In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Gezelle, Guido

· Freda Kamphuis: De treurceder · In Memoriam Guido Gezelle deskundige Jozef Boets (1922-2012) · Hans Hermans natuurdagboek: De mezen · Guido Gezelle: De rave · Guido Gezelle: Bonte kraaie · Hans Hermans Natuurdagboek · Guido Gezelle: Vier gedichten · Guido Gezelle: Drie gedichten · Guido Gezelle: Kerkhofblommen · Guido Gezelle Gedichten

Freda Kamphuis: De treurceder

treurceder 1

treurceder 2

treurceder 3

 

Guido Gezelle

(1830-1899)

uit: Laatste Verzen

 

Hebt toch meelye,

menschen, meelye

met de schoone

boomen Gods!

 

Foto’s: Freda Kamphuis©

fleursdumal.nl magazine

More in: Freda Kamphuis, Gezelle, Guido, Kamphuis, Freda


In Memoriam Guido Gezelle deskundige Jozef Boets (1922-2012)

Guido Gezelle deskundige

prof. dr. Jozef Boets †

overleden

(11-7-1922 – 27-10-2012)

In Antwerpen is op zaterdag 27 oktober pater Jozef Boets op 90-jarige leeftijd overleden. Hij wijdde het grootste deel van zijn wetenschappelijke loopbaan aan het leven en het werk van priester-dichter Guido Gezelle.

Jozef Boets behaalde in 1960 een doctoraat Germaanse filologie aan de K.U.-Leuven. Zijn promotor, de dichter en professor Albert Westerlinck, moedigde hem aan werk te maken van de Gezellestudie. In 1966 werd Boets professor aan de UFSIA (Universiteit van Antwerpen), waar hij in datzelfde jaar samen met zijn collega Lissens het Centrum voor Gezellestudie oprichtte. Jozef Boets zou van de studie en de uitgave van de werken van Guido Gezelle zijn levenswerk maken. Belangrijk daarbij is zijn publicatie van het verzameld dichtwerk van Gezelle. Dat verscheen tussen 1980 en 1991 in acht delen. Verder publiceerde Jozef Boets vele wetenschappelijke artikelen en boeken over de Vlaamse literatuurgeschiedenis. Boets was oprichter van de Guido Gezellekring en daarnaast lid van het Guido Gezellegenootschap.

In het archief van Jozef Boets is Gezelle nooit ver weg. Zijn correspondentie geeft inzicht in het onderzoeksmilieu en de contacten van de Gezellevorser. Een intensieve briefwisseling met andere literatuuronderzoekers, drukkers, uitgevers, lezers, recensenten, media, leden van de Gezellekring en -genootschap bleef bewaard.

De uitvaartdienst van pater Boets vond op zaterdag 3 november plaats in de kapel van de paters assumptionisten in Leuven. Jozef Boets werd begraven op het kerkhof van de Abdij van ’t Park in Heverlee.

fleursdumal.nl magazine

More in: Gezelle, Guido, In Memoriam


Hans Hermans natuurdagboek: De mezen

Mezen


Twintig mezenvoetjes

hippelen in ‘t groen,

zurkelende zoetjes,

zo de mezen doen.


Sprongen, rechte en kromme,

doen ze elkander na,

oppe, nere, en omme,

ga en wederga.


Elk, op elk z’n taksken,

laat z’n tonge gaan;

elk het mezenfrakske, en

‘t meezenmutsken aan.


Voor die ‘t frakske maken,

één duim, of drie kwart

kost het, van blauw laken,

met ‘n lapken zwart.

 

Uit die klene lapkes,

zwarter als laget,

snijen de mezen kapkes,

volgens hunne wet.


‘k Zie ze geren spelen,

‘k hoor ze geren, ‘s noens,

bobbelender kelen,

babbelen bargoens.


‘t Zit entwaar ‘en spinne,

‘t ronkt entwaar ‘en bie:

snappen doen ze ze inne

zonder "een-twee-drie."


Hoor ze vijzevazen,

altijd even stout;

reppen, roeren, razen,

weg en were, in ‘t hout!


"Mij!" zo roept er ene,

"mij die mugge!" – "Dij?"

Wederroept Marlene,

"mij, Martijne, mij!"

 

Twee, die wetten weten,

delen ‘t heltegoed:

eten en vergeten

mense en meze moet!


Guido Gezelle

(1830-1899)

 

bargoens – onverstaanbare taal

bobbelen – opgeblazen

frakske – jasje

heltegoed – gemeenschappelijk

laget – zwart barnsteen

noen – middag

vijzevazen – dwaasheden vertellen

zurkelen – schuifelen


Hans Hermans natuurdagboek Mei 2010

Gedicht Guido Gezelle

Foto’s Hans Hermans

kempis poetry magazine 

More in: Gezelle, Guido, Hans Hermans Photos, MUSEUM OF NATURAL HISTORY - department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra


Guido Gezelle: De rave

Guido Gezelle

(1830-1899)


De rave

 

Met zwart- en zwaren zwaai aan ‘t werken door de grauwe,

de zonnelooze locht, ik de oude rave aanschouwe;

die, roeiende op en dóór den schaars gewekten wind,

gelijk een dwalend spook, eilaas geen’ ruste en vindt.

 

Ze is zwart gebekt, gepoot, gekopt in ‘t zwarte; als kolen,

zoo staan heure oogen zwart, in hun’ twee zwarte holen

te blinken; rouwgewaad en duister doek omvangt

het duister wangedrocht, dat in de nevelen hangt.

 

Ze is stom! Ze ‘n uit geen woord en ‘t waaien van heur’ slagers

en hoort gij niet. Alzoo de zwarte doodendragers

stilzwijgend gaan, zoo gaat zij zwijgend op de lucht,

en wendt alhier aldaar heur’ zwarte ravenvlucht.

 

Wat wilt gij, duister spook! Waar gaat gij? Van wat steden

zijt gij, met damp en doom en ‘s winters duisterheden,

alhierwaards aangewaaid? Wat boodschap brengt gij? Van

wat rampe of tegenspoed zijt gij de bedeman?

 

Is ziek- of zuchtigheid, uit ‘s noordens grauwe landen;

is sterfte wederom, is hongersnood op handen?

Is moordaanslag, verraad de zin van uw vermaan;

of gaat de muil misschien des afgronds opengaan?

 

Geen woord! Dan, weg van hier, onzalige: gaat varen

alwaar nooit zonne en rijst; alwaar de grimme baren

staan ijsvaste overende, als rotsen; en waar nooit

noch blom noch blad den buik van moeder aarde en tooit!

 

Gaat aan! Of spreekt een woord, zoo de andere vogeldieren

te zomertijde doen, die in de bosschen zwieren:

ja, ‘s winters, als de snee’ heur laken heeft gespreid,

nog vinkt en klinkt het hier, vol vogelvlijtigheid.

 

En gij! De rave trekt, met trage vederslagen,

voorbij mij, zwaar en zwart gelijk nen kerkhofwagen,

en roept mij, onverwachts, terwijl zij henenvaart,

al in één enkel woord, heur’ winterboodschap: ‘Spaart!’

 

Guido Gezelle: De rave

kempis poetry magazine

More in: Department of Ravens & Crows, Gezelle, Guido


Guido Gezelle: Bonte kraaie

Guido Gezelle

(1830-1899)

  

Bonte kraaie

 

Bonte kraaie, waar, och armen,

kunt gij, voor uw’ taaie darmen,

voedsel vinden, worme of slek,

in dit daaglijkschbroodgebrek?

 

Eerde en water zijn gesloten,

overal ligt snee’ gegoten;

en, ‘k en zie geen mensch die ooit

kaf voor u of kooren strooit.

 

Gij en weet van schuur noch schelven,

van geen’ wortelen weg te delven;

en ge’n hebt geen’ spiere brood

bijgeleid, tot meerder nood!

 

Gij en grijpt, gelijk de gieren,

niet uw’ eigen mededieren;

ook en heet uw kerstenbrief

"eier-" u, noch "kiekendief."

 

Welke een’ armoe komt deswegen,

gij nu, binst den winter, tegen;

als, alom met snee’ bezaaid,

veld en wee van honger kraait.

 

In die snee’ zie’k, aller straten,

uw tweevoetig speur gelaten:

eet gij snee’, of, half vergaan,

laaft gij uwen dorst daaraan?

 

Of, hoe kunt gij, vast aan ‘t vliegen,

immers uwen buik bedriegen?

Kraait, of is hij, lijk uw’ stem,

zwijgende? Hoe snoert gij hem?

 

Neen, ‘k en hoor geen klachte u klagen,

schoon veel andere om hulpe vragen,

piepen, kriepen, om end om:

bonte kraaie, wordt gij stom?

 

Ei, onmooglijk is u ‘t leven,

stonde er niet dit woord geschreven,

dat daar Een is die u voedt,

en u nooddruft vinden doet.

 

Een, die de akkerlelie kleêren

weeft, als Salomons, vol eeren;

Een die, zonder naalde of naad,

vacht en veder groeien laat.

 

En, voorwaar, ‘k en zie geen lijken,

bonte kraaie, ooit in de dijken

liggen, van uw volk; of dood

uwe oorije, van hongersnood.

 

‘k Hoor de menschen bitter klagen,

van de kwade winterdagen;

‘k wete er, van gebrek en pijn,

louter, die gestorven zijn.

 

Gij betrouwt op God, onwetend

aan Zijn’ wetten vastgeketend;

die u vulte en voedsel schiep,

eer Hij u in ‘t leven riep.

 

 

 

Hij heeft u twee vlerken neven

‘t lijf gezet, en kracht gegeven;

en twee oogen voert gij fijn

die scherp ziende en verre zijn.

 

Op die vlerken zie ‘k u roeien

door de lucht, en voorwaards spoeien:

in een omzien, stikken breed,

verre weg van mij gescheed.

 

Uit die oogen zie ‘k u spieden,

hooge boven land en lieden;

hooge boven huis en al:

of u God iet geven zal.

 

Bonte kraaie, uw schamel wezen

leert een’ schoone lesse aan dezen

die verkwisten ‘t daaglijksch brood,

etend, zonder etensnood.

 

Ach, verdeelden ze, alle dagen,

‘t brood, dat ze onzen Vader vragen,

met zoo menig armen bloed,

die ‘t, lijk gij, gaan zoeken moet?

 

Waar de neerstig nauwe boeren

hun gegraande peerden voeren,

trekkende aan den wagenlast,

daar is ‘t dat uw kooren wast.

 

Hun verlies komt u te baten,

en zoo zie ‘k u, achter straten,

raad- en roekloos van gebrek,

pekken in nen peerdendrek!

 

‘k Zie u neerstig ‘t leven halen,

‘k zie u nederig zegepralen

op een hoopken mesch, verblijd,

lijk sint Job, in zijnen tijd.

 

Bonte kraaie, ‘t doet mij dere

dat ik uwen troost begere,

en, eilaas, het doen daarvan

dat ik daar niet aan en kan!

 

Laat den winter eens verdwijnen,

laat de Aprilsche zonne schijnen:

dan, o kraaie, krijgt ge uw deel

in Gods goedheid, algeheel.

 

Dan zal God u voedselvollen

nooddruft doen op de eerdeschollen

vinden, en den ploeg omtrent,

die den veien akker wendt.

 

Dan, uw herte omhoog gerezen,

laat den buik eens weeldig wezen;

dan, te lijze of luider stem,

looft met alle vogels Hem!

 

Guido Gezelle: Bonte kraaie

kempis poetry magazine

More in: Department of Ravens & Crows, Gezelle, Guido


Hans Hermans Natuurdagboek

Vlucht maar, vogels

Vlucht maar, vogels,
koud en deerlijk
is ‘t alomme
vlucht en vliedt,
voor de koude en
voor de mensen,
want de mens en
mint u niet.

Vlucht maar, of hij
zal u schieten,
met zijn roer, hij
droomt daarvan:
vlucht waar hij, met
al zijn wijsheid,
vlucht waar hij, niet
aan en kan.

Vlucht omhooge, en
komt niet neder,
eer gij streken
mensloos vindt;
vlucht, en zet uw
voet geen tweemaal
bij dat Godloos
mensenkind.

Vlucht, hij wil zijn
boosheid boeten
in uw bloed, o
vogels vrij;
vlucht, of sterven
zult gij moeten:
zulk een hertloos
mens is hij!

Gij verschaft hem,
binst uw leven
kort of lang, o
vogels kleen,
al hetgeen gij
hebt en geven
kont: en, dankbaar
is hij? Neen!

Hij bespiedt u,
kleene dierkens,
met ‘t moorddadig
roer in ‘t hand:
en… Zo groot is
hij, die over
alle dieren
kroone spant!

GUIDO GEZELLE

(1830-1899)

NATUURDAGBOEK HANS HERMANS

January 2009

Poem: Guido Gezelle  –  Photos: Hans Hermans

© photos h. hermans

KEMP=MAG poetry magazine – magazine for art & literature

More in: Gezelle, Guido, Hans Hermans Photos, MUSEUM OF NATURAL HISTORY - department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra


Guido Gezelle: Vier gedichten

G U I D O  G E Z E L L E

(1830-1899)


‘s Avonds

‘t Wordt al sterre dat men ziet
in dat hoog en blauw verschiet daar,
blijde sterren, anders niet,
in dat hoog en blauw verschiet.

‘t Wordt hier altijd al verdriet,
van dat oude zwart verdriet daar,
‘t wordt hier altijd anders niet
als dat oud en zwart verdriet.

Laat mij, laat mij, in ‘t verdriet,
vliegen naar dat hoog verschiet daar,
waar men al die sterren ziet,
al die sterren… anders niet.


‘s Avonds zie ‘k de sterren geren

‘s Avonds zie ‘k de sterren geren,
die daar zitten, hooge en fijn,
als ik, moe van ‘t lastig weren
onder ‘s arbeids leed en pijn,
eenen oogslag naar omhooge
buiten ‘s werelds enden sla,
en mij eens den hemel tooge
nog, aleer ik slapen ga.

Al de lieden rusten neerstig:
hier en daar nog een die tiert,
en de blijdschap van het geerstig
hommelzap te late viert.
Duister is ‘t alom en doovig,
niet en zegt mij de aarde meer:
nu is ‘t dat ik mij geloovig
opwaards naar den hemel keer.

Vaart mij wel dan, slaapt in vreden,
g’ hebt mij lang genoeg geplaagd,
wereld, met uw’ lastigheden:
neen, ge ‘n zult, eer ‘t morgen daagt,
mij geen banden meer doen dragen;
vrij eens wilt het herte mijn
rijdend op den hemelwagen,
rustend in de sterren zijn!


Antwoorde aan een Vriend

Nooit en streelde er mijne wangen
traan zoo dierbaar en zoo lief
als die ik heb opgevangen
in de plooien van uw brief,
zoenend hem zoo menigwerven
eer dat ik nog tenden was,
vreezende eerder hem te derven
hoe ik snel- en snelder las.
Ja, een kind dat blijve uw herte,
schoon al ‘t ander manlijk zij,
ende, vriend in vreugd en smerte,
heb ik u, zoo hebt ge mij.
Hebbe God ons boven allen,
hebbe Jesus ons getween!
Laat al ‘t andre, moet het vallen,
‘t valle! Jesus blijve alleen!

Gierzwaluwen

"Zie, zie, zie,
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
zie!!!"
tieren de,
zwaluwen,
twee- driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
"Niemand, die…
die
bieden den
stiet ons zal!
Wie, wie? wie??
wie???"

Piepende en
kriepende,
zwak en ge-
zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
kerk.

Lege nu
zweven ze, en
geven ze
bucht;
hoge nu
hemelt hun’
vlerke, in de
lucht:
amper nog
hore ik… en,
die ‘k niet en
zie,
lijvelijk
zingen ze:
"Wie??? wie?? wie?
wie…"


Guido Gezelle: Vier gedichten
kemp=mag poetry magazine

More in: Gezelle, Guido


Guido Gezelle: Drie gedichten

G U I D O   G E Z E L L E

(1830-1899)


O! ‘t ruischen van het ranke riet!


O! ‘t ruischen van het ranke riet!

o wist ik toch uw droevig lied!

wanneer de wind voorbij u voert

en buigend uwe halmen roert,

gij buigt, ootmoedig nijgend, neer,

staat op en buigt ootmoedig weêr,

en zingt al buigen ‘t droevig lied,

dat ik beminne, o ranke riet!

 

O! ‘t ruischen van het ranke riet!

hoe dikwijls dikwijls zat ik niet

nabij den stillen waterboord,

alleen en van geen mensch gestoord,

en lonkte ‘t rimpelend water na,

en sloeg uw zwakke stafjes ga,

en luisterde op het lieve lied,

dat gij mij zongt, o ruischend riet!

 

O! ‘t ruischen van het ranke riet!

hoe menig mensch aanschouwt u niet

en hoort uw’ zingend’ harmonij,

doch luistert niet en gaat voorbij!

voorbij alwaar hem ‘t herte jaagt,

voorbij waar klinkend goud hem plaagt;

maar uw geluid verstaat hij niet,

o mijn beminde ruischend riet!

 

Nochtans, o ruischend ranke riet,

uw stem is zo verachtelijk niet!

God schiep den stroom, God schiep uw stam,

God zeide: "Waait!…" en ‘t windtje kwam,

en ‘t windtje woei, en wabberde om

uw stam, die op en neder klom!

God luisterde… en uw droevig lied

behaagde God, o ruischend riet!

 

O neen toch, ranke ruischend riet,

mijn ziel misacht uw tale niet;

mijn ziel, die van den zelven God

‘t gevoel ontving, op zijn gebod,

‘t gevoel, dat uw geruisch verstaat,

wanneer gij op en neder gaat:

o neen, o neen toch, ranke riet,

mijn ziel misacht uw tale niet!

 

O! ‘t ruischen van het ranke riet

weergalleme in mijn droevig lied,

en klagend kome ‘t voor uw voet,

Gij, die ons beiden leven doet!

o Gij, die zelf de kranke taal

bemint van enen rieten staal,

verwerp toch ook mijn klachte niet:

ik! arme, kranke, klagend riet!

 

 

 Het Schrijverke

(Gyrinus Natans)


O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, –
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: –
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"

 Abeelen


Verschgevelde abeelenboomen

liggen kangs de grachten heen,

die den ouden zandweg zoomen,

hoofd en armen afgesneên.


Sterke stammen, kon dat wezen,

gij, die, op en in den grond,

met uw’ voeten vastgevezen,

vamen diep, ondelgbaar, stondt?


Gij, die ‘t zwaar geweld der winden,

kreunende, op uw kruinen droegt;

die zoo lang den boosgezinden

wintervijand wedersloegt?


‘t Edel hoofd intweengespleten,

knoken in den grond geboord,

wie heeft ‘t al u afgebeten,

dat uw’ schoonheid toebehoort?


Spillen zie ‘k, en spanen, dragen;

splenters, uit uw hoofdgewaai;

takken uit uw’ toppen zagen,

kerven af uw’ teenen taai!


Elk komt uit en wondt en snijdt u;

raapt en rooft, met volle hand;

nu dat, omme’ en verre en wijd, uw

hooge kroone ligt in ‘t zand.


Vijandschap, aan alle zijden,

woedt om uwe ellendigheid:

heeft u ooit, in vroeger’ tijden,

vrede en vriendschap één ontzeid?


Edel volk, wanneer gij wachttet,

langs den weg, en schaduw smeet

op die, moegegaan, versmachtte ‘t

zonnevier, was ‘t iemand leed?


Iemand leed! Ach, laat mij weten

wie dat ‘t is, die, afgemat,

heeft ondankbaar neêrgezeten,

in de schaduw! Leert mij dat!


Meermaals mocht ik asem halen,

vluchten onder ‘t groene dak,

als het zweerd der zonnestralen

scherp mij in de lenden stak.


Boomen, in uw’ looverlane,

tellende, een voor een, u al,

‘s zomers, zoete abeelenbane,

zelden ik nog komen zal!


‘t Deert mij zoo! – De abeelenboomen

liggen langs de grachten heen,

die den ouden zandweg zoomen,

hals en handen afgesneên!

 

  

 Guido Gezelle: Drie gedichten

kemp=mag poetry magazine

More in: Gezelle, Guido


Guido Gezelle: Kerkhofblommen

G u i d o   G e z e l l e

(1830-1899)

K e r k h o f b l o m m e n

Zoo daar ooit een blomke groeide
over ‘t graf waarin gij ligt,
of het nog zoo schoone bloeide:
zuiver als het zonnelicht,
blank gelijk een lelie blank is,
vonklende als een roozenhert,
needrig als de needre ranke is
van de winde daar m’ op terdt,
riekend, vol van honing, ende
geren van de bie bezocht,
nog en waar ‘t, voor die u kende,
geen dat u gelijken mocht!

Traagzaam trekt de witte wagen
door de stille strate toen,
en ‘t is weenen, en ‘t is klagen
dat ze bin’ de wijte doen!
Stap voor stap, zoo gaan de peerden,
traagzaam, treurig, stille en stom,
en zij kijken, of ‘t hun deerde,
dikwijls naar hun’ Meester om;
naar hun’ Meester, die te morgen
zijn beminde peerdenpaar,
onder ‘t kammen en ‘t bezorgen
zei de droeve nieuwemaar.
“Baai,” zoo sprak hij, “Baai en Blesse,
heden moeten … stille! fraai!
moeten wij naar de uitvaartmesse,
met den wagen, Blesse en Baai!”
En toen, na zijn hand te doppen
in ‘t gewijde water klaar,
zegent hij de hooge koppen
van ‘t onachtzaam peerdenpaar.
En hij kust en kruist ze beiden,
en “gij,” zegt hij, “Blesse en Baai,
moet een lijk naar ‘t kerkhof leiden,
Baai en Blesse, stille! fraai!
Schuimen zoudt ge en lastig zweeten,
zoo ‘k u zonder wete liet
van de mare, en zoudt verheeten,
gave ik u den zegen niet!”
En hij zelve kruist en wijdt hem,
eer hij ze in den breidel vangt,
met het water, dat bezijd hem
aan de ruwe bedspond hangt.
Want hij slaapt bij zijn beminde
peerden en bezorgt ze trouw,
trouwer als voor eigen kinde
eigen Moeder zorgen zou.
Hij besproeit, en met gewijden
pallem speerst hij peerd en stal,
om de lijkvaart te bevrijden
van gevaar en ongeval.
Ha! wie weet hoe veel gevaren
die niet hebben uit te staan,
die met peerden, – God bewaar’ hen! –
die met hunne meesters gaan?
Traagzaam rijdt en rolt de wagen,
treurig door de strate voort,
en ‘t is krijschen en ‘t is klagen,
dat men onder ‘t dekzeil hoort.
Stap voor stap zoo gaan de peerden,
ziende naar hun’ meester om;
stap voor stap, als of ‘t hun deerde,
traagzaam, treurig, stille … en stom!

De profundis! klonk de bede,
De profundis! zuchtte ‘t huis,
‘t huis, en al die knielden mede,
in godvruchtig stemgedruisch.

Uit de diepten roepe ik, Heere,
hoort, ik bidde u, naar mijn’ stem!
wilt uw oor te mijwaard keeren,
die om bijstand biddend bem!

Sloegt gij al mijn zonden gade,
Heer, wie ‘n zou niet ondergaan?
Neen, bij u daar is genade,
Heere, uw spreken houdt mij staan!

Staande blijve ik op uw spreken
en ik hope in u, o Heer!
van het vroegste morgenbreken,
tot des avonds wederkeer.

Want bij u is medelijden,
is verzachten des gekwels,
grooter als het wederstrijden,
als de boosheid Israëls.

Heere, dat hij ruste in vrede,
zei de priester, ende wij:
Dat hem, in alle eeuwigheden,
‘t hemelsch licht geschonken zij!

De profundis! zong de bede,
De profundis! zuchtte ‘t huis,
zuchtten al die knielden mede,
met verstervend stem… geruisch.

Guido Gezelle

 

uit: Kerkhofblommen 1858, 

bij de dood van

Eduard van den Bussche, oud 18 jaar.

Lino: Rolf Janssen

Schilderij: H. De Graer

 

More in: Archive G-H, Gezelle, Guido


Guido Gezelle Gedichten

G u i d o   G e z e l l e

(1830-1899) 

ALS DE ZIELE LUISTERT
Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
‘t lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
‘t diep gedoken Woord zo zoet…
als de ziele luistert!
(1859) 

DIEN AVOND EN DIE ROOZE
‘k Heb menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
– wie zal dit kwaad genezen? –
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, oschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ‘t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
‘t en ware ik ‘t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u
dien avond – en – die rooze!
(1858)

 

 K ZAT BIJ NEN BOOM TE LEZEN
‘k Zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier;
de zunne kwam gerezen,
gelijk een kole vier;
de blijde vogels dronken
de dreupels van den mei,
de morgenperelen blonken
en brandden in de wei,
lijk vier:
‘k zat bij nen boom te lezen,
al in mijnen brevier!
(1860?)

  

    lino: Rolf Janssen

 

More in: Gezelle, Guido, Guido Gezelle


Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature