In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Shakespeare

· William Shakespeare: Sonnet 152 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld · William Shakespeare: Sonnet 148 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld · William Shakespeare: Sonnet 146 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld · William Shakespeare: Sonnet 145 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld · William Shakespeare: Sonnet 143 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld · William Shakespeare: Sonnet 132 (Vertaling Cornelis W. Schoneveld) · William Shakespeare: Sonnet 130 (vertaling Cornelis W. Schoneveld) · William Shakespeare: Sonnet 129 (vertaling Cornelis W. Schoneveld) · Shakespeare Sonnet 123 vertaald door Cornelis W. Schoneveld · Shakespeare: Sonnet 30 vertaald door Cornelis W. Schoneveld · Shakespeare Sonnet 18 vertaald door Cornelis W. Schoneveld · William Shakespeare: Sonnet 116 in de nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld

»» there is more...

William Shakespeare: Sonnet 152 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld

 

William Shakespeare

Sonnet 152

In loving thee thou know’st I am forsworn,

But thou art twice forsworn to me love swearing;

In act thy bed-vow broke and new faith torn,

In vowing new hate after new love bearing;

 

But why of two oaths’ breach do I accuse thee,

When I break twenty? I am perjured most,

For all my vows are oaths but to misuse thee,

And all my honest faith in thee is lost.

 

For I have sworn deep oaths of thy deep kindness:

Oaths of thy love, thy truth, thy constancy,

And to enlighten thee gave eyes to blindness,

Or made them swear against the thing they see.

 

For I have sworn thee fair: more perjured eye,

To swear against the truth so foul a lie.

 

William Shakespeare

Sonnet 152

Liefde voor jou maakt, weet je, dat ik loog,

Maar jij loog dubbel met jouw liefdes-eden:

Je bed-eed brak je en nieuwe trouw vervloog,

Met liefde nieuw gebaard, en nieuwe haat beleden;

 

Maar mag ‘k om dubbele eedbreuk jou beleren,

Als ik er twintig breek? Mij treft meer schuld,

Want iedere eed dient slechts om jou te onteren,

En mijn geloof in jou werd nooit vervuld.

 

Want diep vertrouwde ik op jouw mededogen,

Bezwoer je liefde, trouw, standvastigheid,

En schonk voor licht in jou aan blindheid ogen,

Of dwong hun blind te zijn voor zichtbaarheid.

 

Mijn eed bood jou verschoning: meineed oog,

Dat jij de waarheid zo vervuild beloog!

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld

(dec. 2012)

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare


William Shakespeare: Sonnet 148 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld

William Shakespeare

(1564-1616)

THE SONNETS

 

Sonnet 148

O me! what eyes hath love put in my head,

Which have no correspondence with true sight,

Or if they have, where is my judgment fled,

That censures falsely what they see aright?

 

If that be fair whereon my false eyes dote,

What means the world to say it is not so?

If it be not, then love doth well denote,

Love’s eye is not so true as all men’s: no,

 

How can it? O how can love’s eye be true,

That is so vexed with watching and with tears?

No marvel then though I mistake my view,

The sun it self sees not, till heaven clears.

 

O cunning love, with tears thou keep’st me blind,

Lest eyes well-seeing thy foul faults should find.

 

 

Sonnet 148

O liefde! wat doe jij mijn ogen aan,

Die niet meer meezien met het ware zicht,

Of wat heb je anders met mijn brein gedaan,

Dat wat zij juist zien van bedrog beticht?

 

Is ’t zuiver, waar mijn valse oog mee dweept,

Waarom is ’t gros het daar dan niet mee eens?

Is ’t vals, dan wordt door liefde onderstreept

Dat ’t liefdesoog meer dwaalt dan iedereens:

 

Hoe nu? Geeft waarheid licht in ’t liefdesoog,

Zo zeer door tranen en gestaar belaagd?

Niet vreemd dan, als mijn inzicht mij beloog,

De zon is ook blind, tot een blauw zwerk daagt.

 

O sluwe liefde, jij houdt mij met tranen blind,

Opdat geen welziend oog jouw streken vindt.

 

Vertaling Cornelis W. Schoneveld

(november 2012)

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare, Shakespeare, William


William Shakespeare: Sonnet 146 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld

 

William Shakespeare

Sonnet 146

Poor soul the centre of my sinful earth,

My sinful earth, these rebel powers’ array,

Why dost thou pine within and suffer dearth

Painting thy outward walls so costly gay?

 

Why so large cost having so short a lease,

Dost thou upon thy fading mansion spend?

Shall worms inheritors of this excess

Eat up thy charge? is this thy body’s end?

 

Then soul live thou upon thy servant’s loss,

And let that pine to aggravate thy store;

Buy terms divine in selling hours of dross;

Within be fed, without be rich no more,

 

So shall thou feed on death, that feeds on men,

And death once dead, there’s no more dying then.

 

William Shakespeare

Sonnet 146

Mijn ziel, arm centrum van mijn zondige aard’,

Mijn zondige aard’, rebelse macht vol strijd,

Waarom kwijn je van binnen, niets meer waard,

Je gevel duur beschilderend in vrolijkheid?

 

Waarom verdoe je voor zo’n korte huur

Fortuinen aan je villa in verval?

Erven de wormen eens jouw last zo duur?

Is’t voer voor hen dat jouw lijf bieden zal?

 

Ziel, leef dan op ’t  verlies van jouw vasal,

Vermager hem, verzwaar ermee je buit;

Koop eeuwen tijd, verkoop elk uur’s verval;

Voed je innerlijk, gun je uiterlijk geen duit,

 

Dan voedt de dood jou, die de mens verzwelgt,

Sterft dan de dood,  is ’t sterven ook verdelgd.

 

Vertaling Cornelis W. Schoneveld

(oktober 2012)

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare


William Shakespeare: Sonnet 145 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld

William Shakespeare

 

Sonnet 145  (1)

Those lips that Love’s own hand did make,

Breathed forth the sound that said ‘I hate’

To me that languished for her sake:

But when she saw my woeful state,

 

Straight in her heart did mercy come,

Chiding that tongue that ever sweet,

Was used in giving gentle doom:

And taught it thus anew to greet:

 

‘I hate’ she altered with an end,

That followed it as gentle day,

Doth follow night who like a fiend

From heaven to hell is flown away.

 

‘I hate’ from hate away she threw,

And saved my life saying ‘not you’.

 

Sonnet 145

Die mond, door Liefde zelf bedacht,

Blies een geluid, dat sprak ‘ik haat’

Tot mij, die kwijnend naar haar smacht.

Maar, ziende op mijn  droeve staat,

 

Beving genade prompt haar hart;

Boos op die tong, altijd zo zoet,

Die mild verdoeming was gestart,

Dicteerde z’ hem een nieuwe groet:

 

Ze gaf ‘Ik haat’ een ander slot,

Dat volgt zoals een milde dag

Volgt op een nacht die als anti-god

Uit d’ hemel helwaarts vluchten mag,

 

Haat in ‘ik haat’ verwierp ze gauw,

En spaarde mij met haar ‘niet jou’.

 

Vertaling Cornelis W. Schoneveld (oktober 2012)

[1] Het opmerken waard is, dat dit van Shakespeare’s 154 sonnetten het enige is dat acht letergrepen per regel telt, in plaats van de 10 welhaast voorgeschreven door gehele Engelse sonnet traditie heen.

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare


William Shakespeare: Sonnet 143 in een nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld

William Shakespeare

 

Sonnet 143

Lo as a careful huswife runs to catch

One of her feathered creatures broke away,

Sets down her babe and makes all swift dispatch

In pursuit of the thing she would have stay:

 

Whilst her neglected child holds her in chase,

Cries to catch her whose busy care is bent,

To follow that which flies before her face,

Not prizing her poor infant’s discontent;

 

So run’st thou after that which flies from thee,

Whilst I thy babe chase thee afar behind,

But if thou catch thy hope turn back to me:

And play the mother’s part, kiss me, be kind.

 

So will I pray that thou mayst have thy Will,

If thou turn back and my loud crying still.

 

Sonnet 143

Zoals bezorgd een huisvrouw rennen gaat

Achter haar pluimvee aan als ’t haar ontvlucht,

Zo rap ze kan, en baby achterlaat,

Op zoek naar wat zich vrijvocht uit haar tucht:

 

Met het verwaarloosd kind achter zich aan,

Dat om haar aandacht krijst, als zij zich wijdt

Aan jacht op wat haar zicht dreigt te ontgaan,

Onaangeroerd door kleuter’s zieligheid;

 

Zo ren jij acherna wat jou ontsnapt,

En ik je peuter houd je lang niet bij:

Kom terug als je die taak hebt opgeknapt:

En speel de moederrol, wees lief, kus mij.

 

Zo zal ik bidden dat jouw Wil je zint,

Als jij mijn krijten stilt en mij hervindt.

 

Vertaling: Cornelis W. Schoneveld, sept 2012

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare


William Shakespeare: Sonnet 132 (Vertaling Cornelis W. Schoneveld)

William Shakespeare

Sonnet 132

 

Thine eyes I love, and they as pitying me,

Knowing thy heart torment me with disdain,

Have put on black, and loving mourners be,

Looking with pretty ruth upon my pain.

 

And truly not the morning sun of heaven

Better becomes the grey cheeks of the east,

Nor that full star that ushers in the even

Doth half that glory to the sober west

 

As those two mourning eyes become thy face:

O let it then as well beseem thy heart

To mourn for me since mourning doth thee grace,

And suit thy pity like in every part.

 

Then will I swear beauty herself is black,

And all they foul that thy complexion lack.

 

 

William Shakespeare

Sonnet 132

 

Ik heb jouw ogen lief, en zij uit deernis mij

Maar kwellen mij, jouw hart ziend als ontrouw;

Dus zwart gefloerst in liefde treuren zij,

Mijn pijn aanschouwend in hun fraaie rouw.

 

Voorwaar, de hemelzon in ochtendluister

Verlicht de grijze oostwang minder goed,

Ook wordt het westen dof in avondduister

Door Venus veel halfslachtiger begroet

 

Dan elk oog jouw gelaat met rouwen viert:

O, dat het evenzeer jouw hart bekoort

Voor mij te rouwen, daar zo’n rouw jou siert,

Waarmee elk deel je deernis toebehoort.

 

Dan zweer ‘k dat schoonheid zelf met zwart verkeert, 

En elk als klad oogt die jouw kleur ontbeert.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld, juni 2012

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare


William Shakespeare: Sonnet 130 (vertaling Cornelis W. Schoneveld)

William Shakespeare

Sonnet 130

 

My mistress’ eyes are nothing like the sun,

Coral is far more red, than her lips red,

If snow be white, why then her breasts are dun:

If hairs be wires, black wires grow on her head:

 

I have seen roses damasked, red and white,

But no such roses see I in her cheeks,

And in some perfumes is there more delight,

Than in the breath that from my mistress reeks.

 

I love to hear her speak, yet well I know,

That music hath a far more pleasing sound:

I grant I never saw a goddess go,

My mistress when she walks treads on the ground.

 

And yet by heaven I think my love as rare,

As any she belied with false compare.

 

 

William Shakespeare

Sonnet 130

 

Geen zonlicht gloeit in ‘t oog van wie ik hou,

Nooit wordt haar liprood met koraal verward,

Is sneeuw soms wit, dan zijn haar borsten grauw,

Is hoofdhaar draad, dan zijn haar draden zwart;

 

Gevlamde rozen ken ik, rood en wit,

Maar haar wang toont geen roos die zo ontluikt,

Er zijn parfums waar zoeter geur in zit

Dan waar de adem van mijn lief naar ruikt.

 

Al houd ik van haar stem, ik zie goed in,

Muziekklank zweeft veel aangenamer rond;

‘t Is waar, gaan zag ik nooit nog een godin,

Als mijn lief wandelt treedt ze op de grond.

 

En toch, bij God, ik acht mijn lief zo hoog,

Als elke vrouw bedot met vals vertoog.

 

(nieuwe vertaling Cornelis W. Schoneveld, mei 2012)

kempis.nl poetry magazine

More in: -Shakespeare Sonnets, Shakespeare


William Shakespeare: Sonnet 129 (vertaling Cornelis W. Schoneveld)

William Shakespeare

 

Sonnet 129

The expense of spirit in a waste of shame

Is lust in action; and till action, lust

Is perjured, murderous, bloody, full of blame,

Savage, extreme, rude, cruel, not to trust;

 

Enjoyed no sooner, but despisèd straight;

Past reason hunted; and no sooner had,

Past reason hated, as a swallowed bait,

On purpose laid to make the taker mad;

 

Mad in pursuit, and in possession so;

Had, having, and in quest to have, extreme;

A bliss in proof and proved, a very woe;

Before, a joy proposed; behind, a dream.

 

All this the world well knows; yet none knows well

To shun the heaven that leads men to this hell.

 

Sonnet 129

Verzieking der ziel in schandelijk verval,

Dat is de daad der lust; lust tot de daad

Is meineed, bloeddorst, moord, bitterste gal,

Extreem, verwilderd, ruw, wreed, vol verraad;

 

Amper gesmaakt, of prompt al weer veracht;

Zinloos begeerd, de buik nog amper vol,

Of zinloos weer gehaat, want aangebracht

Als lokaas, maakt het hem die toehapt dol;

 

Dol in de jacht, en in verovering;

Hebbend, gehad, en hebberig: zonder toom;

Zalig de daad; gedaan, een zielig ding;

Ervoor, verwacht genot; erna, een droom.

 

Wel weet de wereld dit, maar weet niet wel

D’ hemel te mijden leidend naar die hel.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld, Bestorm mijn hart, (2008, pp. 53-55); herziening feb. 2012

kempis.nl poetry magazine

More in: -Shakespeare Sonnets, Shakespeare


Shakespeare Sonnet 123 vertaald door Cornelis W. Schoneveld

Shakespeare Sonnet 123

No! Time, thou shalt not boast that I do change,

Thy pyramids built up with newer might

To me are nothing novel, nothing strange,

They are but dressings of a former sight:

 

Our dates are brief, and therefore we admire,

What thou dost foist upon us that is old,

And rather make them born to our desire,

Than think that we before have heard them told:

 

Thy registers and thee I both defy,

Not wond’ring at the present, nor the past,

For thy records, and what we see doth lie,

Made more or less by thy continual haste:

 

This I do vow and this shall ever be,

I will be true despite thy scythe and thee.

 

Shakespeare Sonnet 123

Nee! snoeven dat ik wankel zal niet gaan,

O Tijd: jouw pyramides nieuw gebouwd–

Modern of vreemd doen zij mij heus niet aan,

Hun kruik mag nieuw zijn, maar hun wijn is oud;

 

Wij leven kort, en dus bewonderen wij

Wat jij ons opdist dat op leeftijd is,

En doen er wat gewild en jong is bij,

Veel liever dan oude geschiedenis;

 

Jou en je leggers, nooit door mij vertrouwd,

Bevraag ik niet voor ’t nu, noch voor het toen,

Want wat jij vastlegt en wij zien is fout,

Vergroot, verkleind, door ’t steeds gehaast te doen;

 

Dit zweer ik nu voor eeuwig: ik blijf trouw,

En dat ondanks je zeis en ondanks jou.

 

Vertaling Cornelis W. Schoneveld, april 2012

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare, Shakespeare, William


Shakespeare: Sonnet 30 vertaald door Cornelis W. Schoneveld

William Shakespeare Sonnet 30

When to the sessions of sweet silent thought

I summon up remembrance of things past,

I sigh the lack of many a thing I sought,

And with old woes new wail my dear time’s waste:

 

Then can I drown an eye (unused to flow)

For precious friends hid in death’s dateless night,

And weep afresh love’s long since canceled woe,

And moan th’ expense of many a vanished sight

 

Then can I grieve at grievances foregone,

And heavily from woe to woe tell o’er

The sad account of fore-bemoanèd moan,

Which I new pay as if not paid before.

 

But if the while I think on thee, dear friend,

All losses are restored and sorrows end.

 

 

William Shakespeare Sonnet 30

Daag ik ter zitting van gemijmer zoet

Herinnering aan zaken lang vergaan,

Dan zucht ik diep om wat ik missen moet,

En lijd nieuw leed om oude tijd verdaan.

 

Dan laat ik graag een traan (die niet gauw vloeit)

Om vrienden in hun doodsnacht zonder tijd,

Beween weer liefde mij al lang ontgroeid,

En treur om schuld door veel vergetelheid.

 

Dan klaag ik graag om een belegen klacht,

En tel bedrukt weer neer, van leed tot leed,

De droeve som van wat oud onheil bracht,

Die ‘k kwijt alsof ik die niet eerder kweet.

 

Maar denk ik dan aan jou, mijn liefste vriend,

Zijn tranen weg, verliezen terugverdiend.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld,

Bestorm mijn hart, (2008, p53),  herziening feb. 2012

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare, Shakespeare, William


Shakespeare Sonnet 18 vertaald door Cornelis W. Schoneveld

William Shakespeare Sonnet 18

Shall I compare thee to a summer’s day?

Thou art more lovely and more temperate.

Rough winds do shake the darling buds of May

And summer’s lease hath all too short a date;

 

Sometime too hot the eye of heaven shines,

And often is his gold complexion dimmed,

And every fair from fair sometime declines,

By chance, or nature’s changing course untrimmed;

 

But thy eternal summer shall not fade,

Nor lose possession of that fair thou ow’st,

Nor shall death brag thou wand’rest in his shade,

When in eternal lines to time thou grow’st:

 

So long as men can breathe or eyes can see,

So long lives this, and this gives life to thee.

 

 

William Shakespeare Sonnet 18

Zal ik je keuren als een zomerdag?

Veel kalmer en veel lieflijker ben jij.

Door ruige wind raakt meibloei teer van slag

En zomer’s pacht gaat al te snel voorbij;

 

Soms schijnt het oog van d’ hemel al te heet,

En dikwijls wordt zijn gulden blos gedempt;

Eens komt de tijd die aan de schoonheid vreet,

Door ’t lot, of wending der natuur ontstemd;

 

Maar, tijdloos, zal jouw zomer niet vergaan,

Noch jij onterfd zijn van zijn schoon domein,

Al snoeft de dood, jouw schim treft hij nooit aan,

Daar jij als tijdloos vers in groei zal zijn:

 

Zo lang de mensheid oog of adem heeft,

Zo lang leeft dit, dat aan jou leven geeft.

 

Vertaald door Cornelis W. Schoneveld,  (herzien feb. 2012)

kempis.nl poetry magazine

More in: Shakespeare, Shakespeare, William


William Shakespeare: Sonnet 116 in de nieuwe vertaling van Cornelis W. Schoneveld

William Shakespeare

(1564-1616)

The Sonnets

 

116

Let me not to the marriage of true minds

Admit impediments, love is not love

Which alters when it alteration finds,

Or bends with the remover to remove.

 

O no! it is an ever-fixed mark

That looks on tempests and is never shaken;

It is the star to every wandering bark,

Whose worth’s unknown, although his height be taken.

 

Love’s not Time’s fool, though rosy lips and cheeks

Within his bending sickle’s compass come,

Love alters not with his brief hours and weeks,

But bears it out even to the edge of doom.

 

If this be error and upon me proved,

I never writ, nor no man ever loved.

 

 

116

Laat mij het huwelijk van zielen trouw

Geen hinder toestaan: liefde is liefde niet

Die door een kentering zelf kenteren zou,

Of door de ruimer zich ooit ruimen liet.

 

O nee! Het is een baken dat steeds staat

En stormen ziend van wijken nooit wil weten;

De ster waar ’t zwervend schip zich op verlaat,

Peilloos, ofschoon zijn hoogte wordt gemeten.

 

De dwaas der Tijd is liefde niet, hoewel

Zijn zeis de rozenwang omcirkelen mag;

Geen krimp geeft liefde in Zijn kortstondig spel,

Maar houdt het uit zelfs tot de oordeelsdag.

 

Is dit onwaar en toont men mij dat aan,

Dan schreef ik niets, heeft liefde ook nooit bestaan.

 

(vertaling Cornelis W. Schoneveld, rev. feb. 2012)

kempis.nl poetry magazine

More in: -Shakespeare Sonnets, Shakespeare


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature