In this category:

Or see the index

All categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Reen, Ton van

· Ton van Reen: Het diepste blauw (102). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (101). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (100). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (099). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (098). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (097). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (096). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (095). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (094). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (093). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (092). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton

»» there is more...

Ton van Reen: Het diepste blauw (102). Een roman als feuilleton

Voor de bouwvakkers zit de werkdag erop. Ze lopen terug naar de auto en vertrekken. Mels rolt naar de silo om het resultaat beter te bekijken. De steigers staan al een paar meter boven de grond.

De deur van de voormalige directiekamer staat open. Hij kan er zo binnenrijden. De meubels van de laatste directeuren staan er nog. Alles is gebleven zoals het was. Niemand heeft ooit de moeite genomen hier iets weg te halen. Alles is verrot en vervuild. Het heeft voor niemand waarde meer. Het ziet ernaaruit dat de arbeiders het allemaal in een container voor grof vuil zullen gooien.

Het gepolitoerde bureau van Frans-Joseph zit onder het vuil. De kast, met de monsters van de meelproducten die ze maakten, staat er nog. De affiches aan de muur, huisvrouwen die glunderend hun pakken meel vasthouden. De foto’s van de stichters van de fabriek, de weduwe Hubben-Houba zo breed als de molenaar zelf, aan haar rokken zoon Frits, die later de molen zou overnemen, en Tom, de zoon die naar Amerika zou verdwijnen. En de dochters die naar het klooster werden gestuurd, zodat ze geen beroep konden doen op de erfenis, en zo geruisloos uit de geschiedenis van de familie en van de fabriek werden weggesluisd.

De grote foto van Frits Hubben, de erfgenaam die het bedrijf liet verhuizen van de watermolen naar de fabriek, zittend aan een bureau. Naast hem de twee zonen, Frans-Hubert en Frans-Joseph, beiden al met een blik in de ogen die verraadt dat het hen allemaal geen bal interesseert.
De foto’s van de laatste generatie. De kinderen van Frans-Hubert en van Frans-Joseph, van wie niemand nog in het bedrijf heeft gewerkt, vrolijk lachend bijeen op een grasveld voor een villa.

Hij vindt het jammer dat hij niet eerder wist dat dit hier allemaal hing te vergaan. Hij had het graag willen behouden. De foto’s had hij kunnen bewaren in zijn archief, maar nu zijn ze waardeloos. Vocht heeft ze aangetast en beschimmeld. Waterkringen lopen door het rottende papier. Deze rotzooi kan hij niet meer mee naar huis nemen, ook al zou hij het willen. Lizet wil het zeker niet in huis hebben.

In een laatje vindt hij stukken van het reclamearchief, waar Frits Hubben zo zorgvuldig mee omging. Foto’s van vrouwen die verlekkerd een beslag kloppen, met in hun hand een pak patentmeel van Hubben. Foto’s van de verpakkingen van Luxe- en Excellentmeel, die zo mooi zijn dat ze van meel een kostbaarheid maken. Een foto van een dikke man, glunderend met een pak anti-obstipatiemeel vol zemelen in de hand, het wondermeel waarvan hardlijvige mensen een gezonde stoelgang zouden krijgen. Foto’s in een bakkerij waar de balen Hubben Broodmeel hoog liggen opgeslagen, en de bakker en zijn knechten trots de glimmende broden met suikerkorst tonen. Winkels in levensmiddelen en koloniale waren met Hubbens bijzondere soorten brood- en bakmeel in de rekken. Hubbens broodmeel in Indonesië en Zuid-Afrika. Alle foto’s stralen glorie uit en demonstreren daardoor des te meer hoe onnodig de ondergang van de fabriek was.

In zijn woede grijpt hij een pot met een verdroogde bloem van de vensterbank en gooit hem naar het familieportret van de lapzwansen. Het glas rinkelt. Dat doet goed.
Dan pas ziet hij de bouwlift, aan de achterkant van de silo. Die moeten ze vandaag hebben geplaatst. In een opwelling rijdt hij ernaartoe en rolt het platform op van de lift. Hij drukt op de knop. Het ding werkt. Ze hebben vergeten de stroom uit te schakelen.

Langzaam gaat hij naar boven. Het is opwindend. Hij voelt zich een klein kind dat iets doet wat verboden is.
De lift staat stil. Hij is op het hoogste punt aangekomen. Nu weer naar beneden? Of het dak op? De vloerplaat kan uitgeschoven worden. Door een druk op een knop schuift de plaat tot op het dak en vormt een brug.
Hij rijdt het dak op. Hij kijkt rond en voelt zich vrij.

Op nog geen halve meter van de rand stopt hij de rolstoel. Tussen zijn voeten doorkijkend, in de diepte, ziet hij het dorp zoals een vogel het ziet. De rookpluimen boven de rode, blauwe en grauwe daken. Hij kan ze tellen. Nu hij er bovenop kijkt, ontdekt hij de regelmaat in het patroon. Broederlijk liggen de huizen dicht naast elkaar. Hun goten omarmen elkaar en verbinden meer dan honderd huizen. Aan elkaar gesloten pannenrijen, rood, blauw en grijs, versterken het beeld van een gesloten dorp.

Vanaf hier is zijn huis het zevende dak van rechts. Als je het dorp vanaf het noorden binnenkomt, is zijn huis het derde aan de rechterkant. Kom je vanuit het zuiden, dan is het ‘t tweeëntwintigste huis aan de linkerkant. Kom je van de weg langs de Wijer, dan is het vanaf de brug het zevende huis rechts, aan de overkant van de straat.

Zou je met een bootje over de Wijer het dorp binnenvaren tegen de stroom op, dan is het het negende huis links. Tegenover zijn huis ligt slagerij Kemp. Kemp levert bierworst aan café De Zwaan, dat aan de andere kant van de brug ligt, en fijne vleeswaren als er in De Zwaan een uitvaartmaal wordt geserveerd of als er een trouwpartij is.

Maar er komt niemand over de Wijer het dorp binnenvaren. Nu, laat in de middag, is de beek een zilveren streep tussen de weilanden, die soms heel even zwart wordt als er een wolk voor de zon trekt. Vanmiddag zijn er weinig wolken. De zon schijnt zo overdadig dat de miljoenen margrieten langs het riviertje een breed wit tapijt vormen. De oevers zijn net zo wit als vroeger, toen de weide wit was omdat zijn moeder er de lakens op te bleken had gelegd en hij haar moest helpen om stenen op de hoeken te leggen, zodat de wind ze niet kon meenemen.
Van bovenaf lijkt het dorp veel lieflijker dan het in werkelijkheid is. Het centrum van vroeger is maar klein. De huizen staan er dicht op elkaar, alsof ze bang zijn voor de uitgestrektheid van de velden, weilanden en bossen die het dorp omringen, maar vooral voor de groeiende buitenwijken.

Hoewel het dorp diep beneden hem ligt, lijkt alles waar hij naar kijkt toch heel dichtbij. De wand van de silo versterkt de geluiden van beneden, zodat hij alles hoort wat zich daar afspeelt. Er zijn maar een paar mensen op straat, maar doordat hij van zo hoog op hen neerkijkt, hebben ze hun proporties verloren: het zijn gedrongen poppetjes.

Nu hoeft hij alleen maar de rem van zijn rolstoel te ontkoppelen, de wind zal hem wel een zetje willen geven. Voor het eerst sinds lang zullen ze naar hem kijken, allemaal, daar in het dorp. Hij glimlacht bij de gedachte, juist omdat hij dat niet nodig heeft. Hij hoeft geen aandacht, hij wil alleen maar dat ze weten wie hij is.
Hij hoort hoe de mensen met elkaar praten. De daken kunnen wel het zicht op de mensen verbergen, maar nemen niet hun stemmen weg. Hij meent zelfs het ademen van de baby in de tuin van zijn dochter te horen. En het snorren van de poes, die als een bal opgerold aan het voeteneind in de kinderwagen ligt. Het is gevaarlijk. De kat mag niet op de baby gaan liggen, dat zou de dood van het kind kunnen betekenen.

Eigenlijk zou hij moeten schreeuwen, om de kat te verjagen. Maar het beest zal hem niet horen. Van beneden kan niemand hem horen. Hij heeft eens een man vanaf het dak van de silo naar beneden zien schreeuwen, de mond wijdopen, de handen als een toeter aan de mond, maar niemand hoorde hem.
Het is zelfs nog maar de vraag of ze hem van de straat af kunnen zien. Als ze naar boven zouden kijken, kijken ze tegen de onderkant van de rolstoel aan, de voetenplankjes. Ze zullen denken dat het ding iets is van de aannemer die de silo verbouwt.

Opeens hoort hij zoemen achter zijn rug. De lift. De vloerplaat wordt naar binnen gehaald. Dan zakt de lift naar beneden. Heeft iemand hem ontdekt? Halen ze hem nu van het dak?
Hij hoort veel stemmen tegelijk en doet moeite om het koor van geluiden te ontrafelen. Een voor een weet hij de stemmen in zijn oren te ontcijferen. De stem van Kemp, de slager, de stemmen van de samenwonende nichtjes Tinie en Tinie van de Bercken, die beiden al bijna honderd moeten zijn en theedrinken op het terras achter het huis waarmee ze samen in de tijd wegzakken. De postbode, die `post!’ roept bij elke brievenbus waar hij wat in gooit, ook bij een huis dat al jaren leegstaat en waarin de post zich in de gang tot een berg heeft opgehoopt.

Hij hoort niet alleen de stemmen van degenen die beneden zijn, er klinken ook fragmenten door van stemmen van langgeleden. De bewoners van het kerkhof. Grootvader Bernhard. Juffrouw Fijnhout. Ze zijn rumoerig en praten door elkaar heen, net of ze hem allemaal tegelijk iets willen zeggen. Of ze hem roepen. Eén stem is goed te verstaan omdat hij zacht en rustig is. Grootvader Bernhard. Fragmenten van zinnen. `Zonnebloemen zijn … zomerbui … lusten jullie een … heb ik al klaar’, waaruit Mels begrijpt dat regen goed was voor zonnebloemen en dat grootvader glazen limonade voor hen op het aanrecht heeft staan. Hoewel grootvader Bernhard steeds stukken van zinnen inslikt, begrijpt hij hem toch goed als hij zegt: `Niet doen … is heilig … niet de hand aan …’ Even ziet hij hem zitten, in zijn leunstoel, boven op de betonnen grafsteen, maar dan lost zijn beeld op in het zonlicht om weer op te duiken bij het molenhuis, op zijn stukje land bij de Wijer.

Ton van Reen: Het diepste blauw (102)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (101). Een roman als feuilleton

Mels is ziek van eenzaamheid. Tijger en Thija hebben diepe gaten in zijn hoofd achtergelaten. En grootvader Bernhard kan hem niet troosten, al vertelt hij nog zulke mooie verhalen. Zijn hoofd wil geen verhalen meer horen. Zelfs zijn moeder kan hem niet troosten, terwijl ze heel goed begrijpt wat er in hem omgaat.

Maar zijn vader vindt hem een mietje omdat hij zo lang verdriet heeft over een meisje.
`Het land zit vol meisjes’, zegt zijn vader. `En stuk voor stuk zijn ze mooier dan dat spichtige ding. Je wordt nog honderd keer verliefd.’ Hij kan zijn vader wel vermoorden.
Lusteloos zit hij in de boot en kijkt in het dode, zwarte water van de Wijer. Hij snapt niet dat ze hier vroeger zulke vette, blinkende vissen hebben gevangen. Zilveren forellen met roze buiken. Het is nu al meer dan een week geleden dat Thija vertrokken is en nog steeds heeft ze geen brief gestuurd.

Met moeite roeit hij naar de brug, maar de boot is veel zwaarder dan vroeger en loopt steeds aan de grond. Elke keer als hij, tot aan de knieën in het water, de boot vlot moet duwen, zou hij het liefst gillend naar het andere eind van de wereld rennen. Wat heb je aan een boot als je er helemaal alleen in zit en niet weet waar je naartoe wilt varen?

Eindelijk is hij bij de brug. Lizet van het café hangt over de reling. Hij ziet haar pas als hij de boot vastlegt en op de wal wil springen.
`Wíj hebben een echte boot’, zegt Lizet.
`Krijg de pest met je boot’, wil hij roepen, maar hij doet het niet.
`Mijn vader heeft een motorboot gekocht. Zondag gaan we varen. Je mag mee als je wilt.’
`Als ik niks te doen heb’, zegt Mels, maar hij weet nu al dat hij niet mee wil.
`Er is nooit wat te doen op zondag’, zegt Lizet.

Mels weet dat ze gelijk heeft. Dat heeft hij afgelopen zondag voor het eerst gemerkt. Toen was Thija pas één dag weg. Toen Tijger er nog was, gingen ze met z’n drieën roeien, schaatsen, of eekhoorns vangen. Op zondagen reisden ze naar China op de woorden van Thija. De zondagen waren veel te kort. Maar aan de eerste zondag waarop hij alleen was, kwam geen einde.
Hij wordt al ziek als hij denkt aan de komende zondag.

`Verdomme!’ Hij schreeuwt het uit.
`Praat je vaak in jezelf?’ vraagt Lizet.
`Hoezo?’
`Je vloekt tegen jezelf.’
`Die rotboot. Het is meer duwen dan varen.’
`Ga toch mee, zondag. Dan zie je pas een echte boot. Met een kajuit.’
`Goed, ik ga mee.’ Hij zegt het omdat hij bang is voor de komende zondag. Hij kan niet tegen een zwarte zondag, waarop alle bomen zwart zijn en het riet zwart is en hij niet eens bij zijn grootvader Bernhard kan zijn omdat alles in zijn huis zwart, morsdood en leeg is.

`We vertrekken om acht uur, met de auto.’
`Niet met de boot?’
`Je denkt toch niet dat we met een motorboot op de Wijer gaan varen. Zo’n roestbeek. We hebben de boot op de Maas liggen.’
Mels heeft al spijt van zijn belofte.

Ton van Reen: Het diepste blauw (101)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (100). Een roman als feuilleton

Wel honderd keer is hij naar Rotterdam gereisd, op zoek naar Thija. Een paar keer per jaar. Hij heeft zich nooit los kunnen maken van de Wijer en de boottochtjes met Tijger en Thija. Die herinneringen zijn z’n intiemste bezit. Als een schatbewaarder is hij bij de Wijer blijven wonen.

In Rotterdam heeft hij geen spoor van haar gevonden. Zijn hele leven is hij op zoek geweest naar een schim. Natuurlijk was ze anders geworden. Natuurlijk was ze net zo oud als hij en moest hij haar niet zoeken tussen de kinderen die op straat speelden, maar tussen de vrouwen in de winkels, in de trams, in de restaurants, in de opiumkitten. Bij alle vrouwen keek hij naar de knieën, op zoek naar het roze mondje op de rechterknie, maar hij vond het nooit terug. Vaak had hij er zich belachelijk door gemaakt.

En haar vader? Hij had er vaak over gesproken met de heer Wong Lun Hing, die een hotelletje had waar hij altijd had overnacht. De heer Wong had overal navraag gedaan in de Chinese gemeenschap, maar geen spoor gevonden van een Lacoste die getrouwd was met een Chinese. De enige Lacoste die ze hadden kunnen ontdekken was een Fransman geweest, die een theeplantage had gehad in China en die, al wat ouder, toen hij zijn plantage aan de communisten had verloren, in Rotterdam was gaan wonen en een handel in thee had opgezet. Een thee-imperium dat handelde over de hele wereld. Hij woonde in Rotterdam en had een zoon. Navraag bij hem had niets opgeleverd.

Tot Wong Lun Hing op zekere dag had geopperd dat die heren van de thee er in hun goede tijden in China meestal bijzitten op na hielden. Buitenvrouwen. Had Lacoste zo’n buitenvrouw laten overkomen en haar ver weg van Rotterdam in een huis gezet waar hij haar af en toe bezocht?

Op eigen houtje was Mels achter Lacoste aangegaan, maar op het adres dat Wong Lun Hing had achterhaald, woonde iemand anders, iemand die alleen maar wist dat hij het huis had gekocht van een makelaar, die het te koop had aangeboden omdat de vorige eigenaar was gestorven, waarna zijn weduwe met onbekende bestemming was vertrokken.

Een dood spoor, maar wel een spoor dat veel onrust in hem had gewekt.
In een paar kranten had hij een oproep geplaatst aan Thija Lacoste, ondertekend met Mels Gommans. Nooit had hij er iets op gehoord.
Door al zijn zoektochten had hij de stad Rotterdam leren kennen. De havens, die jaar na jaar veranderden. De straten die nooit hetzelfde waren. De mensen van wie hij zich nooit een gezicht herinnerde, maar wel het rumoer dat ze maakten. De hoerenbuurt. Chinese meisjes bij de vleet. Matrozenhoeren die spaarden voor een eigen zaak, een eigen bordeel.

Telkens was hij teleurgesteld teruggekomen uit Rotterdam. Thuis was zijn eerste gang steeds naar de Wijer, waar de boot lag te verrotten in het riet. Na jaren restte er niet meer van dan het rondhout van de boeg. Hij nam het mee naar huis en bewaarde het op zolder. De laatste tastbare herinnering aan Tijger en Thija.
Sinds hij in de rolstoel zit, is hij niet meer in Rotterdam geweest.

Ton van Reen: Het diepste blauw (100)
wordt vervolgd

•fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (099). Een roman als feuilleton

Thija komt buiten met haar reistas. Ze heeft een mantelpakje aan, lichtgrijs, rood afgebiesd. Ze ziet eruit als een dochter van een deftige familie, die naar kostschool vertrekt. Ze heeft een strik in het haar, net als op zondag wanneer ze naar de kerk gaat.

Ze zet de reistas op de grond en gaat erop zitten. Haar onmogelijk lange rok hangt op het trottoir, zodat ze hem wat op moet trekken.
Mels gaat op de stoep zitten, aan de andere kant van de straat, want hij is ontzettend boos.
Thija vijlt haar nagels.

`Hou op met dat gedoe’, zegt hij boos.
`Ik schrijf je toch’, zegt Thija. `Ik vergeet je echt niet.’
`Weet je nu waar je gaat wonen?’
`Rotterdam, dat zei ik toch. Ik schrijf je volgende week al. Elke week schrijf ik.’
Er rijdt een auto door de straat, langzaam. Passeert hen. Even is ze uit zijn ogen weg. Dat even doet al pijn.
`Ik heb een cadeau voor je.’
`Wat is het?’ vraagt hij.
`Kom het maar halen.’
`Je moet het me brengen.’

Blijkbaar hoort ze aan zijn toon dat hij niet toe zal geven, zeker niet nu hij zo geweldig boos is over het afscheid. Ze staat op en steekt de straat over. De rok hangt bijna op haar schoenen. De neuzen glimmen.
Uit haar reistas pakt ze een doosje, met een lint eromheen.
`Je mag het pas uitpakken als ik weg ben.’
`Goed.’
Hij neemt het pakje aan en steekt het in zijn zak.

Ze komt naast hem zitten. Even is het alsof er niets aan de hand is, alsof ze een spelletje gaan doen dat de hele dag zal duren. Zoals ze het zo vaak gedaan hebben. Raden waar je naar kijkt. De stemmen van voorbijgangers nadoen. Of gewoon verhalen vertellen.
Haar moeder komt buiten en zet een paar dozen met huisraad op de stoep.
`Nemen jullie niet alles mee?’
`De koffers worden later opgehaald. Ze zijn nooit uitgepakt. Eigenlijk hebben we er niets van nodig. Voorlopig gaan we in een hotel wonen, tot we een huis hebben gevonden.’
Ze slaat een arm om hem heen. Hij voelt hoe warm haar arm is, ook al is die nog zo dun. Haar huid is van zijde.
`Ik wil liever blijven’, zegt ze. `Ik vind het net zo erg als jij. Maar het kan niet. Als je ouders verhuizen, moet je mee.’

Een auto rijdt voor en stopt voor haar deur. Thija’s vader stapt uit. Mels heeft hem nog nooit gezien. Hij schrikt een beetje van hem. Het is een oudere, forse en grijze man. Niet veel jonger dan zijn grootvader. Niet de vader die hij had verwacht. De man groet hem niet, hij kijkt gewoon over hem heen. Het is een man die het druk heeft, dat kun je zo aan hem zien. Daarom neemt hij hen nu mee naar Rotterdam, om hen vaker te zien. Mels snapt het, maar het is niet eerlijk.
Haar vader laadt de dozen in de achterbak en klopt het stof van zijn handen.
Mels voelt de tranen langs zijn wangen lopen.

`Niet doen’, zegt ze. `Ik schrijf je toch. Ik schrijf je alles wat ik nog over China weet.’
`Je gaat naar Rotterdam!’
`Kom op, we hebben weinig tijd’, zegt haar moeder. `Je moet nu afscheid nemen.’ Ze strijkt Mels over het haar en loopt naar de auto.
`Nou, ik moet gaan.’ Thija staat op en geeft hem een kus.
Door zijn tranen heen ziet Mels haar in de auto stappen. Hij ziet hoe die stomme rok van haar even blijft haken. Ze valt bijna de auto in. Als hij een pistool had zou hij haar vader doodschieten. Maar misschien ook niet. Hij weet het niet. Hij is verlamd. Hij zou niet eens kunnen schieten.

De auto rijdt de straat uit. Ze zwaait. Hij wil terugzwaaien, maar het gaat niet. Hij is versteend. Het liefst was hij dood.
Pas als de auto al een uur weg is, of misschien wel twee uur, gaat hij naar huis.
Op zijn kamer pakt hij het cadeautje uit. Het is papier over papier. Laag na laag. Het pakje wordt steeds kleiner. Ten slotte blijft er een klein velletje van een kladblok over.

`Misschien gaan we zo ver weg dat ik je nooit meer zal zien’, leest hij. `We blijven maar even in Rotterdam. Een paar dagen, of een paar weken. Dan vertrekken we naar China, waar mijn vader op een theeplantage gaat werken. Ik weet niet eens in welk China. Hij zegt er niets over tegen mij, maar ik denk dat hij Formosa bedoelt. Meer weet ik er ook niet van. Misschien kom ik later naar Nederland terug, om te studeren. Ik moest dit opschrijven, want ik kon het je niet vertellen omdat ik zelf niet wil dat het gebeurt. Ik wil niet zonder jou naar China. Maar ook al zou ik je nooit meer zien, je moet weten dat ik altijd net zo veel van jou zal houden als van Tijger. Thija.’

Liggend op bed perst hij zijn hoofd zo vast in het kussen dat alles zwart wordt. Hij wil net zo dood zijn als Tijger.

Ton van Reen: Het diepste blauw (099)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (098). Een roman als feuilleton

Mels blijft even staan op de brug en kijkt uit over de Wijer. Was de beek vroeger blauwer?

Is het echt waar dat ze vroeger tot op de bodem konden kijken omdat het water zo helder was als kristal, of herinnert hij zich dat zo omdat hij alles van vroeger idealiseert? Als ze in hun bootje zaten, voeren ze op een kleine rivier van stromend glas.

Het blauw dat hij in zijn geheugen heeft, was onzegbaar blauw. Het diepste blauw.

Hij sluit zijn ogen om zich dat blauw van de Wijer voor de geest te halen. De blauwe zomerkleur van het stromende water. Het blauw van de libellen. Het geel van de lisdodden. De spekwitte huid van de waterlelies.

Zonder nog op te kijken draait hij zijn rolstoel en rijdt naar huis.

Ton van Reen: Het diepste blauw (098)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (097). Een roman als feuilleton

`Zullen we doen wie het eerst bij de kerk is?’ vraagt Tijger.
`Goed’, zegt Mels. `Maar ik wil twintig meter voorsprong. Mijn fiets is niet zo goed als die van jou.’

`Jij mag mijn fiets.’
`Dan starten we gelijk.’
`Jullie wachten maar op me bij de kerk’, zegt Thija.
`Ik tel tot drie’, roept Tijger.

Bij `drie’ vliegen ze ervandoor. De betere fiets helpt Mels niet. Tijger gaat op kop. Maar Mels geeft zich nog niet gewonnen.
Ze naderen het dorp. In volle vaart schiet Tijger van het pad, zoeft rakelings langs de Wijer en vindt het pad terug. Bijna had Mels hem ingehaald.
De kerk is al dichtbij. Het pad wordt breder. Op het laatste stuk van het pad, vanaf het kerkhof tot de kerk, ligt grind. Daar kunnen ze nog harder.
Tijger zoeft de straat op. Een paar tellen later gevolgd door Mels.
Hij hoort een klap. Roepen. Schelden.

Tijger ligt bewegingloos op straat. De fiets ligt verwrongen onder het wiel van de tractor. Mensen schieten te hulp. Vrouwen met handdoeken en verband. Mannen stropen in paniek hun mouwen op.
De boer probeert de fiets onder het tractorwiel vandaan te trekken.
Mels wil naar zijn vriend, maar de mensen duwen hem aan de kant. Hij ziet hoe een straaltje bloed uit het oor van Tijger loopt.
Thija slaat een arm om Mels heen. Hij ziet haar grote ogen waar de tranen uit stromen.

`Hij is dood’, horen ze de man zeggen die zijn oor aan Tijgers borst houdt.
`Hij is dood’, zegt de man tegen Tijgers moeder.
`Hij is dood’, fluistert Mels.
Thija’s tranen vloeien langs haar hals en vormen een donkere vlek op haar lichtgroene blouse.
Een politieman stuurt alle kinderen weg. Het helpt niet als ze zeggen dat Tijger hun vriend is.
`Jullie moeten weg’, zegt de agent. `En hij heet geen Tijger. Hij heet Bart.’
Ze gaan op de bank voor de kerk zitten en zien hoe een ambulance voorrijdt, hoe Tijger op een brancard wordt gelegd en hoe hij het dorp uit wordt gereden.
De moeder van Mels komt naar hem en Thija toe, gaat bij hen zitten en legt een arm om hen heen. Samen zitten ze op de bank, totdat het donker wordt. En dan blijven ze ook nog zitten, omdat ze weer moeten huilen als ze steeds opnieuw het ijselijke gillen van Tijgers moeder horen. De dokter is bij haar, en de pastoor, maar geen pillen en geen gebeden krijgen haar stil.

Dan komt ook de moeder van Thija bij hen zitten. Zo zitten ze daar uren, in het almaar killer wordende maanlicht. En opeens begint Thija’s moeder te vertellen in haar wonderlijke taal die een mengeling is van Engels, Nederlands, Chinees en gebarentaal. Haar woorden verdoven de pijn. Ze vertelt dat ze als meisje leerde zwemmen in de Jangtsekiang. Dat ze als kind met haar ouders uit China is gevlucht, en dat ze het niet erg vindt om niet in China te wonen, maar dat ze zo dolgraag dat plekje aan de Gele Rivier terug zou willen zien.
Pas als beide wijzers van de kerkklok op twaalf staan, gaan ze naar huis.

Als Thija wegloopt, ziet Mels weer hoe dun ze is. Ze is niet meer dan vel over been.
De volgende ochtend wordt er op school over Tijger gesproken. De juf vertelt verhalen over de overstap van het leven naar de dood. En dan moeten ze allemaal huilen. De juf kan zo goed vertellen dat zelfs de meisjes die een hekel hadden aan Tijger moeten huilen.
Ze maken een rouwkrans en leggen die op Tijgers bank. Daar zal hij de rest van het schooljaar blijven liggen.

Na school gaan Mels en Thija naar het molenhuis van grootvader Bernhard.
Ze klimmen naar de doodstille zolder.
`Hoe gaat het in China als kinderen doodgaan?’ vraagt Mels.
`Vraag je dat aan mij?’
`Jij was er toch? Tenminste, jouw moeder.’
`Kinderen begraven ze in glazen kisten.’
`Net als Sneeuwwitje?’
`Soms worden ze verbrand, zodat de ziel van de overledene terug kan keren in een ander lichaam.’
`Kan Tijger dat ook?’
`Hij zal wel moeten’, zegt Thija. `We kunnen niet zonder hem.’
Mels ziet dat er tranen in haar ogen staan en daarom moeten ze opeens weer allebei huilen.

`Hij moet terugkomen’, zegt Mels.
`Misschien is hij al terug.’ Thija wijst op de grote vlinder die op de ruit gaat zitten en met zijn grote gekleurde vleugels naar hen wuift.
`Zo’n grote kapel heb ik hier nog nooit gezien’, zegt Mels. `Kapellen zijn heel zeldzaam. Denk je écht dat hij het is?’
`Ik denk het wel’, zegt Thija. `In China leven de zielen van gestorven kinderen ook voort in vlinders. En dan vliegen ze wuivend door het dorp. Je ziet toch dat hij naar ons wuift! Ik vind het echt iets voor Tijger.’
Bij de begrafenis loopt Thija aan de hand van haar moeder. Mels loopt ingehaakt in de arm van zijn moeder, die zachtjes huilt, maar toch zo hard dat iedereen het hoort. Ze kan er niets aan doen.
Mels huilt niet. En ook Thija huilt niet meer. Het meer achter haar ogen is leeg. Maar haar ogen staan schuiner dan ooit, alsof ze bij de begrafenis van Tijger extra mooi wil zijn.

De kist van Tijger wordt gedragen door mannen uit de buurt.
Het hele dorp loopt van de kerk naar het kerkhof. Ook de boer die Tijger doodgereden heeft. Hij heeft een vreemd bleek voorhoofd, precies waar zijn pet gewoonlijk staat, de rest van zijn gezicht is bruingebrand door de zon. Hij houdt de pet in de hand en knijpt hem bijna fijn.
De mannen laten Tijgers kist in het graf zakken. Mels probeert naar zichzelf te luisteren, maar zo stil is het in zijn hoofd nog nooit geweest.
Thija fluistert iets. Haar mond gaat open. Ze wijst. Dan pas ziet hij de kapel met grote gekleurde vleugels die over het kerkhof vliegt en tussen de bomen verdwijnt. Tijger is voorgoed vertrokken.

Ton van Reen: Het diepste blauw (097)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (096). Een roman als feuilleton

De herinnering aan de grote brand emotioneert hem. Hij merkt dat zijn hoofd gaat dazen, of er bijen in rond zoemen. Het zijn geen bijen, maar kinderstemmen. De school is uit.

`Zit je hier al lang, opa?’ Het zijn Afke en Zhia. In hun kleurige jurken hinkelen ze rond zijn rolstoel.
`Ik wachtte op jullie.’
`Wat gaan we doen?’
`Naar de watermolen?’
`Goed’, zegt Afke.
`Is er feest?’
`Hoezo?’
`Omdat jullie jurken dragen. Jullie lopen altijd in broeken.’
`Straks ga ik bij haar thuis spelen’, zegt Afke. `Zhia’s oma is over. Ze is heel aardig, maar tegen meisjes in broeken praat ze niet.’
`Ik vind die jurken ook veel mooier.’ Hij meent het echt.
Als vlinders lopen ze voor hem uit.

Bij het vlondertje van het voormalige huis van grootvader Rudolf staan ze even stil. Omdat ze daar altijd even stilstaan en omdat Mels er altijd wat vertelt.
`Hier legde ik vroeger mijn boot vast’, zegt hij. `Dan liep ik naar binnen. Grootvader vertelde vaak over zijn denkbeeldige reizen, of over de oorlog. In het schuurtje had hij een klein museum.’
`Waar is dat spul gebleven?’ vraagt Afke.
`Het meeste ligt bij mij op zolder.’
`Mogen wij er gaan kijken?’
`Zeker. Het spul moet er trouwens weg. Misschien is het iets voor een echt museum.’
`En als we het zelf willen houden?’ zegt Afke. `Je kunt het aan mij geven. Ik bewaar het goed.’
`Dan mag jij alles hebben.’

De meisjes hinkelen voor hem uit. Als ze te ver voorop zijn, wachten ze op hem.
`Ik wil het weitje bij mijn grootvaders huis wel weer eens zien’, zegt Mels.
`Wij spelen daar vaak’, zegt Afke.
`Vroeger kwam er nooit iemand. Alleen wij. Tijger heeft er een kist met spullen begraven. Voor later.’
`Wat zat erin?’
`Zijn cadeaus van een verjaardagsfeestje. Ook de mondharmonica die ik hem had gegeven.’
`Die is allang verroest’, zegt Zhia. `Waarom heeft hij dat spul begraven?’
`Tijger was net een eekhoorn. Hij stopte de dingen waarvan hij hield weg.’
`Eekhoorns vergeten waar ze hun noten begraven hebben’, zegt Zhia.
`Tijger kreeg niet eens de tijd om zijn spullen terug te zoeken.’
Bij de brug slaat hij de weg in die langs de Wijer naar de molen en de parkeerplaats loopt.
`Jij rijdt hard’, roept Afke tegen hem. `Straks rij je het water in.’
`Passen júllie maar op. Er zitten duiveltjes in het water, die je met hun haakstokken de beek in trekken.’

Hij stopt omdat hij een dode kraai aan de kant ziet liggen. Verderop ligt een dode egel. Vroeger stonden hier de frambozen van zijn moeder. De dieren hadden er vrij spel, maar op het asfalt hebben ze geen kans. De vogels en dieren die vroeger te snel of te stekelig waren om ze te kunnen pakken, zijn nu te langzaam of te zacht om te ontsnappen aan de auto’s van de mensen die de molen bezoeken.

Ton van Reen: Het diepste blauw (096)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (095). Een roman als feuilleton

`Wat een allemachtig mooie bliksem’, zegt Tijger vol bewondering. Het hele dorp wordt geraakt door vuurpijlen die sissend in de grond slaan.

`Onweer is sprookjesweer’, zegt Thija.
Door het raampje van de zolder is het uitzicht op de wereld altijd sprookjesachtig, maar vooral nu, nu de bliksem het dorp wil afbranden en de donkere bossen aan de bovenloop van de Wijer in een witte gloed zet.

In hun bijna geluiddichte schuilplaats op de zolder van de molen horen ze het onweer nauwelijks, maar zien ze wel de bliksem wanneer die als een drietand boven het dorp staat. Hij vonkt langs de bliksemafleider van de kerk. De vlammen spatten van het beeld van Christoffel dat boven op de toren staat en die het dorp bewaakt, met op zijn schouder het kindje Jezus dat al een paar honderd jaar wacht om over de Wijer te worden gedragen.

Thija leest voor uit een van de bijbelboeken die in een doos op de zolder staan. Ze hebben er pas twee gelezen. De rest moet nog.

`Zodra Izebel, de weduwe van koning Achab van Juda, hoorde dat Jehoe, de nieuwe koning van Juda en moordenaar van haar man, haar kwam bezoeken, liet zij haar huis beschilderen, plantte bloemen in haar tuin en nodigde vrouwen in haar huis.’

`Dat zijn veel komma’s in één zin’, zegt Mels.
`Ik kan niet anders lezen dan dat wat er staat’, zegt Thija. Ze leest verder.
`Deze vrouwen waren in de hogere kringen zeer geliefd. Zij verstonden de kunst van het verleiden en maakten daar gebruik van.’
`Hoeren dus’, zegt Tijger. `Net als in de bunker.’

`Op de dag van Jehoes aankomst, verfde Izebel haar ogen zwart, haar lippen rood en haar nagels paars.’ Thija doet een vinger op haar lippen om te voorkomen dat Tijger daar weer opmerkingen over maakt. `Ze maakte haar kapsel in orde, kleedde zich in een jurk van doorschijnende zijde, sierde zich met paarlen, robijnen en blauw glanzende brokken aquamarijn. Daarna ging ze op het met bloemen gestikte kussen voor het venster zitten en wachtte af. Toen ze Jehoe zag naderen, raakte ze zeer opgewonden. “Hoe gaat het de nieuwe koning van Juda?” vroeg ze. “Hoe gaat het de moordenaar van mijn man? Het zal wel goed met hem zijn. De Heer onze God is met hem, want hij heeft het land een dienst bewezen door mijn man Achab te vermoorden.”‘

`Ze had wel lef’, zegt Tijger.
`Toen Jehoe haar hoorde, riep hij woedend tegen zijn soldaten: “Gooi dat kreng het raam uit!” De soldaten grepen Izebel en gooiden haar op de binnenplaats. Daar liet Jehoe haar door de paarden vertrappen. Haar bloed spoot tegen de muur. Wilde honden vraten haar vlees. Haar hersenen werden verzameld door een bedelaar die ermee aan de haal ging.

In de volgende dagen liet Jehoe alle zonen van Achab vermoorden. Achab had zeventig zonen, verwekt bij Izebel, slavinnen en publieke vrouwen. Hij had geen dochters, omdat Izebel nooit een dochter gebaard had. De dochters die Achab verwekt had bij slavinnen en publieke vrouwen, had hij voor de leeuwen laten werpen. Volgens de wetten van het volk waren ze een doorn in het oog van God. De zonen van Achab woonden verspreid over heel Israël, bij oude leermeesters. Ze werden door Jehoes soldaten neergestoken en ontmand. Hun hoofden werden afgehouwen en verpakt in manden naar Jehoe gezonden. Jehoe voerde de hoofden van Achabs zonen aan de wilde dieren. Zo kwam er een einde aan het geslacht van Achab.’

Verbijsterd kijken ze elkaar aan.
`Waarom staat zoiets in de bijbel?’ vraagt Tijger.
`De bijbel is een geschiedenisboek’, zegt Thija.
`Denk je dat dit echt is gebeurd?’
`Natuurlijk. De mensen leefden als beesten.’
`Net als in China?’
`Net als in China.’

`Lees nog maar een verhaal. Met dit weer kunnen we toch niet weg. Maar wel een verhaal dat minder gruwelijk is.’
Thija slaat het boek weer open, maar stokt in haar beweging als de wind de pannen rijtje voor rijtje oplicht en ze roffelend weer op hun plek laat vallen. Een paar pannen vallen kapot. De regen slaat als een waterval op de ruit. Het is echt noodweer.
De bliksem treft de kerk opnieuw. Het kind op de schouder van Christoffel staat in brand.
`Ik hoor dat Jezus “help” roept’, zegt Tijger

`Hierboven horen we niks’, zegt Mels.
`We horen Hem wel’, zegt Thija. `Hij is nog maar een kind. We horen het als Hij angst heeft. Hij roept naar ons. Jezus kan dat. God kan alles.’
`Hij staat echt in brand’, zegt Mels, nauwelijks gelovend wat hij ziet. `De toren brandt.’
Ze zien dat Christoffel wankelt en naar voren helt. Even houdt hij zich vast aan de antenne op zijn rug en draait een halve slag om zijn as. Dan valt hij samen met het kind naar beneden. Hun val wordt gebroken door uitstekende draden en haken, dan tuimelen ze in de afgrond tussen de daken van het dorp.

`Jezus komt thuis bij Zijn Vader op het altaar’, zegt Thija bleek. Ze glijdt van de stapel meelzakken af, knielt neer, haar hoofd gebogen en bidt.
De jongens houden hun adem in. Mels weet dat dit een moment is waarop de wereld kan blijven stilstaan.
Op zolder is het nog stiller dan het al was. Verbijsterd kijken ze naar de vlammen die uit de toren slaan en over het dak van de kerk dansen. In een paar tellen zetten ze het hele gebouw in lichterlaaie.

Ton van Reen: Het diepste blauw (095)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (094). Een roman als feuilleton

Hij rijdt de winkel in, rechtdoor naar de bloemenhoek die nu op de plek zit waar vroeger de keuken van juffrouw Fijnhout was.

Al een paar dagen na de begrafenis van juffrouw Fijnhout betrok nicht Jozefien, met man en kinderen, het huis.
Haar man begon direct met het uitbreiden van de winkel. Hij verkocht ook verf en behang, kalk en wasbenzine. En hij had een drukpersje voor geboortekaartjes. En wie geboortekaartjes kocht, kocht ook bloemen. Daarom stond een hoek van de winkel altijd vol kleurige bloemen voor geboortefeesten en een andere hoek vol witte ruikers voor bruiloften en begrafenissen.

Nicht Jozefien vlocht ook grafkransen. Ze had wel wat van haar overleden tante. Voor alles kon men bij haar terecht.
In de loop der jaren is de winkel uitgebreid. Mels komt er nog graag. De geuren van de bloemen doen hem goed. En de kleuren. Hij hoort het druppelen van de fonteintjes. Overal staan ze. Het is mode. Fonteintjes van aardewerk, van hard, gekleurd plastic, van glas. En veel spiegels die het wereldje van de winkel uitvergroten tot een ware tuin. Door al die spiegels lijken er meer meisjes in de winkel te zijn, maar er is alleen Christine, de kleindochter van nicht Jozefien.

`Geef die witte aronskelken maar’, zegt Mels. Hij is een beetje gek op haar, door de manier waarop ze alles doet, bedachtzaam en vanzelfsprekend. Ze weet precies wat mooi is. Een prinses in een koninklijke tuin. Ze is altijd vriendelijk.
`Jammer dat het kerkhof weggaat, hè’, zegt Christine, terwijl ze bezig is met een bloemstuk voor een begrafenis. Ze lijkt als twee druppels water op haar grootmoeder Jozefien. Ze is al de vijfde generatie in de winkel.

`Ik kom er zelf niet meer te liggen’, zegt Mels. `Ik dacht bij mijn vriend Tijger begraven te worden, maar als het zover is, brengen ze me naar een plek waar ik nu al niet meer op eigen kracht kan komen.’
`Hoelang is uw vriend al dood?’
`Al bijna vijftig jaar. Hem laten ze gewoon liggen. De huizen worden gewoon op de resterende graven gebouwd.’
`Ik zou daar niet willen wonen.’
`Tijger kan er wel om lachen’, zegt Mels.

Christine pakt de aronskelken in en legt ze op zijn schoot. Ze zijn wit en ruiken naar vanille.
Hij ziet zichzelf in de spiegel naast de kassa. Vanaf zijn borst. De bloemen op zijn schoot verbergen zijn onderlijf. Hij ziet er goed uit, met die bloemen op schoot. Bloemen houden van hem. Ze maken hem mooier. Daarom geeft hij ze aan Tijger. Hij weet nog wat zijn moeder zei: je moet altijd de dingen geven waarvan je het meest houdt.
Mels betaalt. De kassa rinkelt. Het is een geluid dat in een winkel hoort.

`Ik voel me hier nog steeds net zo thuis als toen het de kleine winkel van juffrouw Fijnhout was.’
`Juffrouw Fijnhout?’
`De oudtante van je grootmoeder.’
`O, die. Ze had geen kinderen, hè?’
`Jouw grootmoeder leek ook op haar. Net als jouw moeder op haar lijkt. En jij op allemaal.’
`Was ze knap?’
`Wil je weten of jij knap bent?’
`Zeg maar niets’, lacht ze.
`Ja, ze was knap. Maar dat besefte ik later pas. Een kind ziet zoiets niet. Maar ik kwam graag bij haar. Dat is wat telt. Of jij knap bent, laat ik over aan de jongemannen.’
`Bonnetje?’
`Welnee’, zegt hij, overmoedig door de bloemen op zijn schoot. `Geef mij maar een kus.’
Ze kijkt hem lachend aan en geeft hem dan een kus op zijn wang.
`Ik hoop dat er ook nog iemand aan mij denkt als ík al vijftig jaar dood ben’, zegt ze.
`Vast wel’, lacht Mels. `Ik gun je veel kleinkinderen.’
Hij rijdt de winkel uit en kijkt nog een keer om. Hij ziet Christine in drie spiegels tegelijk. Van voor en van achter en van opzij. Alle Christines zijn even mooi.

Hij rijdt door naar het kerkhof en stopt bij het graf van grootvader Rudolf. Hij haalt een bloem uit het boeket en legt die bij het kruis waaronder grootvader Rudolf is begraven, boven op zijn veel eerder gestorven vrouw.
`Rudolphus Johannes Cremers’, leest hij hardop. `Voormalig hoofd der school.’ En daarboven staat: `Katelijne Melanie Jansen’, `huisvrouw’. De kruisjes geven aan dat grootmoeder Katelijne in 1944 is overleden en grootvader Rudolf in 1978. Hij is, geboren in 1882, bijna honderd geworden. Grootmoeder Katelijne is geboren in 1906. Ze was dus achttien jaar jonger en pas achtendertig toen ze stierf. Van horen zeggen weet hij dat ze pianospeelde op familiefeestjes.
Wat doen ze nu met hen? Wordt grootvader naar het nieuwe kerkhof verhuisd en blijft grootmoeder hier achter omdat ze hier al meer dan veertig jaar ligt?

Op elk graf van een familielid legt hij een bloem.
Hij rijdt een rondje. Een deel van de graven is al weg. Door al die lege plekken, ziet het er rommelig uit.
Het graf van Tijger ligt tussen de kindergraven. De meeste opschriften op de kinderkruisen zijn onleesbaar geworden. Ook dat van Tijger is afgebladderd. Van zijn voornaam is alleen een a over, maar het kan ook een o zijn. Hij is een vergeten kind. Wie geen nageslacht heeft, houdt op te bestaan.
Hij legt de bloemen op het graf.

`Dank je.’ Het is de stem van Tijger. Elke keer als hij bloemen op het graf legt, hoort hij hem. Het kan natuurlijk niet, maar toch.
Hij klopt het stuifmeel van zijn jas.

In de eerste maanden na zijn dood brachten Thija en hij vaak boeketten naar het graf. Bloemen die ze langs de Wijer hadden geplukt. Distels, lelies, judaspenningen, alles wat er in het wild groeide.
Vroeger, met de schoolklas, hebben ze vaak het kerkhof geharkt, het onkruid gewied, het mos van de stenen gekrast. Er was hun respect bijgebracht voor het kerkhof. De plek van de voorouders, die altijd zo hoorde te blijven.

Het graf van vliegenier John Wilkington, dat altijd door Mels’ moeder werd onderhouden, is allang weg. Het houten kruis, waarvan de verf verdwenen is, staat in een hoekje van het kerkhof te wachten op mensen die zich het lot van John Wilkington willen aantrekken en de geschiedenis aan hem levend willen houden, maar Mels is een van de weinigen die nog weten wie John Wilkington was. En hij is niet meer in staat het kruis op te knappen om John de eer te geven die hem toekomt.

Bij de poort van het kerkhof staat het beeld van Christoffel met Jezus op zijn schouder. Half tussen de struiken. Langgeleden is het bij de grote kerkbrand van de toren gevallen. Christoffel is een deel van zijn hoofd kwijtgeraakt en mist ook zijn voeten. Jezus heeft de arm verloren die hij om Christoffels schouder had geslagen. Na de restauratie van de kerk is het beeld niet teruggeplaatst op de toren maar vervangen door een haan. Het gehavende beeld is in de tuin gezet en vergeten. Het is een verkeerde plek. Christoffel met op zijn schouder het kind dat over het water wil worden gedragen, had langs de Wijer moeten staan.

De brand van de kerk was de grootste ramp die het dorp ooit getroffen had.

Ton van Reen: Het diepste blauw (094)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (093). Een roman als feuilleton

Als Mels door de achterdeur binnenkomt hoort hij het direct: het is te stil.

Op zijn tenen loopt hij naar de keuken. Juffrouw Fijnhout zit aan tafel, met haar hoofd op haar armen.

Het is zes uur, tijd om de klok op te winden. Is ze het vergeten? Is ze er te moe voor?

Hij gaat tegenover haar zitten en kijkt naar haar witte haar. De ene helft van haar gezicht. Haar ogen zijn dicht.

Nu pas valt hem de vreemde lucht op. Hij ziet het plasje onder haar stoel.
Kalm gaat hij naar huis.

`Er is iets met juffrouw Fijnhout’, zegt hij tegen zijn moeder.
`Ze is dood’, zegt ze. `Dat zie ik aan je gezicht.’ Ze slaat een kruis. `Dat de Here zich over haar moge ontfermen. Ze heeft een mooie plek in de hemel verdiend. Amen.’

`Ze hield van haar winkel. Denk jij dat ze in de hemel een winkeltje begint?’
`Maar of ze daar ook Hohner-muziekinstrumenten hebben? Haal je tante. We moeten juffrouw Fijnhout gaan verzorgen. En waarschuw de dokter. Ze is niet dood voordat hij het zegt.’

Mels rent naar zijn tante en brengt haar het nieuws. Nog geen vijf minuten later weet iedereen in de buurt over de dood van juffrouw Fijnhout, die zonder veel pijn is overleden. De mensen zijn tevreden. Ze heeft een zachte dood verdiend.

Ton van Reen: Het diepste blauw (093)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (092). Een roman als feuilleton

Vaak koopt Mels een boeketje bloemen, voor op het graf van Tijger. Soms gaan er weken voorbij zonder dat hij aan hem denkt, maar er zijn dagen dat hij juist heel vaak aan hem denkt, vooral nu de gemeente bekend heeft gemaakt dat het kerkhof zal worden verplaatst.

Als hij die plek niet meer kan bezoeken, raakt hij een groot deel van zichzelf kwijt. En wie zal de graven van zijn dierbaren op het nieuwe kerkhof verzorgen? Alle graven die jonger zijn dan veertig jaar worden verplaatst naar het nieuwe kerkhof, een paar kilometer buiten het dorp, waar de nieuwe overledenen al een jaar of tien worden begraven. De overige graven zullen worden geruimd. Tijger en grootvader Bernhard zullen worden weggewist.

Het nieuwe kerkhof is ver weg. Te ver voor een rolstoel. Hij zou moeten protesteren tegen de ruiming, maar hij beseft dat hij te weinig medestanders heeft. De mensen op het oude kerkhof zijn grotendeels vergeten. De meeste mensen in het dorp zijn nieuw. Mensen uit de stad die op het platteland willen wonen, maar door hun komst de stad naar het dorp hebben gehaald.
Hoelang zal hij zijn doden nog kunnen bezoeken?

Ton van Reen: Het diepste blauw (092)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton

`Ik heb het schrift van Jacob bij me’, zegt Mels. `Ik wil eruit voorlezen.’
`Dat doen we op het dak van de silo’, zegt Thija. `Kom op.’

Aan de achterkant van de fabriek lopen ze door een openstaande deur naar binnen. De fabriek zelf is klein en valt in het niet bij de silo waarin het graan wordt opgeslagen.
Over een ijzeren trap gaan ze omhoog. Hun schoenen klepperen op de stalen roosters die de traptreden vormen.
Het gebouw is gevuld met vier kleinere, ronde silo’s, voor elke graansoort een. Het ruikt er naar de enorme berg graan die opgeslagen is. Stoffig graan, dat op hun keel werkt.

`Het is helemaal niet wit hierbinnen’, zegt Thija. `Ik dacht altijd dat het vol meel zat.’
`Na de oogst komt hier het graan binnen’, zegt Tijger. `Genoeg om de fabriek het hele jaar te laten draaien.’

Door kleine raampjes kijken ze uit over het dorp en de Wijer, die nu lang en dun is en op een slang lijkt.
Door een luik stappen ze op het dak. De wind krijgt vat op Thija’s rok en blaast hem bollend op.

`Hou je vast!’ roept Tijger. `Je vliegt weg!’
`Dat wil ik juist’, lacht Thija, maar toch houdt ze zich aan hem vast.
Ze kijken uit over het dorp. Ze horen de mensen beneden, die bonkende, kloppende en tikkende geluiden maken.
Ze gaan op hun rug op het dak liggen. Van zo hoog lijkt de hemel veel weidser.

Mels droomt, met open ogen. Met z’n drieën zitten ze in de boot op de Wijer. Ze zijn van plan naar China te gaan. Thija heeft haar reistas op schoot, met daarin een cadeautje voor de keizer. Alleen zij weet wat het is. Ze heeft er Tijger en Mels niets over gezegd. Die vragen er ook niet naar. Dat heeft geen zin, want als je haar wat vraagt, zegt ze het zeker niet.
De boot gaat maar langzaam vooruit. Het water staat laag. Mels moet flink roeien.

Eindelijk komen ze in het dorp aan. Tijd om afscheid te nemen. Er staat maar één persoon op de brug. Tijgers moeder, in een zwarte flodderjurk. Door de wind wappert haar rode haar rond haar hoofd. Mels mist zijn moeder. En waar zijn de grootvaders? Hij is teleurgesteld. Ze horen er te staan, om hen uit te wuiven. Interesseert het hen niet meer dat ze weggaan?
Mels vindt het vooral vreemd dat zijn eigen moeder hem niet uitzwaait en dat ze doodgewoon de ramen aan het lappen is. Hij hoort haar zingen. `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren. Ik zal nog van je houden, ook al word je zo groot als de kerktoren.’ Maar als ze zo veel van hem houdt, waarom zwaait ze hem dan niet uit?

Terwijl ze onder de brug door varen, verandert de boot in een groene helikopter.
Tijger zit aan de stuurknuppel. Hij roept iets. Wat? Het lawaai van de helikopter is zo oorverdovend dat Mels hem niet verstaat. Hij ziet dat Thija tegen Tijger praat, want haar mond beweegt. Hij hoort alleen zijn moeder die zingt: `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren.’

Dan gebeurt er iets vreemds. De helikopter verandert in een zwarte flodderjurk. Opeens zitten Mels en Thija in de donkere buik van Tijgers moeder. Tijger zit in haar glazen hoofd. Hij kijkt door haar ogen en veegt de wapperende rode haren weg die hem het uitzicht ontnemen.

`Ze vliegt ons naar de duivel!’ roept Mels.
Mels hoort dat Tijger iets terugroept, in paniek, maar zijn stem gaat verloren in het geraas. Met een enorme klap vliegen ze tegen de silo. De jurk van zwart glas laat een sneeuwbui van zwarte splinters over het dorp vallen.
`Je ligt te slapen’, zegt Thija.
`Het komt door de wind’, zegt Mels. `Ik droomde dat we naar China vertrokken, in een groene helikopter die veranderde in Tijgers moeder.’
`En toen?’
`We vlogen tegen de silo.’

`Zie je wel’, zegt Thija. `Die droom voorspelt dat onze reis nooit zal lukken. Tijger komt nooit van zijn moeder los.’
`En jij?’
`Ik?’ Thija lijkt verbaasd. `Ik ben geen moederskindje. Jij?’
`Nee’, zegt Mels, maar hij weet dat het anders is. Hij houdt ervan dat zijn moeder zingt.
Om zich niet verder te hoeven verdedigen, pakt Mels het schrift van Jacob.
`Lees jij voor?’ Hij geeft het schrift aan Thija.
Ze slaat het open, bladert het door.
`Hij schreef ook gedichten.’
Ze schraapt haar keel, zoals ook meester Hajenius altijd deed als hij begon met voorlezen.

`Ze vroegen aan mij waarom ik huilde.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij vroegen,
jongen, waarom ben jij zo alleen?
Ze zeggen tegen mij,
ze zeggen het niet,
maar ze zouden het willen zeggen.
Waarom is je huis zo leeg?
Waarom is je hart alleen?
Waarom ben je verlaten?
Ze zeggen het niet.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij dat vroegen.
Als ik gestorven ben,
zal de wind het aan jullie vragen.
Als ik gestorven ben,
zullen de vogels aan jullie vragen,
waarom ik zo alleen was.’

Ze zijn er stil van, omdat Jacob zo precies had geweten hoe het hem zou vergaan.
Ze staan op en dalen de trap af.
Beneden, in bijna lege ruimtes, draaien de machines die het lawaai veroorzaken. Het is er zo lawaaiig dat ze naar elkaar schreeuwen en elkaar toch nauwelijks kunnen verstaan. Het is niet duidelijk wat de machines doen. Er is niemand. Het is net of er niemand werkt. Het is een spookfabriek.

`Het lijkt of we in een boek van Jules Verne terecht zijn gekomen’, roept Tijger.
`We zijn op de maan’, roept Mels terug in Tijgers oor. `De machines maken lucht en water, zodat wij hier ook kunnen leven.’
`Bij die herrie kan niemand leven’, roept Thija, de handen voor de oren.
`Ik wel’, roept Tijger. `Ik hou van hard. Lawaai is mooi. Ik zou hier graag willen wonen.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (091)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature