In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Reen, Ton van

· Ton van REEN: Dode vogel · Ton van REEN gedicht: Het Oor van de Maaier · Ton van REEN gedicht: Wit licht · Ton van REEN: “Geen Oorlog” – na 50 jaar nieuwe uitgave · LANDVERBEUREN (59) DOOR TON VAN REEN · LANDVERBEUREN (58) DOOR TON VAN REEN · LANDVERBEUREN (57) DOOR TON VAN REEN · Ton van Reen: nieuw roman DE LICHTVERKOPER · Ton van Reen: Jef van Kempen houdt van gedichten · Ton van Reen gedicht: vannacht · Ton van Reen gedicht: zwarte waakvogels · Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (5) Een winterverhaal

»» there is more...

Ton van REEN: Dode vogel

 

Ton van Reen
Dode Vogel

Een dode vogel
in een droog landschap

De nagels in een laatste kramp
vastgeklemd rond de tak
houden hem overeind in de zon

Kleurige vleugels
bedekken zijn lege lijf
de witte oogkassen
door de wind leeggevreten

Hij is de wachter
die waarschuwt voor de dood

Ton van Reen: Dode Vogel
Uit: De naam van het mes. Afrikaanse gedichten In 2007 verschenen onder de titel: De straat is van de mannen bij BnM Uitgevers in De Contrabas reeks. ISBN 9789077907993 – 56 pagina’s – paperback

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van, Reen, Ton van, Ton van Reen


Ton van REEN gedicht: Het Oor van de Maaier

Ton van Reen
Het Oor van de Maaier

Sjuu sjuu, het is de zeis
sjuu sjuu, het is de zeis door het koren
sjuu sjuu, het is de zeis
sjuu sjuu, het is de zeis door het koren
sjuu sjuu, het is de zeis
sjuu sjuu, het is de zeis door het koren
sjuu, het is de zeis
sjuu, het is de zeis door het koren
sjuu, het is de zeis
sjuu sjuu, het is de zeis
sjuu sjuu, het is de zeis door het koren
sjuu sjuu, het is de zeis

Ton van Reen:  Het Oor van de Maaier
Uit: De naam van het mes. Afrikaanse gedichten
In 2007 verschenen onder de titel: De straat is van de mannen bij BnM Uitgevers in De Contrabas reeks. ISBN 9789077907993 – 56 pagina’s – paperback

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van, Reen, Ton van, Ton van Reen


Ton van REEN gedicht: Wit licht

reen-tonvan-FDM

  WIT LICHT

Wit licht uit de hutten
wit de witte graanschuren
wit de rode bomen, wit de zwarte dieren
wit de adem van het dorp
die wit boven de hutten van wit riet hangt

Het licht wit het stof van de zwarte straten
wit stof wit de bruine ezels
wit stof wit de zwarte kinderen
zwarte kinderen zijn wit
in wit licht
zwarte kinderen zijn witter dan wit

Het witte stof wit het licht
het witte stof van de witte straat
het witte stof
van de witbestoven ezels
het witte licht van de zwarte kinderen
die wit stof tegen het witte licht blazen

Ton van Reen

Ton van Reen: De naam van het mes. Afrikaanse gedichten
fleursdumal.nl magazine

More in: Archive Q-R, FDM in Africa, Reen, Ton van


Ton van REEN: “Geen Oorlog” – na 50 jaar nieuwe uitgave

Ton van Reen schreef de roman ‘Geen Oorlog’ toen hij 23 jaar oud was. Overtuigend beschrijft hij het leven van Jarde, een joodse jongen, in drie verschillende levensfasen. ‘Geen Oorlog’ is naast een roman over vervreemding, een scherpe kritiek op de moderne maatschappij, waarin iedereen langs elkaar heen leeft en waarin geen plaats is voor dromers.

Dagblad De Limburger: ‘Een dichterlijke aanklacht tegen de oorlog en de vernietiging van het individu, geschreven in heldere beeldende taal, door een fascinerend natuurtalent.’ De Volkskrant: ‘Van Reen schrijft in een heel mooi Nederlands met een zuidelijk taalgebruik, dat randstedelingen soms vreemd zal voorkomen maar dat een warme klankkleur geeft aan zijn werk.’ Deze uitgave van ‘Geen Oorlog’, met het oorspronkelijke omslag en in de originele vormgeving, verschijnt vijftig jaar na de eerste uitgave, ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van de schrijver.

Ton van Reen is schrijver en journalist. Hij schrijft romans, jeugdromans en kinderboeken. Hij is oprichter van de Stichting Lalibela in Ethiopië die vooral gehandicapte kinderen en dakloze ouderen helpt. Hij verblijft vaak in Afrika. Zijn bekendste boek voor de jeugd is ‘De bende van de bokkenrijders’ dat verfilmd werd tot een tv-serie. Zijn verzameld prozawerk, zeventien romans, novellen en verhalenbundels, verscheen in 2010 in twee delen, samen 1800 bladzijden, bij Uitgeverij De Geus. Bij Uitgeverij De Contrabas verschenen zijn verzamelde gedichten met de titel ‘Blijvend vers’. In voorjaar 2016 verscheen zijn nieuwe roman ‘De verdwenen stad’ bij Uitgeverij In de Knipscheer.
 
Ton van Reen
Geen oorlog
Roman
Nederland
Paperback, 160 blz., € 8,90
ISBN 978-90-6265-922-7
Heruitgave (6de druk) 2016

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive Q-R, Reen, Ton van, Ton van Reen


LANDVERBEUREN (59) DOOR TON VAN REEN

LANDVERBEUREN130De woedende kraaien verschoonden het bed. Alwéér schone lakens en dekens. De jongen was er erg aan toe. Handen en borst zaten onder de brandblaren. De vrouwen smeerden de wonden in om de pijn te verzachten. Het leek of hij daar helemaal geen last van had. Pijn bestond voor hem niet meer. Hij was al van een andere wereld. De cafémeid, die verlamd en sprakeloos stond in de korte tijd dat dit alles gebeurde, wist zich uit haar verstarring los te maken. Ze holde naar het bed en knielde bij de jongen neer.

Hij kwam niet meer tot rust. Voor zijn ogen zag hij onophoudelijk de beelden van zijn brandende kat. Zijn kat, die men hem nu ook had afgenomen. Hij dacht aan zijn andere dieren. Wilde weten waar ze waren. Riep hun namen. Niemand begreep er iets van. Alleen Céleste, maar die kon het niet over haar hart verkrijgen hem te vertellen dat de adder was vermoord. Dat eigenlijk alleen de buizerd nog leefde. Ze fluisterde in zijn oren dat zij voor zijn dieren zorgde. Dat ze niets te kort waren gekomen, al de tijd dat hij ziek was. En dat ze hem goed zou blijven verzorgen tot hij weer beter zou zijn. Ze zei ook dat de kat er wel bovenop zou komen, al kon ze de woorden nauwelijks over haar lippen krijgen. Gelukkig zag de jongen niet dat Kaffa het verminkte lijk van de kat van het plein droeg. Het kind geloofde Céleste en leek te kalmeren. Hij weerde de kraaien af, die dichterbij wilden komen en die meenden recht op hem te hebben.

Ze wilden niet dat de cafémeid zo intiem met hem was. Omdat de vrouwen niet wilden weggaan, voer de jongen woedend tegen hen uit. Hij spoog naar hen. Met moeite wisten omstanders de kraaien te overreden. Gedwongen hielden ze zich koest en lieten ze de jongen en de cafémeid met rust. Ze voelden zich in hun waardigheid van doodbidsters aangetast en lieten dat duidelijk merken door met de omstanders te ruziën. Céleste greep de handen van de jongen en drukte die tegen haar borst. De kraaien kregen het te kwaad. Alle handelingen van die meid wekten hun woede op. Weer wilden ze naderbij komen, maar de mannen, die hun bemoeizucht kenden, plaatsten zich tussen hen en het bed in en maanden hen tot rust. Veel meer dan de vrouwen voelden de kerels aan dat er tussen die twee iets bestond wat voor het kind van veel groter belang was dan alle zorgen van de kraaien. De jongen klemde Célestes hand als een bankschroef vast en draaide zijn gezicht naar haar toe. Ze zag dat zijn huid blauw wegtrok. Hij bleef haar aankijken. Zijn blik werd wijder en wijder, of hij door alles heen keek. Zijn adem kwam niet meer terug. Hij was dood.

Ton van Reen: Landverbeuren (59)
wordt vervolgd
fleursdumal.nl magazine

More in: - Landverbeuren, Reen, Ton van


LANDVERBEUREN (58) DOOR TON VAN REEN

LANDVERBEUREN130Met ontblote bovenlijven liepen de mannen langs het bed en de kraaien. Hadden een paar opmerkingen over voor de vrouwen in het zwart die ze wel of niet konden uitstaan, meestal niet. Want in hun zwarte kleren zagen de kraaien er nauwelijks vrouwelijk uit. Hun doodse rouwjurken maakten hen eerder afschrikwekkend dan aantrekkelijk, voorzover ze nog over een lichaam beschikten dat een vent aansprak. Ze deden er ook niet veel aan om er goed uit te zien. Getrouwd waren ze toch. Daar konden hun kerels niets meer aan veranderen.

Nu het avond werd, kwamen de mannen zoals gewoonlijk uit het hele dorp in de caféhof bij elkaar. In kleine groepjes stonden ze te praten. Of zaten ze op hun hurken en speelden met hun messen. Spelletjes landverbeuren. Over het dorp trok de weeë geur van de vuren op de velden, waar elke avond in de oogsttijd het droge aardappelloof in brand werd gestoken. De rook was hinderlijk, doch beloofde een gezellig einde van de dag. Vooral als het weer wilde meewerken, veroorzaakte de in hun keel brandende lucht veel dorst en die zette het volk tot drinken aan. Dat had vaak een algemene vrolijkheid tot gevolg. De oogsttijd had toch altijd al een feestelijk karakter. De jongen in zijn bed kreeg het moeilijk door de kwalijke dampen. Hij hoestte veel en spuwde klodders bloed over de beddensprei uit. Tot ergernis van de kraaien, wie het gedoe van de jongen begon te vervelen. Meer en meer hing zijn aanwezigheid hen de strot uit. Het zag ernaar uit dat het kind hen voor de gek hield. Veertien dagen niet eten, almaar bloed spuwen en dan nog niet dood. Dat was te gek. Dat hadden ze nooit eerder meegemaakt. En dan al die vuile was en narigheid! Om het uur schone lakens. Welke vrouw zou daar niet knettergek van worden? Plotseling werd de avondrust verstoord door de boskat, die krijsend uit de werkplaats van de timmerman vloog en brandend over het plein buitelde. Het krijsen van de met zichzelf vechtende kat deed de mensen de haren te berge rijzen. Met de dood in het lijf rolde de kermende bal vuur over het plein, maar de vlammen doofden niet en sloegen steeds weer op uit het kleine lijf. Met een vuile grijns op zijn gezicht zat de timmerman achter het dier aan. Met een lat sloeg hij op de brandende kat in, de hemel prijzend dat hij weer een van die verrekte dieren van de jongen te pakken had gekregen. Het dier was zo dom geweest om zich in de werkplaats te verbergen.

Als de kat haar hersens had gebruikt, had ze kunnen weten dat de timmerman haar daar ooit zou vinden, in de olie zou soppen en in de fik zou steken. Ze was niet meer te redden. De jongen in bed hoorde zijn kat huilen. Hij schoot overeind en gilde. Sloeg wild met zijn armen. Zag in een heldere vlaag zijn getemde boskat, door het dodelijke vuur omarmd. Hij riep het beest. De kat herkende zijn stem en zette koers naar het bed, een brandend spoor achterlatend, en vloog met een vaart op dekens en sprei. Bij het zien van dit eigenlijk ontroerende tafereel vielen de kraaien in onmacht. De jongen kwam onder de lakens uit en drukte de kat tegen zich aan. Met het dier in zijn armen viel hij uit bed. De toegesnelde mannen hadden al hun kracht nodig om de kat uit de armen van de jongen los te trekken en het vuur uit zijn pyjama te slaan. De jongen, die al zoveel had geleden, kende de pijn van het vuur niet meer. Alleen de pijn van verlatenheid en ellende, die hem in het krijsen van zijn boskat zo had getroffen. Hij gilde hard en sloeg met een kracht van zich af die men hem niet meer had toebedacht. Kaffa was van zijn plaats opgevlogen. Hij zag de hopeloze strijd van de kat. De tranen sprongen in zijn ogen. Om de kat uit zijn lijden te verlossen dacht hij niet lang na, greep het dier en sloeg het tegen de meidoorn de hersens in. Toen richtte hij zijn aandacht op de timmerman. De bruut moest maken dat hij wegkwam, want Kaffa leek in staat hem af te maken. De man vluchtte zijn werkplaats in en deed voor de zekerheid de deur achter zich op slot.

Ton van Reen: Landverbeuren (58)
wordt vervolgd
fleursdumal.nl magazine

More in: - Landverbeuren, Reen, Ton van


LANDVERBEUREN (57) DOOR TON VAN REEN

LANDVERBEUREN130Zelfs opoe Ramesz leek ervan te schrikken en greep met beide handen naar haar oren. De bakker laadde het overgebleven brood uit de wagen en joeg het paard naar de wei. Voor hem zat de dagtaak erop. Ook de slager sloot de deur van zijn winkel en droeg het vlees uit de toonbank naar de kelder.

Daarna deed hij de stal op slot, waarin hij de biggen had ondergebracht die de volgende dag de varkenshemel in zouden gaan. Hij haalde een fles bier uit de keuken en ging op de stoep voor zijn winkel zitten uitblazen, zijn schort nog voor, zijn kleding onder de bloedvlekken. Alleen opoe Ramesz bracht nog wat leven op het plein door zo nu en dan op haar stoofje te stampen. Ze bracht meer vrolijke geluiden voort dan anders. Ze leek plotseling veel plezier in het leven te hebben. Meer dan de vier kaarters die nu te dronken waren om nog te kunnen spelen en die versuft in hun stoelen hingen en op hun kleren kwijlden. De oude mannen wisten van de wereld geen kwaad meer. Voelden zich nauwelijks nog aanwezig op het plein. En hadden er helemaal geen idee van dat dicht bij hen een kind op sterven lag. De jongen was wakker geworden door het rammelen van de bakkerskar. Hij huilde. De kraaien, die hier en daar een praatje stonden te maken, keerden terug naar het bed. Ze zagen dat hij rochelde en bloed spuwde. De witte sprei zat onder de rode vlekken. Dat wekte de ergernis van de vrouwen op. De jongen bezorgde hun veel hoofdbrekens. Hij hoorde er netjes bij te liggen, al lag hij dan op sterven. Ook het oog wilde wat. En daarom verschoonden ze voor de zoveelste keer zijn lakens. In Solde hoorde men proper te sterven, zelfs zo’n bengel van een jongen.

De boeren kwamen thuis van het land. Ze reden hun karren de schuren in en stapelden de zakken aardappels op. Anderen dreven hun koeien naar de pomp. Traag sjokten de dieren naar de drinkgoot, moe en lusteloos alsof ze het leven ook maar moesten uitdienen. Net of ze er weet van hadden dat ze ooit, in moten verdeeld, in de winkel van slager Azurri zouden eindigen. Zelfs het koele water bleek niet bij machte de duistere voorgevoelens uit hun koppen te verdrijven. Ze hieven hun staart op, plaatsten hun achterpoten uit elkaar en zeikten terwijl ze hun pensen vol zopen. Daarna liepen ze uit zichzelf naar de stallen, waar ze werden gemolken en aan kettingen werden gelegd. Plotseling zag Kaffa dat een van de koeien vreemd met haar kop draaide, door de benen zakte en met het schuim op de bek op de grond viel. Kaffa liet zijn mes vallen, rende naar de koe en knielde erbij neer. De tong hing uit de bek. De ogen draaiden. Ook de slager zag dat de koe het te kwaad had. Wat mankeerde dat beest? Mond-en-klauwzeer? Miltvuur? Azurri zag het met welgevallen. De koe was reddeloos verloren, ook al zou de boer al het mogelijke doen om het dier op te lappen. Een koe die erbij ging liggen, had zich al overgegeven aan de dood. Met een kennersblik schatte de slager dat het beest nog enkele dagen te leven had. Wellicht zou hij het al eerder onder het mes krijgen. Voor een koopje. Als boeren hem vee aanboden dat spoedig dood zou gaan, kon hij best een stuk onder de prijs betalen. Ze konden er toch nergens anders mee heen. Met een ziek dier was niet te leuren. De boer, die blijkbaar nog niet wilde weten dat de koe verloren was, knuppelde het dier genadeloos overeind en sloeg het de stal in. Na hun werk wasten de mannen zich bij de pompbak. Ze waren moe. Het koele water friste hen op. Ze praatten opgewekt. Dagelijkse praat over de oogst, de beesten, de prijs van de melk, en vooral de droogte die het maar niet liet afweten. Ze letten niet op het zieke kind dat hun luidruchtige taal goed kon horen maar niet meer de betekenis ervan begreep. Niemand kon het die boeren kwalijk nemen dat ze weinig interesse voor de jongen toonden. Tenslotte lag hij al weken zo. En wie zei dat hij doodging?

Ton van Reen: Landverbeuren (57)
wordt vervolgd
fleursdumal.nl magazine

More in: - Landverbeuren, Reen, Ton van


Ton van Reen: nieuw roman DE LICHTVERKOPER

dominic maastr01

photo fleursdumal magazine

TON VAN REEN

NIEUWE ROMAN DE LICHTVERKOPER

Op donderdag 14 maart wordt de roman DE LICHTVERKOPER van Ton van Reen ten doop gehouden bij Boekhandel Dominicanen/Selexyz in Maastricht.

Maastricht in het jaar 1873. De twaalfjarige Casper Marres woont in de Cité Ouvrière, het mensenpakhuis dat grootindustrieel Petrus Regout voor arbeiders van zijn fabrieken heeft laten bouwen, dicht bij hun werk. Hoewel iedereen in het gezin Marres werkt, komen ze toch nauwelijks rond. De schatrijke Regout en de andere fabrieksdirecteuren worden in hun liberale overtuigingen gesteund door behoudende geestelijken die de arbeiders leren dat de macht wordt geschonken door God en dat de armen de rijken moeten accepteren.

Ton van Reen schreef dit boek om stem te geven aan de mensen die het slachtoffer waren van de hebzucht van de kleine groep industriëlen die kapitalen verdienden over de ruggen van hun arbeiders en hun gezinnen.

DE LICHTVERKOPER  verscheen vanaf 1 december tot 16 maart als dagelijks feuilleton in Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad.

Programma:

-Welkomstwoord door locatiemanager Ton Harmes van Dominicanen/Selexyz

-Vraaggesprek over het boek met Ton van Reen door de Maastrichtse schrijfster Emma Crebolder

-Gesprek met Louis Sohl, nazaat van de fotografenfamilie Sohl

-Woord Huub Paulissen, hoofdredacteur van Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad

-Aanbieding eerste boeken door Huub aan Louis Sohl en Ton van Reen

-Ton beantwoordt eventuele vragen uit het publiek en signeert de boeken.

Aanvang: 19.30 uur

Adres: Boekhandel Dominicanen/Selexyz

Dominikanerkerkstraat 1, 6211 CZ Maastricht

Tel: 043-3040130   e: klantenservice.dominicanen@selexyz.nl

Voor vragen aan de uitgever:  Pieter Jan Engelen, Manager Oplage Media Groep Limburg: p.engelen@mgl.nl  Uitgever: Mooi Limburgs Boekenfonds, onderdeel van Media Groep Limburg

DE LICHTVERKOPER: ISBN 978-90-8596-090-4

In de boekenweek signeert Ton van Reen ook bij Boekhandel Bruna Helden-Panningen  (vrijdag 15 maart, van 19.30 tot 21.00 uur), Boekhandel Leeskunst Kerkrade (donderdag 21 maart, van 19.00 tot 21.00 uur) en bij Boekhandel Koops Venlo (zaterdag 23 maart, van 14.00 tot 16.00 uur)

fleursdumal.nl magazine

More in: Reen, Ton van, Ton van Reen


Ton van Reen: Jef van Kempen houdt van gedichten

tonvanreen kempen00

Ton van Reen

Jef van Kempen houdt van gedichten

 

Jef van Kempen houdt van gedichten.

Hoe is dat zo gekomen?

Lang geleden las Jef het gedicht DE MUS van Jan Hanlo. Hij las en beluisterde het goed.

Hij hoorde dit:

 

DE MUS

Tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

 

tjielp

etcetera.

 

Let op: het woord ETCETERA hoort bij het gedicht.

Dit etcetera betekent: eindeloos.  Het gedicht DE MUS is dus een eeuwigdurend gedicht, dat overgaat van mus op mus.

tonvanreen kempen01 

Toen Jef het gedicht driemaal had gehoord, besloot hij vooral een vervolg te geven aan het laatste woord van het gedicht: etcetera.

Hij schafte vogeltjes aan om ten eeuwigen dage het gedicht van Jan rond te horen zingen.

Dat is nou eens een lesje leren uit de literatuur.

Etcetera, met een mensenleven lang durend vervolg op het getjielp.

Toevallig ben ik erachter gekomen waarom Jan Hanlo dit gedicht schreef.

In de donkere jaren van de wederopbouw na de oorlog gaf Jan les in de Engelse taal aan het instituut Schoevers voor aankomende secretaresses. En als het zo uitkwam gaf hij ook les in boekhouden.

Nu denken veel  mensen dat zo’n bestaan voor een dichter vreemd is, maar het karakter van Jan Hanlo een beetje kennend, ik heb hem vaak meegemaakt, begrijp ik heel goed dat hij als dichter het dichtst bij zichzelf was als hij zijn kop vrij had in gebondenheid. De baan als leraar Engels en boekhouden beviel hem, omdat het zo absurd was. Tegen mijn achterneef Peter van Reen, illustrator en tekenaar bij de krant Het Volk, met wie hij bevriend was,  zei hij dat alleen structuur het leven zinvol maakte.

Ten tijde van zijn gevangenschap in de klas en de leerlingen debet en credit leerde, moet hij ook naar buiten hebben verlangd. Vaak moet hij mussen aan het schoolraam hebben horen tjielpen en dat moet een zeker verlangen  naar vrijheid hebben opgeroepen.

Terwijl hij de leerlingen sommen liet maken,  luisterde hij naar de mus en, altijd op zoek naar structuur, zocht hij naar de structuur van het getjielp van het levenslied van de mus op de vensterbank van het klaslokaal.

Hij noteerde de klanken en hoorde zeven varianten, die eindeloos herhaald werden. Dat bracht hem ertoe het woord etcetera toe te voegen aan het klankgedicht over de mus.

Hij was blij, want hij had de structuur betrapt in het gezang van de mus.

Het bleek hem dat de mus niet zomaar wat zong, maar zichzelf oneindig bleef herhalen. Die eeuwige herhaling vatte hij samen in het woord etcetera.

tonvanreen kempen02

Nu denken velen dat Jan Hanlo een liefhebber van vogels was. Dat was niet zo.

Als hij tijdens zijn lessen aan het Schoeversinstituut, naar buiten kijkend   een kraai op een grasveld zou hebben gezien, had hij mogelijk het volgende gedicht geschreven:

 

Ka ka ka, kaka, krrr krrr , ka

krrr ka, ka krrr,

ka ka ka ka, krrrr , ka ka

krrr krrr krrr, ka

kaka, kaka, krrr, kaka, ka

kakaka, krrr ka, kakakaka, ka

 

ka

etcetera

 

Jef, die in de loop der jaren heeft geleerd om met vogels te praten zou dit gedicht als volgt hebben vertaald:

 

Wat doet die hond op ons grasveld

hij jaagt ons weg, die hond hoort hier niet

wat doet die hond, jaag hem weg

jaag hem de bomen in

die hond hoort hier niet, het gras is van ons

jaag hem de bomen in

wat doet die hond op ons gras

jaag hem weg

jaag hem de bomen in.

wat doet die hond op ons grasveld

 

wat?

etcetera

 

Zo is dus niet de kraai maar de mus heel toevallig in de Nederlandse literatuur terechtgekomen, maar had voor hetzelfde geld een kraai het onderwerp van een beroemd gedicht kunnen worden. Het had niet uitgemaakt. Het gedicht blijkt vooral bekend te zijn gebleven door het woord etcetera. Het ging Jan Hanlo in deze alleen om het woord etcetera.  Heel tevreden schreef hij dat op, omdat hij de structuur  van het vogelliedje had gevonden en hij begreep dat het gedicht eindeloos zou blijken te zijn.

tonvanreen kempen03

Waarom was Hanlo zo uit op structuur? Waarom dwong hij zichzelf om alles wat hij deed gestructureerd aan te pakken? Tijdens mijn bezoeken aan Hanlo in het poorthuisje in Valkenburg, waar hij woonde in een eenkamervertrek, heb ik dat ontdekt. Hij legde zichzelf structuur op omdat hij geheel ongestructureerd was. En elke keer was hij blij om te ontdekken hoe anderen, in dit geval een mus, structuur aanbrachten in hun leven. Dat was ook de reden waarom hij in een piepklein huisje woonde. Een huis met meerdere vertrekken kon hij niet aan. Hij moest altijd alles onder handbereik hebben. Dat er zich spullen in andere vertrekken zouden bevinden, spullen die hij niet kon zien, was te veel van hem gevraagd.

Door zijn altijddurende jacht naar structuur beperkte hij zijn omgeving tot een steeds kleinere woonomgeving. In dat eenkamerwoninkje moest alles aanwezig zijn. Ook zijn motor.

Een andere reden om structuur aan te brengen was zijn armoe. Hij was zo arm als een rat. Wel beroemd in kleine kring, maar al heel lang zonder werk en af en toe vijf gulden vangend voor een gedicht in een literair tijdschrift. Het Fonds voor de Letteren bestond nog niet. Armoe dwong hem om heel gestructureerd met zijn geld om te gaan.

Waarom deze inleiding  over Jan Hanlo als ik praat over het werk van Jef van Kempen?

Er moeten enkele dingen worden rechtgezet.

Jefs lievelingsgedicht is het gedicht De Mus van Jan Hanlo. Maar  Jef heeft altijd gedacht dat Jan het gedicht heeft geschreven uit liefde voor de mus.

Niets is minder waar.  Zaten er mussen op de vensterbank van zijn woninkje, dan joeg hij ze weg met een nijdig getik tegen het raam.

Het was Jan enkel en alleen te doen om het woord ETCETERA.

Herhaling van altijd hetzelfde: dat was structuur, dat was de structuur die hij voor zichzelf zocht.

Jef hoorde bij het lezen van het gedicht DE MUS inderdaad  een tjielpende mus.  En dacht dat Hanlo door dat ETCETERA het getjielp van de mus oneindig had willen horen. Waardoor het Jefs lievelingsgedicht werd omdat hij zelf ook oneindig naar het zingen van vogeltjes wilde luisteren. Om het gedicht van Jan Hanlo eindeloos te kunnen horen, schafte hij vogeltjes aan en zette zijn kleine tuin vol met vogelkooien om eindeloos het gedicht DE MUS te kunnen horen.

Vinken, sijsjes, paradijsvogeltjes, ik heb geen idee hoe die vogeltjes allemaal heten,  maar vanaf de ontdekking van het gedicht DE MUS werd en wordt er in de kleine tuin van Jef dag en nacht, ETCETERA, gezongen.

tonvanreen kempen04 

Dames en heren, de inspiratie van een dichter kan uit onverwachte bronnen komen.  

Jef ging verder dan Jan Hanlo. Niet alleen de vogeltjes en hun gezang boeien Jef, hij luistert naar de taal die zijn vogeltjes zingen. Naar de tekst van het vogellied. Vaak zit hij uren voor het hok, met een blocnote op schoot, te luisteren en streepjes te zetten. De dichter Jef van Kempen is de notulist van vogelcomposities.

Jef heeft ontdekt dat de taal van de vogels ingewikkeld is, maar ook dat er een bepaalde ordening in zit die lijkt op poëzie.

Dat eenmaal ontdekt hebbende blijkt dat, nu zijn verzamelde gedichten verschijnen, de meeste van zijn gedichten zijn ontstaan uit de aanzetten die hij heeft gemaakt in zijn blocnote met aantekeningen van het vogelgefluit in zijn tuin.

Om die vogeltjesteksten voor mensen zichtbaar  en hoorbaar te maken, heeft Jef er mensenwoorden bij gevonden, zoals bij het gedicht van de kraaien die de hond op hun grasveld de boom in willen jagen Jef weet de vogeltjesteksten te vertalen naar het menselijk oor.

In aanzet zijn dus al zijn gedichten een vertaling van vogeltjesgefluit.

Zo blijkt dat Jef een dichter is geworden door het eindeloze woord  ETCETERA van Jan Hanlo, die met dat woord een gedicht met eeuwigheidswaarde schiep.

Blij door het vertalen van de vogelliedjes in gedichten, ging Jef op zoek naar vergelijkingsmateriaal. Hij ontdekte de ene na de andere dichter die, elk op een eigen manier, de taal van vogels, olifanten, zebra’s en andere spraakmakende dieren opving en bewerkte voor het menselijk oor.

Er ontstond een grote collectie poëzie in huize Van Kempen, tot de kasten ervan uitpuilden. Jef besloot de gedichten die hij in zo’n prachtige vertalingen uit de meest uiteenlopende talen vond, uit te venten naar anderen.

Kortom, hij wilde anderen deelgenoot maken van het ETCETERA van Jan Hanlo.

Zo ontstond zijn weblog KEMPIS.nl.

In alle talen van de wereld  vind je op zijn weblog gedichten van poëten, die net als Hanlo op zoek zijn naar iets wat aanvankelijk niet te begrijpen is, maar door de vertaling of de hertaling van de dichter begrijpelijk wordt.

Hanlo, die van kind af aan verdwaald was in het bestaan, was op zoek naar structuur in zijn leven. Pierre Kemp, altijd in het zwart gekleed, was juist op zoek naar kleur ter compensatie van zijn zwart gemoed. Vinkenoog  was op zoek naar de structuur van het telefoonboek, omdat hij met alle mensen in de wereld in gesprek wilde blijven. Rilke was altijd op zoek naar de geluiden van de liefde.

Elke dichter blijkt op zoek te zijn naar iets dat aanvankelijk voor hem geheimzinnig is en dat hij wil bewoorden, waardoor hij er vertrouwd mee raakt.

Zo is Jef de verklanker geworden van de vogeltjestaal, maar ook van de taal van zijn omgeving. En dat is, in de ruimste zin, de stad Tilburg.

Ik  besluit met een gedicht uit de bundel van Jef dat hij ook zelf heeft terugvertaald naar de taal van de vogels:

 

LANDSCHAP

Duizend kraaien

in de oude berk

tekenen

de grijze lucht

 

Deze leegte

had ik

niet vermoed

 

En nu het gedicht zoals het door Jef aan de vogels wordt verteld:

 

Bliep bliep tjiep, rrrrr

tjielp tjielp piep

piep piep piep piep

tjielp piep piep

rrrrr rrrrr piep tjielp piep

pieppiep rrrrrrr

hiep hiep tjielp piep

pieppiep piep rrrrrrrr

 

piep

etcetera

 

Zo vertelt Jef in de in hem opkomende gedichten aan de Tilburgse vogeltjes. De vogeltjes die in zijn tuintje zitten, de vogeltjes in het struikgewas rond de Hasseltse Kapel,  het vogeltje dat doorklinkt in het gefluit van een vrolijke student op de fiets op weg naar school.

Kortom, voor al het gezang en getjielp dat Tilburg heet.

Jef heeft goed naar Jan Hanlo geluisterd. Hij heeft goed naar de vogeltjes geluisterd.

Wie Jef door Tilburg ziet dwalen en hem vreemde klanken hoort uitstoten, moet niet denken dat hij gek geworden is. Hij communiceert met de vogels.

 

ETCETERA. En dat nog vele jaren.

tonvanreen kempen05

Op zondag 16 december 2012 vond in Boekhandel Livius in Tilburg de presentatie plaats van de nieuwe bundel van Jef van Kempen: Laatste bedrijf. Een keuze uit de gedichten 1962-2012. Op die bijeenkomst ontving Jef van Kempen uit handen van burgemeester Peter Noordanus de grote zilveren legpenning van de gemeente Tilburg voor zijn verdiensten op het gebied van literatuur en cultuur. Ton van Reen las zijn verhaal: ‘Jef van Kempen houdt van gedichten’ voor.

Jef van Kempen: Laatste Bedrijf. Een keuze uit de gedichten 1962-2012. Uitgeverij Art Brut – ISBN: 978-90-76326-06-1 / 68 pag. – 12,50 euro – geïllustreerd, 24×15 cm / Gedichten en illustraties van Jef van Kempen / Vormgeving Michiel Leenaars / In de bundel zijn tevens een aantal bijdragen opgenomen van Julia Origo, Monica Richter en J.A. Woolf.

Foto’s: Hans Hermans, Joep Eijkens, Peter IJsenbrant

kempenjefv laatstebedrijf 31

fleursdumal.nl  m a g a z i n e

More in: Jef van Kempen, Kempen, Jef van, Reen, Ton van, Reen, Ton van


Ton van Reen gedicht: vannacht

Ton van Reen

vannacht

 

Vannacht

zijn wij

over het ijs gelopen

 

er was

een vale maan

die traag

langs zijn koude licht

naar beneden schreed

 

jouw mistige adem

tekende draden

over je bedroomd

gezicht

schiep een waaiend

mozaïek

van zomaar

bij elkaar gezette

brandende

kaarsen

 

daartussen leek het

of de haren

rond je ogen

in kool getekend waren

 

de maan werd

een zware magneet

die de ijzeren deuren

 

in mijn hart

opentrok

 

later

heb ik jou

over de schuimsneeuwen

drempel van mijn huis

gedragen

 

Uit: Ton van Reen, Blijvend vers, Verzamelde gedichten (1965-2007). Uitgeverij De Contrabas, 2011, ISBN 9789079432462, 144 pagina’s, paperback

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen gedicht: zwarte waakvogels

Ton van Reen

zwarte waakvogels

 

Zwaluwen in zwarte vechterspakken

schieten als speren door de lucht

drijvend op hun vleugels

houden ze de akkers in het oog

moedig als mannen waken ze over de oogst

 

Afgeschoten als pijlen

scheren ze over de bomen

en duiken laag over de paden

hun scherpe vleugels

snijden de toppen van de daken

 

Vertrouwd met het dorp

bouwen ze hun harde nesten

onder de dakranden van de hutten

waar ze samenhokken

met de zielen van de voorouders

 

Uit: Ton van Reen, Blijvend vers, Verzamelde gedichten (1965-2007).

Uitgeverij De Contrabas, 2011, ISBN 9789079432462, 144 pagina’s, paperback

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID. (5) Een winterverhaal

Ton van Reen

EEN NOG SCHONERE SCHIJN VAN WITHEID

Een winterverhaal

5

 “Alles mag je weten,” zei grootmoeder, “maar jongens hebben soms geheimen.”

  “Dus het ging over jou,” zei moeder opgelucht, omdat alles wat wij te vertellen hadden, terwijl zij buiten met de lakens vocht, niets met haar van doen had. “Ik dacht al dat het over mij ging. Ik zag wel dat jullie me uitlachten.”

  “We zouden niet durven,” zei grootmoeder.

  Mijn moeder pakte de kam en liep naar haar slaapkamer om haar verwaaide haren te kammen. Wij bleven stil wachten. Wij wisten wat het betekende, vooral als het lang duurde. Soms zag ik mijn moeder als de deur van haar slaapkamer openstond en ze voor de spiegel van de commode zat, soms wel tien minuten. Dan was het altijd alsof ze haar haren kamde voor de grote en sprekende foto van mijn zo vroeg gestorven vader, wiens foto ze zo naar de spiegel had gekeerd dat het was of hij naar haar keek. Het leek alsof ze het voor hem deed. Ze maakte zich mooi voor hem. Door een kier van de deur bleef ik kijken, ademloos. En als ik wist dat zij wist dat ik er stond, liep ik fluitend of zingend naar beneden, spelend dat ik niets had gezien, maar de tranen stonden dik in mijn keel van ontroering.

  “Je mag alles weten, mam,” zei ik, toen ze terugkwam in de keuken, haar haren mooi alsof ze naar de kerk ging. “Maar je weet alles al.”

  “Ja, ik weet alles,” zei ze, kijkend naar de lakens die zacht als was waren geworden.

  Ik liep naar buiten, net of ik naar de konijnen ging kijken, tenslotte wist ik dat van kinderen werd verwacht dat ze zich groot hielden en dat ze nooit klein moesten zijn. Ik speelde dat ik naar de wolken ging kijken, die misschien sneeuw zouden brengen. Of misschien liep ik gewoon naar buiten omdat kinderen soms buiten moeten zijn. Ik zweer het, kinderen moeten soms naar buiten geschopt worden, omdat geen mens snapt wat er in hun hoofden omgaat. Buiten kunnen ze pas alleen zijn. En ze weten dat daarbinnen de anderen over hen praten. Maar of grootmoeders en moeders echt iets van hun kinderen snappen, betwijfel ik.

  Ik zweer het, als ik nu naar binnen zou gaan op fluistervoeten, in de sokken die mijn grootmoeder voor me heeft gebreid, zal ik horen dat ze over mij praten, grootmoeder en moeder. Maar ik mag het niet horen omdat wat ze zeggen niet voor mijn oren bestemd is en omdat het tegen de spelregels is. Ik loop buiten alleen maar wat rond om de tranen in mijn ogen te laten bevriezen. En er valt genoeg te lachen. Ik hoor de arbeiders van de steenfabriek met hun gore moppen waar ik geen bal van snap, maar die toch heel lollig moeten zijn.

  Ik moet sterk zijn. Want straks komen mijn broers thuis. Ze moeten echt niet denken dat ik een hamster of een hond ben, alleen maar omdat ik een beetje verdrietig ben. Ik begin met terugslaan. Ik sla ze gewoon op hun kop. Ik weet alles.

EINDE

Het verhaal Een nog schonere schijn van witheid van Ton van Reen werd uitgegeven op 26 februari 2012 in opdracht van De Bibliotheek Maas en Peel, ter gelegenheid van de heropening van de bibliotheek in Maasbree. Teksten uit het verhaal zijn aangebracht op glazen wanden.

© Ton van Reen

 

Proza van Ton van Reen:

Geen oorlog roman

De moord novelle

De gevangene novelle

Lachgas roman

Landverbeuren roman

De zondvloed novelle

Katapult, de ondergang van Amsterdam roman

Bevroren dromen roman

Het diepste blauw roman

Concert voor de Führer roman

Het winterjaar roman

In het donkere zuiden verhalen

Thuiskomst novelle

Roomse meisjes roman

Zomerbloei novelle

Wie zo van vrouwen houdt verhaal

Gevallen ster roman

Brandende mannen roman

De bende van de bokkenrijders roman 12+

Gestolen jeugd roman 12+

Vlucht voor het vuur jeugdroman

Dwars door het glas jeugdroman

Voor meer informatie: www.tonvanreen.nl

 

kempis.nl poetry magazine

More in: Archive Q-R, Reen, Ton van, Ton van Reen


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature