In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Reen, Ton van

«« Previous page · Ton van Reen: Jef van Kempen houdt van gedichten · Ton van Reen gedicht: vannacht · Ton van Reen gedicht: zwarte waakvogels · Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (5) Een winterverhaal · Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (4) Een winterverhaal · Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (3) Een winterverhaal · Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (2) Een winterverhaal · Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. Een winterverhaal · Ton van Reen gedicht: waalwijk-besoyen · Ton van Reen gedicht: vanaf de toren · Schrijver Ton van Reen opent Bibliotheek Maasbree · Ton van Reen gedicht: de eieren man

»» there is more...

Ton van Reen: Jef van Kempen houdt van gedichten

tonvanreen kempen00

Ton van Reen

Jef van Kempen houdt van gedichten

 

Jef van Kempen houdt van gedichten.

Hoe is dat zo gekomen?

Lang geleden las Jef het gedicht DE MUS van Jan Hanlo. Hij las en beluisterde het goed.

Hij hoorde dit:

 

DE MUS

Tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

 

tjielp

etcetera.

 

Let op: het woord ETCETERA hoort bij het gedicht.

Dit etcetera betekent: eindeloos.  Het gedicht DE MUS is dus een eeuwigdurend gedicht, dat overgaat van mus op mus.

tonvanreen kempen01 

Toen Jef het gedicht driemaal had gehoord, besloot hij vooral een vervolg te geven aan het laatste woord van het gedicht: etcetera.

Hij schafte vogeltjes aan om ten eeuwigen dage het gedicht van Jan rond te horen zingen.

Dat is nou eens een lesje leren uit de literatuur.

Etcetera, met een mensenleven lang durend vervolg op het getjielp.

Toevallig ben ik erachter gekomen waarom Jan Hanlo dit gedicht schreef.

In de donkere jaren van de wederopbouw na de oorlog gaf Jan les in de Engelse taal aan het instituut Schoevers voor aankomende secretaresses. En als het zo uitkwam gaf hij ook les in boekhouden.

Nu denken veel  mensen dat zo’n bestaan voor een dichter vreemd is, maar het karakter van Jan Hanlo een beetje kennend, ik heb hem vaak meegemaakt, begrijp ik heel goed dat hij als dichter het dichtst bij zichzelf was als hij zijn kop vrij had in gebondenheid. De baan als leraar Engels en boekhouden beviel hem, omdat het zo absurd was. Tegen mijn achterneef Peter van Reen, illustrator en tekenaar bij de krant Het Volk, met wie hij bevriend was,  zei hij dat alleen structuur het leven zinvol maakte.

Ten tijde van zijn gevangenschap in de klas en de leerlingen debet en credit leerde, moet hij ook naar buiten hebben verlangd. Vaak moet hij mussen aan het schoolraam hebben horen tjielpen en dat moet een zeker verlangen  naar vrijheid hebben opgeroepen.

Terwijl hij de leerlingen sommen liet maken,  luisterde hij naar de mus en, altijd op zoek naar structuur, zocht hij naar de structuur van het getjielp van het levenslied van de mus op de vensterbank van het klaslokaal.

Hij noteerde de klanken en hoorde zeven varianten, die eindeloos herhaald werden. Dat bracht hem ertoe het woord etcetera toe te voegen aan het klankgedicht over de mus.

Hij was blij, want hij had de structuur betrapt in het gezang van de mus.

Het bleek hem dat de mus niet zomaar wat zong, maar zichzelf oneindig bleef herhalen. Die eeuwige herhaling vatte hij samen in het woord etcetera.

tonvanreen kempen02

Nu denken velen dat Jan Hanlo een liefhebber van vogels was. Dat was niet zo.

Als hij tijdens zijn lessen aan het Schoeversinstituut, naar buiten kijkend   een kraai op een grasveld zou hebben gezien, had hij mogelijk het volgende gedicht geschreven:

 

Ka ka ka, kaka, krrr krrr , ka

krrr ka, ka krrr,

ka ka ka ka, krrrr , ka ka

krrr krrr krrr, ka

kaka, kaka, krrr, kaka, ka

kakaka, krrr ka, kakakaka, ka

 

ka

etcetera

 

Jef, die in de loop der jaren heeft geleerd om met vogels te praten zou dit gedicht als volgt hebben vertaald:

 

Wat doet die hond op ons grasveld

hij jaagt ons weg, die hond hoort hier niet

wat doet die hond, jaag hem weg

jaag hem de bomen in

die hond hoort hier niet, het gras is van ons

jaag hem de bomen in

wat doet die hond op ons gras

jaag hem weg

jaag hem de bomen in.

wat doet die hond op ons grasveld

 

wat?

etcetera

 

Zo is dus niet de kraai maar de mus heel toevallig in de Nederlandse literatuur terechtgekomen, maar had voor hetzelfde geld een kraai het onderwerp van een beroemd gedicht kunnen worden. Het had niet uitgemaakt. Het gedicht blijkt vooral bekend te zijn gebleven door het woord etcetera. Het ging Jan Hanlo in deze alleen om het woord etcetera.  Heel tevreden schreef hij dat op, omdat hij de structuur  van het vogelliedje had gevonden en hij begreep dat het gedicht eindeloos zou blijken te zijn.

tonvanreen kempen03

Waarom was Hanlo zo uit op structuur? Waarom dwong hij zichzelf om alles wat hij deed gestructureerd aan te pakken? Tijdens mijn bezoeken aan Hanlo in het poorthuisje in Valkenburg, waar hij woonde in een eenkamervertrek, heb ik dat ontdekt. Hij legde zichzelf structuur op omdat hij geheel ongestructureerd was. En elke keer was hij blij om te ontdekken hoe anderen, in dit geval een mus, structuur aanbrachten in hun leven. Dat was ook de reden waarom hij in een piepklein huisje woonde. Een huis met meerdere vertrekken kon hij niet aan. Hij moest altijd alles onder handbereik hebben. Dat er zich spullen in andere vertrekken zouden bevinden, spullen die hij niet kon zien, was te veel van hem gevraagd.

Door zijn altijddurende jacht naar structuur beperkte hij zijn omgeving tot een steeds kleinere woonomgeving. In dat eenkamerwoninkje moest alles aanwezig zijn. Ook zijn motor.

Een andere reden om structuur aan te brengen was zijn armoe. Hij was zo arm als een rat. Wel beroemd in kleine kring, maar al heel lang zonder werk en af en toe vijf gulden vangend voor een gedicht in een literair tijdschrift. Het Fonds voor de Letteren bestond nog niet. Armoe dwong hem om heel gestructureerd met zijn geld om te gaan.

Waarom deze inleiding  over Jan Hanlo als ik praat over het werk van Jef van Kempen?

Er moeten enkele dingen worden rechtgezet.

Jefs lievelingsgedicht is het gedicht De Mus van Jan Hanlo. Maar  Jef heeft altijd gedacht dat Jan het gedicht heeft geschreven uit liefde voor de mus.

Niets is minder waar.  Zaten er mussen op de vensterbank van zijn woninkje, dan joeg hij ze weg met een nijdig getik tegen het raam.

Het was Jan enkel en alleen te doen om het woord ETCETERA.

Herhaling van altijd hetzelfde: dat was structuur, dat was de structuur die hij voor zichzelf zocht.

Jef hoorde bij het lezen van het gedicht DE MUS inderdaad  een tjielpende mus.  En dacht dat Hanlo door dat ETCETERA het getjielp van de mus oneindig had willen horen. Waardoor het Jefs lievelingsgedicht werd omdat hij zelf ook oneindig naar het zingen van vogeltjes wilde luisteren. Om het gedicht van Jan Hanlo eindeloos te kunnen horen, schafte hij vogeltjes aan en zette zijn kleine tuin vol met vogelkooien om eindeloos het gedicht DE MUS te kunnen horen.

Vinken, sijsjes, paradijsvogeltjes, ik heb geen idee hoe die vogeltjes allemaal heten,  maar vanaf de ontdekking van het gedicht DE MUS werd en wordt er in de kleine tuin van Jef dag en nacht, ETCETERA, gezongen.

tonvanreen kempen04 

Dames en heren, de inspiratie van een dichter kan uit onverwachte bronnen komen.  

Jef ging verder dan Jan Hanlo. Niet alleen de vogeltjes en hun gezang boeien Jef, hij luistert naar de taal die zijn vogeltjes zingen. Naar de tekst van het vogellied. Vaak zit hij uren voor het hok, met een blocnote op schoot, te luisteren en streepjes te zetten. De dichter Jef van Kempen is de notulist van vogelcomposities.

Jef heeft ontdekt dat de taal van de vogels ingewikkeld is, maar ook dat er een bepaalde ordening in zit die lijkt op poëzie.

Dat eenmaal ontdekt hebbende blijkt dat, nu zijn verzamelde gedichten verschijnen, de meeste van zijn gedichten zijn ontstaan uit de aanzetten die hij heeft gemaakt in zijn blocnote met aantekeningen van het vogelgefluit in zijn tuin.

Om die vogeltjesteksten voor mensen zichtbaar  en hoorbaar te maken, heeft Jef er mensenwoorden bij gevonden, zoals bij het gedicht van de kraaien die de hond op hun grasveld de boom in willen jagen Jef weet de vogeltjesteksten te vertalen naar het menselijk oor.

In aanzet zijn dus al zijn gedichten een vertaling van vogeltjesgefluit.

Zo blijkt dat Jef een dichter is geworden door het eindeloze woord  ETCETERA van Jan Hanlo, die met dat woord een gedicht met eeuwigheidswaarde schiep.

Blij door het vertalen van de vogelliedjes in gedichten, ging Jef op zoek naar vergelijkingsmateriaal. Hij ontdekte de ene na de andere dichter die, elk op een eigen manier, de taal van vogels, olifanten, zebra’s en andere spraakmakende dieren opving en bewerkte voor het menselijk oor.

Er ontstond een grote collectie poëzie in huize Van Kempen, tot de kasten ervan uitpuilden. Jef besloot de gedichten die hij in zo’n prachtige vertalingen uit de meest uiteenlopende talen vond, uit te venten naar anderen.

Kortom, hij wilde anderen deelgenoot maken van het ETCETERA van Jan Hanlo.

Zo ontstond zijn weblog KEMPIS.nl.

In alle talen van de wereld  vind je op zijn weblog gedichten van poëten, die net als Hanlo op zoek zijn naar iets wat aanvankelijk niet te begrijpen is, maar door de vertaling of de hertaling van de dichter begrijpelijk wordt.

Hanlo, die van kind af aan verdwaald was in het bestaan, was op zoek naar structuur in zijn leven. Pierre Kemp, altijd in het zwart gekleed, was juist op zoek naar kleur ter compensatie van zijn zwart gemoed. Vinkenoog  was op zoek naar de structuur van het telefoonboek, omdat hij met alle mensen in de wereld in gesprek wilde blijven. Rilke was altijd op zoek naar de geluiden van de liefde.

Elke dichter blijkt op zoek te zijn naar iets dat aanvankelijk voor hem geheimzinnig is en dat hij wil bewoorden, waardoor hij er vertrouwd mee raakt.

Zo is Jef de verklanker geworden van de vogeltjestaal, maar ook van de taal van zijn omgeving. En dat is, in de ruimste zin, de stad Tilburg.

Ik  besluit met een gedicht uit de bundel van Jef dat hij ook zelf heeft terugvertaald naar de taal van de vogels:

 

LANDSCHAP

Duizend kraaien

in de oude berk

tekenen

de grijze lucht

 

Deze leegte

had ik

niet vermoed

 

En nu het gedicht zoals het door Jef aan de vogels wordt verteld:

 

Bliep bliep tjiep, rrrrr

tjielp tjielp piep

piep piep piep piep

tjielp piep piep

rrrrr rrrrr piep tjielp piep

pieppiep rrrrrrr

hiep hiep tjielp piep

pieppiep piep rrrrrrrr

 

piep

etcetera

 

Zo vertelt Jef in de in hem opkomende gedichten aan de Tilburgse vogeltjes. De vogeltjes die in zijn tuintje zitten, de vogeltjes in het struikgewas rond de Hasseltse Kapel,  het vogeltje dat doorklinkt in het gefluit van een vrolijke student op de fiets op weg naar school.

Kortom, voor al het gezang en getjielp dat Tilburg heet.

Jef heeft goed naar Jan Hanlo geluisterd. Hij heeft goed naar de vogeltjes geluisterd.

Wie Jef door Tilburg ziet dwalen en hem vreemde klanken hoort uitstoten, moet niet denken dat hij gek geworden is. Hij communiceert met de vogels.

 

ETCETERA. En dat nog vele jaren.

tonvanreen kempen05

Op zondag 16 december 2012 vond in Boekhandel Livius in Tilburg de presentatie plaats van de nieuwe bundel van Jef van Kempen: Laatste bedrijf. Een keuze uit de gedichten 1962-2012. Op die bijeenkomst ontving Jef van Kempen uit handen van burgemeester Peter Noordanus de grote zilveren legpenning van de gemeente Tilburg voor zijn verdiensten op het gebied van literatuur en cultuur. Ton van Reen las zijn verhaal: ‘Jef van Kempen houdt van gedichten’ voor.

Jef van Kempen: Laatste Bedrijf. Een keuze uit de gedichten 1962-2012. Uitgeverij Art Brut – ISBN: 978-90-76326-06-1 / 68 pag. – 12,50 euro – geïllustreerd, 24×15 cm / Gedichten en illustraties van Jef van Kempen / Vormgeving Michiel Leenaars / In de bundel zijn tevens een aantal bijdragen opgenomen van Julia Origo, Monica Richter en J.A. Woolf.

Foto’s: Hans Hermans, Joep Eijkens, Peter IJsenbrant

kempenjefv laatstebedrijf 31

fleursdumal.nl  m a g a z i n e

More in: Jef van Kempen, Kempen, Jef van, Reen, Ton van, Reen, Ton van


Ton van Reen gedicht: vannacht

Ton van Reen

vannacht

 

Vannacht

zijn wij

over het ijs gelopen

 

er was

een vale maan

die traag

langs zijn koude licht

naar beneden schreed

 

jouw mistige adem

tekende draden

over je bedroomd

gezicht

schiep een waaiend

mozaïek

van zomaar

bij elkaar gezette

brandende

kaarsen

 

daartussen leek het

of de haren

rond je ogen

in kool getekend waren

 

de maan werd

een zware magneet

die de ijzeren deuren

 

in mijn hart

opentrok

 

later

heb ik jou

over de schuimsneeuwen

drempel van mijn huis

gedragen

 

Uit: Ton van Reen, Blijvend vers, Verzamelde gedichten (1965-2007). Uitgeverij De Contrabas, 2011, ISBN 9789079432462, 144 pagina’s, paperback

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen gedicht: zwarte waakvogels

Ton van Reen

zwarte waakvogels

 

Zwaluwen in zwarte vechterspakken

schieten als speren door de lucht

drijvend op hun vleugels

houden ze de akkers in het oog

moedig als mannen waken ze over de oogst

 

Afgeschoten als pijlen

scheren ze over de bomen

en duiken laag over de paden

hun scherpe vleugels

snijden de toppen van de daken

 

Vertrouwd met het dorp

bouwen ze hun harde nesten

onder de dakranden van de hutten

waar ze samenhokken

met de zielen van de voorouders

 

Uit: Ton van Reen, Blijvend vers, Verzamelde gedichten (1965-2007).

Uitgeverij De Contrabas, 2011, ISBN 9789079432462, 144 pagina’s, paperback

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (5) Een winterverhaal

Ton van Reen

EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID

Een winterverhaal

5

 “Alles mag je weten,” zei grootmoeder, “maar jongens hebben soms geheimen.”

  “Dus het ging over jou,” zei moeder opgelucht, omdat alles wat wij te vertellen hadden, terwijl zij buiten met de lakens vocht, niets met haar van doen had. “Ik dacht al dat het over mij ging. Ik zag wel dat jullie me uitlachten.”

  “We zouden niet durven,” zei grootmoeder.

  Mijn moeder pakte de kam en liep naar haar slaapkamer om haar verwaaide haren te kammen. Wij bleven stil wachten. Wij wisten wat het betekende, vooral als het lang duurde. Soms zag ik mijn moeder als de deur van haar slaapkamer openstond en ze voor de spiegel van de commode zat, soms wel tien minuten. Dan was het altijd alsof ze haar haren kamde voor de grote en sprekende foto van mijn zo vroeg gestorven vader, wiens foto ze zo naar de spiegel had gekeerd dat het was of hij naar haar keek. Het leek alsof ze het voor hem deed. Ze maakte zich mooi voor hem. Door een kier van de deur bleef ik kijken, ademloos. En als ik wist dat zij wist dat ik er stond, liep ik fluitend of zingend naar beneden, spelend dat ik niets had gezien, maar de tranen stonden dik in mijn keel van ontroering.

  “Je mag alles weten, mam,” zei ik, toen ze terugkwam in de keuken, haar haren mooi alsof ze naar de kerk ging. “Maar je weet alles al.”

  “Ja, ik weet alles,” zei ze, kijkend naar de lakens die zacht als was waren geworden.

  Ik liep naar buiten, net of ik naar de konijnen ging kijken, tenslotte wist ik dat van kinderen werd verwacht dat ze zich groot hielden en dat ze nooit klein moesten zijn. Ik speelde dat ik naar de wolken ging kijken, die misschien sneeuw zouden brengen. Of misschien liep ik gewoon naar buiten omdat kinderen soms buiten moeten zijn. Ik zweer het, kinderen moeten soms naar buiten geschopt worden, omdat geen mens snapt wat er in hun hoofden omgaat. Buiten kunnen ze pas alleen zijn. En ze weten dat daarbinnen de anderen over hen praten. Maar of grootmoeders en moeders echt iets van hun kinderen snappen, betwijfel ik.

  Ik zweer het, als ik nu naar binnen zou gaan op fluistervoeten, in de sokken die mijn grootmoeder voor me heeft gebreid, zal ik horen dat ze over mij praten, grootmoeder en moeder. Maar ik mag het niet horen omdat wat ze zeggen niet voor mijn oren bestemd is en omdat het tegen de spelregels is. Ik loop buiten alleen maar wat rond om de tranen in mijn ogen te laten bevriezen. En er valt genoeg te lachen. Ik hoor de arbeiders van de steenfabriek met hun gore moppen waar ik geen bal van snap, maar die toch heel lollig moeten zijn.

  Ik moet sterk zijn. Want straks komen mijn broers thuis. Ze moeten echt niet denken dat ik een hamster of een hond ben, alleen maar omdat ik een beetje verdrietig ben. Ik begin met terugslaan. Ik sla ze gewoon op hun kop. Ik weet alles.

EINDE

Het verhaal Een nog schonere schijn van witheid van Ton van Reen werd uitgegeven op 26 februari 2012 in opdracht van De Bibliotheek Maas en Peel, ter gelegenheid van de heropening van de bibliotheek in Maasbree. Teksten uit het verhaal zijn aangebracht op glazen wanden.

© Ton van Reen

 

Proza van Ton van Reen:

Geen oorlog roman

De moord novelle

De gevangene novelle

Lachgas roman

Landverbeuren roman

De zondvloed novelle

Katapult, de ondergang van Amsterdam roman

Bevroren dromen roman

Het diepste blauw roman

Concert voor de Führer roman

Het winterjaar roman

In het donkere zuiden verhalen

Thuiskomst novelle

Roomse meisjes roman

Zomerbloei novelle

Wie zo van vrouwen houdt verhaal

Gevallen ster roman

Brandende mannen roman

De bende van de bokkenrijders roman 12+

Gestolen jeugd roman 12+

Vlucht voor het vuur jeugdroman

Dwars door het glas jeugdroman

Voor meer informatie: www.tonvanreen.nl

 

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van, Ton van Reen


Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (4) Een winterverhaal

Ton van Reen

EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID

Een winterverhaal

4

Onze lakens zwegen gelukkig altijd, ook als de pastoor voorbijfietste en ze hem toe hadden kunnen schreeuwen wat jongens in bed wel deden maar nooit opbiechtten, maar dat deden de lakens, die net zo’n hekel hadden aan wasbeurten als ik, lekker niet. De pastoor met zijn zoete praatjes kon hen gestolen worden.

 “En toen, grootmoeder?”

  Moeder, nog rood van de kou, spreidde haar armen naar de kachel om zich te warmen en keek mij beschuldigend aan.

 “Je had me wel kunnen helpen, kwajong,” zei ze.

 “En toen?” vroeg ik. Ik probeerde me voor te stellen hoe mijn moeder, die nu in die oude jas, die ooit van vader was geweest maar nog te goed om weg te gooien,  met haar gezicht rood van de kou in de rozige gloed van de kachel stond, ooit als meisje in de gang had gestaan voor de spiegel met zijn gepolitoerde nepgouden lijst en haar haren kamde. Maar het beeld van het meisje met de vlechten, dat ze was toen ze twaalf was en zoals ze op een foto op het dressoir stond, kreeg ik niet voor ogen. Hoewel die oude jas zo oud en haveloos was, vond ik hem nu heel erg mooi en precies bij haar passend.  Het kon niet schelen dat er geen knopen aan zaten. Ik begreep opeens dat ze die jas nooit weg zou kunnen doen omdat hij van mijn vader was geweest. Het kon niet schelen dat hij legergroen was en dat hij tien jaar in de paardenstal van de marechaussee aan de kapstok had gehangen. Er was geen lekkerder lucht dan de geur van de paardenstal van mijn vader de wachtmeester bij de marechaussee die, hoog gezeten op zijn paard, mijn moeder ooit ten huwelijk had gevraagd, zonder dat hij wist hoe ze heette en zonder dat ze hem bij zijn naam kon noemen, terwijl ze beiden wisten dat ze nooit meer buiten elkaar zouden kunnen.

  “En toen, grootmoeder?”

 Ze keek me een beetje verbaasd aan.

  “De rest weet je zelf wel.”

  “Ja ja, de rest weet ik zelf.” Ik wist dat ik nu haar verhaal aan mezelf moest vertellen, omdat mijn moeder, die de hoofdpersoon in haar vertelsel was, nu bij ons in de keuken was. Nu kon grootje het verhaal over haar dochter, die haar niet wilde helpen met de was, niet afmaken, want dat was tegen haar regels. Een andere keer,  als moeder naar de bakker was of bij een buurvrouw thee was drinken, zou ze de rest vertellen.

  “Ja ja, ik weet alles,” herhaalde ik.

  “Is er weer iets wat ik niet mag weten?” vroeg moeder, een beetje ontdooiend in de gloed van de kachel, hoewel de koude lucht nog steeds tussen de plooien van haar jas ontsnapte en de geuren van ijs en rook van de steenfabriek de keuken binnenbracht.

wordt vervolgd

Het verhaal Een nog schonere schijn van witheid van Ton van Reen werd uitgegeven op 26 februari 2012 in opdracht van De Bibliotheek Maas en Peel, ter gelegenheid van de heropening van de bibliotheek in Maasbree.

kempis.nl poetry magazine

More in: Reen, Ton van, Reen, Ton van


Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (3) Een winterverhaal

Ton van Reen

EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID

Een winterverhaal

3

Vanachter het raam keken grootmoeder en ik toe hoe de gebeurtenis zich ging ontknopen. Ik verwachtte dat moeder aan de witte zeilen zou opstijgen en misschien zelfs tot boven de kersenbomen zou worden geblazen, zo wild gingen de lakens tekeer in de wind. En misschien zou ze wel over het dak van het kippenhok van buurman Hermans vliegen, en dan zou zijn zoon die een beetje gek was naar haar zwaaien. En misschien vloog ze wel over de drooghokken van de steenfabriek, waarin de uit leem gevormde stenen stonden te bevriezen in plaats van te drogen zodat de arbeiders die later weer allemaal weg moesten gooien. En misschien …, stel je toch voor dat ze met al haar lakens aan de bliksemafleider aan de top van de schoorsteen van de steenfabriek zou blijven hangen! Adembenemend, maar het zou kunnen! Het zou kunnen!!! Met moeder wist je het immers nooit. Een voor een werden de lakens uit haar handen gerukt en zeilden naar de boomgaard, alsof ze wilden ontkomen aan de zoveelste wasbeurt die ze nog doorzichtiger zou maken. Ze waren oud. Ze waren al van grootmoeder geweest. Twee generaties kinderen hadden ertussen geslapen.

  Moeder won. Met de hark trok ze de lakens uit de takken, plukte ten slotte het laken van mijn zusje uit de kersenboom en klopte het af met een hardheid die op afstraffen leek. Triomfantelijk kwam ze naar binnen met het witrozige laken dat het kleinste was, maar het dapperst was geweest. Dat had je altijd: ik was ook het kleinst, en daarom moest ik altijd het hardst vechten tegen mijn oudere broers, die dachten dat ik een hamster of een hond was die je af en toe gewoon stiekem kon meppen als je een pestbui had.

  Moeder zette de stijve lakens rechtop tegen de muur achter de kachel, waarna ze op een vreemde manier, vol schuldgevoel, in elkaar begonnen te zakken, ontmoedigd door de wetenschap dat ze opnieuw zouden worden gekookt en gestoomd tot ze weer kraakhelder zouden zijn en weer aan de wasdraad buiten zouden worden uitgehangen, hun uiterste witte witheid tonend, zodat de hele straat kon zien dat wij toch een proper gezin vormden ondanks het feit dat we drie jongens hadden die elke week op school tijdens de godsdienstles van de pastoor te horen kregen dat jongens nooit met zichzelf mochten spelen, omdat je dan langzaam krom ging groeien doordat het nat dat uit je piemel kwam afgetapt ruggenmerg was. Jongens die dat deden waren voorbestemd voor de hel of zouden in dit leven al gestraft worden doordat ze later alleen nog maar arbeider bij de steenfabriek of turfgraver in de Peel konden worden. Tja, waarschijnlijk had de pastoor gelijk, want de arbeiders die op het tasveld van de steenfabriek werkten, aan de overkant van de straat, waren allemaal wat grauw en mager en hadden dus de straf om arbeider te zijn zelf verdiend door als jongen in bed niet te slapen maar met zichzelf te spelen. En als ze het nou maar gebiecht hadden, want de pastoor wilde altijd van alle jongens weten hoe vaak ze het hadden gedaan, maar dat hadden ze waarschijnlijk niet gedurfd, ik ook niet trouwens, dus het was hun verdiende straf om in weer en wind stenen te vormen die later weer, als ze bevroren waren, moesten worden weggegooid. Vreemd volk, die arbeiders. Als ik in het poortje bij de straat stond, kon ik de schunnige moppen horen die ze aan elkaar vertelden. Het was geen leuke gedachte dat ik later een van hen zou moeten zijn en al dat gebazel van hen een leven lang zou moeten horen.

wordt vervolgd

Het verhaal Een nog schonere schijn van witheid van Ton van Reen werd uitgegeven op 26 februari 2012 in opdracht van De Bibliotheek Maas en Peel, ter gelegenheid van de heropening van de bibliotheek in Maasbree.

kempis.nl poetry magazine

More in: Reen, Ton van, Ton van Reen


Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (2) Een winterverhaal

Ton van Reen

EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID

Een winterverhaal

2

  “Er was eens een meisje dat haar moeder nooit wilde helpen met de was ophangen of op de bleek leggen,” herhaalde grootmoeder. “Niet dat ze er te lui voor was, maar ze vond al dat gedoe van de was koken met Reckits Blauw voor een nog schonere schijn van witheid, het drogen aan de waslijn of op de bleek, waar de lakens lagen uitgespreid met vier roestige bakstenen op de hoeken om de wind voor de gek te houden, en het strijken met het strijkijzer vol gloeiende kooltjes alleen maar verlies van tijd.”

  “Dat snap ik, al die wasbeurten is werk voor niks,” zei ik, vol bewondering voor de lange zin die ze zojuist had uitgesproken, waarin ik vier komma’s had geteld. Ik telde altijd de komma’s. Dat was makkelijk, want na elke komma ademde ze even in. Soms maakte ze zinnen die in een boek een paginagroot zouden zijn. Vierentwintig komma’s was de hoogste score. Zo’n lange zin had ik nog nooit gelezen, maar voor haar waren zo’n lange zinnen heel gewoon.

  “Ja, vroeger was ze net als jij,” zei grootmoeder vrolijk. “Zij maakte van haar bed ook altijd een holletje, waarin ze hokte met de beesten die haar in haar dromen kwamen bezoeken.”

  “Als ze zelf zo goed weet hoe kinderen zijn,” zei ik wat verbaasd, “waarom laat ze dan mijn bed niet met rust? Die lakens waren nog goed.”

  “Moeders doen onverklaarbare dingen,” zei grootje. “Misschien willen ze zelf het kind zijn dat ze op schoot hebben. Toen ik nog een moeder was, deed ik ook vreemde dingen hoor. Toen dacht ik ook dat ik de baas was. Dacht je dat ik ooit naar mijn kinderen luisterde? Nee hoor. Zij moesten luisteren naar mij. Nu ik grootmoeder ben, snap ik weer hoe het voelde om kind te zijn. Nu begrijp ik weer dat je de mooiste avonturen van je leven in je bed beleeft.”

  “Mijn moeder is gek,” zei ik. “Als mijn bed naar mijn beesten ruikt, haalt ze er de lakens af en moeten ze in de was. Gewoon idioot. En dan moet ik weer helemaal vooraan beginnen met de dieren en de marsmannetjes en de… de  – ik heb u nog niet verteld dat ik vannacht van  lilliputters  heb gedroomd – mijn tent in te lokken. Ze houden niet van schone lakens die stinken naar stijfsel.”

  “Precies, zo praatte je moeder vroeger ook,” zei grootje. “Ze was altijd bezig met andere dingen dan de karweitjes die ze moest doen in huis. Ze had veel tijd nodig voor zichzelf. Ze was een trots meisje. Misschien zeg ik dat verkeerd, maar ze was veel bezig met zichzelf. Ze stond vaak in de gang waar de spiegel hing, om naar zichzelf te kijken. Ze was trots op haar mooie gezichtje en haar lange donkere vlechten met strikken. Soms kamde ze uren haar haren.”

  “Dat doet ze nog steeds,” zei ik.

  “Gelukkig wel,” zei grootje.

   Het was oorlog. Moeder bond de strijd aan met de wind die de stijve lakens probeerde weg te blazen in de richting van de boomgaard. Een windvlaag kreeg het witrozige laken van mijn zusje te pakken en hing het, als een verdwaalde grote vlieger, in een van de kale kersenbomen. Ze holde achter de lappen aan die ze, met twintig handen te weinig, onmachtig boven zich hield en die haar naar de bongerd trokken. Moeder greep paniekerig naar de lappen die ze nog een beetje vast had, kijkend naar het verwaaide laken in de boom, dat een beetje naar kersen kleurde omdat het vroeger misschien echt roze was geweest.

wordt vervolgd

Het verhaal Een nog schonere schijn van witheid van Ton van Reen werd uitgegeven op 26 februari 2012 in opdracht van De Bibliotheek Maas en Peel, ter gelegenheid van de heropening van de bibliotheek in Maasbree.

kempis.nl poetry magazine

More in: Reen, Ton van, Ton van Reen


Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. Een winterverhaal

Ton van Reen

EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID

Een winterverhaal

Het was lekker warm in de keuken van mijn grootmoeder, die toevallig ook onze keuken was, ik weet niet eens meer of wij bij háár woonden of zij bij óns. Het was vooral zo behaaglijk omdat er ijspegels van bijna een meter aan de dakrand zonder goot hingen, sprookjesachtig schitterend ijs. Doordat de zon erop stond, zag ik de kleuren erin leven. De ijspegels maakten van ons sobere huis een toverkasteeltje, vooral door de sprookjesachtige verhalen die mijn grootmoeder, het liefst met dit soort winterweer, aan ons vertelde. Vaak verhalen over de geheimen van de Peel, over de verborgen schatten in het Soemeer die je alleen met middernacht kunt vinden als je er zeker van bent dat je ziel zo wit is als een pas gewassen laken, of over de geest van de Romein die de gouden helm zoekt die hij in het moeras heeft verloren. Verhalen soms zo griezelig dat ik van spanning met mijn kont vast leek te vriezen aan mijn stoel. Stijf van spanning, bang dat ik door me te bewegen de hele sfeer in de keuken naar de maan zou helpen en de betovering van de vertelling zou verbreken.

Zo ging het meestal, maar elke dag was het een beetje anders.

“Er was eens een meisje dat haar moeder nooit wilde helpen met de was, met de was strijken, met de was ophangen,” zo begon grootje haar verhaal van vandaag. Misschien kwam ze tot dit verhaal door mijn moeder, haar dochter, die buiten bezig was met het wasgoed. Moeder haalde de stijf bevroren lakens, waaruit de dromen van drie jongens en een meisje waren weg gekookt, van de lijn. Helaas moest de wasbeurt worden overgedaan omdat een hoestbui van de schoorsteen van de steenfabriek een laagje roet over de schone lakens had gespreid, alsof de duivel eroverheen had geademd.

  Mijn grootmoeder betrok de gebeurtenissen van het moment altijd in haar verhalen, dus toen ze vertelde over het ongehoorzame meisje dat haar moeder niet wilde helpen, keken we beiden tussen de ijspegels door naar mijn moeder die buiten in gevecht was met onwillige lakens die niet meer terugwilden naar onze jongensbedden en zich ijzig stijf hielden in hun verzet tegen een volgende gloeiende kookbeurt in de wasketel. Met over haar zomerschort een oude jas, die open hing door gebrek aan knopen, probeerde moeder de lakens die dreigden te breken van de draad te tillen. Fier, met wapperende haren in de wind, stond ze daar, kwaad omdat wij geen poot uitstaken om haar te helpen.

  Grootmoeder en ik spanden vaker samen tegen moeder, vooral in een geval als dit, omdat het allemaal haar eigen schuld was. Grootmoeder had haar gewaarschuwd en wel tien keer gezegd dat het veel te koud was om de natte lakens buiten te hangen. En ik had haar gezegd dat ik het helemaal niet nodig vond dat de lakens werden gewassen omdat ik het juist lekker vond dat ze een beetje vies waren en naar mij roken als ik naar bed ging. Ik vond het helemaal geen lolletje om in de winterse slaapkamer tussen koude gesteven lakens te slapen, liever waren me de lakens die een beetje aanvoelden als mijn eigen vel, een huid die ook weinig zeep kon verdragen.

  Het was wel spannend dat het verhaal dat grootmoeder nu begon te vertellen over mijn moeder ging en dat ik dat wat ik nu te horen kreeg eigenlijk niet mocht weten. Een kind hoorde niets te weten van de kwade streken van zijn ouders toen ze zelf nog kinderen waren. Maar grootmoeder lapte al dit soort wetten aan haar laars. Daarom vertelde ze het verhaal over een meisje dat niet wilde luisteren in de vorm van een sprookje, dat had ik wel door. Ik mocht het geloven of niet. Misschien snapte ik het nu nog niet, maar later wel.

  Met de verhalen van grootmoeder kon het alle kanten op. Ze hield er vooral van om te vertellen over de mensen ‘die van ons waren’ maar die er toevallig niet bij waren, in ieder geval niet binnen gehoorafstand. Omdat wij twee alleen binnen waren en moeder buiten bezig was, was zij het onderwerp. Ik kende grootmoeder door en door. Straks als ik naar Jong Nederland was en zij alleen was met moeder, zou ze, zeker weten, het een en ander over mij vertellen. Soms deed ik of ik wegging en sloop even later op kousenvoeten door de achterdeur naar binnen. Het was altijd raak: dan had ze het over mij. Ik had haar betrapt, maar toch ging ik weg, omdat ik iets hoorde dat niet bedoeld was voor mijn oren. Mijn gedrag was tegen haar spelregels.

wordt vervolgd

Het verhaal Een nog schonere schijn van witheid van Ton van Reen werd uitgegeven op 26 februari 2012 in opdracht van De Bibliotheek Maas en Peel, ter gelegenheid van de heropening van de bibliotheek in Maasbree. Teksten uit het verhaal zijn aangebracht op glazen wanden. © Ton van Reen

kempis.nl poetry magazine

More in: Reen, Ton van, Reen, Ton van


Ton van Reen gedicht: waalwijk-besoyen

Ton van Reen

waalwijk-besoyen

 

Wat verloren sta ik in de Grotestraat

het oude huis waarin ik werd geboren

blijkt lang geleden met de grond gelijkgemaakt

de beelden in mijn hoofd bewaard, zijn afgebroken

thuis en tuin van toen zijn zoekgeraakt

 

Waar vroeger binnen was is buiten

of toch weer binnen in een ander huis

groter en leger met hoge blinde ruiten

 

Daar stond het ouderlijke bed, de lakens stijf gesteven

nu vind ik er een perk, viooltjes, gras, wat grind

een berk, geweven twijgen van een nest, de jongen uitgevlogen

vogels die zijn weggepest of net als ik zijn weggegaan

om na vervlogen jaren hier nog eens stil te staan

 

Een kinderstem kaatst door de straat

ik huiver, het is de echo van mijn broertjes roep

vijftig jaar geleden stond hij op de stoep

– broertje broertje, kom je buiten? –

 

Ik spiegel me in blinde ruiten

blinkend als de regenplas

waarin ik mezelf voor het eerst zag

een halve eeuw krast tekens in het glas

mijn naam, met vingers op de ruit geschreven

vertelt dat ik kind ben gebleven

– broertje broertje, kom je spelen?

broertje broertje, kom je buiten? –

 

Uit: Ton van Reen, Blijvend vers, Verzamelde gedichten (1965-2007). Uitgeverij De Contrabas, 2011, ISBN 9789079432462, 144 pagina’s, paperback

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen gedicht: vanaf de toren

Ton van Reen

vanaf de toren

 

Vanaf de toren

is de Maas een worm

 

met schubben

op het lijf

 

en de paarden

in de wei

 

zijn op hol geslagen mieren

uit dikke korrels zand

 

die de houten deuren

uit huizen vreten

 

Uit: Ton van Reen, Blijvend vers, Verzamelde gedichten (1965-2007). Uitgeverij De Contrabas, 2011, ISBN 9789079432462, 144 pagina’s, paperback

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van


Schrijver Ton van Reen opent Bibliotheek Maasbree

Schrijver Ton van Reen

opent Bibliotheek Maasbree

Op zondag 26 februari a.s. opent de geheel vernieuwde Bibliotheek Maasbree haar deuren. De opening vindt plaats om 13.00 uur en wordt verricht door de auteur Ton van Reen. Speciaal voor deze gelegenheid heeft de Bibliotheek Maasbree een boekje van Ton van Reen uitgegeven met de titel “Een nog schonere schijn van witheid; Een winterverhaal”.  Delen van deze tekst zijn straks  in het interieur van de bibliotheek terug te vinden.

De Bibliotheek Maasbree maakt momenteel  een ingrijpende ontwikkeling door. In juli 2011 al werden de openingstijden uitgebreid met een extra avondopenstelling op de maandag. Tevens werd toen een inloopspreekuur voor Poolse arbeidsmigranten ingesteld. Dat de bibliotheek hiermee in een grote behoefte voorziet is wel gebleken op een willekeurige maandagavond in augustus toen de bibliotheek tussen 18.00 uur en 20.00 uur door 240 mensen bezocht werd.

Daarna werd gestart met cursussen Nederlands voor Poolse migranten. Inmiddels worden er drie parallelle cursussen gegeven op dinsdag, woensdag en donderdag. Een vierde cursus start binnenkort op de zaterdagmiddagen. Daarnaast is een  cursus Pools voor Nederlandse ondernemers in voorbereiding. Inmiddels is de bibliotheek ook van WiFi voorzien en verder is er een PC met Pools toetsenbord en de Poolse versie van het Office-pakket beschikbaar. De Poolse afdeling is in december officieel met een groots feest geopend.

Vanaf 1 januari is de Bibliotheek Maasbree nu ook op zondagen geopend. De bibliotheek gaat open om 10.30 uur en sluit om 14.00 uur. Deze uitbreiding is mogelijk geworden door de ingebruikname van zelfservice-apparatuur en de inzet van een Poolstalige medewerker. Hierdoor kunnen ook op zondagen extra diensten aan de Poolse migranten verleend worden. De Bibliotheek Maasbree is, buiten de bibliotheken van Maastricht, Heerlen en Roermond, overigens de enige Limburgse bibliotheek die op zondagen is geopend.

De inventaris van de bibliotheek was inmiddels al zo’n vijftig jaar oud en voldeed niet meer aan de eisen die aan de inrichting van een eigentijdse bibliotheek mogen worden gesteld. De nieuwe inrichting biedt veel mogelijkheden om de boeken frontaal te presenteren. Hierbij wordt gebruik gemaakt van principes uit de retail. De nieuwe opstelling nodigt uit tot snuffelen, tot ontdekken en tot verrast worden door de vele rijkdommen die de bibliotheek te bieden heeft.

Iedereen is van harte uitgenodigd om op zondag 26 februari om 13.00 uur aanwezig te zijn. Het boekje van Ton van Reen is door alle inwoners van Maasbree gratis af te halen bij de bibliotheek.

Volwassenen die nog geen lid van de bibliotheek zijn, maar dat willen worden, ontvangen ook nog eens het boek “Over geluk” van Twan Huys.

Speciaal voor de jeugd wordt er op zondag 11 maart om 13.30 uur in de bibliotheek een voorstelling geven door de Boxmeerse  jeugdboekenauteur Gerard Sonnemans. Tijdens deze  voorstelling staan de Middeleeuwse ridders en monniken centraal. De toegang is gratis.

fotojefvankempen

fleursdumal.nl magazine

More in: Reen, Ton van, Ton van Reen


Ton van Reen gedicht: de eieren man

Ton van Reen

de eieren man

 

Soms

kwam de man naar hier

met een geknoopte handdoek

vol eieren

 

hij was van riet

een stuk licht riet uit de polder

doch zijn hart was zwaar

als lood

en zijn ziel was geronnen

tot een uitroepteken

zoiets van pijn

tussen zijn ogen

 

hij had bevende handen

en ogen

die de nacht verrieden

in zijn denken

maar om zijn lippen

lag iets van kristal

een beetje breekbare

zuivere liefde

wat eigenlijk vreemd was

aan zo’n man

 

zijn lange passen

maakten dat het Pasen werd

daarom heette hij ook

de Eieren Man

daarom ook lag er

een glimlach in het kristal

om zijn lippen

en achter zijn nachtogen

blonk dan iets

waar ik erg veel van hield

 

Uit: Ton van Reen, Blijvend vers, Verzamelde gedichten (1965-2007). Uitgeverij De Contrabas, 2011, ISBN 9789079432462, 144 pagina’s, paperback

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »« Newer Entries

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature