In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Vondel, Joost van den

· Joost van den Vondel: Drie Lijkdichten · Joost van den Vondel: Domine, non est exaltatum · Joost van den Vondel: Tot Eere van den grooten Erasmus

Joost van den Vondel: Drie Lijkdichten

Joost van den Vondel

(1587 – 1679)
 

Kinder-lyck
 

Constantijntje, ‘t zaligh kijntje,

Cherubijntje, van om hoogh,

D’ydelheden, hier beneden,

Vitlacht met een lodderoogh.

Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy?

Waarom greit ghy, op mijn lijck?

Boven leef ick, boven zweef ick,

Engeltje van ‘t hemelrijck:

En ick blinck ‘er, en ik drincker,

‘t Geen de schincker alles goets

Schenckt de zielen, die daar krielen,

Dertel van veel overvloets.

Leer dan reizen met gepeizen

Naar pallaizen, uit het slick

Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.

Eeuwigh gaat voor oogenblick

 

 

 

Uitvaart van mijn dochterken


De felle Doot, die nu geen wit magh zien,

Verschoont de grijze liên

Zy zit om hoogh, en mickt met haren schicht

Op het onnozel wicht,

En lacht, wanneer in ‘t scheien,

De droeve moeders schreien.

Zy zagh ‘er een, dat, wuft en onbestuurt,

De vreught was van de buurt,

En, vlugh te voet, in ‘t slingertouwtje sprong;

Of zoet Fiane zong,

En huppelde, in het reitje,

Om ‘t lieve lodderaitje:

Of dreef, gevolght van eenen wackren troep,

Den rinckelenden hoep

De straten door: of schaterde op een schop:

Of speelde met de pop,

Het voorspel van de dagen,

Die d’eerste vreught verjagen:

Of onderhiel, met bickel en boncket,

De kinderlijcke wet,

En rolde en greep, op ‘t springend elpenbeen,

De beentjes van den steen;

En had dat zoete leven

Om geldt noch goet gegeven:

Maar wat gebeurt? terwijl het zich vermaackt,

Zoo wort het hart geraackt,

(Dat speelzieck hart) van eenen scharpen flits,

Te dootlick en te bits.

De Doot quam op de lippen,

En ‘t zieltje zelf ging glippen.

Toen stont helaas! de jammerende schaar

Met tranen om de baar,

En kermde noch op ‘t lijck van haar gespeel,

En wenschte lot en deel

Te hebben met haar kaartje

En doot te zijn als Saertje.

De speelnoot vlocht (toen ‘t anders niet moght zijn)

Een krans van roosmarijn,

Ter liefde van heur beste kameraat.

O krancke troost! wat baat

De groene en goude lover?

Die staatsi gaat haast over.

 

 

 

Lyckklaght aan het Vrouwekoor

Over het verlies van mijn Ega

 

O Heiligh Koor, dat van den mijnen

‘t Vergaen en onvergaen gebeent

Bewaert, en sachte rust verleent,

Tot dat de son vergeet te schijnen;

 

Nu groeit ‘t getal van uwe lijcken

Door een, dat meest mijn geest bedroeft,

En met de lijckschroef’t harte schroeft,

Die voor geen jammerklaght sal wijcken.

 

Nu parst uw harde serck het kermen

En traenen uit het hart en oogh,

Om mijn Kreüse, die om hoogh

Gevaren, smolt in bey mijn armen:

 

Terwijl ick t’Aquileia streefde

Met Constantijn, den grooten held,

Door swaarden, op de keel gestelt,

Door vlam, die naer de starren sweefde.

 

Ick wenschte noch om eenigh teecken

Van haar, die als een schim verdween;

Wanneerse my te troosten scheen,

En in den droom dus toe te spreecken:

 

Mijn lieve bedgenoot, dees saacken

Gebeuren geenssins sonder Godt.

Vernoegh met uw getrocken lot,

En wil uw heldenwerck niet staacken.

 

Dat ramp noch druck uw dagen korten,

Voor dat ghy siet, naar uwen wensch,

Den vlughtigen tyran Maxens

Bestorven in den Tiber storten.

 

Dan sal uw siel ten hemel draven,

Wanneer het triomfeerend hoofd

‘t Gewijde swaard, aen God verlooft,

Ontgord, op der Apostlen graven.

 

Bestel mijn sterflijck deel ter aerde,

In ‘t Koor der segenrijcke Maeghd,

Daar sulck een schaar den naam af draagt,

En die mijn naam oock gaf zijn waarde.

 

‘k Verhuis, van ‘t aardsche juck ontslagen,

Om hoogh, in ‘t hemelsche gebouw.

Besorgh de panden van ons trouw,

Twee kinders, die ick heb gedragen.

 

Soo spreeckend weeck sy uit dit leven.

Marie, al laat ghy my alleen,

Vw vriendschap, uw gedienstigheên

Staan eeuwigh in mijn hart geschreven.

 

Hoe veer dees voeten moghten dwalen,

‘k Sal derwaart mijn bedruckt gesicht

Noch slaan, daar voor het rijsend licht

Vw bleecke star ging onderdalen.


Joost van den Vondel: Drie Lijkdichten

kempis poetry magazine

More in: Vondel, Joost van den


Joost van den Vondel: Domine, non est exaltatum

 J o o s t   v a n   d e n   V o n d e l

(1587 – 1679)

 Domine, non est exaltatum

 Myn hart is niet vermeeten
Van hoovaerdy bezeten.
Geen trotsheyt, noo gestuit,
Ziet my ten oogen uit.
Mijn wandel was, als dwazen,
Noit trots en opgeblazen,
Noch ’k roemde, al t’onbedocht,
Het geen ick niet vermoght.
Heb ickme uit trotsheit, sedert
Mijn boete, niet vernedert,
En, als een kint gespeent
Van ’s moeders borst, verkleent;
Zoo blijf mijn ziel, bezweecken
In druck, van u versteecken.
Dat Jakobs vroom geslacht
Godts hulp en troost verwacht’,
Die, nu en t’allen tijden,
Zijn stammen zal verblijden.

(Harpzangen 1656 – psalm 130)


kempis poetry magazine

More in: Archive U-V, Vondel, Joost van den


Joost van den Vondel: Tot Eere van den grooten Erasmus

 

Joost van den Vondel

(1587–1679)


Op het Metalen pronck-Beeld onlangs

te Rotterdam

Opgerecht tot Eere van den

GROOTEN ERASMVS

Wat wijsheyt Latium en Griecken hield besloten

Begreep gantsch Christenrijck so haest ERASMVS quam,

En gaf met zynen naem aen ‘t Hollands Rotterdam

Een naem, vermidts hy was uyt haren schoot gesproten.

Zy, als de Nood het licht voor hem had afgeschoten

Noch ‘t rottende gebeent’, noch ‘t stuyvende assche nam:

Maer rechte een steenen beeld. De Nijd spoog vyur en vlam,

En socht geweldigh hem van ‘t Outer af te stoten.

Dan laes! Geleerdheyds pronck sich keert aen nijd noch spijt.

Geen graf zijn Faem bestulpt. hy heldert met de tijd.

Zijn krans groent onverwelckt, en bloeyt in afgunst veyligh.

Die onlangs was van steen nu glinstert van metael.

En so de Nijd sich steurt aen dese pracht en prael

So gietmen licht van goud den Rotterdamschen HEYLIGH.

(1622)



 Poem of the week

July 13, 2008

More in: Archive U-V, Vondel, Joost van den


Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature