In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens

«« Previous page · Peerke Donders · Patiënten · Jef van Kempen: Het graf van de lezer · Jef van kempen: Jeruzalem was het paradijs

Peerke Donders

PEERKE DONDERS (l809-l887)

door Jef van Kempen

Petrus Donders werd op 27 oktober l809 in Tilburg geboren, als zoon van Arnold Donders en Petronella van den Brekel. Hij overleed in Batavia (Suriname) op l4 januari l887.

 De thuiswever Arnold Donders was voor hij met Petronella van den Brekel huwde, twee keer eerder getrouwd geweest. Uit zijn tweede huwelijk werden drie kinderen geboren, die allen jong zijn gestorven. Twee jaar na Peerke, zoals iedereen hem noem­de, werd nog een zoon geboren: Martinus. Nadat hij voor de derde maal weduwnaar was geworden (Petronella van den Brekel stierf in l8l6), hertrouwde Arnold Donders in l8l7 met Maria van de Pas. Zij zou verder voor de opvoe­ding van de kinderen zorg dragen.

De familie Donders leidde een zeer armoedig bestaan in een klein huisje aan de Moerstraat, in het gehucht De Heikant in Tilburg. Peerke werd op twaalfjarige leeftijd van het schooltje van meester Drabbe gehaald om voor zijn vader te gaan weven. Het leven van de jongen bestond hoofdzakelijk uit werken, bidden en lezen. Al vroeg moet bij hem de wens zijn opgekomen om priester te worden. Als l6-jarige gaf hij al catechismusles aan de kinderen in de parochie. Het priester­schap leek echter niet voor Peerke Donders te zijn weggelegd, omdat de financiën ontbraken en omdat hij een onvoldoende schoolopleiding had gevolgd.

Toen hij evenwel in l83l in een brief aan zijn biechtva­der, ­de pastoor van ‘t Goirke, Willem van de Ven, zijn verlan­gen om zijn roeping tot het priesterschap te vol­gen, nog eens uiteen­zette, maakte dat zo’n grote indruk op de pastoor, dat deze besloot alle bezwaren uit de weg te ruimen. Hij bezorgde Peerke een positie als knecht-student aan het klein-seminarie Beekvliet te St. Mi­chielsgestel. Donders was daar een vreemde eend in de bijt: een 22-jarige volwassen man, tussen kinderen van een jaar of l2, die graag de spot met hem dreven.

 Maar hij bleek over een onverzettelijke wil te beschik­ken. Ondanks veel moeilijkheden voltooide Peerke Donders in l837 zijn opleiding, en begon aan de vervolgstudie aan het groot-seminarie Nieuw-Herlaar. Hij had intussen het plan opgevat om missionaris te worden, waarvoor hij een tocht maakte langs verschillende Belgische kloosters, met het doel zich aan te melden. Dat werd een grote teleurstelling voor Donders. Zowel de Jezuïeten, als de Redemptoristen en de Franciscanen wezen hem af. Hij was in hun ogen te oud, of niet talentvol genoeg.

Zijn grote wens werd echter in l839 vervuld, toen Mgr. Grooff, hoofd van de Surinaamse missie, het seminarie bezocht. Grooff zag wel wat in de kleine, magere, zeer wilskrachtige oud-wever, die door zijn medestudenten -vanwege zijn grote godsvrucht- ‘heilig Peerke’ werd genoemd. Na tot priester te zijn gewijd op 5 juni 184l, vertrok Peerke Donders op 1 augus­tus 1842 met het zeilschip Jacoba Maurina naar Suriname. Hij zou nooit meer in zijn geboorteland terugkeren.

 Na zijn aankomst in Suriname werkte Peerke Donders 14 jaar in Paramaribo. De katholieke missie in Suriname bestond in die tijd slechts uit een handvol priesters; velen bezweken al na korte tijd door de extreme leefomstandigheden, de vele tropenziekten en het ontbreken van een behoorlijke medische zorg. Peerke Donders, die al snel de taal van de Surinaamse bevolking (het Negerengels) beheerste, ontpopte zich als een onvermoeibare zielzorger; iemand die zichzelf niet ontzag. Hij had de reputatie streng en precies te zijn, maar mettertijd ontstond grote waardering voor de eenvoudige, altijd goedgehu­meurde geestelijke. Die waardering strekte zich ook uit tot de niet-katholieke gemeenschap in Suriname.

Tijdens zijn verblijf in Paramaribo kreeg Donders ook de zielzorg toegewezen voor de plantageslaven, die hij -ondanks tegenwerking van de zijde van de plantagebeheerders- regelma­tig bezocht. Veel slaven werden door hem in het geheim ge­doopt. De wrede, mensonwaardige behandeling van de negerslaven werd door Peerke Donders aanhoudend aan de kaak gesteld. Diep verontwaardigd schreef hij: ‘O, had men hier zoveel zorg voor het behoud en het welzijn der slaven als men in Europa voor lastdieren heeft, dan zou het er beter uitzien’. Pas in 1862 werd in de Tweede Kamer een wet aangenomen, die de sla­vernij in Suriname beëindigde.

 Zijn grote bekendheid heeft Peerke Donders vooral verwor­ven als pastoor van Batavia, waar hij -met een korte onder­bre­king- van 1856 tot aan zijn dood in 1887 werkzaam was. Batavi­a, gelegen aan de monding van de Coppenamerivier, was een door de overheid ingericht melaatsenkamp, dat uit niet veel meer dan een houten kerkje en wat hutten bestond. Volko­men geïso­leerd van de bewoonde wereld leefden daar honderden melaatsen, onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Door het onbreken van verplegend personeel moesten de zieken elkaar helpen. Er was gebrek aan alles. De vaak afschuwelijk vermink­te melaatsen kwamen nauwelijks uit hun vervuilde hutten. Van meet af aan heeft Peerke Donders zich ingezet om de leefomstandigheden te verbeteren; hij maakte zelf de hutten schoon en verbond de door lepra weggerotte lichaamsdelen. Hij trad hard op tegen drankmisbruik en bond de strijd aan tegen de, in zijn ogen, verregaande zedenverwildering in Batavia. Peerke Donders zorgde voor doodskisten -begrafenissen waren aan de orde van de dag- en ging zelfs zover zijn eigen kleding en eten aan de meest hulpbehoevende zieken uit te delen. Hij werd door vriend en vijand als een heilige beschouwd. De activiteiten van Donders, die door het thuisfront nauwlettend werden gevolgd, bezorgden hem de erenaam ‘Apostel der melaatsen’.

Peerke Donders werd als kind door zijn vader, bij slecht weer, in een jute zak, op de rug, van school naar huis ge­bracht­, omdat men vreesde voor zijn zwakke gezondheid. Later werd hij om dezelfde reden tot vijf maal toe voor militaire dienst afgekeurd. In werkelijkheid moet hij echter over een ijzer­sterk gestel hebben beschikt. Hij vastte drie­maal in de week en at verder weinig. Iedere avond gesel­de hij zich tot bloe­dens toe, waarna hij de gewoonte had om op de houten vloer te slapen. Als hij al sliep, want vaak bleef hij ‘s nachts op om in de kerk of op het kerkhof te bidden. Met uitzondering van een aanval van gele koorts, in 1851, die hij tenauwernood over­leefde, was de man, die altijd door zieken werd omringd, zelf nooit ziek.

 In 1867 trad Peerke Donders toe tot de Congregatie van de Redemptoristen, die het missiegebied Suriname toegewezen had gekregen, met het doel een einde te maken aan het voortdurende priester­tekort. De priester, die dertig jaar eerder door dezelfde congregatie de deur was gewezen, en die nu de roep van heilig­heid bezat, werd ditmaal met open armen ontvangen.

In zijn bekeringsdrift was Peerke Donders ontstuitbaar. Tot op hoge leeftijd ondernam hij vanuit Batavia nog vele tochten over de Surinaamse rivieren, op zoek naar Indianen en Bosnegers, die hij het katholieke geloof wilde brengen. Soms vielen midden in de Surinaamse oerwouden de klanken van het orgeltje van Peerke Donders te beluisteren. Hij nam het steeds mee op zijn boottochten, omdat het altijd volk trok.

 Een korte, pijnlijke ziekte – een nierontsteking die onvoldoende werd behandeld – zou hem noodlottig worden. Op vrijdag 14 januari 1887 overleed Peerke Donders, in het me­laatsenoord waar hij meer dan 27 jaar had geleefd. Hij werd 77 jaar oud. De volgende dag werd hij op het kerkhof van Batavia begraven. In 1900 werd zijn stoffelijk overschot opgegraven en overgebracht naar de kathedraal van Paramaribo.

Het geboortehuisje van Peerke Donders, aan De Heikant in Tilburg (in 1931 herbouwd), werd een bedevaartplaats voor veel Nederlandse en Surinaamse mensen. Op 23 mei 1982 werd Peerke Donders door Paus Johannes Paulus II zaligverklaard.

 

Bronnen:

Een Redemptorist, Twee missionarissen onder de Melaatschen en Indianen van Suriname, (P. Donders en J.B. Romme), Roermond z.j. (1894).

N. Govers C.ss.R., Leven van den eerbiedwaardigen dienaar Gods Petrus Donders C.ss.R., Venlo 1915.

J. Kronenburg C.ss.R., De eerbiedwaardige dienaar Gods Petrus Donders C.ss.R., Tilburg 1925.

N. Govers C.ss.R., Vijfenveertig jaren onder de tropenzon. Leven van den eerbiedwaardigen Petrus Donders C.ss.R. apostel der indianen en melaatsen in Suriname, Heerlen 1946.

Ben Rademaker C.ss.R., Petrus Donders. Pelgrimage naar een melaatsendorp, Bussum 1956.

J.L.F. Dankelman C.ss.R., Peerke Donders. Schering en inslag van zijn leven, Hilversum 1982.

 

(Gepubliceerd in: Brabantse biografieën, deel 3, 1995)

More in: Jef van Kempen, Tales for Fellow Citizens


Patiënten

 

PATIËNTEN

Door Jef van Kempen

Al meer dan veertig jaar verzamel ik boeken. Vooral veel literatuur, waarvan heel veel poëzie. Duizenden dichtbundels staan in dubbele rijen in de kast. Een bundel terugvinden, is vaak een verzoeking.

In de loop van de jaren zijn er nogal wat verzamelgebieden bij gekomen. Hoewel ik geen bloed kan zien, heb ik een zwak voor de medische literatuur. Anatomische atlassen, handboeken voor chirurgen, oogartsen, tandartsen, vroedvrouwen, studies over blindheid, botbreuken, hersenziekten, ik heb er een kast vol van. Meestal zijn het grote zware boeken, met zorg uitgegeven en altijd terug te vinden.

Boeken over forensische pathologie, van negentiende-eeuwse in zwart-wit tot hedendaagse in full colour uitgegeven boeken met foto’s van dwars en in de lengte doorgezaagde lijken, behoren tot de mooiste van mijn verzameling.

Maar ook de psychiatrie heeft mijn belangstelling. Als ik een boek tegenkom met een titel als: Studie over een klas van debiele tuchteloozen, of bijvoorbeeld het Handboek voor direkteurs en bewaarders in gevangenissen, inzonderheid bij cellulaire opsluiting, kan ik het onmogelijk laten staan. Dat geldt ook voor de dissertatie van mijnheer Schuler: Krakende kaken. Psychiatrische beschouwingen over het syndroom van het pijnlijke, slecht functionerende kaakgewricht. Een fascinerend boek.

Soms zijn er raakvlakken met de literatuur zoals in de bundel: Poetry in the therapeutic experience. Het schrijven van poëzie als onderdeel van een psychiatrische behandeling.

When I am feeling

sour

I will

water

my plants

with

grapefruit

juice.

Meestal is de humor ver te zoeken in deze door psychiatrische patiënten geschreven gedichten. Het lezen van de gedichten geeft een beklemmend gevoel. Soms zijn ze van een aangrijpende schoonheid.

I’m scared

Help me.

Hold me thigt.

Use no words,

And tell me-

It’s all right

It’s all right.

A part of each day

my face is white

I cry

and my eyes burn

I think that I am

four

or three

I am unhappy.

Om gedichten te kunnen schrijven moet je toch een beetje gek zijn.

(gepubliceerd in: Eindeloos met boeken, uitgave Stichting Dr. P.J. Cools msc, Tilburg, 2003)

Jef van Kempen: Patiënten

kemp=mag poetry magazine

More in: - Book Stories, Archive K-L, BOOKS. The final chapter?, Jef van Kempen, Reading Room


Jef van Kempen: Het graf van de lezer

HET GRAF VAN DE LEZER

Door Jef van Kempen

Lezen maakt gelukkig. Aan het begin van de Vijftiende Eeuw schreef Thomas á Kempis: “Ik heb overal naar geluk gezocht, maar ik heb het nergens anders gevonden dan in een hoekje met een boekje”.

Lezen maakt eenzaam. Ida Gerhardt: “Dit wordt ons niet ontnomen: lezen, / en ademloos het blad omslaan, / ver van de dagelijksheid vandaan. / Die lezen mogen eenzaam wezen.”

Een leven lang lezen. Jean Pierre Rawie dichtte: “Je leest. Slechts hierin bleef je heel je leven, / wat er ook is geweest, jezelf trouw.”

Maar lezen kan ook tot wanhoop drijven: “Mijn God, gelukkig waren we toch ook als we geen boeken hadden”, schreef Frans Kafka aan een vriend. En Luigi Pirandello schreef in zijn verhaal: Wereld van papier over een gepassioneerd lezer, die een eenzaam bestaan leed in zijn prachtige bibliotheek. Hem overkwam het ergste wat een lezer maar kan overkomen. Hij werd langzaam maar zeker blind. Zijn oogarts had hem opgedragen te stoppen met lezen. “Maar voor hem betekende lezen, leven! Als hij niet meer mocht lezen ging hij net zo lief dood.”

Aan het eind van het leven kan de lezer volgens J.C. Bloem het boek net zo goed ongelezen laten: “Laat het boek ongelezen. Wie die ‘t deert? / Er is maar één ding dat wij zeker weten: / Dat eens de lente ons nimmer wederkeert.”

En het lezen na de dood? Met uitzondering van de Bijbel, het boek der boeken, lijkt op onze begraafplaatsen het boek taboe. De lezer is onzichtbaar. Alberto Manguel trof in een Frans klooster het graf aan van de in 1204 overleden koningin Eleonora van Aquitanië. Ze werd in steen gebeeldhouwd op het deksel van haar doodskist, lezend, een boek in haar handen.

Maar dat is een uitzondering. Een van de mooiste graven voor een lezer bevindt zich in Brabant, op de Sint-Jansbegraafplaats in Goirle. Het is het graf van een jonge vrouw, een moeder van vier kinderen. Ze overleed in 1999, een maand voor haar veertigste verjaardag. Op haar graf drie reusachtige stenen boeken. Hier leest ze verder tot aan het eind der tijden.

(gepubliceerd in: Brabants Dagblad, 28 september 2004)

Jef van Kempen: Het graf van de lezer

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, Archive K-L, Het graf van de lezer, Jef van Kempen, Reading Room


Jef van kempen: Jeruzalem was het paradijs

JERUZALEM WAS HET PARADIJS

door Jef van Kempen

De huizen waren wit, de bomen waren groen en de luchten waren altijd blauw. Jeruzalem was het paradijs.

Ik was twaalf jaar en dikke Robbie was mijn beste vriend. Zijn achternaam ben ik vergeten. Aan Robbie was alles kolossaal. Hij was even oud als ik en woog zeker honderd kilo. Hij had last van kortademigheid en bronchitis en ging snotterend, hoestend en proestend door het leven. Maar hij was mijn held. Hij durfde alles en was slimmer dan iedereen die ik kende. Het was ook zijn ontdekking dat je met maar één Belgische frank een pakje sigaretten kon trekken uit de automaat. Een pakje van tien, Miss Blanche of Chief Whip. ‘Chief Whip op ieders lip’, zo ging in die tijd de reclame.

Na schooltijd trokken we ons regelmatig terug, langs het kanaal bij Franken-Donders of nog verder weg, in ons oerwoudje achter de Leij op Koningshoeven. Tussen vijf en zes rookten we een pakje sigaretten helemaal op. Mee naar huis nemen was er niet bij; de kans op ontdekking was veel te groot. Meestal begon Robbie al na een halve sigaret blauw aan te lopen. Aan mij de zware last om de rest op te roken.

Op de dag dat wij zijn gestopt met roken hadden we ons met ons pakje sigaretten verborgen in de struiken op het viaduct van de Meierijbaan, toen nog de rijksweg van Breda naar Eindhoven. De rook, die uit de struiken kwam, moet ons hebben verraden. Boven het geraas van het verkeer uit, klonk het gevloek van de wijkagent, die in zijn lange leren jas het talud op probeerde te klimmen.

Nooit van mijn leven, heb ik iemand zo hard zien lopen als dikke Robbie. Als een reusachtige ballon, zweefde hij naar beneden en verdween in de richting van het kanaal. De agent was bijna boven. Voor mij was er nog maar één uitweg mogelijk. Met gevaar voor eigen leven, zonder op of om te kijken, rende ik de rijksweg over, het viaduct naar beneden, door de IJsclubweg, over de Ringbaan Oost, terug naar Jeruzalem. De wout, de juut, de vethol, was nergens meer te bekennen.

Na een pakje sigaretten en een halve marathon draaide alles voor mijn ogen. Mijn moeder stond in de keuken. ‘Wat heb jij gedaan?’ vroeg ze. Een moeder ontgaat nu eenmaal niets. ‘Niks, alleen maar hard gelopen’. Ik rook onraad en bovenal voelde ik me helemaal niet lekker. Ik trok me zo snel mogelijk terug op mijn kamer en ging uitgeput op bed liggen.

Er werd gebeld. Het was de arm der wet, in zijn lange leren jas. Hij gaf mijn moeder mijn signalement door. ‘Dat is mijn oudste zoon’ bekende ze. ‘Weet u dat hij stiekem rookt?’ vervolgde de wout, met een zwaar Hollands accent. Dat laatste zou hem noodlottig worden. Ik hoorde het allemaal aan en wist dat de zaak in mijn voordeel was beslist.

Mijn moeder komt uit een dorp. Ze komt uit een kleurrijk Brabants geslacht, dat een hekel heeft aan mensen, die gewichtig doen. En zeker als ze geüniformeerd zijn en ook nog uit Holland komen.

‘Mijn kinderen doen niets stiekem’ zei ze. ‘Mijn zoon rookt al jaren. Zeker een pakje per dag’.

‘Een pakje per uur’ bedacht ik nog, vanaf mijn bed. ‘Je had moeten zeggen: een pakje per uur!’

(gepubliceerd in: Geschreven Stad, 1999)

More in: Archive K-L, Jef van Kempen, Tales for Fellow Citizens


« Newer Entries

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature