In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Jan Gielkens

· 125 jaar De Mei van Herman Gorter: expositie in Centrale Bibliotheek OBA · Jan Gielkens: Hillering Lotgebrand · Jan Gielkens: Hellevaart · Jan Gielkens: Alles · Jan Gielkens: Handgeschreven · Jan Gielkens: Malloot. Wát moet iedere verzamelaar over zichzelf weten?! · Jan Gielkens: De lintopdracht. Bijzondere opdrachten van Leo Vroman · Jan Gielkens: Originele editie. Baudelaire in het veilinghuis · Jan Gielkens: Eerste druk, gesigneerd · Jan Gielkens: Een Mei van Melle · Jan Gielkens: Zeldzaam · Jan Gielkens: De papieren cirkel

»» there is more...

125 jaar De Mei van Herman Gorter: expositie in Centrale Bibliotheek OBA

meigorter101

Expositie in Centrale Bibliotheek OBA: Honderdvijftig jaar Herman Gorter, honderdvijfentwintig jaar Mei
2014 is een Herman Gorter-jaar. Het is 150 jaar geleden dat de grote Tachtiger werd geboren, bovendien herdenken we dat het vermaarde gedicht Mei 125 jaar geleden verscheen.De Openbare Bibliotheek Amsterdam biedt daarom tot en met 30 juni 2014 plaats aan een ruim opgezette tentoonstelling over het leven en het werk van Herman Gorter met prachtige boeken en ander materiaal uit enkele particuliere collecties.

Herman Gorter werd op 26 november 1864 in Wormerveer geboren als zoon van de predikant en letterkundige Simon Gorter, die overleed toen Herman zes was. Na zijn studie klassieke talen en zijn promotie in Amsterdam werkte hij korte tijd als leraar aan een gymnasium in Amersfoort. Daarna gaf hij privélessen, maar was vooral schrijver en publicist.

Zijn debuut, het epische gedicht Mei – bijna 4400 versregels lang – verscheen in 1889 en het vestigde meteen zijn naam als belangrijk schrijver. Al snel volgden Verzen (1890) en De school der poëzie (1897), in 1903 nóg een bundel met de naam Verzen. Gorter benoemde zijn werk: hij schreef poëzie die hij sensitivistisch, spinozistisch en socialistisch noemde. Die laatste ontstonden vanaf het eind van de negentiende eeuw, toen hij zich intensief met het socialisme ging bezighouden. In 1897 werd hij actief lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP).

Socialist zou hij zijn verdere leven blijven, al bleef hij geen sociaaldemocraat. Hij schoof steeds verder op naar links, werd communist, maar voelde zich ook in de communistische partij niet thuis; op het eind van zijn leven was hij lid van een kleine radencommunistische beweging. Als socialist was Gorter overigens internationaal vermaard, terwijl hij dat als dichter nauwelijks was. Van zijn politieke brochures verschenen vele vertalingen, van zijn poëzie slechts enkele.

meigorter102Na 1905 publiceerde Gorter geen nieuwe lyrische poëzie meer. Hij schreef alleen nog lange epische werken: Een klein heldendicht in 1906 en Pan in 1912. Van dit laatste werk publiceerde hij in1916 een zeer uitgebreide versie. Wat hij aan lyrisch en episch werk wel schreef maar niet publiceerde werd pas na zijn dood uitgeven.

Gorter overleed in 1927 in Brussel in een hotel aan een hartaanval. Hij was op terugreis vanuit Zwitserland, waar hij regelmatig kwam om lange bergwandelingen te maken.

De tentoonstelling, die is samengesteld door Jan Gielkens (Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, Den Haag), Myriam Gommers-Simonis (Breda) en Albert Wacht (Den Haag) uit hun eigen verzamelingen, zal met een groot aantal vitrines aandacht besteden aan de vele aspecten van Gorters leven en werk.

Tot en met 30 juni 2014 te zien op de tweede en derde verdieping van de Openbare Bibliotheek Amsterdam, Oosterdokskade 143, 1011 DL AMSTERDAM, elke dag van 10.00 tot 22.00 uur, gratis toegang.

# Info Website OBA
# Info Website Textualscholarship.nl

fleursdumal.nl magazine

More in: Art & Literature News, Gorter, Herman, Jan Gielkens


Jan Gielkens: Hillering Lotgebrand

 

Hillering Lotgebrand

Over de brieven van Annie M.G. Schmidt

Stel: uw blindedarm moet eruit. U gaat naar het ziekenhuis en neemt plaats op de operatietafel. De chirurg zegt tegen u: deze ingreep heeft geen geneeskundige pretenties. U zet het natuurlijk op een lopen en gaat naar een echte dokter. Maar wat doet u als u in een boek met historische documenten van een literator leest: dit boek heeft geen literair-historische pretenties? Hard weglopen misschien niet, maar mijn advies zou zijn: kritisch lezen en voorzichtig gebruiken.

Het boek waarover ik het wil hebben is Liefs van Annie. De mooiste brieven van Annie M.G. Schmidt, verschenen bij uitgeverij Querido ter gelegenheid van de honderdste verjaring van de geboortedag van de schrijfster, die leefde van 1911 tot 1995. In de inleiding van Schmidt-biografe Annejet van der Zijl staat het: ‘hoewel geprobeerd is Liefs van Annie zo zorgvuldig mogelijk samen te stellen, heeft deze bundel geen wetenschappelijke of literair-historisch pretentie. Het doel was de lezer nog een keer te verrassen, te amuseren en te ontroeren met het veelzijdige talent en de unieke persoonlijkheid van een van Nederlands grootste schrijvers.’ Dat ‘nog een keer’ snap ik niet, want ik geloof niet dat er eerder zo’n brievenboek is verschenen, maar het klopt wel dat het boek veel prachtige en interessante brieven en leuke foto’s bevat, en bovendien facsimile’s van brieven.

Een afbeelding is er bijvoorbeeld van een, op 11 december 1955 geschreven briefje aan Liesbeth en Otto Montagne. We zien een, neem ik aan, verkleinde afbeelding van een vel kladpapier, waarvan een deel is afgescheurd. De brief is met de schrijfmachine geschreven en door Schmidt met een pen ondertekend. De hoofdletter O springt. We zien dat de briefschrijfster vaak voor en na komma’s, punten en andere leestekens een aantal spaties zet. Annie schrijft ook een beetje ouderwets, naar huidige maatstaven gerekend tenminste. De brief gaat over de aanstaande kerstvisite van de ontvangers van het briefje: ‘Komen jullie dus Zaterdag? Daar rekenen we op, tenzij jullie het te lang vindt en bang bent dat je Zondagmorgen al tegen het plafond vliegt van ellende en verveling.’ We zien dus ook dat Schmidt de dagen van de week met een hoofdletter schrijft, en dat kon nog net, want de nieuwe spelling, waardoor dat niet meer moest, werd eind 1955 ingevoerd. Maar ze schrijft vooral leuke zinnen, en dat is wat deze brieven zo aantrekkelijk maakt: ‘Als jullie met de trein komen, zal Dick je met de Citroen komen halen. Als je met de helicopter komt ook.’

Van deze brief hebben we dus een facsimile, maar ook een gedrukte tekst. Hierboven citeerde ik uit de afbeelding, maar in de gedrukte tekst ziet de zin na ‘Komen jullie dus Zaterdag?’ er als volgt uit: ‘Daar rekenen we op, tenzij jullie het te lang vinden en bang zijn dat je zondagmorgen al tegen het plafond vliegen van ellende en verveling.’ Weg dus de karakteristieken die deze brief tot een document van Annie M.G. Schmidt uit de jaren vijftig maken. Ook de ‘helicopter’ moest er aan geloven: die is gemoderniseerd tot ‘helikopter’. Waarom is dit? De ‘Verantwoording’ achterin het boek legt niet uit waarom er zo fors moest worden ingegrepen. Er staat alleen: ‘Gekozen is de brieven aan de huidige spelling aan te passen.’ Maar ‘jullie het te lang vindt’ veranderen in ‘jullie het te lang vinden’ heeft niets met spelling te maken. ‘In de tekst is zo min mogelijk ingegrepen’ noemt de verantwoording dat en gaat vrolijk verder: ‘De opmaak is geüniformeerd, de interpunctie is gecorrigeerd en aangevuld waar nodig (bijvoorbeeld bij het ontbreken van een punt aan het eind van een zin, en het toevoegen van komma’s). De alinea-indeling is zoveel mogelijk gehandhaafd. Schrijf- en typefouten zijn verbeterd, evidente spelfouten zijn gecorrigeerd. De spelling van namen is gelijkgetrokken.’ Zo min mogelijk ingrepen? Maar nog altijd vele malen meer dan een uitgave met literair-historische pretenties zou doen. Want dat doet een wetenschappelijke editie: behoedzaam met de teksten van een auteur omgaan.

Ingrijpen had een redacteur overigens wel moeten doen in de kromme zinnen in de ‘Verantwoording’, zoals die tussen haakjes in het citaat hiervoor. Nog meer kroms. De manier van annotateren in dit brievenboek wordt met deze zin verklaard: ‘In de noten worden waar dat relevant geacht wordt namen van personen en hun eventuele onderlinge relaties toegelicht, alsmede namen van periodieken, gezelschappen of instanties; persoonlijke en historische gebeurtenissen.’ Wat is de functie van die puntkomma? Een duidelijk verantwoordelijke voor deze rare zinnen is overigens niet aan te wijzen. Inleidster Annejet van der Zijl heeft, zoals uit haar voorwoord blijkt, wel een hand gehad in de keuze van de brieven, maar ‘Eindselectie en annotatie waren in handen van uitgeverij Querido, samen met Flip van Duijn.’ Van Duijn is de zoon van Annie M.G. Schmidt.

Over die annotatie valt het een en ander op te merken. Prettig zijn de vele verhelderende citaten uit brieven die de selectie niet hebben gehaald. Voor een aantal voetnoten is serieus informatie gezocht, voor weer een aantal minder serieus, en voor een ander deel is er met de pet naar gegooid. Minder serieus noem ik de voetnoten die min of meer letterlijk van Wikipedia zijn overgenomen. Op p. 299 van het boek komt ‘professor Sickbock’ voor. De voetnoot hierbij in het boek: ‘Professor Joachim Sickbock is een personage uit Tom Poes, geschreven en getekend door Marten Toonder. Hij is een kwaadaardige professor en een geit.’ Wikipedia zegt: ‘Professor Joachim Sickbock is een stripfiguur uit de Nederlandse stripreeks Tom Poes, […] geschreven en getekend door Marten Toonder. Hij is een kwaadaardige professor en als dierensoort een geit.’ Behalve overgeschreven is dit feitelijk onjuist: Marten Toonder was geen geit.

Op p. 308 wordt het woord ‘hillbilly’ uitgelegd: ‘Met Hillbilly’s werden in de VS armere en lager opgeleide personen uit heuvelachtige plattelandsgebieden aangeduid.’ Wikipedia zegt: ‘Hillbilly is een pejoratieve term waarmee in de Verenigde Staten armere en lager opgeleide personen uit het Appalachengebied werden aangeduid. Later verspreidde de term zich naar een meer algemene aanduiding van arme laag opgeleide personen uit heuvelachtige plattelandsgebieden.’ Op p. 208 wordt Erich Kästner een ‘Duitse schrijver, dichter en cabaretier’ genoemd, net als op de Nederlandse Wikipedia. De Duitse versie daarvan maakt duidelijk dat de informatie daar door de Nederlandstalige wikivuller verkeerd is begrepen: Kästner schreef voor het cabaret. Wat dit soort overschrijverij aangaat: Duitse ministers worden voor dergelijke bronloze overnames de laan uitgestuurd.

Bij veel annotaties in die boek vraag ik me af: voor wie zijn ze eigenlijk geschreven? Wil ik uitgelegd krijgen dat Schmidt met ‘pliessiegent’ politieagent bedoelt? Voor wie is de voetnoot bedoeld dat de NSB een ‘omstreden rechtse’ organisatie was, die ‘in deze crisisjaren grote aanhang verwierf’? En wat moeten we, ook in de categorie nationaal-socialisme, met de mededeling dat een kennis van Schmidt Adolf Hitler beschouwde ‘als de verpersoonlijking van het fascisme dat Europa in de jaren in zijn greep kreeg’? Hebben we hier te maken met de – zelden zo toepasselijke – Jip en Janneke-toon? Denken de voetnotenmakers dat deze brieven én hun voetnoten worden gelezen door de lezertjes van Pluk van de Petteflet? Maar dan moet je die lezertjes ook uitleggen wat ‘mazout’ is en ‘double bill’ en ‘brouille’.

De voetnotenmakers vinden het relevant ons te vertellen dat Louis Davids in 1936 ‘als spil van het Nederlands amusement [gold]’, Simon Carmiggelt ‘gold destijds als een van de populairste schrijvers van Nederland’, Wim Kan en Corrie Vonk waren een ‘[i]n die jaren al heel bekende cabaretier en zijn vrouw’, Piet Muller ‘genoot enige bekendheid als redacteur van Opwaartsche Wegen’ en Adriaan Roland Holst was een ‘bekende dichter’. Bij de meeste andere mensen moet de lezer zelf uitzoeken of ze bekendheid genoten of niet. Wanneer Schmidt in Frankrijk een paardenrace bezoekt lopen daarin twee dieren van ‘Ali Khan’ mee. In de voetnoot krijgen we wel een gecorrigeerde spelling van deze Prins Aly Aga Khan geboden en het feit dat hij getrouwd was met de filmster Rita Hayworth, maar waardoor hij zelf enige bekendheid genoot wordt niet meegedeeld.

Er staan ook voetnoten in dit boek die meer vragen oproepen dan beantwoorden. Die over Els Hendrix bijvoorbeeld. Op p. 66 staat deze voetnoot: ‘Els Hendrix was een collega […]. Met haar en haar toekomstige man Dick van Dien zou Annie levenslang bevriend blijven.’ Maar op p. 189 staat: ‘Els en Dick van Dien behoorden nog steeds tot de beste vrienden van Annie’. Dat ‘nog steeds’ maakt me nieuwsgierig: wat is er dan gebeurd, en kwam het desondanks weer goed? Maar dat wordt ons niet verteld. Nog zo’n verwarrende voetnoot: in een brief aan tekenares Fiep Westendorp wordt gerefereerd aan ‘narigheid in Laren’. De uitleg is deze: ‘Margot had een huis in Laren, en er waren problemen met de bewoners, die bij haar afwezigheid de dieren in en rondom haar huis verzorgden.’ Wie Margot is en wat haar relatie is met Fiep moet je onthouden hebben uit een eerdere brief, want een nadere aanduiding of een verwijzing is er niet. Bovendien: hoe zit dat met dat huis? Margot woont blijkbaar in haar eigen huis in Laren, want ze heeft er dieren en is wel eens afwezig. Maar die dieren worden verzorgd door ‘de bewoners’. Wonen die in datzelfde huis? Vanwege die vage voetnoot wil ik het allemaal weten, hoewel het voor de brief, en dus ook voor mij, onbelangrijk is. Heldere annotatie zorgt dat de lezer tevreden is.

Twijfelachtige noten zijn er ook, en die gaan over joden en homo’s. Homo’s komen nogal eens voor in dit boek, en dan zijn het vaak vriendjes of levenspartners van Wim Sonneveld. Maar waarom moet er bij een vriend van Schmidts zoon Flip ook worden vermeld dat hij homoseksueel is, zonder dat dat een rol speelt in de brief? Omdat hij van beroep balletdanser was? Van dezelfde categorie is de typering van het warenhuis Gerzon als een joods warenhuis, terwijl dat in de betreffende brief geen enkele rol speelt. En idem de toelichting bij Shulamith Firestone: een ‘joodse, in Canada geboren, radicale feministe’. Waarom dat ‘joodse’? Omdat het zo’n duidelijk joodse naam is? (En waarom ‘in Canada geboren’? Omdat dat zo op Wikipedia staat.) Gloria Steinem is blijkbaar geen duidelijk joodse naam, want zij is in de voetnoot die aan haar gewijd is gewoon een ‘Amerikaanse feministe’, zonder vermelding van haar joodse achtergrond. Nog een joodse kwestie: in 1933 schrijft Schmidt aan haar moeder dat ze een boek van Siegfried van Praag aan het lezen is (‘een bekend joods schrijver’). ‘In de leeszaal [van de bibliotheek waar Schmidt werkt; JG] komt vaak een broer van hem, zo lelijk, net een aap en een groot mispunt erbij.’ Een zin die wat mij betreft geen enkele aanleiding geeft tot deze voetnoot: ‘Siegfried van Praag was beslist geen lelijke man. Moeten we deze opmerking duiden als “alledaags antisemitisme”? Dat was in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog gemeengoed in Nederland.’ Ten eerste: Schmidt vond niet Siegfried van Praag een lelijke man en een mispunt, maar diens broer. En ten tweede: wordt Schmidt hier niet door haar zoon (want die schreef de voetnoot, neem ik aan) beschermd vanwege iets dat ze vermoedelijk niet eens bedoelde?

Voetnoten in alle soorten en maten dus: accurate, twijfelachtige, onduidelijke, gemakzuchtige. Nattevingerwerk zit er ook bij, zoals die over auto’s – en ik geef toe: dat is een persoonlijke hobby van ondergetekende. Van de voetnotenmakers duidelijk niet, maar ze doen wel alsof. De noot bij ‘eend-camionelle’ vermeldt: ‘Flip had een lichtblauwe bestel 2CV (deux-chevaux, in de volksmond “lelijk eendje”).’ Ten eerste wordt ons het merk (Citroën) van dit type onthouden, en bovendien heet zo’n ding een camionette, met t’s, niet met l’s. En een redacteur had wel een streepje tussen ‘bestel’ en ‘2CV’ mogen zetten. Schmidt schreef overigens in 1960 voor Citroën Nederland het liedje ‘Het lelijke eendje’, en dat zou ik er, zeker als ik met de Franse slag voetnoten aan het maken was, zeker bij hebben verteld. Nog meer verkeerde auto’s, nu die van Annie M. G. Schmidt zelf. Ín een brief uit 1969 vermeldt ze een rit naar haar huis in Frankrijk in een ‘Spider’. De voetnoot corrigeert deze Fiat 850 cabriolet ten onrechte in een ‘Spyder’. Drie jaar later, in 1972, is de Fiat ingeruild voor een Peugeot, en wel, zo vertelt de noot, een 306 cabriolet. Maar die kwam, zo is op Wikipedia te vinden, pas in 1994 op de markt. Het zal een 304 zijn geweest. Dit gaat, zal menigeen zeggen, over niks, dus waar maak je je druk om. Maar dan wil ik, als de regel is dat we er bij het maken van een boek met de pet naar mogen gooien als we vinden dat het over niks gaat, die regel ook in de verantwoording zien.

Azijnpisserij? Zeker. Eén voetnoot gaat zelfs over azijn. In 1950 schrijft Schmidt aan haar nieuwe levenspartner Dick van Duijn: ‘Eigenlijk moest ik in de azijn duiken’, en dat moet natuurlijk worden toegelicht. De voetnotenmakers concludeerden, zo vermoed ik, in een andere, niet-gepubliceerde brief dat het om een receptenboekje ging dat ze samen met Riek Lotgering-Hillebrand voorbereidde. (Een voetnoot over haar had, met dank aan Wikipedia, kunnen luiden: ‘Een destijds enige bekendheid genietende voedingsdeskundige.’) Maar Schmidt noemde Lotgering-Hillebrand in de niet-gepubliceerde brief blijkbaar, omdat ze haar niet kon uitstaan, schertsenderwijs ‘Hillering Lotgebrand’. En de voetnoot en het register noemen deze dame dus: ‘Hillering Lotgebrand’. Geen belletje ging rinkelen bij de voetnotenmakers, geen azijnpisser in de buurt om onraad te ruiken.

Maar het zijn prachtige brieven.

Jan Gielkens

fleursdumal.nl magazine

More in: Annie M.G. Schmidt, Archive S-T, Jan Gielkens, The talk of the town


Jan Gielkens: Hellevaart

Jan Gielkens

Hellevaart

Jan Gielkens daalt af in Picarta en maakt kennis

met cowpeace (met kleine c), Vestdijk-specialist


Paul Otlet (1868-1944) geldt als een van de voordenkers van het internet. Hij wilde informatie over alles verzamelen en die informatie zo met elkaar verbinden dat we alle informatie over alles  altijd zouden kunnen terugvinden – via een kaartensysteem. En bovendien wilde hij het materiaal dat hij documenteerde ook fysiek kunnen tonen: hij verzamelde papier, maar ook machines en andere roerende zaken. Dat allemaal stelde hij vanaf 1910 tentoon en ter beschikking in het Mundaneum in Brussel, dat hij samen met zijn landgenoot en compagnon Henri La Fontaine (1854-1943) oprichtte. Het Mundaneum hield het vol tot 1940, tot aan de Duitse bezetting van België, maar was daarvoor al in de verloedering geraakt omdat het project de oprichters en hun medewerkers boven het hoofd was gegroeid: er was gewoon te veel informatie te verwerken. Pas vijftig jaar later kwam men op het idee om dat wat er nog over was om te vormen tot een museum, dat ook Mundaneum heet en nu in Mons/Bergen staat.
 
Ik was ooit, midden jaren negentig van de twintigste eeuw, in Mons om daar het archief in te zien van Henri La Fontaine, een lid van de uitgebreide Belgische tak van de gloeilampenfamilie Philips, die weer verwant met was de Duitse familie Marx (van Karl). Naar de Nederlandse familieconnecties van Marx deed ik toen onderzoek. Ook La Fontaine was socialist en bovendien een internationaal actief jurist, die in 1913 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. In die tijd was er nog geen uitreikingsplechtigheid in Oslo, en La Fontaine kreeg zijn bul in een koker per post toegestuurd. Ook kreeg hij, omdat hij als Nobelprijslaureaat het recht had om anderen voor te dragen voor die onderscheiding, tientallen brieven van mensen die vonden dat zij zelf of een van hun vrienden of familieleden zo’n eerbetoon verdienden. In het Mundaneum in Mons, toen nog een museum in oprichting, kon ik dit soort documenten uit het archief-La Fontaine inzien, gezeten tussen tientallen meters archiefdozen. Er moesten er een paar opzij worden geschoven om mij een geïmproviseerde plek aan een tafel te geven. Ik kreeg ik ook een rondleiding door een aantal ruimtes waar duizenden tijdschriftendossiers uit de hele wereld en grote hoeveelheden affiches en ander papier waren opgestapeld: de resten van wat eens de aanzet van alles was.
 
Waarom vertel ik u dit? Omdat ik onlangs kennis heb gemaakt met cowpeace. Met een kleine c. U kent cowpeace niet? Cowpeace is Vestdijk-specialist. Dat komen we te weten op de profielpagina van cowpeace op librarything.com, een van de vele overbodige boekenprikborden op het internet. Daar staat de echte naam van cowpeace: willem (met een kleine w). De begeleidende foto is dan weer verwarrend, want die toont twee blonde vrouwelijke tieners, waarvan een met een beugel. Die willem toch. Willem leest wel eens een boek en een krant, maar tuiniert ook graag, zo staat er. Dat ‘leest wel eens boek en een krant’ is weer moeilijk te rijmen met het onvoorstelbare tempo waarmee willem ‘recensies’ van boeken invoert: gemiddeld vier per dag. Boeken uit de bibliotheek van cowpeace, zo lezen we elders op de profielpagina, staan ook in die van wiepie, stortemelk, rijkaanvitaminen en nog veel meer tieners met kleine letters en, neem ik aan, beugels.

                              

Cowpeace schreef een recensie (zo wordt het genoemd) van Meneer Visser’s hellevaart  van Vestdijk, een roman uit 1936. Deze ‘recensie’ bestaat uit twee samenvattingen, de tekst van de ‘blurp’ (het staat er zo) van een latere editie en een tekst waarvan de herkomst niet duidelijk is. En in dat laatste stuk staat: ‘Hier wordt één dag uit het leven (vooral het “binnenleven”) van meneer Visser, een kleinsteedse machtswellusteling, met een altijd bezige verbeelding, uiteengerafeld tot in de schuilhoeken van de menselijke geest. Op een obsederende wijze wordt het tevergeefs en rancuneus optornen tegen het menselijk tekort verbeeld. De knapste roman van dit genre in de gehele Nederlandse literatuur.’ Die laatste zin klopt vermoedelijk alleen maar voor het genre van romans over kleinsteedse machtswellustelingen met een altijd bezige verbeelding, uiteengerafeld tot in de schuilhoeken van de menselijke geest. Want als knappe roman werd Meneer Visser’s hellevaart toch over het algemeen niet gezien, eerder als James Joyce-imitatie: in 1934 had Vestdijk twee opstellen aan Ulysses (1922) gewijd, en de bewondering voor dit boek was aan de Hellevaart goed af te lezen.
 
Hoe kwam ik nu aan deze blind date met het blonde koppel willem alias cowpeace? Ik zocht in Picarta, de verzamelcatalogus van 600 Nederlandse bibliotheken, bibliografische gegevens over Meneer Visser’s hellevaart. Ik vulde in het zoekschermpje ‘Vestdijk’ en ‘hellevaart’ in, want dat zou genoeg moeten zijn voor een overzicht van boeken, manuscripten en andere zaken die dit boek rechtstreeks betreffen. Veertien hits leverde de zoektocht op. Je kunt, voordat je in Picarta zoekt, kiezen of de machine de resultaten op ‘publicatiedatum’, ‘relevantie’, ‘invoerdatum’, ‘titel’ of ‘auteur’ geeft. Nou denk ik eerlijk gezegd dat Picarta nooit en helemaal nooit kan weten wat ik relevant vind, maar vooruit: ik vraag naar de relevantie van mijn zoektocht en dan komt bovenaan de lijst van relevante hits een geluidsband uit het Letterkundig Museum met fragmenten van een gesprek tussen Nol Gregoor en Vestdijk te staan waarin Meneer Visser’s hellevaart ter sprake komt. Of is wat bovenaan staat het eind van de lijst en het minst relevant? Het staat er niet bij, en eigenlijk maakt dat niet uit: voor mijn zoektocht is deze geluidsband altijd irrelevant.

                                         

Op ‘jaar van publicatie’ dan maar. De oudste titels staan (waarom eigenlijk?) onderaan, en daar begint het met manuscripten, die dus waarschijnlijk te dateren zijn van vóór de roman. Je zou nu de roman zelf verwachten, maar de volgende hit is een opdracht van Vestdijk aan Henriëtte van Eyk uit 1949 in een niet nader geïdentificeerde druk van Meneer Visser’s hellevaart.  Waar is de eerste druk uit 1936 gebleven? Die blijkt chronologisch onder 1988 te staan, toen, volgens de beschrijving, de achtste druk van Meneer Visser’s hellevaart verscheen. Onder de vermelding van deze uitgave staat de interessante mededeling: ‘12 soortgelijke titels’. En als je op die mededeling doorklikt zie je een lijst van, inderdaad, twaalf titels, maar het zijn geen ‘soortgelijke titels’, het is allemaal dezelfde titel, Meneer Visser’s hellevaart  namelijk, maar dan in allerlei drukken. De eerdere mededeling dat in 1988 de achtste druk verscheen wordt in het lijstje van twaalf meteen op losse schroeven gezet, want het overzicht vermeldt twee vierde drukken: een uit 1965 en een uit 1967, en ook twee vijfde drukken: een uit 1968 en een uit 1970. Dat kan gebeuren, want boeken geven niet altijd het jaar van verschijnen prijs. In de ene bibliotheek gist de titelbeschrijver, in de andere gaat hij of zij op onderzoek uit en vult het jaar van verschijnen aan. Het probleem van Picarta is dat allebei de oplossingen naast elkaar blijven bestaan en zo verwarring veroorzaken.

Maar we zijn nog binnen het bereik van de enigszins betrouwbare informatie, zoals die min of meer traditioneel uit catalogi te voorschijn komt. Sinds een tijdje houden titelbeschrijvingen op Picarta daar echter niet op. Bij een deel van de titels staan tegenwoordig korte karakteristieken van de beschreven boeken. Bij de eerste druk van Meneer Visser’s hellevaart is dat de hierboven geciteerde, met die ‘kleinsteedse machtswellusteling’. Zit er nou bij Picarta iemand zit die de toevallige mening van een tuinierende en beugeldragende tiener de moeite waard vindt om aan u en mij mee te delen op een plek waar u en ik informatie zouden verwachten?

Het zou me niet verbaasd hebben als bij alle vermeldingen van Meneer Visser’s hellevaart in Picarta dezelfde willekeurige waninformatie had gestaan, maar dat is niet zo. Er zit variatie in de willekeur. Vanaf de tweede druk ontbreken de kwalificaties, maar bij een ongetelde (maar zesde) druk uit 1978 staat weer iets: ‘Een financieel onafhankel?k oudere man legt zich toe op het kwellen van z?n zwakkere medemensen.’ De zevende en achtste druk hebben het weer over de bekende ‘kleinsteedse machtswellusteling’, en volgens de beschrijving van de laatst verschenen druk, de negende uit 2006, beschrijft het boek ‘Een dag uit het leven van een kleinsteedse tiran’. Als bonus krijgen we bij deze druk de ‘Biblion recensie’ (het staat er zo), die openbare leeszalen moet overhalen of ontraden het boek te kopen. Daarin lezen we dan weer dit: ‘Gedurende een kleine dag worden het leven en de overwegingen gevolgd van de tirannieke kwelgeest, Robespierre-adept en rentenier Visser, in het provinciale stadje met kleinsteedse intriges Lahringen (Harlingen). […] Door HP/De Tijd uitgeroepen tot een van de honderd beste boeken van de 20e eeuw.’ Zeker in de categorie romans over rentenierende Robespierre-adepten die hun kleine dagen overwegend doorbrengen met indrukwekkende angstdromen.

Nog overbodiger dan deze informatie is de tegenwoordig permanent aanwezige (maar vaak doodlopende) link naar Google Books. Wie bij een willekeurige druk van Meneer Visser’s hellevaart, of het nu de vierde druk uit 1965 is of de vierde uit 1967, naar Google Books gaat, vindt daar opnieuw een lijstje van drukken. Volgens dit lijstje verscheen in 1934 editie 5, in 1954 editie 2, in 1988 editie 7, in 1970 editie 4 en in 2006 editie 9. Maar, zo vermeldt deze pagina, er is ook een recentere editie ‘beschikbaar’: als je daar op klikt, dan is dat weer editie 9 uit 2006. Maar ‘beschikbaar’ is dit boek niet, er staan alleen maar willekeurige gegevens. Als je al een soort van overzicht over de drukken van Vestdijks boek had, dan ben je dat nu wel weer kwijt. Tot overmaat van ramp verwijst Google Books naar nog meer beugelende tieners, naar boekverslagen op scholieren.com namelijk.

Vroeger was een bibliotheekcatalogus een voorwerp met autoriteit dat informatie verstrekte. De bedoeling is uiteraard dat de digitaal gekoppelde informatie van heel veel catalogi heel veel informatie oplevert, maar of dat echt het geval is, is maar de vraag. Het Mundaneum van Otlet en La Fontaine werd op den duur een gedrocht met een waterhoofd, een reus op lemen voeten, en het lijkt me dat het gevaar dat Picarta net zoiets wordt niet ondenkbeeldig is. En misschien is het al zo ver. Ik moet telkens denken aan de zogenaamde goocheltruc die een van mijn ooms veel te vaak vertoonde: hij hield je een waaier speelkaarten voor, je koos er een uit, onthield wat op de kaart stond en stopte die terug in de waaier, die vervolgens door mijn oom uitgebreid werd geschud. Je mocht dan uit een nieuwe waaier weer een kaart kiezen, en mijn oom vroeg dan: is het de goede? Dat was nooit het geval, en dan gooide mijn oom het spel kaarten op de grond en zei: dan zit-ie vast daar bij. Zo ongeveer werkt ook Picarta. Tegen die oom durfde ik als dreumes natuurlijk niet te zeggen: ‘Schei ’s uit met die flauwe onzin’, maar tegen Picarta…


Jan Gielkens over bibliofiele vondsten en typografische bijzonderheden

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

kempis poetry magazine

More in: Archive U-V, Jan Gielkens


Jan Gielkens: Alles

Jan Gielkens

Alles

De Koninklijke Bibliotheek wil tot 2030

alle Nederlandse publicaties digitaal beschikbaar stellen.

Zou het lukken?

Zo gemakkelijk is dat niet, zoals ik aan een voorbeeld uit mijn eigen boekenkast kan demonstreren. In die boekenkast staat een serie van her en der gekochte boekjes, dertien in getal, van uitgeverij De Klyne Librye in Edam.


Ik weet niets over deze uitgeverij, behalve wat ik voor me zie: met zorg gemaakte boekjes, klein van stuk (ca. 12×16 cm), met proza van auteurs die in de jaren twintig, toen de boekjes werden uitgegeven, bekend waren en dat nog steeds zijn (Marie Schmitz, Kees van Bruggen, Antoon Coolen, Ernest Claes, Herman de Man e.a.) of toen misschien wel veelbelovend waren maar nooit zijn doorgebroken (Amelie de Man, Clara van Lidth de Jeude, Cora Westland e.a.). De boekjes zijn tussen de 40 en de 128 pagina’s dik en hebben omslagtekeningen van soms bekende kunstenaars (Joan Collette, Wam Heskes, Johan van Hell etc.).

Hoeveel van deze boekjes heeft de KB? Tien. Dat is alvast drie minder dan ik. De KB  heeft, hoewel ze graag de indruk wekt dat dat wel zo is, niet alles, ze zullen dus ook elders moeten gaan zoeken willen ze ‘alles’ digitaliseren. Dat kan bijvoorbeeld bij de bij Picarta aangesloten bibliotheken. Daar zitten nog eens acht Klyne Librye-boekjes te vinden. Zijn we nu compleet? Op mijn met enig zoek en typewerk gemaakte bezit- en zoeklijstje staan 23 titels. Vier ervan staan in de KB-catalogus noch in Picarta, maar wel op mijn kleine Klyne Librye-plankje. En één titel is alleen te vinden in lijstjes van verschenen titels achterin de boekjes en in een recensie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1929. Die ik via de KB-website vind. Dat dan weer wel.


Als dit een algemeen beeld is, en ik durf te beweren dat dat zo is, dan heeft de KB nog heel veel werk te verzetten. Ze zijn met hun eigen collectie Klyne Librye nog zestig procent verwijderd van ‘alles’. Omdat ik bij een eerder onderzoek, naar Nederlandse vertalingen van Walter Scotts Ivanhoe (zie Filter 2007/3 en Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 2008), op een nog ongunstiger percentage uitkwam, vrees ik dat de digitale weg naar ‘alles’ nog ver is.

Jan Gielkens over bibliofiele vondsten en typografische bijzonderheden

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

kempis poetry magazine

More in: - Book Stories, Jan Gielkens


Jan Gielkens: Handgeschreven

Jan Gielkens

Handgeschreven

Hoe bijzonder is een handgeschreven gedicht

van de minor poet Freek van Leeuwen?

In 1984 ruimde ik de bibliotheek op van de in dat jaar overleden Scandinaviste en vertaalster Saskia Ferwerda. Ze had een huis vol boeken, de helft ervan had betrekking op haar specialisme. Deze Scandinavische bibliotheek werd door de familie geschonken aan de universiteitsbibliotheek in Utrecht, maar die zat met de boeken in haar maag. De boeken belandden in de kelder van een pand aan het Lucas Bolwerk en bleven daar totdat dat pand een andere bestemming kreeg en leeg moest.

Niemand bleek zich voor de boeken verantwoordelijk te voelen en ze belandden in een container, waar ze in brand werden gestoken. De rest van de boeken had een beter lot: ze werden verkocht om er een Scandinavisch boekenreeksje van te financieren, en dat gebeurde tot het geld op was. Uit de niet-Scandinavische bibliotheek schonk ik later een aantal boeken met opdracht aan het Letterkundig Museum, zoals een bundel van Benno Barnard, die in Utrecht de buurjongen van Saskia Ferwerda was geweest. Gesigneerde bundels, brieven en Sinterklaasgedichten van de nu vergeten christelijke dichteres Tony de Ridder zaten er ook bij, net als een briefkaartje van Nobelprijswinnares Selma Lagerlöf, bij wie Saskia Ferwerda in Zweden op bezoek was geweest.

Een van de gesigneerde bundels was van de minor poet Freek van Leeuwen (1905-1968), die via de sociaaldemocratie bij het schrijverscollectief Links Richten terecht was gekomen en die later naar zijn christelijke roots zou terugkeren. Bij Van Leeuwens vijftigste verjaardag in februari 1955 verscheen bij De Beuk in Amsterdam de poëziebundel Rood en wit, een bloemlezing uit oud en nieuw werk onder redactie van Wim J. Simons. Op het schutblad van het exemplaar van Saskia Ferwerda stond een handgeschreven gedicht:

In 2002 vond ik bij De Slegte in Den Haag nog een exemplaar van Rood en wit, en op het schutblad stond een handgeschreven gedicht van de auteur. Het was hetzelfde gedicht als in de bundel van Saskia Ferwerda, zo herinnerde ik me, dus ik dacht: het LM heeft mijn cadeau verpatst. Ik dus een misschien wat al te boos briefje naar het LM gestuurd, waarop toenmalig directeur Anton Korteweg netjes en per omgaande antwoordde met de mededeling dat het boek dat ik indertijd had geschonken gewoon in de collectie van het museum zat. Een meegestuurde fotokopie bewees dat. Maar die kopie bewees ook dat mijn gedachte helemaal niet zo vreemd was:


En nu, nu ik over deze curieuze zaak wil schrijven, kijk ik eens wat rond op internet en vind er nog een: bij antiquariaat Fokas Holthuis in Den Haag:


Hoeveel van dit soort exemplaren zou Freek van Leeuwen hebben zitten pennen met zijn ballpoint?

 

Jan Gielkens over bibliofiele vondsten en typografische bijzonderheden

Eerder gepubliceerd op:www.teksteditie.org

kempis poetry magazine

More in: - Book Stories, Archive K-L, Jan Gielkens


Jan Gielkens: Malloot. Wát moet iedere verzamelaar over zichzelf weten?!

Jan Gielkens

Malloot

Wát moet iedere verzamelaar over zichzelf weten?!

Ik word wel een ‘fervent verzamelaar’ genoemd. Nu zeg ik altijd: ik verzamel niets, ik bewaar alleen het een en ander. Maar goed: er is een boek verschenen dat over mijn soort lijkt te gaan. Ik zeg ‘lijkt te gaan’, zodat u meteen weet welke tendens dit stukje heeft. Het boek heet Hebben en houden. Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten, het is geschreven door de socioloog Jaco Berveling en verschenen bij uitgeverij Aspekt in Soesterberg.

Zou ik dit boek hebben gekocht als ik het niet cadeau had gekregen? (Dankjewel, Joep!) Tijdens de Verzamelaarsjaarbeurs in Utrecht nog wel, waar de auteur zijn boeken zat te verkopen. Op het voor- en het achterplat van het boek staat dezelfde foto van een stapel boeken. En zo hoort dat als een boek onder andere over het verzamelen van boeken gaat.

Maar wat staan er voor boeken op Hebben en houden? Het zijn gloednieuwe boeken in elk geval, en ik kan een paar ruggen lezen: ‘Tyskland’ kan ik ontcijferen en een deel van een titel: ‘Jord och’. Het zijn dus Zweedse boeken. Heeft iemand bij de Ikea een Billy mét boeken gekocht? Een korte zoektocht op Google-afbeeldingen met de zoekterm ‘pile of books’ heeft een verbijsterend resultaat: het allereerste plaatje dat verschijnt is de afbeelding op Hebben en houden. De vormgeefster van het boek heeft dus tien seconden geïnvesteerd in het zoeken naar een omslagillustratie voor een boek over, onder andere, bibliofilie. Als dat geen boekenliefde is.

De blurb van het boek zegt dit: ‘Honderdduizend suikerzakjes, dertigduizend boeken, twintigduizend T-shirts, ruim tienduizend bierblikjes, zesduizend uilen en bijna negentig paar sneakers. Er wordt wat verzameld in Nederland.’ En we weten meteen wat voor soort verzamelaars Berveling op het oog heeft. De ‘dertigduizend boeken’ zijn die van Martin Ros, die natuurlijk ook even voorbijkomt, net als, uiteraard, Boudewijn Büch, ‘de bekendste Nederlandse bibliofiel en verzamelaar van de 20ste eeuw’.

Maar is Ros, was Büch een verzamelaar? Büch leek mij toch, net als in alles wat hij deed, een poseur, en zijn boeken waren het perperdure decor van de zoveelste pose. En Martin Ros kan ik sinds een televisieportret lang geleden niet anders meer zien dan met een plastic tasje met boeken voor een garagebox met duizenden van dat soort tasjes ruw en willekeurig opgestapeld. En dan lijkt hij meer op de geciteerde vergaarder van de tienduizend bierblikjes, die daar ongetwijfeld net zo lang – en misschien wel minder chaotisch – over kan vertellen als Ros over boeken. Of op de verzamelaar van xtc-pillen die onlangs in het nieuws was omdat zijn collectie (2400 verschillende) werd gestolen. Als dat eerder was gebeurd, had hij ongetwijfeld in Hebben en houden gestaan.

Bervelings profiel van de verzamelaar is dit: een malloot, een seksueel gefrustreerde gek met een slecht huwelijk en een nog slechtere vaderbinding, die daarnaast lijdt aan een genetisch bepaalde Hollandse schraapkoorts en bovendien aan een neurologische afwijking die hem obsessief allerlei spullen zijn huis in laat slepen totdat hij geen poot meer kan verzetten. Berveling is een socioloog, en de lezer moet dan ook de indruk krijgen dat dit een wetenschappelijk boek is. Een lange bibliografie en interessanterige bronvermeldingen als ‘Hendrikse, 1995:17’ (Berveling, 2009:129) moeten ons laten denken dat hier gedegen onderzoek is gedaan.

Maar ik geloof er niets van: er is vooral verzameld, krantenknipsels namelijk, over mensen die aan Bervelings profiel voldoen. Echte verzamelaars, mensen met een wetenschappelijke insteek bijvoorbeeld die met hun verzamelingen bijdragen aan onze kennis van boeken, kunst en geschiedenis, komen in het boek nauwelijks aan bod. En natuurlijk worden weer de verzamelevergreens gedraaid: Gerard Reve, de Klondykes van Hermans, en ook de pop-upboeken-verzamelaar duikt op, die elk en elk jaar weer door elke journalist geïnterviewd wordt tijdens de boekenmarkt in Deventer.

In een kadertje (Berveling 2009:146) geeft de auteur antwoord op de vraag: ‘Hoe wordt dit boek wat waard?’ ‘Wat’ het boek eventueel waard wordt komen we overigens niet te weten, maar dat zal wel komen omdat er ‘iets’ had moeten staan: ‘Hoe wordt dit boek iets waard?’ dus. Het eerste advies is: ‘Zorg dat u de eerste druk bemachtigt’. Dat is een vreemde raad in deze eerste druk, want die heb ik al. Het tweede advies luidt: ‘Laat de auteur het boek signeren (geen probleem, ik doe dat voor u)’. Afgezien van het praktische probleem van dit aanbod als de koper in Steenoven woont en de auteur in Gaarkeuken: Berveling weet niet dat een gesigneerd boek maar heel zelden een meerwaarde heeft. Tenzij het, bijvoorbeeld, is opgedragen aan iemand die een vervelend stukje over het boek in kwestie schrijft. Ten derde: ‘Let op dat het boek in prima staat blijft’. Dat is een advies om het boek nooit meer te lezen, maar dat lijkt mij geen probleem. En tenslotte: houd trends en modes in de gaten en heb geduld, en ooit zal dat boek van die Berveling veel geld waard zijn. Zou het humor zijn?

Ergens in het boek (Berveling 2009:?) noemt de auteur een verzamelaar met een speciale collectie: vervelende boeken. Die heeft vast nog wel een plekje in zijn kast.

(http://sites.google.com/site/hebbenishouden/)

Jan Gielkens over bibliofiele vondsten en typografische bijzonderheden

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, Jan Gielkens, The Art of Reading


Jan Gielkens: De lintopdracht. Bijzondere opdrachten van Leo Vroman

Jan Gielkens

De lintopdracht

Bijzondere opdrachten van Leo Vroman

Leo Vroman wordt op 10 april 2010 vijfennegentig. Ik ontmoette hem één keer, in 1981 tijdens Poetry International in Rotterdam, waar hij als deelnemende dichter ook meewerkte aan het jaarlijkse vertaalproject. Dat was dat jaar gewijd aan de (Oost-)Duitse dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984), die voor het festivalprogramma werd vertaald door Ton Naaijkens en mij. Ik kocht een net verschenen derde druk van Vromans bundel Uit slaapwandelen en liet die signeren. Vroman maakte van de L van zijn voornaam een zelfportretje en tekende ook de Willemsbrug, die datzelfde jaar een nieuwe gedaante kreeg. Poetry International stond in 1981 in het teken van deze brug.

Onlangs vond ik in een nalatenschap nog een exemplaar van Uit slaapwandelen, en wel de eerste druk uit 1957. Ook in deze bundel schreef Vroman, namelijk op de Franse titelpagina het woord ‘hartelijke’. Omdat ik al had gehoord dat er opdrachtexemplaren van Vroman in de nagelaten bibliotheek van de voormalige Querido-medewerker Klaas Eksteen zaten ging ik op zoek naar andere bundels, en inderdaad leverde wat zoekwerk nog vijf boeken op, allemaal eerste drukken, allemaal door Querido uitgegeven en allemaal met Vroman-sporen. In een eerste druk van Twee gedichten uit 1961 staat het woord ‘voor’, in Gedichten. Vroegere en latere uit 1949 staat ‘Klaas’, in Poems in English uit 1953 staat ‘Eksteen,’, in De ontvachting en andere gedichten uit 1960 staat ‘met’, in Uit slaapwandelen dus ‘hartelijke’ en in Tineke. De adem van Mars. Snippers van Leo Vroman. Proza uit 1960 ‘dank / Leo’.

Naast elkaar gelegd levert dit een leuke opdracht op, waarschijnlijk een geschenk bij het afscheid van Eksteen. Er zitten namelijk wel meer opdrachten in de nalatenschap die ter gelegenheid van een afscheid zijn geschreven. Zou de opdracht compleet zijn?

Ongetwijfeld komt dit soort opdrachten vaker voor. Maar hebben ze eigenlijk een naam?

Jan Gielkens over bibliofiele vondsten en typografische bijzonderheden

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

kempis poetry magazine

More in: Jan Gielkens, Vroman, Leo


Jan Gielkens: Originele editie. Baudelaire in het veilinghuis

Jan Gielkens:

Originele editie

Baudelaire in het veilinghuis


Berichten over dure boeken op veilingen in de pers: meestal is het bladvulling. Zoals het stukje van net vijftig woorden in NRC Handelsblad, dat er op een veiling in Parijs op 1 december 2009 een ‘originele editie’ uit 1857 van Les Fleurs du mal van Charles Baudelaire is verkocht voor 775.000 euro.

Een ‘originele editie’? Eentje met feestmuts en een pikante foto van Carla Sarkozy? ‘Edition originale’ zal er in het persbericht van Agence France-Presse hebben gestaan: en dat is correct vertaald ‘eerste druk’. Waarom is deze eerste druk zo bijzonder is dat hij net zoveel kost als een bescheiden bankiers-bonus? De website van het in  het berichtje niet genoemde Parijse veilinghuis Gros & Delettrez geeft, eenmaal gevonden, helderheid. In een aparte Baudelaire-catalogus met 176 lots wordt lot 80 uitgebreid beschreven. Deze ‘édition originale’ van Les Fleurs du mal is opgedragen aan  Narcisse Anselle, Baudelaires vriend en latere curator, en bovendien heeft de auteur er een aantal handschriftelijke correcties in aangebracht. Een ‘gewoon’ exemplaar van deze eerste druk, die in elfhonderd exemplaren verscheen, bracht, ter vergelijking, in juni 2009 € 11.000 op bij Christie’s in Parijs.


Bij de New Yorkse Christie’s-collega’s werd op 4 december een exemplaar van Edgar Allan Poe’s bundel Tamerlane and other poems uit 1827 geveild voor omgerekend bijna € 450.000, zo meldt de teletekst van de VRT, en ook zij noemen het veilinghuis niet. Maar nu wordt in het berichtje wel aangegeven waarom dit zo’n bijzonder boek is: er waren er tot nu toe maar twaalf van bekend. Wie een mooie beschrijving van een boek wil lezen kan hier terecht, maar dat mag dan ook wel met een verwachte opbrengst waarvan het opgeld een aanzienlijk deel van het jaarsalaris van de medewerker betaalt die zich met dit boek bezighield. Deze Tamerlane is niet in vetvrij papier bewaard in een brandkast, maar gelezen, verplaatst en gebruikt. Dat heet in de beschrijving heel mooi: ‘An entirely unsophisticated copy’.


De catalogus van Christie geeft een overzicht van alle acht de voormalige eigenaren en van de huidige vindplaatsen van de overige twaalf exemplaren. De British Library heeft er een, de rest is in de Verenigde Staten, maar een van deze elf is kwijt. Er zijn waarschijnlijk maar vijftig exemplaren van Tamerlane gedrukt, en dit boek is het enige dat van de drukker-uitgever, Calvin F.S. Thomas, bekend is.

Hoe zit het eigenlijk met Nederlandse negentiende-eeuwse auteurs op veilingen? Lot 2861 van de laatste veiling van Bubb Kuyper in Haarlem, eind november 2009, bestond uit 13 boeken: het debuut van François HaverSchmidt/Piet Paaltjens in de Leidse Studenten-Almanak voor het jaar 1856, een tweede druk van Snikken en Grimlachjes uit 1871 en nog 11 boeken van en over HaverSchmidt. Opbrengst inclusief opgeld: € 260. In lot 2869 zat van J. Kneppelhout een eerste druk van de Studenten-typen uit 1841, een van De studenten en hun bijloop (1844) en nog 3 andere Klikspanen, samen voor nog geen € 140. Een net exemplaar van de beroemdste Nederlandse roman uit de negentiende eeuw, Max Havelaar, samen aangeboden met een eerste druk van Minnebrieven (1861) en Dik van der Meulens Multatuli-biografie, bracht als lot 2879 € 660 op en was het duurste negentiende-eeuwse literaire boek op de veiling.

De 176 lots van de Parijse Baudelaire-veiling hadden een totale opbrengst van 4 miljoen euro. Er zaten nog meer leuke stukken bij, zoals het opdracht-exemplaar van Baudelaires roesboek Les Paradis Artificiels. Opium et Haschisch (1860) aan, nota bene, zijn moeder, dat ongeveer de helft van Les Fleur du mal deed, en een brief uit 1845 van Baudelaire aan Narcisse Ancelle die als ‘zelfmoordbrief’ bekend staat, geschreven tweeëentwintig jaar vóór de werkelijke en alsnog vroege dood van de zesenveertigjarige Baudelaire. Deze brief bracht  € 65.000 euro op. Voor 1 procent van dit bedrag waren bij Bubb Kuyper drie brieven van Willem Frederik Hermans aan Jaap Goedegebuure te koop. Wat zou de Baudelaire-fan Hermans hiervan nou gevonden hebben?

Jan Gielkens over bibliofiele vondsten en typografische bijzonderheden

Links: http://www.gros-delettrez.com/
http://www.christies.com/

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, Baudelaire, Charles, Jan Gielkens, Les Fleurs du Mal


Jan Gielkens: Eerste druk, gesigneerd

 

 

J a n  G i e l k e n s:

 

Eerste druk, gesigneerd

 
‘Wil de echte Hugo Claus opstaan?’

Op 8 november 1972 kocht ik – en ik meen me, vraag me niet waarom, te herinneren dat het bij de Bruna op de hoek van het Neude in Utrecht was – de net verschenen roman Het jaar van de kreeft van Hugo Claus. De aankoopdatum en mijn handtekening staan op het schutblad: dat deed ik toen nog. Ik las het boek ook, en dat verdroeg de paperback niet goed: er zit een fikse leesvouw in de rug en het laminaat laat los. Later verstevigde ik de hoeken nog met tape – en het kost best moeite dat op te biechten.

Waarom kocht ik Het jaar van de kreeft? Niet omdat ik alles van Claus las, maar omdat er iets met dat boek aan de hand was: men was namelijk vergeten de naam van de auteur op de titelpagina te drukken, en daarom signeerde Claus een deel van de oplage eigenhandig. Een ander gedeelte kreeg een plakkertje met de auteursnaam op de titelpagina. Je kon dus, voor de normale prijs, een gesigneerd boek kopen. Het was een van de eerste gesigneerde boeken in mijn kast. Het ziet er zo uit:

 

Dit is de titelpagina van een exemplaar met een stickertje, dat ik nog niet zo lang geleden kocht:

 

Er verschenen ook exemplaren met een volledige titelpagina, en ook daar heb ik er een van:

 

Wat schrijft de Claus-bibliografie Hugo Claus. Voor twaalf lezers en een snurkende recensent van Georges Wildemeersch en anderen (2004) hier eigenlijk over? De oplage van de eerste druk was volgens dit naslagwerk twintigduizend exemplaren. Daarvan verschenen er 2500 met handtekening, eenzelfde aantal met stickertje, een onbekend aantal heeft een ingeplakte titelpagina met auteursvermelding en een eveneens onbekend aantal telt de ‘gewone’ uitgave.

Dat er ook exemplaren zijn zonder auteursvermelding, zonder handtekeningen, zonder vervangende titelpagina en zonder sticker in omloop zijn, vermeldt de bibliografie niet (antiquariaat Swertz in Utrecht biedt er nu, in november 2009, een aan). Je zou je kunnen afvragen: wat is van deze varianten nu eigenlijk de echte eerste druk? De volledige kale variant, of de door Claus met zijn handtekening geautoriseerde? En is een ingeplakt stickertje met een naam ook een autorisatie?

Hoe komt zo’n fout tot stand? Voor het antwoord moeten we waarschijnlijk op de opening van de archieven van De Bezige Bij wachten. Misschien was men ter uitgeverij nerveus omdat er ophef over het boek was. Naar aanleiding van een voorpublicatie in afl. 5/6 van De Gids van 1972 wilde actrice Kitty Courbois, de voormalige partner van Hugo Claus, een verbod van het boek omdat ze zich in het vrouwelijke hoofdpersonage herkende. Maar zo’n verbod kwam er niet.

Marita Mathijsen noemt in Naar de letter. Handboek editiewetenschap (2003) dit geval als een voorbeeld voor varianten van een gedrukte tekst die ontstaan ná het verschijnen. Dat kan ook bijvoorbeeld de eigenhandige correctie door een schrijver van een vervelende drukfout in alle exemplaren van een oplage zijn. Mathijsen plaatst een afbeelding van de titelpagina van een gesigneerd exemplaar van Het jaar van de kreeft in Naar de letter:

 

En dat is curieus, want de handtekening in mijn gesigneerde exemplaar ziet er – zie boven – toch anders uit. Wil de echte Hugo Claus opstaan?

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

k e m p i s   p o e t r y   m a g a z i n e

More in: - Book Stories, Hugo Claus, Jan Gielkens


Jan Gielkens: Een Mei van Melle

J a n  G i e l k e n s

 

E e n  M e i  v a n  M e l l e


‘Jô – ik kan toch zó prachtig schilderen, hè.’

Herman Gorter vond dat de bundels met zijn eigen gedichten simpel en dus mooi moesten zijn. Zolang hij er het toezicht op had waren ze dat.  Alleen de eerste druk van Mei in 1889 had een traditionele negentiende-eeuwse band met een bloemversiering. Vanaf Verzen, dat een jaar later verscheen, hadden Gorters boeken bruinrode of rode linnen banden of crèmekleurige papieren omslagen.

Saai, zal menigeen denken, en er komen dan ook exemplaren voor waaraan een bezitter heeft zitten knutselen. Zo bezit ik een zesde druk van Mei uit 1921, die van zichzelf in rood linnen gebonden is, met daarop subtiele zwarte strepen. Maar iemand heeft stroken zwart papier over de goudstempeltjes met auteursnaam en titel op de rug geplakt en bovendien zowel over het voor- als het achterplat nog eens net zulke stroken papier in de vorm van kruizen, en wel zo dat titel van het boek (er staat geen auteursnaam op het voorplat) verborgen blijft. Waarom? Wellicht is het na 1927 gedaan ter herinnering aan de toen overleden dichter? Of gebeurde het tijdens de Duitse bezetting om een boek van een bekende socialist onherkenbaar te maken?


Bijzonder is het exemplaar van de achtste druk van Mei uit 1940, dat ik voor weinig geld kocht bij een handelaar op de wekelijkse Haagse boekenmarkt. Het is er een met een crèmekleurig omslag, zoals die bij een aantal drukken naast de roodlinnen exemplaren verschenen. Op het voorplat staat een tekening. De handelaar dacht misschien wel: Gorter is toch al geen auteur om geld mee te verdienen, en dan een zoveelste druk, en iemand heeft dit exemplaar bovendien verpest met gedoedel, het moet dus maar op de tafel met de goedkope boeken.

Ik kocht het boek vanwege de curiositeit, zonder te weten wat het precies was, zoals ik ook dat exemplaar met de kruizen had gekocht. Wát het was stond op een briefje dat in het boek lag en dat al snel na de aankoop te voorschijn kwam: de doedel op het voorplat is een originele pentekening van de surrealistische tekenaar en schilder Melle Oldeboerrigter (1908-1976). Het is een landschapje. Misschien is het wel een illustratie bij Mei-regels als deze: ‘als in een droom / Schijnt hoog gegroeid riet heen en weer te wiegen / Met schaarse starren barnend als vuurvliegen.’ De Melle-kenners laten bij navraag weten dat ze dit soort praktijken van de kunstenaar niet kennen.

Waar komt dit boek vandaan? Er zit een exlibris op het schutblad, en dat is van de Amsterdamse arts en boekenverzamelaar Bob Luza, die in 1980 overleed en wiens bibliotheek in 1981 bij Van Gendt werd geveild. Maar in de catalogus van deze veiling komt deze Gorter niet voor.

Er zit nog iets in het boek: een krantenknipsel met de Kronkel ‘Vaarwel’ uit Het Parool van 28 mei 1976, vier dagen na het overlijden van Melle. Simon Carmiggelt vertelt over enkele ontmoetingen met de kunstenaar. Tijdens een van die ontmoetingen zei Melle volgens Carmiggelt: ‘Jô – ik kan toch zó prachtig schilderen, hè.’ En Carmiggelt antwoordde terecht: ‘Vind ik ook’.

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

k e m p i s   p o e t r y   m a g a z i n e

More in: - Book Stories, Gorter, Herman, Jan Gielkens


Jan Gielkens: Zeldzaam

J a n  G i e l k e n s :

Z e l d z a a m

Hoe zeldzaam is een eerste druk van On the Origin of Species? 

NOS-Teletekst meldde op 23 november 2009, dat bij veilinghuis Christie’s in Londen, op de datum dat honderdvijftig jaar geleden On the Origin of Species van Charles Darwin voor het eerst verscheen, een ‘zeldzaam’ exemplaar van de eerste druk van dit baanbrekende boek onder de hamer zou komen. De opbrengst werd geschat op 67.000 euro. Uiteindelijk bracht het ‘stokoude boek’ 114.000 euro op.

Maar is een eerste druk van On the Origin of Species wel zo zeldzaam? Er zijn er 1250 van gedrukt, en dat is een behoorlijk aantal. Als ik even de grote zoekmachines voor antiquarische boeken laat werken, vind ik er binnen tien seconden negen die te koop zijn, in de Verenigde Staten, in Japan en in het Verenigd Koninkrijk.

Het duurste exemplaar kost 225.000 pond, maar dat is dan ook een exemplaar met een opdrachtje van Darwin en met aantekeningen van William Benjamin Carpenter, die als recensent van het boek een belangrijke rol speelde. Twee handelaren in Engeland bieden goede exemplaren aan voor 30.000 pond, en dat is aanmerkelijk goedkoper dan dat van Christie’s. Maar dat heeft iets dat andere exemplaren niet hebben: het stinkt vermoedelijk. Het werd, volgens het Teletekst-berichtje, gevonden op een plank op de wc van een huis in Oxford, waar het veertig jaar heeft gestaan, laat het veilinghuis weten.

Zo’n berichtje verschijnt natuurlijk alleen maar als een belanghebbende een goed persbericht maakt, en in dit geval is dat het veilinghuis. Zou Teletekst ook een bericht maken als iemand een eerste druk van de Nederlandse vertaling uit 1860 door T.C. Winkler zou vinden? Want te koop is zo’n eerste druk niet. En ook niet te vinden in alle Nederlandse bibliotheken die via de Picarta-catalogus te raadplegen zijn.

Ook niet in de Koninklijke Bibliotheek, die onlangs op haar website een dossier aan On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life heeft gewijd. De KB, staat daar, bezit de derde editie uit 1869 van de Nederlandse vertaling. ‘U vindt meer dan u zoekt in de KB!’ staat ergens op de website van onze nationale bibliotheek, maar in dit geval toch wat minder dan je zou verwachten. De eerste druk van de Nederlandse vertaling van een van de beroemdste boeken ter wereld: die is dus pas zeldzaam. Wie er een wil inzien moet heel lang zoeken of naar Toronto, want daar hebben ze er een in de universiteitsbibliotheek.

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

k e m p i s   p o e t r y   m a g a z i n e

More in: - Book Stories, Archive C-D, Jan Gielkens


Jan Gielkens: De papieren cirkel

J a n   G i e l k e n s :

 D e   p a p i e r e n   c i r k e l

Een ‘cultureel rampje’ aan de onderkant van de boekenmarkt

Het overkomt altijd anderen, en in dit geval is dat ook zo, maar toch weer niet helemaal. Op 26 november 2009 ging het gebouw van City Box in Amsterdam-Noord helemaal in vlammen op. Negenhonderd mensen verloren hun spullen, en onder hen was collega H., die in een box zijn verzameling populaire lectuur, pulp, realistische romans, de onderkant van de boekenmarkt kortom, had opgeslagen.

Dat is een cultureel rampje, want de meeste van deze – duizenden – boeken, zijn zeldzaam, veel zeldzamer dan, wat zullen we eens noemen, een eerste druk van On the Origin of Species van Darwin. Deze boeken werden nooit via officiële kanalen verspreid, vaak werden ze onder de toonbank verkocht of, als het onderwerp wat onschuldiger was, als bijlage van geïllustreerde tijdschriften. Ze zijn nooit bewaard door bibliotheken en ze worden zelden serieus genomen in het tweedehandsboekencircuit. Wie ze wil vinden moet er oog voor hebben en veel rommelmarkten en kringloopwinkels bezoeken. En als je ze vindt moet je ze ook kopen, want de kans dat je zo’n boek nog een keer tegenkomt is klein. En omdat dat zo is, zocht ik jarenlang mee voor collega H. Veel van de boeken waren dus gevoelsmatig ook een beetje van mij.

Collega H. verzamelde deze boeken om het fenomeen populaire lectuur etc. gestructureerd in kaart te brengen en er uiteindelijk iets wetenschappelijks over te publiceren. De meeste boeken heeft hij wel geregisteerd, maar beschrijvingen alleen zijn niet genoeg. Het uiterlijk van deze boeken vertelt hele verhalen over herkomst, productie, enzovoort. Nu moet er weer een nieuwe collectie worden opgebouwd. En die collectie zal dus heel anders zijn dan de verbrande. Zal ik mijn eerste donatie dan maar doen? De kans dat ik te horen krijg: die heb ik al, is helaas nog veel kleiner geworden.


Eerder gepubliceerd op:
www.teksteditie.org

k e m p i s   p o e t r y   m a g a z i n e

More in: - Book Stories, Jan Gielkens


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature