In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

FICTION & NONFICTION ARCHIVE

· Pierre L.Th.A. Maréchal: Frans Babylon – herinneringsgewijs · When Watched & Veronica Bench, stories & poems by Leopoldine Core · Samuel BECKETT: Kort proza · Georges PEREC: Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs · Lieke MARSMAN: Het tegenovergestelde van een mens (roman) · Laurie LANGENBACH: Brieven, dagboeken en een geheime liefde · Leigh HUNT: Deaths of Little Children · Niels LANDSTRA: De Voedselbank (slot) · Vincent BERQUEZ: Vera Rich · Niels LANDSTRA: De Voedselbank (2) · Niels LANDSTRA: De Voedselbank (1) · Anders RYDELL: De grote boekenroof. Een zoektocht naar Europa’s verdwenen bibliotheken

»» there is more...

Pierre L.Th.A. Maréchal: Frans Babylon – herinneringsgewijs

Volgens Pierre Maréchal was de Brabantse dichter Frans Babylon een zieke poète maudit die zowel de poëzie als de kunst stimuleerde te vernieuwen. Brabant liep sterk achter bij de ontwikkelingen.

Uiteindelijk verwierp hij de traditionele dichtstijlen en schreef hij gedichten op gevoel. Met vrienden vormde hij de Bredero-club en stimuleerde hij kunstenaars om zich verder te ontwikkelen. Babylon bevorderde eveneens de ontwikkeling van openbare kunstexposities voor groot publiek.

Naast Brabant en Amsterdam was Frankrijk een geliefde omgeving. Ondanks zijn bipolaire stoornis en dankzij zijn creativiteit bracht Frans Babylon veel tot stand.

Pierre Maréchal werkte onder meer voor de internationale trekvogel-bescherming. Ruim twintig jaar is hij actief bezig met poëzie. Hij schrijft en organiseert maandelijks diverse podia en optredens. De laatste jaren doet hij dit bij de PoëzieClub Eindhoven en de werkgroep ‘Boekenkast’. Frans Babylon – herinneringsgewijs is typisch zo’n onderwerp. Het is een project over een bekende en tegelijk een minder bekende dichter, wiens daden van betekenis waren voor de ontwikkeling van de poëzie en de kunsten in het zuiden van ons land.

Pierre L.Th.A. Maréchal
Frans Babylon – herinneringsgewijs
Biografie Frans Babylon,
pseudoniem van Franciscus Gerardus Jozef Obers (1924 – 1968)
ISBN: 978-94-0223-720-7
Paperback 12,5 x 20 cm
186 pag. – 2017
€ 19,99

fleursdumal.nl magazine

More in: *Archive Les Poètes Maudits, - Archive Tombeau de la jeunesse, - Book News, Archive A-B, Archive A-B, Art & Literature News, Babylon, Frans, Frans Babylon


When Watched & Veronica Bench, stories & poems by Leopoldine Core

Refreshing, witty, and absolutely close to the heart, Core’s twenty stories, set in and around New York City, have an other-worldly quality along with a deep seriousness—even a moral seriousness.

What we know of identity is smashed and in its place, true individuals emerge, each bristling with a unique sexuality, a belief-system all their own. Reminiscent of Jane Bowles, William Burroughs, and Colette, her writing glows with an authenticity that is intoxicating and rare.

When Watched
Stories (2016)
By Leopoldine Core

Paperback
Aug 2016
240 Pages
ISBN10 0143128698
Penguin Books
Literary Awards:
Whiting Award Winner
PEN/Hemingway Award Finalist
Lambda Literary Award Finalist
Longlisted for the PEN/Robert W. Bingham Prize for Debut Fiction & The Story Prize

“Core’s stories have a voyeuristic quality, like peering through the windows of a groundfloor apartment as you walk by. . . . Core’s narrative voice has earned her comparisons to Mary Gaitskill, Jane Bowles and even William Burroughs, but these references don’t do justice to the intimacy and relative gentleness with which the author treats her group of modern, often millennial drifters. . . . Core captures a precious slice of what it is to be human. . . . She reaches moments of extraordinary grace.”
—Alexandra Kleeman, The New York Times Book Review

“Core’s prose isn’t fancy, but it’s gemstone smooth, and that’s its most important quality: the writing is a seamless, nearly translucent vehicle that connects us to the tangled brushwork of her characters—their sorrows and desires and their so many attempts at striving for human intimacy more profound than strained conversations.”
—The Paris Review Daily

Leopoldine Core was born and raised in New York’s East Village and graduated from Hunter College. Her fiction and poetry have appeared in The Paris Review Daily, Open City, PEN America and Apology Magazine, among others. She is the recipient of a 2015 Whiting Award for fiction, as well as fellowships from The Center for Fiction and The Fine Arts Work Center. Author of the poetry collection Veronica Bench, Core lives in New York.

(. . .)
I’ve thought hard about this.
I’ve dug a dirt hole in my own
bedroom and lived there
rubbing my clit with a penny
under my blanket
there’s an old sandwich
and a jewel.

(from poem: ITS NOT SILENCE)

Veronica Bench
Poems (2015)
By Leopoldine Core

“I like that Leopoldine’s last name is Core because that is what her poems are: essential (like heaven on earth) and ephemeral (as in apple core). Her talent’s in world-making, conjuring dialogic, chimeric moods that dust up an effet-monde only to let it drop casually, a strip-club curtain. Her zen-archery ease with poetry almost lets you forget how hard it really is to write like this: to be ‘gutting with text’ one’s visions—writing not *about* God & sex but simply writing them. Her fluctuating registers and the sweet, cocky, somewhat lapidary sense of space on the page make me think of Han Shan or St. Giraud of the Naomi Poems. Core should write forever.” —Ana Božičević

“It’s hard to read these poems without falling in love—at least for an afternoon—with Leopoldine. She isn’t speaking so much as flying.” —Sparrow

# More information on website Penguin Books

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive C-D, Archive C-D, EDITOR'S CHOICE


Samuel BECKETT: Kort proza

Samuel Beckett kreeg in 1969 de Nobelprijs voor de Literatuur. De in deze uitgave opge­nomen vertalingen van Anneke Brassinga zijn alle geschreven in het decennium rond dit jaartal.

De teksten, die duidelijk minimalistisch van opzet zijn, kunnen het beste worden gesavou­reerd met de stem – dus hardop gelezen. Daarbij komt de muzikale, repetitieve trant ten volle tot haar recht, evenals het poëtische aspect met veel assonantie en elliptische plastiek.

Beckett heeft al deze teksten nadrukkelijk gekarakteriseerd als verhalend proza, we kunnen er een soort bezweringen in horen van een bewustzijn dat aan zichzelf het eigen (voort)bestaan bewijst als een soort grensgebied tussen autonomie en ontlediging.

Samuel Beckett
Samuel Beckett (Dublin, 1906 – Parijs, 1989) was een Ierse (toneel) schrijver en dichter. Hij studeerde Frans, Italiaans en Engels in Dublin, reisde vervolgens door Europa om zich tenslotte permanent te vestigen in Parijs. Het merendeel van zijn werk schreef hij in het Frans, waarna hij het grotendeels ook weer zelf in het Engels vertaalde. Zijn teksten zijn vaak kaal, minimalistisch en diep pessimistisch over de menselijke natuur en de lotsbestemming van de mens. In 1969 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur.

Samuel Beckett
Kort proza
Vertaling: Anneke Brassinga
48 pagina’s
isbn 978 90 78627 33 3
Uitgeverij Vleugels, 2017
€ 20,85

# meer info website uitgeverij vleugels

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive A-B, Samuel Beckett


Georges PEREC: Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs

Drie dagen lang, in oktober 1974, posteerde Georges Perec zich in het Café de la Mairie in Parijs, dat uitkijkt op de Place Saint-Sulpice. Hij stelde zich tot doel álles te noteren wat hij waarnam. Het resulteerde in Tentative d’épuisement d’un lieu parisien.

‘Mijn bedoeling op de volgende pagina’s was vooral al het andere te beschrijven: dat wat je gewoonlijk niet opmerkt, wat er niet toe doet: wat er gebeurt wanneer er niets gebeurt, behalve tijd, mensen, auto’s en wolken.’

Georges Perec  (1936 – 1982) was een Franse schrijver, essayist en film- en documentairemaker. Hij was een vooraanstaand lid van de Oulipo-groep (Ouvroir de littérature potentielle), een los verband van Franstalige schrijvers en wiskundigen, dat als doel heeft literaire werken te maken die aan bepaalde voorwaarden of beperkingen onderhevig zijn: littérature sous contraintes. Het kan daarbij gaan om beperkingen inzake het gebruik van letters, woorden, klanken, stijlen, enz. Deze beperkingen zijn niet alleen bedoeld als woord- en taalspelletjes, maar ook om de inspiratie en het vakmanschap van de auteurs aan te scherpen.

De vader van Perec stierf vroeg in de Tweede Wereldoorlog, de moeder werd vermoord in de Holocaust. In veel werken van Perec komt dit terug in een thematiek omtrent afwezigheid, verlies en identiteit.

Georges Perec
Pogingen tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs
Vertaling: Kiki Coumans
Uitgeverij Vleugels, 2017
ISBN: 9789078627319
48 pagina’s
Prijs: € 19,45

# meer info website uitgeverij vleugels

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive O-P, Georges Perec, OULIPO (PATAFYSICA)


Lieke MARSMAN: Het tegenovergestelde van een mens (roman)

Romandebuut van Lieke Marsman:
Het tegenovergestelde van een mens

Waar het op neerkomt is dat de mensheid als geheel ook eenzaam is. We kunnen er niet tegen dat er niemand iets terugzegt, dat we nog altijd geen dieren hebben horen praten – ja, misschien zo nu en dan in de vorm van het schrille gegil dat onze slachthuizen vult, maar niet met woorden, niet met een oplossing voor de dingen waar we al tijden mee zitten. Zelfs de hemel is leeg. En dus zetten we ons af door al die zwijgende natuur om ons heen te vernietigen, als een wanhopige geliefde die maar niet wordt terug ge-sms’t en het in het café op een zuipen zet.

Nog nooit verscheen er een roman als Het tegenovergestelde van een mens. Lieke Marsman kantelt onze ideeën over klimaatverandering en identiteit op een manier die duizelig maakt.

Lieke Marsman (’s-Hertogenbosch, 1990) is filosoof en een van de populairste en meest gelauwerde dichters van haar generatie. Ze is een graag geziene gast op podia als Lowlands en De Nacht van de Poëzie en haar gedichten en essays verschenen onder meer in De Gids, Tirade en Vrij Nederland. Voor haar meermaals herdrukte debuutbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud ontving Marsman in 2011 onder meer de C. Buddingh’-prijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. In 2014 verscheen haar tweede bundel De eerste letter. Met Het tegenovergestelde van een mens maakt Marsman haar debuut als prozaschrijver.

Lieke Marsman
Het tegenovergestelde van een mens
Roman, pag. 176
Gepubliceerd 22-06-2017
Uitgeverij Atlas-Contact
Paperback, 19,99
ISBN 9789025446345

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive M-N, Art & Literature News, Marsman, Lieke


Laurie LANGENBACH: Brieven, dagboeken en een geheime liefde

Laurie Langenbach (1947-1984) was een veelzijdige persoonlijkheid: ze schreef over popmuziek en mode in bladen als Hitweek en Aloha, richtte de feministische beweging ‘Woman Power’ op en had relaties met Armand, de Griekse zanger Vangelis en de Amsterdamse ‘outsider’ Wally Tax.

In 1977 debuteerde ze als schrijfster met Geheime liefde, waarin ze haar obsessie voor een onbekende ‘hij’ verwoordde. Die ‘hij’ bleek schaker Jan Timman te zijn.

Met haar persoonlijke bekentenisliteratuur – nieuw in de jaren zeventig, de recensenten waren niet mild – had Laurie Langenbach een eigen stem. Door haar vroege dood heeft ze nooit kunnen aantonen of ze daadwerkelijk de Nederlandse Virginia Woolf kon worden, zoals Heere Heeresma haar ooit voorspelde.

Rutger Vahl stelde uit Lauries nalatenschap deze verzameling niet eerder gepubliceerde dagboeknotities en brieven samen, aangevuld met haar roman Geheime liefde.

Auteur: Laurie Langenbach
Brieven, dagboeken en een geheime liefde
Uitgeverij: De Arbeiderspers, Amsterdam
NUR: 321
Paperback, 2017
ISBN: 9789029511827
Prijs: € 27,99

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Archive K-L, Art & Literature News, Laurie Langenbach


Leigh HUNT: Deaths of Little Children

huntLEIGH011Deaths of Little Children
by Leigh Hunt

A Grecian philosopher being asked why he wept for the death of his son, since the sorrow was in vain, replied, “I weep on that account.” And his answer became his wisdom. It is only for sophists to contend that we, whose eyes contain the fountains of tears, need never give way to them. It would be unwise not to do so on some occasions. Sorrow unlocks them in her balmy moods. The first bursts may be bitter and overwhelming; but the soil on which they pour would be worse without them. They refresh the fever of the soul—the dry misery which parches the countenance into furrows, and renders us liable to our most terrible “flesh-quakes.”

There are sorrows, it is true, so great, that to give them some of the ordinary vents is to run a hazard of being overthrown. These we must rather strengthen ourselves to resist, or bow quietly and drily down, in order to let them pass over us, as the traveller does the wind of the desert. But where we feel that tears would relieve us, it is false philosophy to deny ourselves at least that first refreshment; and it is always false consolation to tell people that because they cannot help a thing, they are not to mind it. The true way is, to let them grapple with the unavoidable sorrow, and try to win it into gentleness by a reasonable yielding. There are griefs so gentle in their very nature that it would be worse than false heroism to refuse them a tear. Of this kind are the deaths of infants. Particular circumstances may render it more or less advisable to indulge in grief for the loss of a little child; but, in general, parents should be no more advised to repress their first tears on such an occasion, than to repress their smiles towards a child surviving, or to indulge in any other sympathy. It is an appeal to the same gentle tenderness; and such appeals are never made in vain. The end of them is an acquittal from the harsher bonds of affliction—from the typing down of the spirit to one melancholy idea.

It is the nature of tears of this kind, however strongly they may gush forth, to run into quiet waters at last. We cannot easily, for the whole course of our lives, think with pain of any good and kind person whom we have lost. It is the divine nature of their qualities to conquer pain and death itself; to turn the memory of them into pleasure; to survive with a placid aspect in our imaginations. We are writing at this moment just opposite a spot which contains the grave of one inexpressibly dear to us. We see from our window the trees about it, and the church spire. The green fields lie around. The clouds are travelling overhead, alternately taking away the sunshine and restoring it. The vernal winds, piping of the flowery summer-time, are nevertheless calling to mind the far-distant and dangerous ocean, which the heart that lies in that grave had many reasons to think of. And yet the sight of this spot does not give us pain. So far from it, it is the existence of that grave which doubles every charm of the spot; which links the pleasures of our childhood and manhood together; which puts a hushing tenderness in the winds, and a patient joy upon the landscape; which seems to unite heaven and earth, mortality and immortality, the grass of the tomb and the grass of the green field; and gives a more maternal aspect to the whole kindness of nature. It does not hinder gaiety itself. Happiness was what its tenant, through all her troubles, would have diffused. To diffuse happiness, and to enjoy it, is not only carrying on her wishes, but realising her hopes; and gaiety, freed from its only pollutions, malignity and want of sympathy, is but a child playing about the knees of its mother.

The remembered innocence and endearments of a child stand us instead of virtues that have died older. Children have not exercised the voluntary offices of friendship; they have not chosen to be kind and good to us; nor stood by us, from conscious will, in the hour of adversity. But they have shared their pleasures and pains with us as well as they could; the interchange of good offices between us has, of necessity, been less mingled with the troubles of the world; the sorrow arising from their death is the only one which we can associate with their memories. These are happy thoughts that cannot die. Our loss may always render them pensive; but they will not always be painful. It is a part of the benignity of Nature that pain does not survive like pleasure, at any time, much less where the cause of it is an innocent one. The smile will remain reflected by memory, as the moon reflects the light upon us when the sun has gone into heaven.

When writers like ourselves quarrel with earthly pain (we mean writers of the same intentions, without implying, of course, anything about abilities or otherwise), they are misunderstood if they are supposed to quarrel with pains of every sort. This would be idle and effeminate. They do not pretend, indeed, that humanity might not wish, if it could, to be entirely free from pain; for it endeavours, at all times, to turn pain into pleasure: or at least to set off the one with the other, to make the former a zest and the latter a refreshment. The most unaffected dignity of suffering does this, and, if wise, acknowledges it. The greatest benevolence towards others, the most unselfish relish of their pleasures, even at its own expense, does but look to increasing the general stock of happiness, though content, if it could, to have its identity swallowed up in that splendid contemplation. We are far from meaning that this is to be called selfishness. We are far, indeed, from thinking so, or of so confounding words. But neither is it to be called pain when most unselfish, if disinterestedness by truly understood. The pain that is in it softens into pleasure, as the darker hue of the rainbow melts into the brighter. Yet even if a harsher line is to be drawn between the pain and pleasure of the most unselfish mind (and ill-health, for instance, may draw it), we should not quarrel with it if it contributed to the general mass of comfort, and were of a nature which general kindliness could not avoid. Made as we are, there are certain pains without which it would be difficult to conceive certain great and overbalancing pleasures. We may conceive it possible for beings to be made entirely happy; but in our composition something of pain seems to be a necessary ingredient, in order that the materials may turn to as fine account as possible, though our clay, in the course of ages and experience, may be refined more and more. We may get rid of the worst earth, though not of earth itself.

Now the liability to the loss of children—or rather what renders us sensible of it, the occasional loss itself—seems to be one of these necessary bitters thrown into the cup of humanity. We do not mean that every one must lose one of his children in order to enjoy the rest; or that every individual loss afflicts us in the same proportion. We allude to the deaths of infants in general. These might be as few as we could render them. But if none at all ever took place, we should regard every little child as a man or woman secured; and it will easily be conceived what a world of endearing cares and hopes this security would endanger. The very idea of infancy would lose its continuity with us. Girls and boys would be future men and women, not present children. They would have attained their full growth in our imaginations, and might as well have been men and women at once. On the other hand, those who have lost an infant, are never, as it were, without an infant child. They are the only persons who, in one sense, retain it always, and they furnish their neighbours with the same idea. The other children grow up to manhood and womanhood, and suffer all the changes of mortality. This one alone is rendered an immortal child. Death has arrested it with his kindly harshness, and blessed it into an eternal image of youth and innocence.

Of such as these are the pleasantest shapes that visit our fancy and our hopes. They are the ever-smiling emblems of joy; the prettiest pages that wait upon imagination. Lastly, “Of these are the kingdom of heaven.” Wherever there is a province of that benevolent and all-accessible empire, whether on earth or elsewhere, such are the gentle spirits that must inhabit it. To such simplicity, or the resemblance of it, must they come. Such must be the ready confidence of their hearts and creativeness of their fancy. And so ignorant must they be of the “knowledge of good and evil,” losing their discernment of that self-created trouble, by enjoying the garden before them, and not being ashamed of what is kindly and innocent.

Deaths of Little Children
by Leigh Hunt (1784 – 1859)

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive G-H, Archive G-H, Galerie des Morts, Hunt, Leigh


Niels LANDSTRA: De Voedselbank (slot)

De Voedselbank (3)
‘Loop maar met me mee,’ gebaarde de Engelse en ze stond op om een bos sleutels te halen uit een aangrenzende ruimte die sterk naar wierook en salie geurde. Maureen vertelde dat hier healings plaats vonden. Het hele interieur had ze drie jaar geleden vervangen om een ontspannen sfeer te scheppen, legde ze uit, knabbelend aan een koekje. Om die reden had ze voor vrolijke kleuren gekozen, zoals de IKEA bankstellen met de fleurige kussens en de bonte kleden op de vloer. Op het laatst had ze Piet, een dakloze, de muren laten beschilderen met de gezichten van karikaturale Indianen die tot aan het plafond reikten.

Ze glimlachte bedroefd.

Piet was zo vriendelijk geweest om zichzelf na afloop te belonen met een peperdure gasbarbecue die hij van het terrein af wilde slepen, verklapte Maureen. Helaas voor hem, werd hij in de kraag gegrepen door een van de loonwerkers die ze in dienst had.

Bij de grote bouwvallige schuur op het erf schoof ze een deur open. Met een druk op de knop floepte een tl hoog in het dak aan. De schuur was van eind 19e eeuw, verklaarde Maureen. Het rook er naar dieren en stro. Een ezel balkte, konijnen ritselden in een kooi. Verderop was een camper geparkeerd, een jongere versie van de mijne. Hij was van haar dochter, Jenny. Het was na de echtscheiding lang slecht tussen haar en de kinderen gegaan. En hoewel haar ex-man er meerdere buitenechtelijke relaties op na hield, kreeg Maureen de schuld van het op de klippen gelopen huwelijk. Maar de laatste tijd haalde Jenny haar moeder vaak op om te toeren en herstelde ook het contact met haar andere kinderen gestaag.

Maureen informeerde nogmaals hoe lang ik van plan was te blijven en excuseerde zich voor haar slechte geheugen. Al vier jaar lang had ze een tumor in haar hoofd en hoewel die chemo vereiste, weigerde ze een behandeling. Volgens de prognose had ze morsdood moeten zijn, maar het gezwel leek stil te staan. Ze probeerde er onverschillig onder te blijven, maar door het grijs van haar ogen zweemde oude treurnis. Met een hoofdknik zei ze iets van: ‘Nou je camper in’, en draaide zich om. Achter het keukenraam nam ze plaats, bij het romige schijnsel van een walmende kaars, haar haar zilvergrijs in het bevende licht, haar profiel versteend.

In de camper bedekte ik de ruiten met raamfolie en sloot de blinden. De vorst naderde en stuwde zijn kou naar binnen door alle kieren van mijn tochtige verblijf. Omdat mijn gas op was kon ik de verwarming niet aanzetten, ik moest het doen met een elektrisch tweepitfornuis dat ik ooit kreeg van een Duitser op een camping. De hitte steeg verticaal op van de roodgloeiende spiralen en ofschoon ik bezeten wapperde met een handdoek om de warmte te verspreiden, won de vorst het, die een kille muur opbouwde in het compartiment.

Ik dacht aan Sylvia. Het was augustus. We stonden met de camper op de zonovergoten boulevard van Vlissingen. Met veel vertoon paste Sylvia een paar zomerse jurkjes in de badkamer en speelde ze onzeker te zijn welke te kiezen, want ze wist dat zij de sculptuur was, haar kleding de huid van zand die om haar welvingen golfde. In een rood kanten slipje ging ze zitten op de bank en klapte een spiegeltje uit op tafel om zich op te maken. Op een plankje boven haar hadden mijn dochters schmink en een set kleurpotloden achtergelaten. Het hout bespoten met glitterverf. Speelse glittertjes daalden er nu op Sylvia neer. Van die kleine zilveren speldenpuntjes die het zonlicht op haar zwarte lokken lieten glinsteren en een mysterieuze fonkeling als van maanstof legden op haar huid. Het deed me denken aan de midweek in Parijs, die ik er doorbracht voor het schrijven van een krantenartikel over een tentoonstelling in het Louvre. Op een plein werd ik gelokt door het klateren van een zomerse fontein. Parisiennes in luchtige kledij verfristen zich met het water uit het bassin dat ze in een prismatische nevel over hun hals en armen streken. Waar tussen de gleuf van haar borsten vochtpareltjes glommen, die ik jaren later van Sylvia’s huid kussen mocht.

Ik trok de stekker uit het fornuis. Er was maar een manier om het nog een beetje warm te krijgen: wandelen.
Handschoenen aan, sjaal om, muts op mijn hoofd. De polder in. De akkers waren omgeploegd, de bomen naakt. Het was een grauw landschap. Ik herinnerde mij dat ik hier ’s nachts een keer liep toen het had gesneeuwd en er mist hing over de velden. Door de sneeuw was het of de nacht als een stolp op die witte gloed stond en er tegelijkertijd deel van uitmaakte. Hemel en aarde met elkaar versmolten.

In de stilte knerpten alleen mijn schoenen op het pad. In dit niemandsland voelde ik me een met twee werelden. Zou de dood zo zijn? vroeg ik me af. Opgaan in het luchtledige, ergens blijven zweven tussen het licht en het donker.
Ik naderde de woonwijk waar de echtelijke woning stond.

Dit was het punt waarop ik mij om moest draaien en terugkeren naar Maureens hoeve en mijn camper, maar een onzichtbare hand dwong me verder te lopen. Ik stribbelde niet tegen, ging verder de wijk in. Of wilde ik het gewoon? Verder lopen? En toen ik er opeens stond, voor mijn oude huis, gaf ik het toe aan mezelf: zeg maar hoe klote je je voelt dat je naar je huis staart, hoe de sneeuw op het dak glinstert, de ijsbloemen op de ruiten staan. Waar het licht in de kamers van je dochters brandt, maar het veel te laat is en jij er iets van moet zeggen, naar bed!, licht uit!

Hun fietsen staan nog buiten, leunen scheef tegen de appelboom. Je zou ze eigenlijk achter in de schuur willen zetten. Bedekt onder een laag sneeuw zal het aluminium dat nu nog fonkelt in het lantaarnlicht gaan roesten. Maar je kunt niet eens je eigen tuin in. Je stem in het gezin is je ontnomen, mijn beste, je echo in een mist vergruist.

Het gordijn in Eva’s kamer bewoog en ging langzaam open. Alsof ze voelde dat ik daar stond. Zij en ik. Ik dacht voor altijd met elkaar verbonden. Haar blik zocht mij en vond mijn ogen die zich vulden met iets dat lekker warm was en stroomde. Als een standbeeld stond ze in het raam. Het was niet goed dat ze mij daar zag, die zwerver, die schaduwvlek tegen een muur. Moest ik dan toch naar haar wenken, kusgroeten door de vrieslucht naar haar toe sturen, die op de ruit stuitten en de ijsbloemen lieten smelten?

Ik maakte me los van de muur, liet mijn dochter achter met vraagtekens. En toen ik meters verder omkeek, was het gordijn nog geopend, brandde fel het licht. Maar mij zou ze niet zien. Ik was opgegaan in een tunnel van bomen.

Voor de Voedselbank rolden mensen met gele boodschappenkarren af en aan en laadden ze auto’s vol met tassen die uitpuilden van de etenswaren. Bij de ingang groeide de rij mensen allengs aan. Ze rookten shag, dronken blikjes limonade, en hoewel de sfeer gemoedelijk was, klaagde een enkeling steen en been over het lange wachten en het slechte weer.

De moeder bij wie ik altijd mijn snoep ruilde tegen kaas, was samen met haar dochter. Ze keken opgewonden uit naar het ogenblik dat ze aan de beurt waren, want vandaag ging de limonade voor niks weg, alleen het statiegeld moest betaald worden. Zestien flessen per persoon was de regeling.

Op mijn kaart haalde ik limonade voor de moeder die wat muntstukken in mijn hand drukte en vulde mijn karretje met frisdranken. Toen ik weer buiten kwam, was er tumult. Ik herkende Ronald van de Straatraad. Hij was compleet overstuur.
‘Mijn fiets met achterop mijn tent en slaapzak is een paar dagen geleden gestolen,’ liet hij ons verward weten. ‘En in een zijvak van mijn tent bewaarde ik mijn voedselkaart die nu ook weg is.’
‘Ze kennen je hier toch?’ riep een tandeloos oud vrouwtje met een gammele kinderwagen. Daarin sliep een kind van Aziatische komaf.

‘Natuurlijk kennen ze mij,’ zei Ronald, ‘ik kom hier al jaren, maar het beleid is: geen kaart, geen voedsel. Kan ik net als vroeger mijn eten uit prullenbakken gaan vissen.’
Meteen bood de rij wachtenden aan dat ze hun eten met hem wilden delen.
‘Nee, bedankt,’ weerde hij af. ‘Ik heb liever een plek om te slapen.’
‘Je kan toch naar Doorstroom,’ opperde een Afrikaan met een gedrongen postuur en een buikje.
‘Daar ben ik net geweest en ik had vijf euro bij me voor een overnachting,’ lichtte Ronald toe. ‘Maar de beveiliging liet me niet binnen.’

‘Je hebt recht om daar te slapen,’ wist een Antilliaanse kerel. ‘Je bent toch geen beest dat ze je daar wegsturen.’
‘Helaas heeft Gerard van Centraal Onthaal mij niet aangemeld voor vannacht, dus einde oefening. Want als Hades geen toestemming verleent, verspert Cerberus de toegang tot het schimmenrijk.’

‘Waar moet je nu slapen?’ vroeg de dochter van de moeder met de wagen vol limonadeflessen.
‘Ik heb nog een hutje van takken in het bos. Ik slaap wel onder een bed van bladeren. Al vaker gedaan. Mijn fiets is zo vaak gestolen.’
‘Het gaat vriezen vannacht, Ronald!’ voorspelde een bejaarde corpulente vrouw op een scootmobiel.

Maar hij haalde zijn schouders op en verliet het terrein. Zijn blik was leeg, alsof hij in trance was, lijdzaam overging van leven naar dood.

‘Hallo!’ riep een vrouw bij de Voedselbank tegen mij. Ze duwde een boodschappenkar voort met twee etages aan limonadeflessen omringd door zakken snoep.
‘Wat leuk je weer te zien,’ zei ze en gaf me drie zoenen op mijn wangen.
Vroeger droeg ze strakke mantelpakjes, nu werd haar lijf omhuld door wijde kleren die haar omvang benadrukten.

‘Ik ben er volgende week weer,’ kraaide ze behaagziek, ‘altijd rond tienen.’
Bijna vergat ik in de rij aan te sluiten. Wat als ik haar zou verleiden, dacht ik. Vindt de dakloze zo onderdak via een ontmoeting bij de Voedselbank, juist door het rijke verleden?
Ik keek haar na, hoe ze rammelend het terrein af rolde.

‘Wie was dat?’ wilde een Surinaamse die achter me stond weten. ‘Een buurvrouw of zo?’
‘Nee, dat was een oud collega,’ legde ik uit. ‘Uit de tijd dat we topsalarissen hadden en dikke onkostenvergoedingen.’
Met een boodschappenkarretje betrad ik het uitgiftepunt. Ik had een code op mijn kaart, waaraan de vrijwilligers zagen dat ik alleenstaand was. Langs een rij aaneengeschakelde schooltafels in een L-vorm (had je maar een vak moeten leren!) schuifelden de armoedzaaiers – namen ze de etenswaren in ontvangst.

Weer buiten bevond zich in mijn winkelwagen voor de helft afgedankt voedsel en de andere helft snoep. Door de gigantische voorraad suikerwaar die ik weg gaf aan de moeders op het terrein, maakte ik me snel populair.

Nu was ik behalve een van hen, ook een barmhartige Samaritaan.

EINDE

Niels Landstra

 

Niels Landstra: De Voedselbank
Niels Landstra (1966) is dichter, schrijver, schilder en muzikant.
De Voedselbank is een bewerkt fragment uit Niels Landstra’s debuutroman: Monddood. Monddood verschijnt in de loop van 2017 bij uitgeverij Droomvallei.

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive K-L, Landstra, Niels, Niels Landstra


Vincent BERQUEZ: Vera Rich

Vera Rich

She smelt of time
walking slowly
like a mountain.

She railed
heavily
and flowed internally
and cared profoundly
but slowly,
at her own pace.

She smelt the energy
of her people,
of their language
on her lips.

Like a mother river
she carried many
with her on a raft
towards themselves.

01.03.10

Vincent Berquez

 

Vincent Berquez is a London–based artist and poet

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive A-B, Berquez, Vincent, Vincent Berquez


Niels LANDSTRA: De Voedselbank (2)

De Voedselbank (2)
Een week later toen ik de camper ging halen, was hij voorzien van een Belgische APK-keuring. Die was beter dan de Nederlandse, dus dat bood extra zekerheid, beweerde de autodealer met zijn zangerige Vlaams. Maar eerst moest ik met zijn echtgenote, een vlotte dame van rond de veertig, naar Brussel toe met de auto. Daar zou ik bij een transitloket een tijdelijke kentekenplaat en documenten ontvangen om het vehikel mee uit te voeren. Het was een rit van vijfenzestig kilometer.

Door een wegomleiding liepen we fikse vertraging op en arriveerden tegen het einde van de ochtend bij het transitkantoor. Mensen hingen er landerig op harde banken, de ambtenaren, waarvan er duidelijk te weinig waren, namen hun tijd, en ook de povere sfeer van stoffig ochtendlicht dat binnenviel op een versleten interieur waar een muffe geur van opsteeg, deed mij denken aan een gemeentekantoor in het voormalig Oostblok.

Ik was anderhalf uur later een paar honderd euro lichter door het afwikkelen van al die formaliteiten. Maar dat tastte mijn humeur niet aan, want toen ik in Namen het terrein af reed met mijn camper, begon mijn vrijheid.

Het was of mijn reis een blanco wegenkaart was. Ongeacht door welk land ik ging toeren, ik had geen plek die mij verplichtte te blijven, geen serene haven om in aan te spoelen, noch keerde ik terug naar die oorlogszone van haat en wrok, die zich samenbalde in negentig kilo vlees dat met enge hakken paradeerde op de houten vloer van de echtelijke woning.

Ik dacht niet langer in termen van een toekomst of schijnzekerheden, ik dacht in het hierna. Hierna zal het beter zijn.

Na een zwerftocht van een paar weken, bracht ik mijn camper naar een APK station. Mijn geïmporteerde huis op wielen zou de Nederlandse nationaliteit krijgen. Gele kentekenplaten die behoorden aan een jaartal dat ik nooit had kunnen betalen als het echt een nieuwe bolide betrof. Maar deze knappe Italiaan was twintig jaar oud.

De garagehouder, Norbert, inspecteerde de camper op de brug. Ondertussen versomberde zijn gezicht. De APK was ver uit beeld, deelde hij mee. Remmen, schokbrekers, gasinstallatie voor de boiler, de kachelmotor in het dashboard: het was allemaal aan vervanging toe. Hij wees mij op een sticker aan de buitenkant van de camper waaruit bleek dat het een verhuurcamper was geweest. Vandaar het hoge kilometrage op de teller. Van de tweehonderdduizend die erop stonden, was er naar schatting de laatste honderdduizend gedraaide kilometers niets aan onderhoud gedaan – dienden de distributieriem, V-snaar en oliekeringen ook te worden vernieuwd.

Norbert gebaarde dat ik achter hem aan moest lopen, de camper in. Hij liet mij de bodem van de douche zien en toonde mij de gaten waarlangs het water in het verleden naar beneden was gestroomd. Het hout daaronder was vochtig en vermolmd. Douchen vermeed ik maar beter, raadde hij mij aan. En de ijskast deed het alleen als de accu hem tijdens het rijden koelde. Maar als hij stil stond, vergeet het maar.

De deurbel ging. Sylvia, mijn hospita, lag boven te slapen. Ze had MS, was te pas en te onpas doodmoe. Ik wilde haar niet storen en deed open. Er stond een Marokkaan voor de deur. Mogelijk was hij van de post, maar toen hij zijn ID liet zien, begreep ik dat hij een Bijzonder OpsporingsAmbtenaar was. Met een rasperige stem en een Ali-B accent informeerde hij of hij met de heer Van Amerongen van doen had. Even ging er door me heen dat hij familie had in Marokko, die, als ze zouden vluchten uit dat land, niet werden teruggestuurd. Dacht ik aan die talloze vluchtelingen uit het Midden Oosten en Afrika die een huis kregen toegewezen en een leven lang een inkomen ontvingen tot hun god ze hier van het aardse kikkerlandparadijs kwam halen.

Of ik mijn camper weg wilde halen van de parkeerplaats, vroeg de ambtenaar. Het vehikel stond erg in de weg volgens de omwonenden die er slecht langs konden met hun rollators, omdat de achterkant zo uitstak. Maar het bedierf ook het straatbeeld, vonden ze.
De Marokkaan probeerde toegeeflijk te zijn. Ik vond dat heel ontwapenend. Vooral toen hij toelichtte dat het niet ging om een enkele klacht, maar een stortvloed aan klachten. Een onhoudbare situatie voor de gemeente. Dit opgeteld bij de verordening dat een kampeerauto maximaal drie dagen op de openbare weg geparkeerd mag staan, dwong hem een proces-verbaal uit te schrijven. Maar hij wilde het deze keer door de vingers zien, stelde de BOA, en opperde dat ik mijn Italiaanse vriend ergens zou kunnen stallen.

‘Ja, goed idee, stallen!’ zei ik enthousiast. ‘Die 100 euro per maand heb ik nog liggen in de oude sok van mijn tante uit Hengelo.’
Handig, dacht ik, sociale controle. Onder die bejaarden in de serviceflat bevindt zich vast nog een handvol verzetsstrijders uit WO II die naar buiten stormen als een licht getinte boef met een bontkraagje in de buurt van mijn Fiat Ducato komt. Sluiten ze mij in de armen met een boksbeugel en een bebloede honkbalknuppel waarmee ze de onschuldige crimineel een kopje kleiner hebben gemaakt. Maar nee, rollators! Een ware klachtenregen!

Op de parkeerplaats startte ik de motor van de camper, die drie dagen niet had gedraaid. Terwijl de rookwolken boven mij optrokken, controleerde ik de banden door er demonstratief tegen aan te trappen. Ondertussen werd het een drukte van belang achter de ramen van het bejaardencomplex. Vriendelijk zwaaide ik naar de silhouetten van verstarde ergernis en opwinding en besloot het afscheid waardig te laten zijn. Met de ruitensproeier spoelde ik het stof van de voorruit en reed van de parkeerplaats af, traag als een slak in een donkere wolk van rook en stank.

Op de weemoedige klanken van een cd met Fado muziek, reed ik weg in de richting van de polder en parkeerde ter hoogte van een recreatieplas waar een bijna landelijke rust heerste. Ganzenkolonies vlogen af en aan, een aalscholver op een verweerde houten paal in het water strekte zijn vleugels ijdel uit. Een man met een hond appte op zijn telefoon, twee jochies met hun moeder achter de kinderwagen, joegen eenden op.

Door de open ramen kabbelde de stilte binnen op een bries, ging op in de muziek, in het bezongen leed van een fadista. Het deed me denken aan het wit tussen dichtregels. Dat het elkaar versterkt op een raadselachtige wijze. Toen ik Sylvia net ontmoet had, vreeën we dagen achtereen, en daartussen lag haar ademen, haar strelen, scheen onze fado geborgd in de stilte en bewaarde ik dat, ook als ik niet bij haar was.

Op den duur verdween die rust, die lafenis. Sylvia kreeg uit het niets paniekaanvallen of hysterische buien die plots kwamen opzetten en even vlug weer afzwakten. Allemaal de schuld van Judith, wist ze. Door de stress die mijn toekomstige ex opwekte, was haar ziekte versneld progressief geworden. Daar twijfelde Sylvia geen moment aan. Maar toen we onlangs bij de neuroloog waren, bleek dat het proces van haar geestelijk verval al vier maanden stil stond. Sommige littekens op haar hersens geslonken.

Ik startte de camper en wilde weg rijden. Maar de voorband draaide nodeloos in de rondte, zakte dieper weg in de modder. Ik stapte uit. Er viel niemand te bekennen om mij hulp te bieden. Dan bleef er nog maar een mogelijkheid over: de ANWB. Die hielpen altijd. De dame van deze organisatie die mij te woord stond aan de telefoon, legde uit dat er een onderscheid was. In het geval van vastraken in de modder restte het ANWB lid niets anders dan een particuliere sleepdienst te bellen. De ANWB was wel goed maar niet gek.
‘Feitelijk heeft u pech,’ besloot de dame, ‘en ik vind het erg lastig voor u dat u uw reis niet kunt vervolgen, maar dit soort pech valt niet onder onze pechhulp.’

Een robuuste kerel met leren laarzen en een groene parka aan, wilde met zijn hond vertrekken in een SUV, maar toonde zich bereid mij eerst te helpen. Het bleek zinloos. De camper was bijna 3000 kilo zwaar en niet onder de indruk van de SUV met zijn sleepkabel.
Hoewel er een lichte onrust in mij ontstond, wandelde ik de polder in, waar ik ongetwijfeld een boer met een tractor zou tegenkomen, ware het niet dat een aantal jaren geleden de laatste boer in de polder was onteigend. Want als de nabij gelegen rivier buiten haar oevers dreigde te treden, moesten de sluizen open kunnen.

Kalm overzag ik de onmogelijkheid van mijn zoektocht, maar liep toch door, ging af op het verre geluid van een tractor.
Op een boerenerf was een jonge kerel met een lawaaierige minitractor balen veevoer aan het optassen. Tevergeefs zwaaide en riep ik naar hem – klom over het houten hek en liep de twintiger met zijn baseballpet op zijn hoofd tegemoet. Maar amper stond ik op het erf, of ik maakte alweer rechtsomkeert om te ontkomen aan een Mechelse herder die blaffend op mij af stormde. In een flits sprong ik over het hek met een lenigheid die me deugd deed en stelde tot mijn vreugde vast dat de jongeman door de waakzame hond mijn kant op keek.

Bij de camper schoot de jongen te binnen dat hij geen sleepkabel had. Een ijzeren stang, onderdeel van de vork aan de voorzijde van de tractor, bood een oplossing. Stevig met elkaar verbonden, trok de pittige landbouwmachine de camper aan zijn trekhaak uit de modder. Met een kleine bocht naar links, zou het plaveisel mijn huis op wielen uit zijn benarde positie bevrijden, maar de jonge boer maakte een stuurfout en de plastic bumper van mijn Fiat klapte vol op de voorkant van de tractor – frommelde in elkaar als een prop papier. Langzaam schoof het achterlicht omhoog, terwijl de bedrading uit de plastic behuizing stulpte.

De tractor was niet verzekerd, bekende de boer onthutst.
Mijn ontgoocheling week voor een mat soort verdriet. Dit was een van die momenten waarop je gewoon je verlies moest nemen. Ik had de camper voor 3000 euro laten repareren. Mijn geld was op.

Tijdens het inloopspreekuur van het Instituut voor Maatschappelijk Welzijn werd ik geholpen door Petra, een maatschappelijk werkster die dit jaar met pensioen ging. Ik legde haar uit dat ik als thuisloze geen recht had op een bijstandsuitkering en ik mijn tijdelijke kamer bij mijn hospita uit moest.

Petra telefoneerde met ene Maureen, een Engelse vrouw die inmiddels op leeftijd was. Vroeger bezorgde ze daklozen een onderkomen op haar boerderij. In principe was ze gestopt met die vorm van dienstverlening, liet de oude landlady aan Petra over de telefoon weten, maar met een camper lag het net even anders. Ze wilde onder voorbehoud met mij kennis maken.

Maureens’ hoeve lag op de rand van een verlaten en waterrijk buitengebied met boerderijen en grazende koeien aan de einder. Maar de landelijke stilte verdween toen ik naderde; het lawaai op de aangrenzende A16 en de HSL richting Rotterdam, zwol aan tot een crescendo van verkeersgedruis.
Ik reed een zandpad op, dat om een kolossale vervallen schuur naar het erf slingerde.
De deurbel deed het niet – ik rammelde met de klepel op de voordeur. Na enig gestommel binnen, ging er een andere deur open. Maureen lachte haar bijna tandeloze mond naar mij bloot en stak ter begroeting een hand naar mij op. De ketting met edelstenen om haar hals, schitterde in het daglicht.

Ik volgde haar een schemerige gang in, die naar katten rook, terwijl een petroleumgeur ons tegemoet walmde. In de keuken pruttelde vlees boven een vuurtje en sprongen de katten van tafel.
Maureen staarde me aan. De oude vrouw met de nepedelstenen aan kettingen om haar hals, schoof haar wrong over een schouder – het wollen vest dat ze droeg was net zo grijs als haar haar.
Ik legde uit dat ik een staplek nodig had, omdat de verwarming op stroom en gas werkte. En dat was niet de enige reden: als de omwonenden merkten dat ik in mijn camper sliep, kreeg ik een boete van de gemeente.

‘Geldt die regel nog steeds?’ vroeg Maureen met een Engels accent. ‘Word je er gewoon bij gelapt door een buurtbewoner.’
‘En mijn vriendin heeft MS. Omdat we het risico lopen bekeurd te worden, is ze voortdurend gespannen en op haar hoede.’
‘Was er ook iets dat speelde in haar jeugd?’ vroeg de landlady.
‘Ja, die verliep niet goed.’
‘Dan heeft ze al chronische stress opgebouwd toen ze jong was. Als je dat op latere leeftijd nog hebt, wordt het van kwaad tot erger.’
Ik toonde een foto van Sylvia. Met gekruiste benen zat ze in een stoel, haar lijf gestoken in een zwarte jurk, weemoedig blikkend in de lens, haar lippen licht rood geverfd.
‘Mooi is ze. Helemaal naturel,’ zei Maureen en boog voorover om haar nog beter te kunnen zien. ‘Ze is een engel. Jouw reddende engel.’

Buiten sloegen de honden aan. Er reed een tractor het erf op.

Niels Landstra: De Voedselbank (2)
wordt vervolgd

 

Niels Landstra (1966) is dichter, schrijver, schilder en muzikant.
De Voedselbank is een bewerkt fragment uit Niels Landstra’s debuutroman: Monddood. Monddood verschijnt in de loop van 2017 bij uitgeverij Droomvallei.

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive K-L, Landstra, Niels, Niels Landstra


Niels LANDSTRA: De Voedselbank (1)

De Voedselbank is een bewerkt fragment uit Niels Landstra’s debuutroman: Monddood. Monddood verschijnt in de loop van 2017 bij uitgeverij Droomvallei.

 

De Voedselbank (1)
De Voedselbank bevond zich in een oud pand naast een kerk, de voormalige pastorie. De bel-etage was te bereiken via een stenen opgaande trap. Net toen ik aan wilde bellen, zwaaide de voordeur voor mij open, stierf een stem weg in een schemerige hal met donkerbruine lambrisering en witte afbladderende wanden. Bij een vestibule met twee deuren, deed een vertrek dienst als kantoor en de andere als ontvangstruimte; door de hoge ramen vielen repen zonlicht met warrelende stofdeeltjes.

Ik had een oploop bij de afhaal van de voormalige pastorie verwacht, een stroom mensen in kringloopkleren en tassen vol eten, rammelende boodschappenkratten en het gerinkel van flessen, maar hier klonk alleen het geroezemoes van een handvol mensen die aan een gemeenschappelijke tafel koffie dronken.

‘Is dit de Voedselbank?’ vroeg ik aan niemand in het bijzonder.
‘Nou, niet helemaal,’ antwoordde een oude vrouw die moeilijk sprak. Haar bovenlip toonde twee stompjes van tanden. ‘Hoe komt u daar nou bij?’
‘Een sociaal werker van de gemeente stuurde mij hier naar toe.’
‘Alleen ongedocumenteerden kunnen hier eten mee krijgen.’
‘O.’
‘Dat zijn mensen zonder geldige identiteitspapieren.’ Ze monsterde mij van top tot teen. ‘Uit welk land komt u?’ informeerde ze.
‘Kopje koffie?’ bood een hoogbejaarde struise dame aan. ‘En gaat u even zitten. Er is een vergadering van de Straatraad.’

Aan een ovale tafel namen druppelsgewijs mannen plaats. Het waren er een stuk of tien, tussen de twintig en ongeveer veertig jaar oud. Omdat al die anderen die op straat leefden bij voorkeur onzichtbaar bleven of nog gelatener waren dan dit gezelschap – ver verwijderd van het aards bestaan alleen nog hoopten op overleving. Of niet.

De twee jongedames die de vergadering openden brachten namens hun maatschappelijke organisatie te berde dat armoede een gezicht moest krijgen. Binnenkort werden er scholen in de regio bezocht om kinderen te laten zien wat de maatschappij met je deed als je in verval was geraakt en je niet langer als ‘volwaardig mens’ werd beschouwd.

De mollige fotograaf van een provinciale krant, stond op met zijn camera in de aanslag. Hij maakte een kiekje van de dames die geposeerd in de lens gluurden.

Daarna fotografeerde hij Arie. Met zijn tweeënveertig jaar was hij de oudste van de aanwezige daklozen. In een slok leegde hij met zijn gehavende gebit een blik bier en schudde in een soort van wanstaltige ijdelheid zijn paardenstaart heen en weer.

Ronald, een treurig ogende donkerharige dertiger met een verpauperd gebit, deed alsof hij niets merkte van de camera en friemelde met zijn vingers. Hij trok rond op zijn fiets en bivakkeerde met zijn tent in het bos. Door een vechtscheiding was hij alles kwijt geraakt, zijn kinderen, geld, en een dak boven zijn hoofd.

Toen de camera op Frank werd gericht, schermde hij met een hand zijn gezicht af. De midden dertiger leefde al tien jaar op straat van de opbrengst uit prullenbakken. Hij zou zich dood schamen tegenover zijn vrienden van de Technische Universiteit als ze hem in deze hoedanigheid aanschouwden.

Arie was de enige die instemde om scholen af te gaan en zijn bestaan als voormalige dakloze over het voetlicht te brengen. Hij wilde alleen niet dat hij op de school van zijn kinderen een lezing moest geven. Als hij was afgekickt van de drank, zou hij overwegen het contact met hen op te pakken, eerder niet. Hij opende zijn tweede blikje Heineken en liep de tuin in om er te roken.

Onder een houten afdak scholen de daklozen voor de regen. Elke verschoppeling had er zijn verhaal. Ergens was het fout gegaan. Een faillissement. Een ziekte die de loopbaan verknalde. Alcoholisme, drugs, gokken. De onvermijdelijke echtscheiding. De vrouw die zonder enige waarheidsvinding toch altijd gelijk krijgt. En voor de man, haast kinderloos verklaard door instanties die altijd meeveren met de moeder van de kinderen, doet de wurggreep van rap oplopende schulden zich voor. Gaat alles voor hem verloren wat eerst heel en volwaardig was. Wie houdt het dan nog vol om niet aan lager wal te geraken?

Ronald gaf toe dat hij worstelde met zijn ‘normale’ bestaan. Toen hij nog volop verwikkeld was in de vechtscheiding, kreeg hij een woning toegewezen en een uitkering in de vorm van leenbijstand die hij later moest terugbetalen als zijn woning was verkocht.

Ronald liep gelijk averij op met het betalen van de huur en kosten voor water en licht, want de gemeente was traag in de afwikkeling van zijn dossier. Gedurende die periode van zes weken kreeg hij 50 euro per week voorgeschoten, maar dat broodgeld stond vaak laat op zijn bankrekening of helemaal niet, zodat hij, hoewel hij nu in een appartement woonde, nog steeds gedwongen was om prullenbakken af te struinen op zoek naar eten.

Maar het geluk leek aan zijn zijde te staan, toen hij een oude schoolvriendin tegen het lijf liep. Net als hij lag ze in echtscheiding, en, samen overgeleverd aan hetzelfde lot, vonden ze troost en warmte bij elkaar, met name in haar woning. Voor de vorm sliep hij enkele dagen in zijn appartement zonder meubels, tv, internet en telefoon, maar dat voorkwam niet dat de sociale recherche ze in de smiezen had en waarnemingen deden, zoals de ambtenaren dat noemden. Ze hielden hun huizen in de gaten, registreerden de tijden waarop hij bij haar was en hoe lang hij in zijn eigen woning verbleef. Het gevolg was dat ze werden gepakt voor bijstandsfraude. Als moeder van twee kleine kinderen raakte ze haar eenoudertoeslag kwijt, zijn uitkering werd gevorderd en hij kreeg een boete. Er volgden incassobureaus, deurwaardersexploten, en tenslotte een huisuitzetting, met politie erbij, wat de deurwaarder een doos met verroeste pannen en een krakkemikkige stoel opleverde.

Ronald kocht van zijn laatste geld een fiets en een tent en hij gooide de sleutel van de woning door de brievenbus: liever de vrijheid van de straat dan de heerszucht van het regime.

De dubbele tuindeur van de voormalige pastorie zwaaide open en een jonge vrouw verscheen buiten. Resoluut nam ze mij bij de arm mee naar het kantoor. Rakelings over de voeten gereden door een zwaarlijvige vrouw in een zoemende scootmobiel, deelde ze mee dat ik hier helemaal verkeerd zat. De officiële Voedselbank was in Noord. Ze vulde een formulier voor een noodvoedselpakket voor me in en meldde me aan. Dat was een beetje tegen de regels in, vertrouwde ze mij toe. Zonder de naam van een maatschappelijk werkster mocht ze dit niet doen. Maar nood breekt wetten, zei ze. Ondertussen pleegde ze een telefoontje voor een Zuid-Amerikaanse moeder en haar dochter die op haar schoot kraaide van plezier. Down syndroom.

Het kon altijd erger, besefte ik, terwijl mijn troosteres met haar handen achteloos over het glanzende haar van het meisje streek. Ze was begin dertig en geen rimpel tekende zich af in haar wasbleke gezicht.
Was zij nou een soort moeder Teresa wier maagdelijke lichaam later op hoge leeftijd ter aarde werd besteld?

In België ging ik kijken naar een camper die te koop stond bij de firma Used Cars in Namen. Tussen de exclusieve Italiaanse auto’s op het terrein van de dealer, met name Ferrari’s, stond de oude camper er als verloren bij.
Ik was op slag verliefd op de witte kampeerbus.

Alles was in goede staat, drukte de verkoper mij op het hart. De omstreeks zestigjarige man ging mij langs een metalen uitklapbaar trapje voor naar binnen toe. Hij toonde mij de badkamer met toilet en douche, die door het witte plastic en de blinkende spiegels een frisse aanblik bood.
Het was heerlijk om na een zomerse dag aan het strand te kunnen douchen in de camper, wist de verkoper, en hij zette de kraan aan waar geen druppel uit kwam.
‘De watertank moet nog worden gevuld,’ zei hij in West-Vlaams dialect, met het inslikken van de n, ‘maar dan hebt ge ook meteen honderd liter bij u.’

De Belg liet mij de keuken van de Fiat Ducato zien. Omdat de ijskast zowel op de accu als op een gasfles werkte, had ik onderweg de beschikking over ijsklontjes en gekoelde dranken: ik zou me in een hotel op wielen wanen, grapte hij. En mochten er kinderen mee gaan, die sliepen prima achterin de camper. De bank was in een handomdraai omgetoverd tot tweepersoonsbed.

Ik zag het al voor me: dat Eva en Hanna met hun slaperige hoofden ontwaakten in een ander land en ik ze trakteerde op een uitgebreid ontbijt met koele glazen jus d’orange.

Op de bijrijdersstoel, met een sacherijnige autoverkoper naast me die de camper bestuurde, maakte ik een proefrit. De Fiat diesel maakte een licht schrapend geluid, alsof er in de motor iets aanliep, maar de verkoper, Giovanni, betoogde met een onvervalste Italiaanse tongval, dat de vorige eigenaren, een hoogbejaard stel, hun bezit had gekoesterd en perfect onderhouden.

Ik vergiste mij vast, dacht ik. Had ik een andere keuze, wie weet wat ik dan gedaan zou hebben, maar die had ik niet, ik moest thuis weg, en als ik dan ging, was dit de beste oplossing.

De psycholoog die ik voor mijn vertrek uit mijn oude huis raadpleegde, Ajeet Raya, was een man van Surinaams Hindoestaanse afkomst met een zonnig karakter. Hij vermaakte zich om mijn relaas over de kenau die ik gehuwd had, maar stelde na enige sessies vast dat mijn psychische problemen situatief waren: de oplossing lag in het loslaten van het oude. Want waarom stelde ik alles zo lang uit? En als ik, zoals ik mij toen had voorgenomen, een camper kocht, had ik weliswaar geen huis, maar toch een dak boven mijn hoofd. Geen enkele situatie is ideaal, besloot hij. Ergens moest ik opnieuw beginnen.

Ik hakte de knoop door.

Niels Landstra: De Voedselbank (1)
wordt vervolgd

 

Niels Landstra (Ridderkerk, 1966) debuteerde in 2004 in Meander met het kortverhaal ‘Het portret’. Hierna volgden tientallen publicaties van korte verhalen, gedichten en interviews in literaire tijdschriften als De Brakke Hond, Deus ex machina, LAVA, en Op Ruwe Planken.
In 2012 verscheen zijn eerste gedichtenbundel: Waterval bij uitgeverij Oorsprong. In 2013 gevolgd door zijn bundel: Wreed het staren, en in 2014: Nader en Onverklaard. Zijn dichtbundel: Droef het zwieren uitgebracht, een bloemrijke reis, scherend langs momenten en passages vol weemoed, ontgoocheling en romantiek, opgetekend door de dichter tijdens een roerig, zwervend bestaan in een huis op vier wielen, verscheen in september 2016.

De dichter/schrijver/schilder/muzikant was een van de stadsdichters uit het Stadsdichterscollectief Breda, opgericht in 2014. In datzelfde jaar won hij een voorronde van de Poetry/Dobbelslam in Utrecht. In 2016 stond hij op de shortlist van Literairwerk.nl met zijn gedicht Retourbiljetten.

Landstra schildert daarnaast landschappen en stadsgezichten, die hij voorziet van gedichten. Deze zijn te vinden op ansichtkaarten van zijn werk en in zijn dichtbundels.

In 2017 verschijnt zijn debuutroman: Monddood bij uitgeverij Droomvallei. Het kortverhaal: De Voedselbank is daar een bewerkt fragment uit. Monddood is een rauwe, soms cynische roman, waarin de troosteloze absurditeit van het leven onmiskenbaar besloten ligt en haast schrijnend dichtbij komt. Door de elementen van tederheid, lyriek en melancholie die er zorgvuldig doorheen gecomponeerd zijn, ontstaat een modern drama dat balanceert op de wankele fundering van armoede, rouw en breekbare liefde.

Momenteel trekt Niels Landstra met zijn cabarateske theatershow Café De Puzzel door het land. Door zijn gedichten muzikaal te ondersteunen met gitaar en accordeon, en deze zelf te zingen en te declameren, dompelt hij het publiek onder in een stroom van taal en klanken. Niet in het minst doordat hij zijn voorstelling doorvlecht met het betere Nederlandstalige lied en tragikomische acts – ontstaat er een fascinerend geheel dat zich in een hoog tempo op de bühne afspeelt.

‘Dichten zoals je hoopt dat dichters dichten, en beter nog, dat is hoe Niels Landstra dicht’
Wim Daniëls

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive K-L, Landstra, Niels, Niels Landstra


Anders RYDELL: De grote boekenroof. Een zoektocht naar Europa’s verdwenen bibliotheken

Op 10 mei 1933 staken nazi’s op de Opernplatz in Berlijn, onder toeziend oog van 40.000 toeschouwers, zo’n 25.000 boeken in de fik.

Het was het startsein voor een reeks boekverbrandingen overal in Duitsland.

Over die gebeurtenis is veel geschreven, maar onbekend is het veel sinisterder plan dat de nazi’s in heel Europa ten uitvoer brachten: het plunderen van bibliotheken en privébezit, met als doel de literatuur in te zetten als wapen in de vernietigingsmachinerie. 

Tegenstanders werden zo niet alleen van hun vrijheid beroofd maar ook van hun literatuur, hun verhalen, hun emotionele en intellectuele geschiedenis.

In De grote boekenroof volgt Anders Rydell het spoor van de boekenplunderaars door Europa. Hij reist onder meer naar Den Haag en Amsterdam, struint door de bibliotheken van Berlijn en Parijs en gaat op zoek naar de mysterieus verdwenen Joodse bibliotheek in Rome.

Zo vertelt Rydell het verhaal van een van de meest angstaanjagende nazi-ambities op het gebied van kunst, cultuur en onderwijs.

Anders Rydell
De grote boekenroof
Vertaling door Robert Starke
Afm. 26x210x135 mm
Verschijningsdatum:
april 2017
Paperback = 27,99
ISBN10 9045031914
ISBN13 9789045031910
Atlas Contact, Uitgeverij

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, Archive Q-R, Art & Literature News, DICTIONARY OF IDEAS, The Art of Reading


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature