkt een associatie met de waarneming in de hand. Het blijft daardoor eenigszins imitatief, doch men vergete niet dat dit vers reeds in 1915 gemaakt werd. Nimmer kwam in Holland een dichter tot zoo sober en zuiver gebruik van zijn uitdrukkingsmateriaal.’

Voor Van Doesburg heeft het gedicht, getuige zijn inleiding, na al die tijd vrijwel niets aan kracht ingeboet, al verzuimt hij te vermelden dat hij ‘Volle nachtkroeg’ eigen- handig heeft bewerkt tot een (in zijn ogen aanvaardbaar) voorbeeld van dichterlijke taalvernieuwing, het onderwerp dat hij in zijn artikel ‘Symptomen eener récon- structie der dichtkunst in Holland’ behandelt. Zijn these is dat het vers moet worden geconstrueerd uit zijn eigen materiaal, waaraan destructie is voorafgegaan. Met deze gecoupeerde versie van ‘Nachtkroeg’ heeft Kok de reputatie gekregen van de dichter die nog vóór Bonset, Van Ostaijen en de dadaïsten klankpoëzie heeft geschreven, hoewel het bij één specimen is gebleven.

‘Nachtkroeg’ is Koks tweede en tevens laatste literaire bijdrage aan De Stijl. In het jubileumnummer (1927) en in het door Nelly van Doesburg geredigeerde ‘dernier numéro’ (1932) schrijft hij nog twee artikelen, waarin hij respectievelijk het tienjarig bestaan van het tijdschrift en Theo van Doesburg herdenkt. Nadien geraakt de literator Kok in de anonimiteit, al zou hij onvermoeibaar voortschrijven en pogen zijn werk te publiceren. Het is er tijdens zijn lange leven -Kok overlijdt op 87-jarige leeftijd te Haarlem -niet meer van gekomen. Zijn omvangrijke literaire produktie -gedichten, prozaschetsen en vooral veel aforismen (zo’n 3000 stuks!) die hij zelf soms ‘gnomisch proza’ noemde- heeft, op een fractie na, nimmer een letterlievend publiek bereikt.

De brieven en documenten waarop ,dit artikel is gebaseerd, berusten in de nalatenschap van Theo van Doesburg (Schenking Van Moorsel) en zijn eigendom van de Dienst Verspreide Rijkscollecties te ‘s-Gravenhage.

© m. entrop

fleursdumal.nl magazine

Marco Entrop: Antony Kok, de dichter van ´Nachtkroeg´
Gepubliceerd in: Het oog in ‘t Zeil, jrg. 1, nr. 5, juni 1984

wordt vervolgd

© m. entrop

fleursdumal.nl magazine

More in: Antony Kok, Dada, De Stijl, Marco Entrop, Modernisme, Theo van Doesburg


Jef van Kempen over Antony Kok

Antony Kok dichter bij De Stijl

DE MAN DIE DE DWAASHEID EERDE

door Jef van Kempen

Stilte + stem (vers in w)

Wacht
Wacht
Wacht
Wacht
Wachten
Wachten
Wek
Wak
Wek
Wak
Wachten
Wachten
Wekken
Wekken
Wek
Waak

„Er zijn verschillende manieren om zich beroemd te maken. Alcibiades sneed den staart van zijn hond af; de heer Antony Kok schrijft verzen in De Stijl. Het laatste is erger dan het eerste. Want de hond kan hoogstens gejankt hebben.” Deze negatieve kritiek in de Limburgsche Koerier van 21 december 1921 op de publicatie van het gedicht: Stilte + stem (vers in w) moet hard zijn aangekomen bij Antony Kok (1882-1969). Vooral ook omdat die kritiek verscheen in een blad uit de streek waar hij het grootste deel van zijn jeugd had doorgebracht en waar hij vrienden had. Niet lang daarna kwamen zijn collega’s bij de spoorwegen in Tilburg op de hoogte van de publicatie van Stilte + stem. Voor veel collega’s betekende het een bevestiging van het excentrieke gedrag van spoorwegbeambte Kok, die rare gedichten schreef en in kringen van kunstenaars-bohémiens verkeerde. Daarvoor bestond in het provinciale Tilburg van de jaren twintig bijzonder weinig begrip.

Vanaf hun eerste ontmoeting in 1914 had Theo van Doesburg zijn vriend Antony Kok opgezweept om te experimenteren bij het schrijven van gedichten: „Je verzen zeiden mij niet genoeg. Stuur mij verzen, die mij brengen, waar geen sterveling geweest is”. In 1920 legden ze hun revolutionaire ideeën over de literatuur vast in een manifest in het tijdschrift De Stijl. Met kreten als: „Het woord is machteloos” en „Het woord is dood” werd de machteloosheid van de traditionele literatuur aan de kaak gesteld. Er moest een literatuur komen, die een nieuwe betekenis en een nieuwe uitdrukkingskracht had. Het dadaïsme in Nederland was geboren.
In datzelfde jaar publiceerde Van Doesburg zijn eerste klankgedichten in De Stijl, onder het pseudoniem: I.K. Bonset. Op de suggestie om ook onder een pseudoniem te publiceren is Kok  nooit in gegaan. Theo van Doesburg stelde alles in het werk om het dichterschap van zijn vriend te stimuleren. Toen Koks gedicht Nachtkroeg in De Stijl werd gepubliceerd schreef Van Doesburg: „Nimmer kwam in Holland een dichter tot zoo sober en zuiver gebruik van zijn uitdrukkingsmateriaal”.
Voor Antony Kok, die altijd ongehuwd bleef en een groot deel van zijn leven op huurkamers woonde, betekende het dadaïsme een uitstapje naar de dwaasheid. Een lichtzinnigheid waarvan hij vooral kon genieten in het bijzijn van zijn vrienden. In zijn vrije tijd reisde hij zijn geestverwanten achterna, vooral naar Parijs, waar Van Doesburg en Mondriaan zich hadden gevestigd. „Kok is eenige dagen mijn logé geweest” schreef Theo van Doesburg aan Evert Rinsema „Ik heb hem eenige dadaïstische verzen voorgelezen, maar ik moest er mee ophouden, want ik dacht dat hij uit elkaar barstte van den lach”.
K. Schippers heeft Antony Kok gekarakteriseerd als iemand die stond voor een mentaliteit die niet gebonden is aan bewegingen, die door woorden als „De Stijl” of „Dada” bekend zijn geworden. In zijn ogen was Kok: „een man die de dwaasheid eerde, omdat er voor hem niet veel meer dan dwaasheid was”.

Vanaf het midden van de jaren twintig schreef Antony Kok nog bijna uitsluitend aforismen. Na de dood van Theo van Doesburg in 1931 raakten de idealen van De Stijl geleidelijk op de achtergrond en gaf Kok steeds meer toe aan zijn voorliefde voor het mystieke. Hij sloot zich aan bij de Rozenkruisers.
Begin 1954 brak hij radicaal met het verleden. „Heb enige maanden geleden al mijn eigen werk verbrand. Een kleine tienduizend aforismen, gedichten en beschouwingen van allerlei aard. Nog even daarna vocht ik in mijzelf over de vraag: is dit verraad of offer? Dat het een offer is geweest weet ik nu zeker.” Maar nog geen half jaar later, toen Paul Rodenko in zijn bloemlezing uit de poëzie der avant-garde: Nieuwe griffels, schone leien Koks gedicht Nachtkroeg een plaats gaf tussen gedichten van I.K. Bonset en Paul van Ostaijen, moet hij zich minder zeker hebben gevoeld over zijn daad. „Wie had dat kunnen denken!” schreef Kok aan uitgever Bert Bakker „Het is goed dat u Nachtkroeg uit mijn prae-tijd publiceren gaat in een verzameling van de meest moderne dichters van dezen tijd. Als het indertijd niet in De Stijl was gekomen zou het met al het andere ook verloren zijn geraakt”.
Op 72-jarige leeftijd begon Antony Kok gewoon opnieuw. Hij reconstrueerde veel van zijn gedichten en noteerde tot aan zijn dood nog duizenden aforismen. „De wereld van heden raast door in dada’s voetspoor” schreef hij aan het eind van zijn leven. Het was een laatste eresaluut aan de dwaasheid.
(Brabants Dagblad, 2 juli 1999)

6 Portraits: Theo van Doesburg, Antony Kok, Piet Mondriaan,
Kurt Schwitters, Lena Milius & Nelly van Moorsel
by Jef van Kempen
Published in: Het Brabants Dagblad, 1999-2000.

More in: Antony Kok, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Jef van Kempen, Kok, Antony


Hanneke van Kempen over Antony Kok


‘Het komt vaak voor
dat commentaar
de tekst verduistert’

Antony Kok en het gedicht Nachtkroeg

door Hanneke van Kempen

Zoals voor sommigen een abstract schilderij het ultieme visuele genot vormt, zo houd ik – als we het over poëzie hebben – van klankgedichten. In een klankgedicht gaat het enerzijds om de nog niet aan taal vastgehechte klanken, anderzijds gaat het om de weergave ervan in letters en leestekens. In de ons omringende landen zijn klankdichten behoorlijk populair. Tijdens een verkiezingen die in 1998 door de BCC werd georganiseerd als opmaat naar het nieuwe millenium werd Spike Milligan’s ‘On The Ning Nang Nong’ gekozen als ‘the nation’s favourite poem’, zowel door de volwassenen als door de jeugd. In Duitsland behoren dichters als Ernst Jandl en Kurt Schwitters ook tot de canon. Elke Nederlander kent het werk van Jan Hanlo (‘Oote’ en ‘De Mus’), niet in het minst vanwege de kamervragen die werden gesteld over het feit dat een auteur van dergelijke poëzie een staatssubsidie kreeg.

Een minder bekend Nederlands klankdicht, waar ik een persoonlijke band mee heb, is ‘Nachtkroeg’ van Antony Kok (1882-1969). Kok was spoorwegbeamte in Tilburg en leerde in 1914 Theo van Doesburg (1883-1931) kennen, die daar gelegerd was. De vriendschap die tussen hen ontstond leidde in 1917 tot de oprichting van het internationaal bekende kunsttijdschrift De Stijl. In 1915 schreef Kok het gedicht ‘Nachtkroeg’, dat in 1923 in het tijdschrift werd opgenomen. Hoewel het gedicht tijdens de Eerste Wereldoorlog geschreven werd, zou het niet misstaan op een hedendaagse Poetry Slam (die ze vroeger een soiree noemden, toen de Franse invloed hier nog gold):

NACHTKROEG

Stil_
Stap
Steen
Stil_
Stap
Steen
Stil_ _


Domb_

Domb_

Domb_

Domb_

Drusch


Domb_

Domb_

Drisch


Domb_
Rusch
Domb_

Domb_

Domb_

Domb_

Stil_

(zeer
snel)

rom
mm mm
oemmenoem oemmenoem
oemm
tjaa
doemezoem
bomb doem
homb oem
hei ha
hehehe

hei zoem m m
haaa houw
doemenoemenoemenoem
zoemhoem
rusj oemenoem rek
rusj oemenoem
rink kink
hakala
noemenoemenoemezoem
kreuh_zoemm m
hakala aa
oemenoemenoem
oemenoemenoemzoem
hakaha
romb domb
domb
zoemenoem
bomm
zoemm m
hei roemenoem
zoem m
zoe m
oem m
oem
m m
m
m
m

Domb_

Domb_

Domb_

Rîss

Domb_

Domb_

Domb_

Domb_

Domb_

Sjrih_ _

DEUR

Het gedicht leest als een klankspel zoals die vroeger wel op de radio werden uitgezonden. Kok begint het gedicht waarin geluid en ritme zo’n belangrijke rol spelen opmerkelijk genoeg met ‘Stil’.  Halverwege volgt nog een regieaanwijzing, alsof het om een muziekpartituur gaat: zijn ‘zeer snel’ wordt dan een ‘presto’. De climax vormt het woord DEUR, alsof het een toneelstuk betreft dat eindigt met ‘Doek’.
Een klankdicht interpreteren is een hachelijke zaak. Met iedere voordracht en lezing kan een nieuwe vorm aan het gedicht worden gegeven. De dichter probeert meestal los te komen van een buitentekstuele werkelijkheid en het vers als vers te laten bestaan. Of om met een van de duizenden aforismen die Kok dichtte te spreken. ‘Het komt vaak voor, dat commentaar de tekst verduistert.’
Er is wel iets bekend over wat Kok heeft proberen te ‘beschrijven’: ‘Nachtkroeg’ moet het geluid verbeelden van een man die afgaat op het geroezemoes (oemenoemenoemzoem) van een café en ten slotte de deur binnengaat. Of het ‘Da Domb’ bijvoorbeeld de tred of hartslag van de wandelende mens verbeeldt blijft aan de lezer om te ‘beluisteren’ (tegenwoordig zou je daar nog het tot ver in de omgeving doordreunen van de muziekinstallatie van een dergelijk etablissement aan toevoegen, maar in het Tilburg van 1915 is dat nog niet aan de orde).
De chaos van een drukke kroeg leidt tot een hilarische concatenatie van klanken, die door de onconventionele syntaxis en de door Kok voorgeschreven versnelling steeds meer vragen oproept over ‘waar’ of ‘wat’ hij beschrijft. Juist vanwege de aanwezigheid van ‘echte’ woorden als ‘steen’, ‘stap’, ‘stil’ en ‘deur’ wordt de rest des te mysterieuzer.

Er zijn twee versies van dit gedicht bekend. Voordat Van Doesburg het gedicht van Kok in De Stijl publiceerde, schrapte hij de openingszin (‘In de stille straten der provinciestad luisterde ik naar het praten van mijn kalmen stad’) en veranderde de titel van ‘Volle Nachtkroeg’ in ‘Nachtkroeg’. Volgens Van Doesburg was het gedicht als klankdicht ook zonder de uitleg in de eerste zin te begrijpen. In De Stijl schreef hij: ‘Nachtkroeg van Anthony Kok is hier een voorbeeld van suggestieve klankverwerking, goed doorwerkt, bewust en met overleg geordend is hier het materiaal tot een gesloten woordkegel opgebouwd. De opeenvolging der klankvormen wekt een associatie met de waarneming in de hand. Het blijft daardoor eenigzins imitatief, doch met vergete niet, dat dit vers reeds in 1915 gemaakt werd. Nimmer kwam in Holland een dichter tot zoo sober en zuiver gebruik van zijn uitdrukkingsmateriaal. Dit alles zijn symptomen van een nieuwe versconstructie in Holland’. Rodenko nam ‘Nachtkroeg’ in 1954 op in Nieuwe griffels, schone leien en bezorgde Kok daarmee een plaats in de literatuurgeschiedenis naast Van Doesburgs alter ego I.K. Bonset.

Zie voor een keuze uit het werk van A. Kok: Antony Kok, Gedichten en Aforismen, bezorgd en van een nawoord voorzien door Jef van Kempen, Tilburg: Art Brut, 2000.

Dit artikel verscheen eerder in de rubriek ‘Een stuk of wat gedichten’ in het tijdschrift: VakTaal, jrg 18, nr. 1 2005, p. 9-10.


Hanneke van Kempen: Het komt vaak voor dat commentaar de tekst verduistert

More in: - Sound Poetry Archive, Antony Kok, Hanneke van Kempen


Jef van Kempen over Antony Kok

Antony Kok

(1882-1969)

experimenteel dichter

Door Jef van Kempen

Antony Kok werd op 18 april 1882 in Rotterdam geboren, als zoon van Pieter Kok en Sophia Hagen. Zijn vader was adjunct-commies bij de Staatsspoorwegen. Antony Kok overleed op 29 oktober 1969 te Haarlem.

Het grootste deel van zijn jeugd woonde Antony Kok in het Limburgse Maasbree. Na zijn middelbare schooltijd trad hij in het voetspoor van zijn vader door in 1899 ook bij de Staatsspoorwegen te gaan werken. Na eerst in ‘s-Hertogenbosch en Oisterwijk als klerk-telegrafist te hebben gewerkt kwam hij in 1908 naar Tilburg, waar hij het na verloop van tijd tot chef-commies zou brengen. De eerste tien jaar woonde Kok, die zijn hele leven ongehuwd bleef, op kamers boven slagerij De Brouwer in de Tuinstraat. Hij zou in Tilburg later nog vier maal verhuizen.

In 1914 raakte Antony Kok bevriend met de Amsterdamse schrijver en schilder Theo van Doesburg, die tijdens de mobilisatie in de omgeving van Tilburg was gelegerd. Samen organiseerden zij in 1915 tweemaal een Soirée Intime, waarbij Van Doesburg gedichten voordroeg en Kok piano speelde. Onder invloed van Van Doesburg experimenteerde Kok dat jaar, als een van de eersten in Nederland, met het schrijven van klankpoëzie. In die tijd ontstonden ook plannen voor het oprichten van een eigen tijdschrift, waarin zij hun opvattingen over de moderne beeldende kunst en literatuur zouden kunnen ventileren. Dat tijdschrift werd De Stijl, dat van 1917 tot 1932 verscheen en ook internationaal gezien een van de belangrijkste organen zou blijken voor de vernieuwing van met name beeldende kunst en architectuur. Behalve Van Doesburg en Kok behoorden tot de oprichters ook de schilders Huszàr, Van der Leck en Mondriaan, en de architecten Oud en Wils. Zij wilden de beeldende kunst ontdoen van alle overbodige versieringen en zich beperken tot het gebruik van de rechte lijn en de primaire kleuren.

Antony Kok debuteerde in 1917 met zijn gedicht Excelsior in het tijdschrift Eenheid. In hetzelfde tijdschrift publiceerde hij later nog de gedichten De Rozelaar (1917) en Gods Licht (1918). Verder werd in 1917 Koks experimentele gedicht De Wisselwachter in het tijdschrift Holland Express afgedrukt.

In het eerste nummer van De Stijl van oktober 1917 nam Van Doesburg een beschouwing van zijn Tilburgse vriend op met de titel: De moderne schilderij in het interieur. Antony Kok zou in de loop van de tijd meer beschouwend proza in De Stijl publiceren, zoals Scheppen (1918), Denkextracten. Over organische schoonheid en Kunst en ontroering. Synthetische analyse (1919). Hij was ook een van de ondertekenaars van de door Stijl-medewerkers gepubliceerde manifesten over beeldende kunst (1918) en literatuur (1920). Van Kok werden in het tijdschrift De Stijl maar twee gedichten opgenomen: in 1921 Stilte + stem (Vers in W) en in 1923 het acht jaar eerder geschreven Nachtkroeg. De beide gedichten, die voor het grootste deel bestonden uit klanknabootsende woorden, werden niet alleen door Theo van Doesburg, maar ook door Piet Mondriaan en Kurt Schwitters beschouwd als een belangrijke bijdrage tot de vernieuwing van de dichtkunst. Schwitters nam het gedicht Stilte + stem (Vers in W) ook op in zijn eigen tijdschrift Merz. Geïnspireerd door Schwitters schreef Kok in 1923 een aantal dadaïstische gedichten, die echter pas na zijn dood werden gepubliceerd. Het overlijden van Theo van Doesburg in 1931 betekende het einde van het tijdschrift De Stijl. In 1932 zou er nog een laatste aflevering verschijnen met daarin een In memoriam van de hand van Kok; dat zou tevens zijn laatste publikatie zijn. De omvangrijke briefwisseling tussen Van Doesburg en Kok is een van de belangrijkste bronnen met betrekking tot de geschiedenis van de beweging rond het tijdschrift De Stijl.

Antony Kok stond bekend als een bedachtzaam en vrijgevig man. Hij was een groot kunstminnaar en een mecenas, niet alleen voor bijvoorbeeld Piet Mondriaan maar ook voor regionale kunstenaars. In de jaren na het overlijden van zijn vriend Theo van Doesburg schreef hij nog zelden gedichten, maar legde zich geheel toe op het schrijven van aforismen. Tot aan zijn dood zou hij er vele duizenden schrijven, die hijzelf echter nooit heeft gepubliceerd. In 1942 ging Antony Kok met pensioen bij de spoorwegen. De jaren daarna zou hij zijn belangstelling voor het spiritisme en de filosofie verder cultiveren en zich in 1946 aansluiten bij de beweging van De Rozekruisers. Terwille van die beweging verhuisde hij in 1952 naar Haarlem. In deze stad maakte Kok kennis met de schilder Kees Verweij, die ruim veertig portretten van hem maakte. De tekeningen, die door Kok van een titel waren voorzien, werden tentoongesteld, onder andere in het Stedelijk Museum Amsterdam en het Van Abbemuseum in Eindhoven (1954-1955).

Op 29 oktober 1969 overleed Antony Kok op 87-jarige leeftijd. De meeste publikaties van en over zijn werk kwamen na zijn dood tot stand. Als gevolg van de toegenomen belangstelling voor zijn werk en zijn persoon, werd begin 1985 in de Stadsschouwburg/Kultureel Sentrum van Tilburg nog een grote tentoonstelling aan de ‘Dichter bij De Stijl’ gewijd.

Bronnen:
Marco Entrop, ‘Antony Kok, de dichter van ‘Nachtkroeg’, in: Het Oog in ‘t Zeil, jrg. 1, 1984
W. de Graaf, ‘Over Antony Kok – een ingewijde buitenstaander’, in: Met weinig woorden, Woubrugge, 1984
A. Hopmans, Kunst is spiegeling. Kees Verweij, een studie naar zijn oeuvre, Haarlem, 1989
Jef van Kempen en Rolf Janssen, ‘Antony Kok, Tilburgs dichter en denker’, in: Actum Tilliburgis, jrg. 13, 1982
W. Tromp en J.A. Dautzenberg, Kok van ‘De Stijl’: Spoorwegbeambte te Tilburg, Oosterbeek, 1989
Antony Kok: Gedichten en aforismen, bezorgd en van een nawoord voorzien door Jef van Kempen, Art Brut Tilburg, 2000
Van Doesburgarchief, (schenking Van Moorsel), Rijksinstituut voor Kunsthistorische Documentatie ‘s-Gravenhage
Nederlands Leterkundig Museum en Documentatiecentrum ‘s-Gravenhage
Gemeentearchief, Tilburg

Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders, deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Meppel/Amsterdam)
kemp=mag poetry magazine

More in: Antony Kok, Jef van Kempen


« Newer Entries

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature