In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Coleridge

· Samuel Taylor Coleridge: Frost at Midnight (vertaling Cornelis W. Schoneveld)

Samuel Taylor Coleridge: Frost at Midnight (vertaling Cornelis W. Schoneveld)

Samuel Taylor Coleridge

(1772-1834)

 

Frost at Midnight

The Frost performs its secret ministry,

Unhelped by any wind. The owlet’s cry

Came loud – and hark, again! loud as before.

The inmates of my cottage, all at rest,

Have left me to that solitude, which suits

Abstruser musings: save that at my side

My cradled infant slumbers peacefully.

‘Tis calm indeed! so calm, that it disturbs

And vexes meditation with its strange

And extreme silentness. Sea, hill, and wood,

This populous village! Sea, and hill, and wood,

With all the numberless goings-on of life,

Inaudible as dreams! the thin blue flame

Lies on my low-burnt fire, and quivers not;

Only that film, which fluttered on the grate,

Still flutters there, the sole unquiet thing.

Methinks its motion in this hush of nature

Gives it dim sympathies with me who live,

Making it a companionable form,

Whose puny flaps and freaks the idling Spirit

By its own moods interprets, everywhere

Echo or mirror seeking of itself,

And makes a toy of Thought.

 

                                                 But O! how oft,

How oft at school, with most believing mind,

Presageful, have I gazed upon the bars,

To watch that fluttering stranger! and as oft

With unclosed lids, already had I dreamt

Of my sweet birthplace, and the old church tower,

Whose bells, the poor man’s only music, rang

From morn to evening, all the hot fair-day,

So sweetly, that they stirred and haunted me

With a wild pleasure, falling on mine ear

Most like articulate sounds of things to come!

So gazed I, till the soothing things, I dreamt,

Lulled me to sleep, and sleep prolonged my dreams!

And so I brooded all the following morn,

Awed by the stern preceptor’s face, mine eye

Fixed with mock study on my swimming book:

Save if the door half opened, and I snatched

A hasty glance, and still my heart leaped up,

For still I hoped to see the stranger’s face,

Townsman, or aunt, or sister more beloved,

My playmate when we both were clothed alike!

 

Dear Babe, that sleepest cradled by my side,

Whose gentle breathings, heard in this deep calm,

Fill up the interspersèd vacancies

And momentary pauses of the thought!

My babe so beautiful! it thrills my heart

With tender gladness, thus to look at thee,

And think that thou shalt learn far other lore,

And in far other scenes! For I was reared

In the great city, pent ‘mid cloisters dim,

And saw nought lovely but the sky and stars.

But thou, my babe! shalt wander like a breeze

By lakes and sandy shores, beneath the crags

Of ancient mountain, and beneath the clouds,

Which image in their bulk both lakes and shores

And mountain crags: so shalt thou see and hear

The lovely shapes and sounds intelligible

Of that eternal language, which thy God

Utters, who from eternity doth teach

Himself in all, and all things in himself.

Great universal Teacher! he shall mold

Thy spirit, and by giving make it ask.

 

Therefore all seasons shall be sweet to thee,

Whether the summer clothe the general earth

With greenness, or the redbreast sit and sing

Betwixt the tufts of snow on the bare branch

Of mossy apple tree, while the nigh thatch

Smokes in the sun-thaw; whether the eave-drops fall

Heard only in the trances of the blast,

Or if the secret ministry of frost

Shall hang them up in silent icicles,

Quietly shining to the quiet Moon.

1798

 

 

Samuel Taylor Coleridge

Vorst te middernacht

De vorst werkt stil aan zijn geheime taak,

Geen wind die daarbij helpt. Het uiltje gaf

Zijn luide roep – en hoor, weer! even luid.

Alle bewoners van mijn stulpje slapen nu,

En bieden mij afzondering, die past

Bij diepergaand gepeins: behalve dan

Dat naast mij kalm mijn wiegekindje rust.

Hoe vredig! Zo zeer, dat ‘t bezinning stoort

En tegenwerkt door buitensporige

En vreemde stilligheid. Zee, heuvel, bos,

Dit volk-rijk dorp! Zee, heuvel, bos,

Met al die grote drukte van ‘t bestaan,

Onhoorbaar als een droom! De dunne vlam

Dekt blauw mijn smeulend vuur, en wappert niet;

Maar ‘n film, die trillend op het rooster lag,

Trilt nu nog steeds, en stoort de rust alleen.

Medunkt die onrust in de stilte der natuur

Geeft het wat meegevoel met mij die leeft,

Waardoor zich ‘n deelgenootschap vormt,

En, sluimerend, de geest ‘t zwak fladderen

Door de eigen stemmingen verklaart, op zoek

Naar echo’s of een spiegel van zichzelf,

En spel maakt van gepeins.

 

                                    Maar O! hoe vaak,

Hoe vaak op school, in goedgelovigheid,

Staard’ ik met voorgevoel de spijlen aan,

En zag die fladderende vreemde! * Vaak

Ook had ik, d’ ogen open, zoet gedroomd

Van waar mijn wieg stond, van de kerkklok,

De enige muziek der arme man, die klonk

Van vroeg tot laat, de ganse, warme dag,

Zo lieflijk, dat het mij ontroerde en greep

Met wild plezier, en in mijn oren zonk

Als ‘t klinkklaar luiden van wat komen zou!

Zo staarde ik, tot ik kalmerend door die droom,

In slaap viel, en die droom weer langer werd!

Zo mijmerde ik de dag daarop nog door.

Mijn oog, bevreesd voor meester’s strenge blik,

Kleefde al spijbelend aan mijn drijvend boek:

Behalve als bij open deur, ik snel

Een blik wierp, en mijn hart weer opsprong,

Want steeds nog keek ik naar de vreemde uit,

Stedeling, tante, zuster meer geliefd,

Mijn makker, nog gelijk gekleed als ik!

 

Lief kindje, naast mij slapend in je wieg,

Wiens zachte adem, hoorbaar in de rust,

De leemtes en de korte pauzes soms

Verspreid in de gedachtenstromen vult!

Mijn kind, zo schoon! Het schenkt mijn hart

Een tere vreugd, als ik zo naar je kijk,

En weet dat jij veel, anders leren zult,

En in heel ander landschap ook! Want ik

Groeide gekloosterd als een stadskind op,

En zag aan schoons slechts sterren en de lucht.

Maar jij, mijn kind, zult zwerven als een bries

Aan meer en oever, onder aan de kloof

Van ‘n oude berg, en onder ‘t wolkendek,

Dat in zijn opbouw oever, meer, en kloof

Verbeeldt: zo zul je zien en horen ook

De liefelijke vormen en bevattelijke klank

Van die onsterfelijke taal, door God

Gesproken, die zich eeuwig onderwijst

In ‘t al, en alle dingen in Zichzelf.

De grote algehele Leraar! Hij boetseert

Je geest, and zorgt door geven dat die vraagt.

 

Daarom zal elk seizoen je dierbaar zijn,

Of nu de zomer heel de aarde kleedt

In ‘t groen, of ‘t roodborstje zit en zingt

Tussen de plekjes sneeuw op ‘n kale tak

Van een bemoste appelboom, terwijl

Het rietdak dampt in zonnedooi; of nu

Dakdruppels spetteren bij geluwde wind,

Of dat, door de geheime taak der vorst,

Ze onhoorbaar neerhangen als ijspegels,

In stilte schijnend naar de stille maan.

 

* Vreemde: de roetfilm die boven het rooster zweeft wordt “overal in het land vreemde genoemd en kondigt de komst van een afwezige bekende aan” (aantekening van Coleridge)

 

Vertaling Cornelis W. Schoneveld

Uit: Bestorm mijn hart, de beste Engelse gedichten uit de 16e-19e eeuw gekozen en vertaald door Cornelis W. Schoneveld, tweetalige editie. Rainbow Essentials no. 55, Uitgeverij Maarten Muntinga, Amsterdam, 2008, 296 pp, € 9,95 ISBN: 9789041740588

Kempis.nl poetry magazine

More in: Archive C-D, Coleridge, Coleridge, Samuel Taylor


Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature