In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel

· Museum De Lakenhal in Leiden verwerft internationaal topstuk van Theo van DOESBURG · 100 jaar kunstbeweging DE STIJL in Gemeentemuseum Den Haag – Koning opent expo op zaterdag 11 februari 2017 · Dan DADA doe uw werk! · DADA een geschiedenis · Hans Janssen: PIET MONDRIAAN. Een nieuwe kunst voor een ongekend leven · Kunstbeweging DE STIJL (100 jaar) in het Stedelijk Museum Amsterdam · Centre Pompidou Paris: Mondriaan & De Stijl · Jef van Kempen over Nelly van Moorsel · Jef van Kempen over Lena Milius · Jef van Kempen over Kurt Schwitters · Jef van Kempen over Piet Mondriaan · Jef van Kempen over Antony Kok

»» there is more...

Museum De Lakenhal in Leiden verwerft internationaal topstuk van Theo van DOESBURG

Museum De Lakenhal heeft op de veiling in Londen een zeldzaam, abstract schilderij aangekocht van Theo van Doesburg. Hij schilderde Contra-compositie VII in 1924 in Parijs, in de hoogtijdagen van De Stijl. Precies 100 jaar nadat Theo van Doesburg in 1917 in Leiden het gelijknamige tijdschrift De Stijl oprichtte, kan Museum De Lakenhal dit topstuk van internationaal belang voor altijd toevoegen aan de collectie. Contra-compositie VII werd aangekocht dankzij de genereuze steun van de Vereniging Rembrandt – mede dankzij haar Nationaal Fonds Kunstbezit, het Mondriaan Fonds, het VSBfonds, de Vereniging van Belangstellenden in Museum De Lakenhal, het Lucas van Leyden Mecenaat, de gemeente Leiden, het De Banderfonds en een aantal anonieme, particuliere schenkers.

Zonder de hulp van de Vereniging Rembrandt en haar Nationaal Fonds Kunstbezit was het voor Museum De Lakenhal onmogelijk geweest de benodigde gelden op tijd bij elkaar te krijgen. “De Vereniging Rembrandt heeft waardering voor de voorbeeldige wijze waarop Museum De Lakenhal zich de afgelopen jaren heeft ingezet om De Stijl context te geven in de verzameling en voor de ambitie die het museum ook nu weer tentoonspreidt.”

Oorsprong van De Stijl
Leiden is de bakermat De Stijl. Van 1916 tot 1921 woonde Theo van Doesburg in de stad. Van hieruit ontwikkelde hij zijn avant-garde kunst en bouwde hij aan een Europees netwerk van vernieuwende kunstenaars, architecten en vormgevers. Museum De Lakenhal biedt onderdak aan een reeks van ruim vijftig werken die het ontstaan van De Stijl belichten, maar beschikte tot nu toe nog niet over een iconisch topstuk. Contra-Compositie VII is een aansprekend voorbeeld van De Stijl, zoals die door Theo van Doesburg gepropageerd werd. In het schilderij is duidelijk de invloed van Piet Mondriaan te zien, met wie hij na zijn vestiging in Parijs in oktober 1923 gedurende een korte periode intensief optrok. De visuele kwaliteit en de moderne uitstraling van Contra-Compositie VII maken in één klap duidelijk hoe krachtig de verandering was waar Theo van Doesburg en zijn tijdgenoten voor stonden.

Voor Museum De Lakenhal was het een uitzonderlijke kans dit iconische schilderij van Theo Van Doesburg uit de hoogtijdagen van De Stijl te verwerven. Anders dan bijvoorbeeld Mondriaan, beoefende Van Doesburg vele verschillende disciplines en schilderde hij relatief weinig. Tot nu toe bevonden zich in Nederlandse museale collecties in totaal slechts vijf abstracte schilderijen van zijn hand uit de jaren twintig. De beste schilderijen uit die tijd werden door zijn weduwe Nelly van Doesburg in 1947/48 verkocht aan musea en verzamelaars in de Verenigde Staten, tijdens een reis die zij maakte op uitnodiging van haar goede vriendin Peggy Guggenheim. Ook Contra-Compositie VII behoorde tot die reeks. Met de aankoop van dit schilderij komt het werk nu naar Nederland.

Deze bijzondere verwerving is mogelijk dankzij een genereus schenkingsbeleid. De Vereniging van Belangstellenden in Museum De Lakenhal doneerde een speciale jubileumbijdrage ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan in 2018. Haro Schultz van Haegen, voorzitter van de vereniging: “Deze aanwinst voor de collectie van Museum De Lakenhal is echt bijzonder te noemen. Een schilderij van Van Doesburg van deze kwaliteit komt zelden op de markt. De vriendenvereniging van Museum De Lakenhal (VBL) was al langer van plan om voor ons jubileumjaar in 2018 het museum een mooi cadeau te doen. Dat wij dat in deze vorm met onze bijdrage kunnen doen, vinden wij heel passend. 100 jaar De Stijl, en volgend jaar 100 jaar VBL – het kan niet mooier”.

Museumdirecteur Meta Knol is verguld met de aanwinst: “Museum De Lakenhal is sinds kort gesloten voor de restauratie van het 17e-eeuwse Rijksmonument en uitbreiding met een geheel nieuwe tentoonstellingsvleugel. Contra-Compositie VII zal bij de feestelijke heropening in 2019 de kroon zijn op de nieuwe collectieopstelling, waarin voor het eerst ook een permanente presentatie wordt gewijd aan Theo van Doesburg en de oprichting van De Stijl. In het vernieuwde Museum De Lakenhal start de iconische reis door de collectie straks bij Lucas van Leydens Laatste Oordeel, om te eindigen bij de radicale moderniteit van Theo van Doesburg.

Presentatie Contra-Compositie VII
De nieuwe aanwinst is straks te bewonderen in het stadhuis van Leiden. Daar zal het schilderij na aankomst in Nederland voor één dag getoond worden in de Burgerzaal, met gratis toegang voor iedereen. Vervolgens wordt het schilderij tot de heropening van Museum De Lakenhal (voorjaar 2019) in bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum. Met dit museum heeft Museum De Lakenhal sinds 2014 een samenwerkingsovereenkomst. Het Rijksmuseum toont het schilderij in een speciale opstelling ter gelegenheid van het jubileumjaar 100 jaar De Stijl. In oktober publiceert het Rijksmuseum in samenwerking met Museum De Lakenhal een publicatie over Peggy Guggenheim en Nelly van Doesburg, geschreven door Doris Wintgens-Hötte. Daarin komt ook Contra-Compositie VII aan de orde. Dit boek zal op 6 oktober 2017 tijdens een De Stijl-symposium worden gepresenteerd in het Rijksmuseum.

Museum De Lakenhal is het museum voor kunst, kunstnijverheid en geschiedenis van de stad Leiden. Tot de hoogtepunten uit de collectie behoren werken van oude meesters als Lucas van Leyden, Rembrandt van Rijn en Jan Steen, maar ook van moderne kunstenaars als Theo van Doesburg, Jan Wolkers en Erwin Olaf. Museum De Lakenhal maakt kwaliteitsvolle tentoonstellingen van (inter)nationaal belang op basis van Leidse bronnen. Het museum profileert zich als een vernieuwend netwerkmuseum en verbindt heden en verleden door bezoekers te inspireren met oude en nieuwe gezichtspunten.

Museum De Lakenhal
Oude Singel 32
2312 RA Leiden

# Meer informatie op website Museum Lakenhal

fleursdumal.nl magazine

More in: Antony Kok, Art & Literature News, Constructivism, Constuctivisme, Dada, De Stijl, Doesburg, Theo van, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Kok, Antony, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg


100 jaar kunstbeweging DE STIJL in Gemeentemuseum Den Haag – Koning opent expo op zaterdag 11 februari 2017

Rond het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waart er een vernieuwingsdrang door het neutrale Nederland. Kunstenaars willen de heersende traditie van gemeenschapskunst verder ontwikkelen, maar in een compleet nieuwe beeldtaal. De bruine bakstenen van de decoratieve architectuur van de populaire Amsterdamse School vinden zij ongeschikt voor de moderne wereld. Een aantal jonge kunstenaars en architecten propageert daarom een ver doorgevoerde abstractie. Alleen die kunst kan de moderne tijd inluiden en het leven transformeren tot kunst. Hun visie leidt tot de wereldwijd bekende kunst en architectuur van De Stijl. De Stijl vormt – samen met het Duitse Bauhaus – de invloedrijkste avant-gardebeweging uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

In 1917 begint het in eerste instantie allemaal met een tijdschrift. Schilder, dichter en criticus Theo van Doesburg verzamelt een aantal vernieuwende kunstenaars zoals Piet Mondriaan, Bart van der Leck en Vilmos Huszar die in het tijdschrift willen publiceren. Ook al denken zij op sommige punten anders over kunst, zij geloven allen dat abstracte kunst de weg vooruit is. In oktober 1917 verschijnt uiteindelijk het eerste nummer van De Stijl. Op de cover staat dat De Stijl een bijdrage wil leveren aan “de ontwikkeling van het nieuwe schoonheidsbewustzijn,” met als bedoeling “den modernen mensch ontvankelijk [te] maken voor het nieuwe in de Beeldende Kunst.” Niet alleen schilderkunst, beeldhouwkunst, literatuur en architectuur zijn daartoe in staat. Juist design, typografie, reclame-uitingen, verpakkingen en modeontwerpen zijn bepalend in het straatbeeld. In tegenstelling tot een beweging als Bauhaus, die gestandaardiseerde oplossingen nastreeft, houdt De Stijl wel altijd maatwerk en vakmanschap hoog in het vaandel. Iedere specifieke omgeving vraagt om specifieke oplossingen. De Stijl is als een groep jonge jongens, die de wereld willen bestormen; en verbeteren.

Na de Eerste Wereldoorlog waart er een vernieuwingsdrang door Nederland. Kunstenaars keren zich af van de traditionele kunst, zoals de Amsterdamse School en de Haagse School. In 1917 richt kunstenaar, architect en criticus Theo van Doesburg, samen met de Tilburgse dichter Antony Kok, het tijdschrift ‘De Stijl’ op, waarin kunstenaars, vormgevers en architecten hun vernieuwende ideeën over kunst kunnen publiceren. In een mum van tijd weet hij onder andere Gerrit Rietveld, Bart van der Leck en Vilmos Huszar aan het tijdschrift te verbinden. Een aantal van deze kunstenaars tekent later ook een Manifest. Ook Piet Mondriaan doet mee. Met zijn abstracte kunst, primaire kleuren en zwart-witte lijnenspel is hij het grote voorbeeld voor De Stijl. De kunstenaars, architecten en vormgevers geloven dat zij met innovatieve en abstracte kunst de samenleving kunnen moderniseren. Daarvoor moeten wel alle kunstvormen samenwerken; en alles om ons heen moet opnieuw worden vormgegeven. Van de meubels waarop we zitten. De huizen waarin we wonen. En de steden die we bouwen. Zo groeit De Stijl uit tot een internationale beweging vergelijkbaar met het latere Bauhaus.

In 2017 is het honderd jaar geleden dat De Stijl is opgericht. Nederland viert dit met het feestjaar Mondriaan tot Dutch design. 100 jaar De Stijl. Met ’s werelds grootste Mondriaan-collectie – en tevens een van de grootste De Stijl-collecties – is het Gemeentemuseum het middelpunt van dit feestelijke jaar. Drie tentoonstellingen zetten de groep hemelbestormers op het erepodium dat zij verdienen. Op 11 februari trapt het museum af met een tentoonstelling over de ontstaansgeschiedenis van een nieuwe kunst die de wereld voorgoed heeft veranderd.

In de mode of de vormgeving van magazines. Op verpakkingen, in advertenties of in videoclips. De kleurencombinatie van rood, geel en blauw die De Stijl iconische status heeft gegeven, is nog steeds heel geliefd. Maar wie heeft deze kenmerkende signature style eigenlijk bedacht? Het antwoord vindt u vanaf februari in het Gemeentemuseum Den Haag. De tentoonstelling Piet Mondriaan en Bart van der Leck. De uitvinding van een nieuwe kunst vertelt het verhaal van de vriendschap en wederzijdse beïnvloeding tussen twee schilders die heeft geleid tot het inhoudelijk fundament van De Stijl.

Piet Mondriaan en Bart van der Leck ontmoeten elkaar in 1917 in Laren. Een dorpje waar zich op dat moment veel kunstenaars verzamelen. Mondriaan heeft dan al even in Parijs gewoond, maar kan door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog na een familiebezoek in Nederland tijdelijk niet terug naar Parijs. Bart van der Leck heeft veel in Nederland gewerkt, waaronder in Den Haag.

Van der Leck en Mondriaan zijn er allebei van overtuigd dat er een nieuwe kunst voor een moderne wereld moet komen. Van der Leck bouwt voort op zijn ervaringen als glasschilder en zijn bewondering van de simpele vormgeving van Egyptische kunst. Mondriaan is direct geboeid door het kleurgebruik van Van der Leck. Van der Leck op zijn beurt is onder de indruk van Mondriaans zoektocht naar abstractie. In navolging van Mondriaan begint hij zijn doeken ook ‘composities’ te noemen en durft hij de figuratie los te laten.

In Parijs vindt Mondriaan de sleutel tot de abstractie in het kubisme. Tijdens zijn eerste jaren daar maakt hij voornamelijk kubistische bewerkingen van eerder gemaakt figuratief werk. Van der Leck legt een andere route af. Hij maakt gebruik van een methode die hij doorbeelding noemt. Beginnend bij een schets van een situatie uit de werkelijkheid, een persoon of een dier, brengt hij deze stap voor stap terug tot geometrische vormen. Zo komen beide kunstenaars onafhankelijk van elkaar tot een manier om abstracte kunst te maken.

Niet eerder waren de onderlinge relatie en blijvende invloed van Mondriaan en Van der Leck onderwerp van een tentoonstelling. De presentatie ontrafelt het verhaal van de vriendschap aan de hand van schilderijen, historische foto’s en ander archiefmateriaal. Met prachtige bruiklenen uit het Museum of Modern Art (MoMa) en het Solomon R. Guggenheim Museum.

Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan. Het zijn de drie Nederlandse kunstenaars die wereldberoemd zijn. 2015 was het Van Gogh jaar. En in 2016 keek de wereld naar het Rijksmuseum voor Rembrandt van Rijn. Nu is het tijd voor een groots internationaal eerbetoon aan Piet Mondriaan. Het Gemeentemuseum is daarvoor de best denkbare plek. De collectie telt maar liefst 300 kunstwerken uit alle fases van Mondriaans baanbrekende oeuvre en in 2017 zijn deze allemaal te zien in één grote tentoonstelling. Al die kunstwerken bij elkaar vormen een unieke tijdreis door de moderne kunst én door Mondriaans boeiende leven in de metropolen Amsterdam, Parijs, Londen en New York. Mondriaans werk is als een tijdreis door de moderne kunst.

Waar veel mensen denken dat De Stijl heel serieus en kil was; alsof hun kunst met de liniaal op de tekentafel is gemaakt, ontdekt u in Den Haag dat het tegendeel waar is. Met het gebruik van heldere, primaire kleuren geven De Stijl-kunstenaars vorm aan hun levendige, vrije en vrolijke visie op de toekomst: een wereld vol kunst. U ziet schilderijen, meubels, reclameposters, mode en maquettes van schilders, ontwerpers en architecten zoals Vilmos Huszár, Bart van der Leck en Gerrit Rietveld, die de wereld voorgoed hebben veranderd.

Al hoewel veel mensen denken dat Mondriaan een strenge man was, die zich opsloot in zijn atelier om zich te wijden aan zijn kunst, is niets minder waar. Mondriaan was een levensgenieter die woonde in de wereldsteden Amsterdam, Parijs, Londen en New York. Overal waar hij kwam behoorde hij al snel tot de crème de la crème van de kunstwereld en omarmde hij de nieuwste uitvindingen en het leven. Zo was hij gek op jazz, en bezocht hij avond na avond de Parijse ‘Bar Americains’. Hij woonde zelfs een optreden met cheetah van de beroemde Josephine Baker bij. Hij volgde de laatste mode op de voet en gaf al zijn geld uit aan muziek, pakken, dansen en vrouwen. In Londen rekende hij Peggy Guggenheim en Naum Gabo tot zijn vrienden en eenmaal in New York danste hij de sterren van de hemel op zijn favoriete dans: de boogie Woogie. Zijn levensenergie en ‘swing’ bleven waren de ultieme vertaling van alles waar De Stijl voor stond: energiek, positief, het nieuwe omarmend en hemelbestormend.

Zaterdag 11 februari 2017
De Koning opent viering van 100 jaar De Stijl
Zijne Majesteit de Koning opent op zaterdag 11 februari 2017
de tentoonstelling ‘Piet Mondriaan en Bart van der Leck –
De uitvinding van een nieuwe kunst’ in het Gemeentemuseum Den Haag.

11 februari 2017 t/m 21 mei 2017
Piet Mondriaan en Bart van der Leck
De uitvinding van een nieuwe kunst

03 juni 2017 t/m 24 september 2017
De ontdekking van Mondriaan
Amsterdam – Parijs -Londen – New York

10 juni 2017 t/m 17 september 2017
De architectuur en interieurs van De Stijl
De basis voor het design van nu

Doorlopend Gemeentemuseum Den Haag
Mondriaan & De Stijl
Ontdek de wereld van Mondriaan en De Stijl

Gemeentemuseum Den Haag
Stadhouderslaan 41
2517 HV Den Haag

# Meer informatie op website Gemeentemuseum Den Haag

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Antony Kok, Antony Kok, Art & Literature News, Bauhaus, Bauhaus, Constructivism, Constuctivisme, Dada, Dadaïsme, De Ploeg, De Stijl, Design, DICTIONARY OF IDEAS, Doesburg, Theo van, Dutch Landscapes, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Evert en Thijs Rinsema, Exhibition Archive, Futurism, Futurisme, Kok, Antony, Kurt Schwitters, Magazines, Piet Mondriaan, Schwitters, Kurt, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg (I.K. Bonset), Werkman, Hendrik Nicolaas


Dan DADA doe uw werk!

Dan dada doe uw werk!
Avant-gardistische poëzie uit de Lage Landen

Redactie: Geert Buelens, Hubert van den Berg

‘Dan dada doe uw werk!’ Met deze woorden besluit I.K. Bonset in 1921 in De Stijl een tirade tegen pogingen om ‘de kanselliteratuur van vóór ’80’ in het interbellum nieuw leven in te blazen. Of dada het ‘predikantenpathos’ inderdaad wist uit te drijven uit de Nederlandstalige literatuur, valt te betwijfelen. Wel lieten dada en andere avant-gardistische ‘ismen’ hun onmiskenbare sporen na in de Nederlandstalige poëzie.

In Dan dada doe uw werk! presenteren samenstellers Hubert van den Berg en Geert Buelens een dwarsdoorsnede van de poëtische avant-garde in de vroege twintigste eeuw in Nederland en Vlaanderen. De bloemlezing bevat werk van onder anderen Piet Mondriaan, I.K. Bonset, Paul van Ostaijen, Herman van den Bergh, Hendrik de Vries, H. Marsman, Pierre Kemp, Kurt Schwitters, Antony Kok, Victor J. Brunclair, Til Brugman, Gaston Burssens, A.C. Willink, Michel Seuphor en H.N. Werkman.

Dan dada doe uw werk! is het laatste deel in de Dada-reeks van Uitgeverij Vantilt. Eerder verschenen Tenderenda de Fantast van Hugo Ball, In den beginne was Dada van Raoul Hausmann, 7 dadamanifesten van Tristan Tzara, En Avant dada van Richard Huelsenbeck, Een avond in Cabaret Voltaire van Hans Arp e.a., Jezus Christus Quibus van Francis Picabia en Apologie van de luiheid en Pan Pan voor de Poeper van de Neger Naakt & Bar Nicanor van Clément Pansaers.

Geert Buelens, Hubert van den Berg
(Redactie)
Vormgever: Martien Frijns
ISBN 9789460041617
paperback
15 x 22 cm
248 pagina’s
Uitgeverij Vantilt
€ 19,95

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Antony Kok, Antony Kok, Baargeld, Johannes Theodor, Ball, Hugo, Cendrars, Blaise, Dada, Dadaïsme, De Stijl, Doesburg, Theo van, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Evert en Thijs Rinsema, EXPRESSIONISM, DADA & DE STIJL, SURREALISM, Freytag-Loringhoven, Elsa von, Jandl, Ernst, Kok, Antony, Kurt Schwitters, Marcel Duchamp, Ostaijen, Paul van, Pansaers, Clément, Paul van Ostaijen, Piet Mondriaan, Schwitters, Kurt, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg (I.K. Bonset), Tzara, Tristan, Werkman, Hendrik Nicolaas


DADA een geschiedenis

Dada
Een geschiedenis

Auteur: Hubert van den Berg

Dada. Een geschiedenis beschrijft het ontstaan en de ontwikkeling van de internationale dadabeweging, zoals die zich manifesteerde in onder andere Zürich, Berlijn en Parijs. Bijzondere aandacht is er voor dada-Nederland en dada-België en de belangrijkste hoofdrolspelers daar: Theo van Doesburg/I.K. Bonset, H.N. Werkman, Piet Mondriaan, Clément Pansaers en Paul van Ostaijen.

Dada wordt vaak een antibeweging genoemd. Dada. Een geschiedenis herziet dit eenzijdige, negatieve beeld. In werkelijkheid was dada zowel een synthese van vooroorlogse avantgardistische ‘ismen’ – kubisme, futurisme en expressionisme –, als de opmaat tot het surrealisme en constructivisme. Dada is een cruciale etappe in de ontwikkeling van de moderne kunst en literatuur van de twintigste eeuw, waarvan de echo nog altijd klinkt.

Dada. Een geschiedenis is rijk in kleur geïllustreerd. Een kroniek van de belangrijkste dadakunstenaars, -kunstwerken, -evenementen en -gebeurtenissen completeert het boek.

Hubert van den Berg:
Dada. Een geschiedenis
Vormgever: Martien Frijns
ISBN 9789075697971,
paperback
17 x 22 cm
geïllustreerd
304 pagina’s
Uitgeverij Vantilt
€ 29,95

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, Antony Kok, Art & Literature News, Baargeld, Johannes Theodor, Ball, Hugo, Dada, Dadaïsme, DANCE, De Stijl, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Evert en Thijs Rinsema, Freytag-Loringhoven, Elsa von, Kok, Antony, Kurt Schwitters, LITERARY MAGAZINES, MUSIC, Ostaijen, Paul van, Pansaers, Clément, Piet Mondriaan, Satie, Erik, Schwitters, Kurt, THEATRE, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg, Tzara, Tristan, Werkman, Hendrik Nicolaas


Hans Janssen: PIET MONDRIAAN. Een nieuwe kunst voor een ongekend leven

mondriaan-janssen-21Aan de hand van een nauwgezette reconstructie van werkelijke gebeurtenissen, wordt Mondriaan gevolgd als de man die Nederland ontvluchtte en het moderne leven voluit omarmde, die beschouwend de schilderkunst en het leven liefhad, met alles wat daaraan vastzat, die conservatisme en nazi-terreur trotseerde en die zo de moderniteit waarin wij nu leven verregaand hielp formuleren.

Deze meeslepende biografie werpt nieuw licht op het leven en werk van een van de belangrijkste kunstenaars van de twintigste eeuw. In Piet Mondriaan brengt Hans Janssen de man en de schilder op meesterlijke wijze tot leven. Piet Mondriaan is een bij vlagen ontroerend boek over een kunstenaar die gek was van jazz en boogiewoogie, die open opvattingen had over liefde en huwelijk, vele vrouwen begeerde en liefdesaffaires kende, maar die uiteindelijk maar één echte passie had: het schilderen.

Deze biografie is de vrucht van een diepe fascinatie en bewondering voor het werk van een van onze allerbeste schilders. Janssen beziet deze buitengewone schilder vanuit het werk en niet vanuit onnavolgbare theorieën. Hij plaatst de handeling en de techniek van het schilderen in relatie tot de spirituele, dromerig verhalende betekenissen die in Mondriaans werken schuilgaan, en laat zien hoe die relatie betekenis geeft aan de uitzonderlijke wendingen in het leven en de kunst van deze bijzondere man.  In zijn biografie van Piet Mondriaan weet hans Janssen allerlei nieuwe feiten over de schilder boven water te krijgen, onder meer over Mondriaans liefdesleven en een afgeslagen huwelijksaanzoek.

mondriaan-janssen-22In het boek worden ook twee niet eerder gepubliceerde foto’s van Mondriaan afgedrukt. De foto’s, waarop Mondriaan werkt aan een van zijn bekendste schilderijen: Victory Boogie Woogie, zijn gevonden in de National Galery of Art in Washington, Hans Janssen publiceert ze voor het eerst in zijn boek Piet Mondriaan. Nieuwe kunst voor een ongekend leven, dat op 13 augustus ten doop gehouden werd in het Gemeentemuseum in Den Haag.

Janssen belicht ook het liefdesleven van Mondriaan. ‘Mondriaan wordt vaak geportretteerd als een rationele, ascetische man. Een monnik die zich opsloot in zijn atelier. Maar wie de historische feiten op een rij zet, komt op het tegendeel uit,’ stelt Janssen. ‘Mondriaan besloot Lily Bles, de dochter van dichter Dop Bles, in 1931 een huwelijksaanzoek te doen, per brief. De kunstenaar kocht zelfs een groter bed, huurde een zolderkamertje boven zijn eigen keukentje, timmerde een wiegje en schilderde zijn hele atelier.’

Hans Janssen
Piet Mondriaan: een nieuwe kunst voor een ongekend leven
De eerste volwaardige biografie van leven en werk van Piet Mondriaan
Gebonden, 608 p.
Uitg. Hollands Diep
ISBN: 9789048833580
€ 39.99 – 2016

‘Janssen staat bekend als dé Mondriaandeskundige en heeft al diverse boeken aan de kunstenaar gewijd. In de biografie kiest hij voor een nieuwe benadering: hij probeert onder de huid van de kunstenaar te kruipen en de schilder als ‘mens’ weer te geven. Hij kijkt met de ogen van Mondriaan naar een schilderij. Zo leest het boek hier en daar als een “vie romancée”, alsof de schrijver – en dus ook de lezer – bij Mondriaan in zijn atelier staat.’   PZC

# Meer informatie op website Hollands Diep

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Book News, Antony Kok, Art & Literature News, De Stijl, Doesburg, Theo van, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Kok, Antony, Magazines, Modernisme, Piet Mondriaan, Piet Mondriaan, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg (I.K. Bonset)


Kunstbeweging DE STIJL (100 jaar) in het Stedelijk Museum Amsterdam

destijl-theovdoesburg-sma-fdm14Tentoonstelling De Stijl in het Stedelijk Museum Amsterdam
3 dec 2016 – 21 mei 2017

Wat heeft het werk van Isa Genzken met De Stijl te maken? En hoe verhoudt Bas Jan Ader zich tot De Stijl, of de iconische Lichtenstein uit de collectie van het Stedelijk? In De Stijl in het Stedelijk is in zes zalen te zien hoe De Stijl in de collectie vertegenwoordigd is, en hoe de stroming weerklank vond en vindt bij andere kunstenaars in de collectie. Onderdeel van het 100 jaar De Stijl programma.

De presentatie is opgebouwd rond verschillende facetten, zoals kleurgebruik, de diagonaal, zuiverheid, architectuur en de verspreiding van de stijl. Werken van De Stijl die de ideologie bij uitstek tot uitdrukking brengen, worden gecombineerd met werk van naoorlogse kunstenaars. Het is duidelijk dat De Stijl een onontkoombaar gegeven was voor de generaties die volgden. Sommige kunstenaars brengen een geïnspireerde ode, anderen onderzoeken de hedendaagse betekenis ervan. De dominantie van De Stijl riep ook parodiërende reacties op, zoals de Infe©ted Mondrian, de zieke Mondriaan, van General Idea uit de jaren 90.

De Stijl en het Stedelijk
In oktober 1917 verscheen de eerste aflevering van De Stijl, maandblad voor de moderne beeldende vakken, waarin kunstenaars, vormgevers en architecten vernieuwende ideeën publiceerden over een radicale hervorming van de kunst, die moest leiden naar een wereld van totale harmonie en een eenheid van kunst en leven. Hun theorieën over kleur en ruimte leidden tot een revolutionaire, volledig abstracte beeldtaal die aan die harmonie uitdrukking moest geven.

Het Stedelijk Museum legde een grote verzameling aan van De Stijl en leverde mede dankzij een aantal belangrijke tentoonstellingen een bijdrage aan de internationale waardering voor de beweging, in het bijzonder met het grote overzicht in 1951, georganiseerd door toenmalig directeur Willem Sandberg, dat doorreisde naar het MoMA in New York.

De Stijl werd in 1931 opgeheven, maar is tot op de dag van vandaag voor kunstenaars, vormgevers en architecten een inspiratiebron, of juist een onontkoombaar gegeven om zich tegen af te zetten.

2017: 100 jaar de stijl
In 2017 is het 100 jaar geleden dat De Stijl werd opgericht, de legendarische kunstenaars- en architectengroep rond Theo van Doesburg, Piet Mondriaan en Gerrit Rietveld. Dat wordt in Nederland door verschillende musea groot gevierd. Het Stedelijk Museum Amsterdam was de katalysator van de internationale doorbraak van De Stijl en beschikt over een van de grootste collecties van de beweging. In 2017 wijdt het Stedelijk een jaarlang presentaties aan onverwachte kanten van De Stijl, zoals een tentoonstelling over Chris Beekman, het afvallige lid van De Stijl. Ook legt het museum een verbinding met de Russische Revolutie, die eveneens in 1917 plaatsvond.

De tentoonstellingen omtrent 100 Jaar De Stijl zijn onderdeel van een nieuw, langlopend onderzoeksprogramma van het Stedelijk. Daarin wordt de collectie van het museum, zonder onderscheid tussen beeldende kunst en vormgeving, op een experimentele manier benaderd, geïnterpreteerd en gepresenteerd. Ook de rijke geschiedenis van het instituut en de archieven worden daarbij betrokken.

100 JAAR DE STIJL
Stedelijk Museum belicht een jaar lang onverwachte kanten van De Stijl:

destijl-theovdoesburg-sma-fdm15De Stijl in het Stedelijk
3 december 2016 – 21 mei 2017
Het Stedelijk laat in zes zalen zien hoe De Stijl in de collectie vertegenwoordigd is, en hoe de stroming weerklank vond en vindt bij andere kunstenaars in de collectie. Wat heeft bijvoorbeeld het werk van Isa Genzken met De Stijl te maken? En hoe verhoudt Bas Jan Ader zich tot De Stijl, of de iconische Lichtenstein uit de collectie van het Stedelijk? De presentatie is opgebouwd rond verschillende facetten, zoals kleurgebruik, de diagonaal, zuiverheid, architectuur en de verspreiding van De Stijl. Werken van De Stijl die de ideologie bij uitstek tot uitdrukking brengen, worden gecombineerd met werk van naoorlogse kunstenaars. Het is duidelijk dat De Stijl een onontkoombaar gegeven was voor de generaties die volgden. Sommige kunstenaars brengen een geïnspireerde ode, anderen onderzoeken de hedendaagse betekenis ervan. De dominantie van De Stijl riep ook parodiërende reacties op, zoals de Infe©ted Mondrian, de zieke Mondriaan, van General Idea uit de jaren 90.

Chris Beekman, de afvallige van De Stijl
8 april – 17 september 2017
Het Stedelijk besteedt aandacht aan het werk van Chris Beekman, een van de meest politiek actieve kunstenaars verbonden aan deze beweging. Voor het eerst is het oeuvre van deze vergeten Stijl-kunstenaar te zien, in een tentoonstelling met circa 80 werken, uit de collecties van het Stedelijk Museum, Museum Kröller Müller en het Amsterdam Museum.

Schilder en communist Chris Beekman (1887-1964) was bevriend met links-radicalen als Bart van der Leck, Peter Alma en Robert van ’t Hoff. Zijn werken uit de beginjaren van De Stijl laten een grote vrijheid zien in geometrische vorm en kleur. Beekman kreeg echter een afkeer van de louter ideële discussie binnen de stroming en het, in zijn ogen, gebrek aan concrete maatschappelijke betekenisgeving van De Stijl. De wereld stond in brand en daar moest begrijpelijke schilderkunst voor gemaakt worden. Hij brak begin jaren 20 dan ook met de abstractie om zich te wijden aan figuratieve kunst met een sociale inslag. In de tentoonstelling is de breuk met De Stijl goed te volgen: waar Mondriaan zijn meest efemere zwart-wit werken schildert, zoekt Beekman gedesillusioneerd een weg terug naar het volk. Hiermee vormt hij een trait-d’union tussen De Stijl en de Russische Revolutie: ook daar keerde menig kunstenaar, waaronder Malevich, terug naar de figuratie.

De tentoonstelling brengt, naast zijn werk van direct voor, tijdens en na de De Stijl-periode, ook de directe context waarin Beekman werkte in beeld. Zo zijn er banden met onder meer Bart van der Leck en Piet Mondriaan, met wie hij in Laren bevriend raakte, en is ook werk te zien van Jacob Bendien, Johan van Hell en Ferdinand Erfmann, en vroeg, verrassend abstract werk van Carel Willink.

destijl-mondriaan-sma-fdm17Vanaf eind mei 2017 wordt er een epiloog aan de tentoonstelling toegevoegd, waarin duidelijk wordt dat Beekman nummers van De Stijl, met foto’s van abstract werk en De Stijl architectuur, opstuurde naar Malevich. Onderzoek suggereert dat een trapontwerp van Van ’t Hoff wellicht van invloed is geweest op de ontwikkeling van de laatste fase van Malevich’ suprematisme: de Architektons.

Op 2 en 3 juni 2017 houden het Stedelijk Museum en de Khardzhiev Stichting een internationaal symposium: The Many Lives of the Russian Avant-garde – Symposium in honour of Nikolai Khardzhiev, scholar and collector (1903-1996). Met deelname van vooraanstaande wetenschappers en met aandacht voor de Russische avant-garde als multidisciplinaire onderneming: kunstzinnig, literair, politiek en filosofisch.

De Stijl en Metz & Co
14 oktober 2017– 28 januari 2018
Leden van De Stijl ontwierpen onder meer meubelen, interieurtextiel en verpakkingen voor het Amsterdamse warenhuis Metz & Co. Het warenhuis speelde vanaf eind jaren 20 een grote rol bij de verspreiding van het modernisme in Nederland. Een aantal opvallende werken uit de collectie van het Stedelijk, van onder anderen Bart van der Leck, Friedrich Vordemberge-Gildewart en Vilmos Huszár, worden gepresenteerd in samenhang met hun toegepaste werk voor Metz & Co. De Zigzag-meubelontwerpen van Gerrit Rietveld – waarvan enkele vanaf 1934 bij Metz & Co in productie werden genomen – krijgen bijzondere aandacht. Daarnaast wordt werk getoond van ontwerpers die door De Stijl beïnvloed werden, zoals Sonia Delaunay, die veel stoffen voor het warenhuis ontwierp.

In 2017 zal het Stedelijk ook aandacht besteden aan de Russische revolutie, die honderd jaar geleden plaatsvond, met onder meer een presentatie over de Russische revolutie en film(affiches), en reflecties van kunstenaars uit de jaren 80 en 90 op de Sovjetmaatschappij.

De tentoonstellingen omtrent 100 Jaar De Stijl zijn onderdeel van een nieuw, langlopend onderzoeksprogramma van het Stedelijk. Daarin wordt de collectie van het museum, zonder onderscheid tussen beeldende kunst en vormgeving, op een experimentele manier benaderd, geïnterpreteerd en gepresenteerd. Ook de rijke geschiedenis van het instituut en de archieven worden daarbij betrokken.

Stedelijk Museum Amsterdam
Museumplein 10
1071 DJ Amsterdam

# Meer informatie op website SM

# Meer informatie over De Stijl op website Antony Kok

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: Antony Kok, Antony Kok, Art & Literature News, Bauhaus, Dadaïsme, De Stijl, Design, DICTIONARY OF IDEAS, Doesburg, Theo van, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Evert en Thijs Rinsema, FDM Art Gallery, Futurisme, Kok, Antony, Kurt Schwitters, Magazines, Piet Mondriaan, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg, Theo van Doesburg (I.K. Bonset)


Centre Pompidou Paris: Mondriaan & De Stijl

heads004

Centre Pompidou Paris

MONDRIAN/DE STIJL

December 1, 2010 – March 21, 2011

The MONDRIAN/DE STIJL exhibition at the Centre Pompidou links the career of one of the greatest abstract painters of the 20th century to the story of one of the most fertile art movements of European modernism.
A key element of any understanding of the springs of modern art, between the end of the first decade of the century and the close of the Twenties the avant-garde movement De Stijl (Style) elaborated a vision of both art and society that aspired to universality, nourishing the ambition for a “total art.” It was in Paris, between 1912 and 1938, that Piet Mondrian, the central figure of the movement and its most famous representative, pursued his quest for visual harmony. Seeking a universal language of forms and primary colours, his radical abstraction sought to go beyond painting.
For Mondrian and other De Stijl artists, the total work of art was the key to a new world, the symbol of a renewed human community characterised by a perfect equilibrium in which each element combines with every other to form a whole.

The exhibition consists of two sections. The first, devoted to Mondrian, focuses on the drawings and paintings he produced in Paris between 1912 and 1938. Through some hundred major works, it shows the painter’s development from Cubism to Neo-Plasticism, from “natural reality to abstract reality,” reflecting the artistic dynamism that marked the painter’s years in the French capital.
This is the first time since 1969 that a large-scale exhibition of Mondrian’s work has been staged in the city where most of it was indeed produced.
The second section looks at De Stijl, examining it history in parallel with Mondrian’s career, through an outstanding selection of paintings, drawings and photographs. It has as its guiding thread the cross-disciplinary practice of the movement’s members, notably revealing the complexity of the collaborations between the painters, architects and designers who rallied around the three leading figures of Piet Mondrian, Theo van Doesburg and Gerrit Rietveld. To accompany this unprecedented exhibition, Éditions du Centre Pompidou are to publish two major works: Mondrian (ed. Brigitte Leal), and De Stijl, 1917–1931 (ed. Frédéric Migayrou and Aurélien Lemonier). Other publications will include Mondrian/De Stijl, an album of the exhibition; an edition of Mondrian’s French writings; the republication of his key text of 1920, Réalité naturelle, réalité abstraite; and a special number of the journal Les Cahiers du Musée.

 

PIET MONDRIAN (1872 – 1944)

Born in the Netherlands in 1872, Mondrian first received an academic training in Amsterdam, where he gained his first commissions (traditional portraits, decorative work for churches and private houses). At the start of the new century he was regularly painting, in a Symbolist vein, the farmhouses and countryside near his family home at Winterswijk, and already showing a marked interest in the rhythmic elements of composition (trees and fences), flatness (with the raising of the horizon line to counter the effect of depth) and the geometrization of forms.
Having moved to Paris in 1912, Mondrian discovered Picasso’s Cubism and abandoned the Divisionist- or Fauve-inspired painting,  sometimes marked by theosophical influences, of his years in Domburg and Oele, to embark on the quest for a “universal pictorial language.”
Between 1912 and 1920, he gradually developed his Cubism towards Neo-Plasticism (the new, abstract, plastic art), moving from “natural reality to abstract reality.” Starting from the analytical decomposition of form, he developed a “pure” visual art based on the relationship between coloured surfaces and guided by a logic of harmony and equilibrium between elements. This horizontal/vertical dialectic, in which pure colours (blue, red, yellow) are juxtaposed with non-colours (black, white, grey) in a combinatorial geometry that abolishes perspective, allows for an infinity of modular variations. On this basis Mondrian produced during this period several series of paintings through which he developed his theology of Neo-Plasticism. These works are ordered in consistent, systematically developed series – the “plus-minus” works, the square compositions, the diamonds, the grids. “Everything is composed by relation and reciprocity. Colour exists only through another colour, dimension is defined by another dimension, there is no position except in opposition to another position.” The painting is open, seemingly a fragment of a much larger ensemble. The division of the canvas into rectangles echoes the frame, the wall on which the painting hangs, the room, the city about… Neo-Plasticism is a vision of precision that ties pictorial order to a social, spiritual and poetical utopia.
In his “sanctuary,” his studio at 26 Rue du Départ in Montparnasse – a space not so much decorated as treated as if it were itself a painting, furniture and easel included, to create a total art space – Mondrian lived meagrely but far from reclusively. This experimental
laboratory served as the headquarters of a considerable operation combining theoretical work, publishing and business, to promote the Neo-Plastic ideal and to develop and exploit his connections among all the abstract currents of Europe (Dada, De Stijl, Abstraction-
Création, etc.).

In 1915, the same studio was the site of his decisive encounter with Theo van Doesburg. In 1918, he launched the of the De Stijl manifesto. In 1921, he showed at Léonce Rosenberg’s Effort Moderne gallery, which also published his treatise Le néoplasticisme: Principe général de l’équivalence plastique, and staged the exhibition “De Stijl” in 1923. In 1925, Mondrian took part, together with other leading abstractionists, in the first international exhibition of non-figurative art, “L’Art d’Aujourd’hui.” In 1926, he did the stage design for Michel Seuphor’s L’Éphémère est éternel. In 1927, he published “Le Home – la Rue – la Cité” in Vouloir, showed at the Salon des Tuileries and exhibited at Jeanne Bucher’s. In 1931, he supported the formation of the Abstraction-Création group. In 1937, he took
part in the exhibition “Origines et développement de l’art international indépendant,” organised at the Jeu de Paume by Yvonne et Christian Zervos. During his twenty years in Paris, Mondrian got to know not only all the artists that mattered – the Delaunays, the Arps, Jean Hélion, Robert Mallet–Stevens, Pierre Chareau, Le Corbusier, the Cubists, the Constructivists, the Dadaists and the abstractionists, but also many young artists such as Calder, who came especially to Paris in 1930 to visit his studio.
In Paris too he found his first collectors, Frenchmen like Charles de Noailles, Americans like Albert Gallatin, Swiss like Alfred Roth, and also his first disciples, such as Jean Gorin and Félix Del Marle, and critics and eulogists like Christian Zervos and Michel Seuphor.
“A poem of right angles,” according to Le Corbusier, the Neo-Plasticist microcosm of 26 Rue du Départ became the crucial reference point of a new vision of the world that subordinated the individual to the universal . As such, it was visited by the greatest photographers
of the time, among them André Kertész, Rogi André and Florence Henri, who immortalised it in pictures published in art journals the whole world over.

Curator: Brigitte Leal
Assistant Director, Collections du Musée national d’art moderne/Centre de création industrielle

 

DE STIJL AND NEO-PLASTICISM

The Dutch avant-garde movement De Stijl (Style) is an essential key to any understanding of the springs of Modernism. It formed around three central figures: the painters Piet Mondrian and Theo van Doesburg and architect and furniture designer Gerrit Rietveld. Other members of the original group were painters Bart van der Leck, Georges Vantongerloo and Vilmos Huszar, architects JJP Oud, Robert van’t Hoff and Jan Wills, and poet Anthony Kok, who would be joined by graphic designer Piet Zwart and architect Cornelis van Eesteren.
It was in 1918, a year after the official foundation of the group and the publication of the first issue of the journal that publicised and promoted the movement’s teachings that the founders of De Stijl explicitly articulated the aesthetic and social vision that drew them together: the group’s first manifesto called for a new equilibrium between the individual and the universal and for the emancipation of art from the constraints of the cult of individualism. This quest for the utopian and universal might be summed up in the aphorism: “The goal of life is man; the goal of man is Style.”
Both utopian vision and practical engagement in the production of the real in an industrial world, De Stijl drew on the Hegelian tradition and on Theosophy, an esoteric doctrine then popular in the Netherlands and elsewhere. The founders of the movement were however primarily concerned with the formal – pictorial or architectural – expression of the principles of universal harmony. Painting, sculpture, graphics, furniture design, architecture and soon town planning served as the medium of experiment. De Stijl’s creations were multidisciplinary by nature, transcending the traditional academic boundaries between major and minor arts, between decorative art, architecture and urbanism.
The guiding theme of the movement during its fourteen years of productive existence might be taken to be the spirit of the city. The spatiality of the work of art gradually shifts from being the basis for an analysis of the world to a means of construction of the urban
social and political environment. In this respect, the spatialization of the work of art constitutes a specific experience of the world, ordering it and giving substance to community, embodying and making possible the equilibrium between individual and collective, between rational and sensuous, knowing and doing, spiritual and material.
For De Stijl, the priority was to find a formal language that answered to the problems of industrial society in the wake of the Great War and to adumbrate the strategies for the establishment of a new social order.

The method that served the vision was Neo-Plasticism, which at first represented a simple radicalisation of the avant-garde practice of the time. “The Cubists,” said Mondrian, “refuse to take their own artistic revolution to its logical conclusion. The modern sensibility cannot be reduced to the integration of multiple points of view, but must tend towards an immediately universal and rational plastic language.” Van Doesburg, for his part, called for “the elaboration, in connection with the plastic arts, of simple fundamental principles
understandable to all.” It was through the rigorous employment of primary colours alone (blue, yellow, red), unmodulated white and black, and straight lines laid out at right angles, and the limitation of forms and the geometrization of volumes that this brought that
the members of De Stijl invented a new grammar of forms. The analytical simplification of the formal lexicon and the harmonious dynamics of proportion offered no scope for tragedy, in the end projecting aesthetics as a universal.

Curator: Frédéric Migayrou
Assistant Director Musée national d’art moderne/ Centre de création industrielle
Assistant Curator: Aurélien Lemonier
Curator, Department of Architecture, Musée national d’art moderne/ Centre de création industrielle



AROUND THE EXHIBITION

 

INTERNATIONAL MONDRIAN COLLOQUIUM

WEDNESDAY 9 FEBRUARY 2011, 11 AM – 13 PM, 2.30 PM – 6.30 PM
PETITE SALLE, LEVEL -1
Admission free, subject to availability
To accompany the exhibition “Mondrian / De Stijl,” the Centre Pompidou is organising an international colloquium on Mondrian, under the direction of Brigitte Leal, curator of the exhibition and Assistant Director, Collections, at the Musée National d’Art Moderne, and Jean-Pierre Criqui, Head of Spoken Word at the MNAM and editor of the Cahiers du Musée national d’art moderne. The colloquium will consider the artist’s Paris years, but also different aspects of his work as they extend both before and after this period.
With:
Carel Blotkamp, Free University of Amsterdam
Yve-Alain Bois, Institute for Advanced Study, Princeton
Thierry de Duve, Université de Lille 3
Hans Janssen, Gemeentemuseum, The Hague
Guitemie Maldonado, Université de Paris 1
Georges Roque, CNRS, EHESS, Paris

INTERNATIONAL COLLOQUIUM: “DE STIJL, UNE AVANT-GARDE DU XXe SIÈCLE”

FRIDAY 21 JANUARY 2011, 2 PM – 8.30 PM, PETITE SALLE, LEVEL -1
The Bibliothèque Publique d’Information at the Centre Pompidou is organising a colloquium under the title “De Stijl, une avant-garde du XXe siècle.” This event, consisting of a series of presentations and a round-table discussion led by Frédéric Migayrou, Assistant Director of the Musée National d’Art Moderne / Centre de Création Industriel, curator of the De Stijl exhibition, and assistant curator Aurélien Lemonier, will bring together academics, art historians, architects and artists to consider De Stijl’s modernity.
With:
Michael White, Senior Lecturer in the History of Art, University of York
Marek Wieczorek, Associate Professor of Modern Art History, University of Washington
Philippe-Alain Michaud, curator and head of film at the Centre Pompidou
Valérie Guillaume, curator in chief and head of future technology at the Centre Pompidou
Round-table discussion with: Claude Parent, architect; Dominique Perrault, architect;
and Claude Rutault, artist

 

LA SEMAINE DE STIJL

From 9 to 14 February 2011, in connection with the Mondrian/De Stijl exhibition,
the Dutch Institute in Paris is organizing, in collaboration with the Centre Pompidou,
a series of events entitled “La Semaine De Stijl.”

Among the events are:

PAROLE AU GRAPHISME

FRIDAY 11 FEBRUARY 2011, AT 7PM, PETITE SALLE, LEVEL -1
Entrée libre dans la limite des places disponibles
A discussion of the typography and graphic design of the De Stijl period and its legacy today.
“Graphisme sous influence: l’héritage De Stijl à la Gerrit Rietveld Academie d’Amsterdam.”

CONCERT RED YELLOW + BOOGIE WOOGIE,
WITH THE QUARTET MONDRIAAN, AND GUUS JANSEN

SATURDAY 12 FEBRUARY 2011 AT 8PM, GRANDE SALLE, LEVEL -1
¤14, concessions ¤10
On the programme are Guus Janssen’s Café Society Downtown (2008) and a new work by the same composer, Anton Webern’s Langsamer Satz (1905), an extract from Jacob van Domselaer’s Proeven van stijlkunst (1913-16) (arr. Guus Janssen) and Morton Feldman’s Structures (1951).

SOIRÉE LETTRES MONDRIAN / VAN DOESBURG

MONDAY 14 FEBRUARY 2011 AT 7PM, PETITE SALLE, LEVEL –1
Entrée libre dans la limite des places disponibles
Staged reading of the unpublished letters of Piet Mondrian (1872-1944) and Theo van Doesburg (1883-1931), conserved at the Fondation Custodia in Paris. The reading will be preceded by an opportunity to view these hand-written letters by two key figures of the
De Stijl movement.
Part of the programme of BPI events.

 

CHRONOLOGY MONDRIAN

7 March 1872  Pieter Cornelis Mondriaan born at Amersfoort.

1892  Moves to Amsterdam, enrols at the academy of Fine Arts.

1897  Becomes a member of the St Luke’s painters’ group, which stages annual exhibitions at the Stedelijk Museum.
Receives his first commissions (traditional portraits, interiors for churches and private clients).
Regularly paints, in Symbolist vein, the landscapes and farms near the family home at Winterswijk.
Already shows an interest in the rhythmic elements of composition (trees and fences) and in flatness (raising the horizon line to counter the effect of depth).

1904-1906  Paints mills, haystacks and views of the River Gein. His painting becomes Expressionist and Fauve, embarking upon a “clarification of the plastic image” (Seuphor).

1908  At Domburg, concentrates on the motifs of church, lighthouse, dunes and sea. The brushwork is sometimes Divisionist (inspired by Jan Toorop) and areas of flat colour are increasingly present. Begins to explore the Theosophy of Helena Blavatsky and the ideas of Rudolf Steiner.

1909  Major Spoor, Mondrian and Sluyters retrospective at the Stedelijk Museum, Amsterdam.
Joins the Netherlands Theosophical Society.

1911  First visit to Paris. Mondrian would have been able to visit the Salon des Indépendants with its Room 41, considered to be the first major collective manifestation of Cubism.

1912  Mondrian moves to Paris. Shows at the 28th Salon des Indépendants, henceforth signing his name Mondrian with a single “a”. Influenced by the Cubists, he paints nudes, still lifes (Still Life with Ginger Pot) and views of Parisian buildings. Adopts Analytical Cubism. The evidence of reality disappears behind the network of geometrical lines and patches of graded monochrome.

1913  His presence at the Salon des Artistes Indépendants is noted by Guillaume Apollinaire, who mentions “Mondrian’s very abstract Cubism” in his report.

1914  Goes back to Holland and is unable to return to Paris on account of the war.

1915-1916  Goes to live in Laren. Meets Theo van Doesburg, Bart van der Leck and the theosophist Schoenmaekers.
The real “beginning of his art”: the subject disappears, paintings consist of simple areas of colour or lines forming “pluses and minuses”.

1917  Publishes a series of articles in the journal De Stijl, which will appear monthly until 1932.

1919  Returns to Paris.

1921  Publication of the pamphlet Le Néo-plasticisme. Principe général de l’équivalence plastique is published by Léonce Rosenberg’s Galerie de l’Effort Moderne. In his earliest Neoplasticist paintings, squares and rectangles of primary colours, or of black, are organised within an asymmetrical grid of black lines. With the flat (“Het Vlak”) he sought to do away with space and volume, going beyond visible nature to arrive at “a purer (cosmic) manner.” The artist was to understand colours intuitively and integrate them into a harmonious composition.
Takes part in the exhibition “Les Maîtres du Cubisme” at Galerie de L’Effort Moderne,” alongside Picasso, Braque, Gris, and Léger amongst others.
Settles at 26, rue du Départ. Very quickly begins to fix painted boards to the walls of the studio, which becomes the abstract concretisation of paintings to come.

1922  Retrospective organised by the Stedelijk Museum to mark the artist’s 50th birthday.
Despite artistic recognition, Mondrian lives in poverty, continuing to do flower paintings that he sells to make a living.

1923  Meets Michel Seuphor. Takes part in the first big De Stijl exhibition in Berlin.

1924  Gives greater emphasis in his paintings to the white background and black lines.

1925  Break with Van Doesburg.

1926  Makes drawings of an abstract interior for Ida Bienert of Dresden.
Maquette of Neoplasticist stage design for Michel Seuphor’s L’Éphémère est Éternel.
André Kertész shoots a series of photographs of Mondrian’s studio.

1927  Mondrian’s work first shown in the US by Katherine Dreier. The article “Le jazz et le néo-plasticisme” proposes a new conception of rhythm.

1930  Contributes to the journal Cercle et Carré and to the group show of the same title.

1931  Joins the Abstraction-Création association. Death of Van Doesburg, to whom he pays tribute in the last number of De Stijl the following year.

1932  Move to the double line, which emerges as a distinct form of construction.
A retrospective at the Stedelijk Museum in Amsterdam marks his 60th birthday.

1934  Attends a Louis Armstrong concert at the Salle Pleyel.
Regularly meets with the young American painter Harry Holtzman, who is visiting Paris.

1935  Exhibition “Cubism and Abstract Art” at the Museum of Modern Art, New York. The catalogue devotes a whole chapter to Mondrian and De Stijl.

1937  Exhibition “Origines et développement de l’art international indépendant” at the Musée du Jeu de Paume, curated by Christian Zervos.

1938  Leaves Paris for London, moving in with Ben Nicholson.

1940  Arrives in New York. Finds accommodation through Harry Holtzman, who introduces him to boogie-woogie.

1941  Shows New York City I, consisting of coloured lines. Also starts using strips of coloured paper.

1 February 1944  Death of Mondrian. His last painting, Victory Boogie-Woogie, remains unfinished. Fritz Glarner and Harry Holtzman shoots a series of photographs and a film of his studio in New York.

1945  “Piet Mondrian” retrospective at MoMA.

1957  Exhibition “Mondrian, l’organisation de l’espace” at Galerie Denise René in Paris.

1969  Most recent French retrospective of Mondrian’s work at the Orangerie des Tuileries, organised by Michel Seuphor.

 

DE STIJL CHRONOLOGY

1914  Summer: Piet Mondrian moves to Laren, in Holland, the declaration of war making it impossible for him to return to Paris, where he has lived since 1912. Theo van Doesburg is mobilised and sent to the Belgian frontier near Tilburg, where he gets to know poets Evert Rinsema and Antony Kok.

1915  November: Van Doesburg publishes in the journal Eenheid an article on the work of Mondrian, which he has recently discovered.

1916  January-February: Van Doesburg visits Mondrian, who introduces him to the German theosophist Mathieu Hubertus Josephus Schoenmaekers.

March-June: Theo van Doesburg, Eric Wichman and Louis Saalborn establish the artist’s society De Anderen [The Others].

May: Van Doesburg meets architects Jacobus Johannes Pieter Oud and Jan Wils and painter Bart  Van der Leck.

Together they establish in Leiden the artists’ society De Sphinx, whose goal is to promote a closer relation between architecture and  painting.

This is the beginning of a period of cooperation between the painter and the architects, for whom he produces interior colour schemes and stained-glass  windows. His work is close to that of Vilmos Huszár in the same period. Robert van’t Hoff builds the Henny villa at Huis-ter-Heide, whose geometric radicalism wins international recognition. Helene Kröller-Müller acquires recent works by Van der Leck, whose simplified forms and areas of flat primary colour bring it very close to pure abstraction.

1917  Van Doesburg makes his first Neoplastic paintings, called Compositions, based on the use of geometrical grids in accordance with Mondrian’s precepts.

October: Publication of the first issue of the journal De Stijl, whose editor is Van Doesburg. Among the contributors are the painters Mondrian, Van der Leck, Huszár, Gino Severini and Georges Vantongerloo, the poet Kok and architects Oud, Wils, Huib Hoste and Van’t Hoff.

1918  Influenced by De Stijl principles, Gerrit Rietveld develops a first version of the Red-Blue Chair. Van Doesburg conceives the colour scheme for the hotel-restaurant De Dubbele Sleutel, designed by Wils, and for the Bart De Ligt house, designed by Van’t Hoff. He produces stained-glass windows for J.J.P. Oud’s workers’ housing project at Spangen in Rotterdam.

November: Publication of the first manifesto in De Stijl.

1919  The journal is widely distributed in Europe, and includes information on artistic activities abroad.

July: Mondrian leaves for Paris.

1920  February-March: Van Doesburg stays in Paris as Mondrian’s guest. He meets Léonce Rosenberg, director of the Galerie L’Effort Moderne.

April: Theo van Doesburg, Piet Mondrian and Antony Kok sign the second De Stijl manifesto, devoted this time to literature. Piet Zwart collaborates with Jan Wils, designing the colour scheme for the Dansinstituut Gaillard-Jorissen in The Hague and the Bruynzeel Fabrieken in Zaandam.

May: Van Doesburg adopts the pseudonym of I.K. Bonset, Dada poet.

June-November: He organises in the Netherlands the exhibition “La Section d’Or – Paris. Kubisten en Neo-Kubisten.”

18 December 1920 – 3 January 1921: Van Doesburg’s first visit to Germany, taking in Walter Gropius’s Bauhaus in Weimar.

1921  Van Doesburg devotes himself to architectural collaborations. He conceives of colour as the instrument of so radical a dynamization and destructuring of architecture that Oud terminates their relationship and quits De Stijl.

17 March – 28 April : Theo van Doesburg and Nelly van Moorsel travel through Europe. They meet Tristan Tzara.

28 April – late 1921: Van Doesburg moves to Weimar, from where he edits De Stijl. The journal opens its pages to new authors: Hans Richter, Kurt Schwitters, Raoul Hausmann, Clément Pansaers…

May: Van Doesburg’s first philosophical articles published under the pseudonym Aldo Camini.

August: Publication in the journal of the third De Stijl manifesto, “Towards a new World Plasticism.”

1922  Van Doesburg launches the journal Mécano (Leiden, 1922-1923).

8 March-8 July: Van Doesburg offers Bauhaus students a course on De Stijl.

Gets to know the Dutch architect Cornelis van Eesteren, the encounter marking the beginning of a close collaboration.

Van Doesburg is behind the International Congress of Progressive Artists held in Düsseldorf

(29-31 May) and the Constructivist and Dadaist Congress at Weimar (25 September).

1923  January-April: “Dada Tour” of Holland by Nelly van Moorsel, Theo van Doesburg, Kurt Schwitters and Vilmos Huszár.

May: Theo van Doesburg and Nelly van Moorsel move to Paris.

May-October: Huszár and Rietveld submit Composition spatiale et colorée to the Grosse Berliner Kunstausstellung and the Juryfreie Kunstschau in Berlin.

15 October – 15 November: Exhibition “Les Architectes du groupe De Stijl” at the Galerie L’Effort Moderne  in Paris. Van Doesburg and Van Eesteren show three projects for houses they call Counter-constructions.

1924  Gerrit Rietveld and Truus Schröder-Schräder build the Schröder House in Utrecht. An architectural manifesto for De Stijl, it wins international recognition. César Domela joins the group.

March-April: “L’architecture et les arts qui s’y rattachent,” a De Stijl exhibition at the École Spéciale d’Architecture, Paris.

In a work entitled Contre-composition, Van Doesburg introduces the diagonal into his painting, calling “Elementarism” this painterly result of his architectural collaboration with Van Eesteren. The break with  Mondrian is complete.

In Rotterdam, Oud builds the Café De Unie in accordance with De Stijl principles.

November: The Bulletin de L’Effort Moderne publishes the fifth De Stijl manifesto, “Vers une construction collective,” signed by Van Doesburg and Van Eesteren.

1925  Munich’s Bauhausbücher publishes Van Doesburg’s Grundbegriffe der neuen Gestaltenden Kunst  and Mondrian’s Neue Gestaltung, Neoplastizismus, Nieuwe Beelding.

Van Eesteren wins the competition for the redesign of Unter der Linden in Berlin.

June: At the Paris Exhibition, Frederick Kiesler shows City in Space, an application of Neoplasticism to urban design.

The Vicomte de Noailles commissions a mural decoration from Van Doesburg for the “flower room” in the villa built for him at Hyères by Robert Mallet- Stevens.

July: Van Doesburg publishes the “Elementarist Manifesto.”

September: Renovation of the Café de l’Aubette begins in Strasbourg, under Van Doesburg, who is assisted by Hans Arp and Sophie Taueber-Arp. It is completed in 1928.

1927 For the 10th anniversary of De Stijl, Van Doesburg publishes a special number covering the group’s activities over the decade.

1928  June: Rietveld is one of the founder members of the Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (Ciam), established on the initiative of Le Corbusier and Sigfried Giedion. With them he signs the “La Sarraz Declaration.”

1929  Van Doesburg builds a house and studio at Meudon

Van Eesteren is appointed head of the Amsterdam urban planning department, working on the extension of the city.

1930  18 April-1 May: The Cercle et Carré group’s exhibition at Galerie 23 in Paris includes works by some 50 artists, among them Vantongerloo and Arp. Mondrian and Michel Seuphor show their joint work, Tableau-poème. In reaction, Van Doesburg launches the journal Art concret, in defence of radical abstraction.

1931  February: The Abstraction-Création group is founded in Paris by Auguste Herbin, Theo van Doesburg and Jean Hélion.

7 March: Van Doesburg dies of a heart attack at Davos in Switzerland, where he had gone for health reasons.

1932  January: A last issue of De Stijl is published, in tribute to Theo van Doesburg.

Source Centre Pompidou Paris


Centre Pompidou Paris

MONDRIAN/DE STIJL

December 1, 2010 – March 21, 2011

fleursdumal.nl magazine

More in: De Stijl, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Piet Mondriaan


Jef van Kempen over Nelly van Moorsel

Nelly van Moorsel en de erfenis van De Stijl

HET ONMISBARE DADAÏSTISCHE MUZIEKINSTRUMENT VAN EUROPA

door Jef van Kempen

Het jaar 2000 wordt het jaar van De Stijl. De roemruchte groep kunstenaars wordt onder meer herdacht met exposities en nieuwe boekuitgaven. Het Brabants Dagblad wijdt er een serie aan.
In 1917, het jaar waarin De Stijl werd opgericht, trouwden Theo van Doesburg en Lena Milius. Vier jaar later verliet Van Doesburg Nederland, samen met de zestien jaar jongere pianiste Nelly van Moorsel.

Toen Nelly van Moorsel (1899-1975) eind 1920 in haar geboortestad Den Haag een lezing over De Stijl bijwoonde, raakte ze onmiddellijk in de ban van de spreker: Theo van Doesburg. „Al snel had ik mijn ogen alleen nog maar gericht op de man, die op het podium zonder in zijn papieren te kijken, met grote gebaren op en neer lopend zonder ophouden sprak.” In enkele maanden tijd ontwikkelde zich een onstuimige relatie, die voor beiden niet zonder gevolgen kon blijven. Nelly van Moorsel kwam uit een streng rooms-katholieke familie, waar geen enkel begrip bestond voor de omgang met een vrijdenker als Van Doesburg, die ook nog eens getrouwd bleek te zijn.
In januari 1921 bracht Van Doesburg zijn vriend Antony Kok op de hoogte van de ontwikkelingen: „Wanneer je hier komt kun je kennis maken met een zeer begaafd pianiste, die ook al eens gecomponeerd heeft. Ik heb haar door De Stijl leren kennen. (…) Ik heb een ware kamp geleverd tegen de roomsche huichelbende en ben nu tot elke consequentie in staat.”
Twee maanden later verlieten Theo van Doesburg en Nelly van Moorsel halsoverkop Nederland.
Opmerkelijk genoeg had Antony Kok een vertrouwensrelatie met alle drie de (ex)echtgenotes van zijn vriend (Agnita Feis, Lena Milius en Nelly van Moorsel). Hij stelde alles in het werk om het huwelijk van Milius en Van Doesburg te redden. Samen met Lena Milius reisde hij in de zomer van 1921 naar Weimar, waar Van Doesburg verbleef. De breuk bleek echter onherstelbaar. Grootmoedig schreef Lena Milius aan Kok: „Wat baat het ons als hij bij mij terug komt en met zijn gedachten bij Nelly is? Ik zie hem graag gelukkig en tevreden, met mij òf met dat jonge kind…”

Voor Nelly van Moorsel was Antony Kok als een oudere broer. Zij waren geestverwanten; allebei even gepassioneerde muziekliefhebbers. Kok zou er voor zorgen dat Nelly van Moorsel, waar ze ook woonde, altijd over een piano kon beschikken. De Tilburgse Annie van Beurden (1912-1990) kon zich later nog heel goed herinneren dat ze Nelly van Moorsel ontmoette, toen die bij Kok logeerde: „Zwarte bontjas, zwarte muts en een vuurrode roos, vuurrode lippen, hele hoge hakjes: echt een Parisienne.(…) In Tilburg keek iedereen hen na.”
In september 1922, tijdens een internationaal congres van Konstruktivisten en Dadaïsten in Weimar, met deelnemers als Arp, Tzara, Schwitters en Lissitzky, werd Nelly van Moorsel met algemene stemmen uitgeroepen tot ‘het onmisbare dadaïstische muziekinstrument van Europa’.
Tijdens de ‘dadaveldtocht’ van 1923 in Nederland, toen Van Doesburg en Schwitters door de pers werden weggehoond, was er over het algemeen wel waardering voor het muzikale talent van de derde mevrouw Van Doesburg.

Na een hectisch leven in Weimar, Wenen, Jena, Berlijn en vele andere Europese kunstcentra vestigden Theo van Doesburg en Nelly van Moorsel zich in 1923 definitief in Parijs. Eind 1930 betrokken ze hun nieuwe, volgens de principes van De Stijl gebouwde atelierwoning in Meudon. Van Doesburg heeft er nog geen drie maanden gewoond. Op 7 maart 1931 overleed hij in Davos.
Bij de crematie stonden Van Moorsel en Milius zij aan zij. Lena Milius schreef aan Antony Kok: „Ik ben er naar toe gegaan om voorgoed afscheid van Does te nemen èn omdat Nelly hem zoo heel gelukkig heeft gemaakt.”

„Ik weet nog dat ik in ‘21 dacht, als ik maar tien jaar met hem kan leven. Dat vond ik in ‘21 blijkbaar lang. En ik heb precies tien jaar met hem geleefd. Had ik maar gezegd twintig jaar, minstens twintig” vertelde Nelly van Moorsel aan het eind van haar leven aan schrijver en Van Doesburgbewonderaar: K. Schippers.
De schrik van de kunsthistoricus is de weduwe van de kunstenaar. Van Moorsel zou vierenveertig jaar lang de weduwe Van Doesburg zijn. Ze was meer dan dat. Ze werd een belangrijke spil in de wereld van de kunst van de avant-garde, zowel in Europa als in Amerika.
Ze organiseerde tentoonstellingen, ondersteunde publicaties en adviseerde verzamelaars. Met grote vastberadenheid legde Nelly van Moorsel een collectie aan, die tot eer zou strekken van de grondlegger van een van de belangrijkste kunstbewegingen van de Twintigste Eeuw, en die in 1981 zou worden overgedragen aan de Nederlandse Staat.
In 1967 had Lena Milius nog aan Nelly van Moorsel geschreven: „Het is merkwaardig hoe levend de belangstelling voor Does en De Stijl nog steeds is en hoe die zelfs de laatste tijd nog opleeft.” Lena Milius moet heel goed hebben beseft, dat dat alles voor een groot deel te danken was aan dat ‘jonge kind’ uit Den Haag; ‘het onmisbare dadaïstische muziekinstrument van Europa’.
(Brabants Dagblad, 18 december 1999)

6 Portraits: Theo van Doesburg, Antony Kok, Piet Mondriaan,
Kurt Schwitters, Lena Milius & Nelly van Moorsel
by Jef van Kempen
Published in: Het Brabants Dagblad, 1999-2000

More in: Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Jef van Kempen


Jef van Kempen over Lena Milius


Theo van Doesburg en Lena Milius:

de dichter en zijn muze

IK KAN ZOO LANG NIET ZONDER ZOEN VAN JOU

door Jef van Kempen

Het jaar 2000 wordt het jaar van De Stijl. De roemruchte groep kunstenaars wordt onder meer herdacht met exposities en nieuwe boekuitgaven. Het Brabants Dagblad wijdt er een serie aan.
Op 21 juli jl. maakte deze krant melding van de aankoop van veertien onbekende liefdesgedichten van Theo van Doesburg door het Letterkundig Museum in Den Haag, waarbij het zou gaan om: „een bijzondere verzameling, waarin Van Doesburg zijn artistieke idealen en zijn gevoelens voor zijn aanbeden vrouw op bijna religieuze wijze met elkaar verbindt.”

Toen Theo van Doesburg in augustus 1914 in Tilburg werd gelegerd, verkeerde zijn huwelijk met de Amsterdamse kunstenares Agnita Feis in een crisis. De gemobiliseerde sergeant van de Vierde Divisie kon toen onmogelijk hebben vermoed, dat hij enkele maanden later tot over zijn oren verliefd zou raken op een Tilburgse vrouw. Dat Van Doesburg zo snel zijn weg wist te vinden in een hem onbekende stad zegt veel over zijn aanpassingsvermogen. Tilburg kende in die tijd ruim vijftigduizend inwoners en een invasie van twintigduizend militairen en zo’n tienduizend Belgische vluchtelingen moet het leven behoorlijk hebben ontwricht.
Theo van Doesburg zou Lena Milius (1889-1968) voor het eerst hebben ontmoet bij Maurits Manheim, een collega van Milius op het kantoor van Lakenfabriek Elias. Manheim bewoonde een kamer in Café-restaurant Albert Jansen, recht tegenover het station (nu Hotel Central). Daar ontmoette hij ook zijn vrienden, waaronder behalve de zusters Lena en Frie Milius ook de dichter Antony Kok. In die jaren moeten de vrienden, met in hun midden de enthousiaste wereldverbeteraar Theo van Doesburg, onafscheidelijk zijn geweest. Gezamenlijk organiseerden ze op 29 april 1915 bij Albert Jansen een ‘soiree intime’, waarbij Antony Kok op de piano speelde en Maurits Manheim liederen zong. Van Doesburg las voor uit het werk van Nietzsche, Oscar Wilde en Lodewijk van Deyssel. En opmerkelijk genoeg, behalve zijn eigen moderne verzen, ook die van Agnita Feis. Vanwege het succes zou de soiree enkele weken later worden herhaald.
Zelfs als Van Doesburg afwezig was stond hij nog in het middelpunt, zoals blijkt uit een brief die Lena Milius aan hem schreef: „Het was bij Maupie (Manheim red.) heel gezellig, de tafel stond tusschen de ramen met 2 kaarsen erop en allerlei bloemen en lekkers en de stoelen gezellig daaromheen. Kokkie heeft prachtig Beethoven gespeeld en Maupie een paar mooie nieuwe liederen gezongen, hij was goed bij stem. Die goeie jongen had onze portretten onder de bloemen gezet, omdat hij vond dat wij er samen bijhoorden.”

Uit de brieven van Theo van Doesburg en Lena Milius, die worden beheerd door het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag blijkt dat de romance tussen de beide geliefden zeer hartstochtelijk moet zijn geweest. Ze schreven elkaar soms twee maal per dag: „In gedachten geef ik je heele stortvloeden van heerlijke, zalige half-uur zoenen. Iets anders dan zoenen kan ik niet insluiten, want hier op kantoor is niets liefs om je te zenden” vertrouwde Lena Milius haar minnaar toe.
De relatie met zijn Tilburgse geliefde zorgde bij Van Doesburg voor een nieuwe literaire impuls. Maar zijn liefdesgedichten zouden meer door imponeergedrag worden beïnvloed dan door de grote literaire ambities die hij en Kok later in De Stijl zouden verdedigen.
Af en toe is er zelfs sprake van nogal onbeholpen beginnerspoëzie, zoals in het gedicht Mei II: Het is nu eenmaal/ zoo met mij/ in mei./ ik zie mezelf/ omringd/ van jou.
Maar er zijn ook een aantal aardige liefdesgedichten bewaard gebleven, bijvoorbeeld het gedicht De Zoen uit de nooit gepubliceerde bundel Nieuwe Woordbeeldingen: Toen heb ik haar eindelijk ‘n zoen gegeven./ Toen ben ik alleen in de kamer gebleven,/ maar vond haar wezen/ in mij zelve terug.
Zoenen was in die tijd een favoriete onderwerp voor de temperamentvolle dichter, zoals ook blijkt uit het gedicht:

aan Haar

ik kan
zoo lang
niet
zonder zoen
van jou.
de dagen
worden
nachten
dicht
en graauw.
ik kan
zoo lang
niet
zonder blik
van jou.
de hemel
wordt zoo mat
het zonlicht
wordt zoo graauw

ik kan
zoo lang
niet
zonder jou.

Begin 1915 had Theo van Doesburg een weinig verhullende liefdesverklaring gepubliceerd in het weekblad Eenheid: Ik zing van haar en indien gij mij ziet, ik hoop dat gij ziet, dat zij bij mij is. En indien gij mij hoort, ik hoop dat gij hoort, dat zij in mij is.
Agnita Feis las deze literaire boodschap en begreep dat de breuk definitief was. Ze luchtte haar hart bij Antony Kok: „Theo kan er zich op beroemen mijn leven en geest te hebben geknakt”. In 1917, het jaar waarin De Stijl werd opgericht, werd het huwelijk gesloten tussen Theo van Doesburg en Lena Milius; ze vestigden zich in Leiden. Verbitterd schreef Agnita Feis aan Kok: „Kunst maakt de menschen slecht, ze degenereert. Is van weinig belang op aarde.”
(Brabants Dagblad, 20 oktober 1999)

6 Portraits: Theo van Doesburg, Antony Kok, Piet Mondriaan,
Kurt Schwitters, Lena Milius & Nelly van Moorsel
by Jef van Kempen
Published in: Het Brabants Dagblad, 1999-2000.

More in: Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Jef van Kempen


Jef van Kempen over Kurt Schwitters

Kurt Schwitters en de kunst van het toeval
ANNA BLUME HEEFT EEN VOGEL

door Jef van Kempen

Het jaar 2000 wordt het jaar van De Stijl. De roemruchte groep kunstenaars wordt onder meer herdacht met exposities. Het Brabants Dagblad wijdt er een serie aan. Toen Kurt Schwitters in 1936, tijdens een bijeenkomst van kunstenaars, om zijn mening werd gevraagd over twee nieuwe portretten van Hitler en Goebbels, betrad hij het podium, hield de schilderijen omhoog en zei: „Wat zullen we doen? Zullen we ze ophangen of tegen de muur zetten?” Kurt Schwitters: een Duitser met gevoel voor humor.

In zijn huis in Hannover werkte Kurt Schwitters (1887-1948) bijna twintig jaar lang aan zijn Merzbau, een van de meest oorspronkelijke kunstwerken uit de geschiedenis van de avant-garde. Van de kelder tot de zolder verbouwde hij zijn huis tot één grote collage van afvalmaterialen. Voor Schwitters, die zich verwant voelde aan de dadaïsten, gold ‘het toeval’ als voornaamste bron voor zijn kunst. Van de dingen die hij op straat vond, knipte, plakte, schilderde en timmerde hij collages, schilderijen en constructies, die hij allemaal het predikaat Merz-kunst gaf. Het begrip Merz ontstond toen bij het verknippen van het woord Kommerzbank alleen het woord Merz overbleef.
Ook in het literaire werk van Kurt Schwitters speelt het toeval een grote rol. Op een van zijn zwerftochten, op zoek naar bruikbaar afvalmateriaal, zag hij een door een kind op een muur geschreven tekst: ‘Anna Blume heeft een vogel’. Die tekst heeft in de Duitse taal een dubbele bodem en kan ook betekenen: ‘Anna Blume is gek’. Schwitters zou Anna Blume onsterfelijk maken met zijn ironische liefdesverklaring aan een onbekende vrouw. In 1919 werd zijn gedicht An Anna Blume voor het eerst gepubliceerd. Het is een van de meest onzinnige en tegelijkertijd een van de mooiste liefdesgedichten uit de Duitse literatuur.

Blauw is de kleur van jouw gele haren,
Rood is de kleur van jouw groene vogel.
Jij onopvallend meisje in je alledaagse kleren,
Jij lief groen dier, ik hou van jou!

In september 1922 organiseerden Theo en Nelly van Doesburg in Weimar een dadaïstische voorstelling waaraan ook Hans Arp, Tristan Tzara en Kurt Schwitters deelnamen. Vanwege het grote succes zou de voorstelling worden herhaald in Jena en Hannover en werden er  plannen gemaakt voor een serie optredens in Nederland. Uiteindelijk zou alleen Kurt Schwitters de reis naar Nederland maken. In januari en februari 1923 werden er een hele reeks dada-avonden gehouden, voornamelijk in het westen van het land. Uitzonderingen waren de voorstellingen in Den Bosch en Tilburg op 25 en 27 januari. Aan het begin van de dada-veldtocht, zoals de reeks dada-avonden later zou worden genoemd, schreef Van Doesburg aan  Antony Kok: „De dada avonden zijn reusachtig. (…) In Haarlem, waar we Donderdagavond waren, zijn de menschen door de politie uiteengejaagd’.
De voorstellingen, die konden rekenen op grote publieke belangstelling, verliepen, zoals ook voor een deel gepland, volkomen chaotisch. Van Doesburg begon met het op serieuze toon voorlezen van zijn manifest: Wat is dada?, daarbij voortdurend onderbroken door Schwitters, die vanuit de zaal allerlei dierengeluiden nabootste. Schwitters droeg zelf An Anna Blume voor en een aantal -voor het publiek soms totaal onbegrijpelijke- klank- en cijfergedichten. Nelly van Doesburg zorgde voor enkele muzikale intermezzo’s op de piano. Bij sommige dadavoorstellingen was het tumult zo groot, dat de kranten er ruim aandacht aan besteedden: „De zaal buldert van den lach. Schwitters kan bijna niet verder, maar houdt vol. (…) Hij is onverstoorbaar. Het publiek brult, blaast, gilt, maakt allerlei geluiden, een fluitje komt boven alles uit.”
Het succes van de sympathieke Schwitters stimuleerde Antony Kok tot het schrijven van enkele dadaïstische gedichten. Vanaf 1921 had Schwitters bijdragen geleverd aan De Stijl en de kontakten met de Duitse abonnees verzorgd. Op zijn beurt zou hij een speciaal nummer van zijn eigen tijdschrift Merz wijden aan het dadaïsme in Holland, met bijdragen van Van Doesburg en Kok.

Kurt Schwitters was er de man niet naar om een blad voor de mond te nemen, ook niet bij de opkomst van het nationaal-socialisme. Legendarisch zijn de verhalen over zijn persoonlijke verzet tegen de nieuwe machthebbers. Tijdens een van zijn optredens nodigde hij het publiek uit om een door hem meegebrachte foto van Hitler te bespugen in plaats van te applaudisseren. In 1936 werd een van zijn schilderijen door de nazi’s geëxposeerd op een tentoonstelling van ‘Entartete Kunst’ en gekwalificeerd als ‘volkomen krankzinnig’. Schwitters trok zich steeds meer terug om te werken aan zijn Merzbau. In 1937 vluchtte hij naar Noorwegen. Zijn vrouw Helma bleef in Hannover achter. Totaal ontredderd schreef hij: „Alles bij elkaar is het leven zo afgrijselijk, dat je beter nooit geboren had kunnen zijn”.
Bij de inval van de Duitsers in Noorwegen, in juni 1940, vluchtte hij opnieuw voor zijn landgenoten, nu naar Engeland. In december 1944 bereikte Schwitters voor het eerst sinds jaren weer nieuws uit Hannover. Zijn vrouw was tijdens een bombardement omgekomen, zijn huis en zijn Merzbau waren vernietigd. Hij zou nooit meer terugkeren naar ‘het land van de waanzin’.
Kurt Schwitters moet nog vaak hebben teruggedacht aan de tijd van zijn vriendschap met Theo van Doesburg. In 1947, een jaar voor zijn dood, schreef hij aan Nelly van Doesburg: „Ik leef nog steeds in die tijd en heb mij niet verder ontwikkeld, omdat ik denk dat tóen onze beste tijd was”.
(Brabants Dagblad, 27 augustus 1999)

6 Portraits: Theo van Doesburg, Antony Kok, Piet Mondriaan,
Kurt Schwitters, Lena Milius & Nelly van Moorsel
by Jef van Kempen
Published in: Het Brabants Dagblad, 1999-2000

More in: - Sound Poetry Archive, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Jef van Kempen, Kurt Schwitters, Kurt Schwitters, Schwitters, Kurt


Jef van Kempen over Piet Mondriaan

Piet Mondriaan schilder van de rechte lijn

IK HEB VOOR NIETS ANDERS GELEERD

door Jef van Kempen

Toen Mondriaan in september 1938 van Parijs naar Londen vertrok, uit angst voor de naderende nazibendes, bestond zijn hele bezit uit niet meer dan een paar onvoltooide schilderijen en een koffer met oude grammofoonplaten. Zestig jaar later zou zijn schilderij Victory Boogie Woogie door de Nederlandse overheid worden aangekocht voor tachtig miljoen gulden, tweemaal de prijs van een Rembrandt.

In 1909 sloot Piet Mondriaan (1872-1944) zich aan bij de Nederlandse Theosofische Vereniging. Dat betekende een breuk met het orthodox gereformeerd milieu, waarin hij was opgegroeid. De theosofische leer van Madame Blavatsky en Rudolf Steiner zouden van grote invloed zijn op de ontwikkeling van zijn denken. Toen hij zich in 1911 in Parijs vestigde, had Mondriaan in Nederland al een zekere reputatie als schilder van de avant-garde.
Bij hun eerste ontmoeting in 1916 raakte Theo van Doesburg danig onder de indruk van de ideeën en het werk van de elf jaar oudere Mondriaan, wiens pogingen om in de beeldende kunst iedere verwijzing naar de natuur los te laten en te streven naar de absolute abstractie, uitstekend aansloten bij Van Doesburgs eigen opvattingen. Vol bewondering schreef hij dan ook aan zijn vriend de Tilburgse dichter Antony Kok: „Mondriaan past dit toe door voor de uitdrukking van zijn ontroeringen de twee zuiverste vormen te nemen d.i. de horizontale en verticale lijn”.

Op verzoek van Theo van Doesburg trad Piet Mondriaan toe tot de groep van kunstenaars, die in 1917 het tijdschrift De Stijl zouden oprichten. In De Stijl kon Mondriaan zijn ideeën over de absolute abstractie, die hij samenvatte onder de naam ‘neoplasticisme’, ventileren. De geschiedenis van De Stijl wordt gekenmerkt door grote onderlinge conflicten en wisselende sympathieën. Er is veel geschreven over de ideologische verschillen tussen de verschillende leden van de Stijlgroep.
Maar bij Mondriaan en Van Doesburg is beslist ook sprake van een controverse tussen twee mannen, die in alle opzichten elkaars tegenpolen waren: de houterige kluizenaar Piet Mondriaan en de luidruchtige levenskunstenaar Theo van Doesburg. In 1925 kwam het tot een breuk tussen beide kunstenaars, die vier jaar zou duren. „De Stijlgroep d.i. zeer zeker ook Mondriaan en Van Doesburg, maar méér Van Doesburg dan Mondriaan, wijl deze laatste door theosofische beperking geestelijk achterstallig gebleven is” schreef Van Doesburg aan architect J.J.P. Oud. Aanleiding tot de breuk was Van Doesburgs opvatting dat er ruimte moest zijn voor het gebruik van de diagonaal in de schilderkunst. Enkele jaren eerder had Mondriaan in een brief aan Kok nog blijk gegeven Van Doesburgs  interpretatie van het neoplasticisme te kunnen billijken: „Ik begrijp dat hij de Neo-Plastische idee heel ruim moet stellen want aan de consequentie wil nog bijna niemand”. Maar in 1925 vond Piet Mondriaan de maat vol: iedere inbreuk op zijn neoplasticisme was voortaan onbespreekbaar.

Voor Piet Mondriaan betekende de keuze voor zijn kunst tevens een veroordeling tot een armzalig bestaan. In 1921 was zijn financiële nood zo hoog dat Van Doesburg zich geroepen voelde om te bemiddelen bij de verkoop van een schilderij aan Antony Kok. „Ik schreef aan Piet dat je het stuk voor f 150,- wilde kopen maar dat zelf liever niet schreef. Hij schrijft mij terug dat je het voor 800 francs hebben mag. Ik weet niet hoe de koers is, maar ik geloof dat het niet zoo heel veel scheelt met jouw bod. Spring echter niet boven je hoofd kerel, als het niet kan dan zal ik wel weer mijn best doen voor Piet bij iemand die het beter kan doen.” In de loop van de jaren kocht Antony Kok vier schilderijen van Piet Mondriaan. De betaling geschiedde in termijnen, het liefst in de winter want dan was de nood het hoogst. Tussen Kok en Mondriaan ontstond een vriendschap die, ondanks Mondriaans meningsverschillen met Van Doesburg, stand zou houden. „Ik had veel liever dat ‘t buiten kunst was zooals jij werk hebt dat betaalt buiten kunst. Maar ik heb voor niets anders geleerd.” bekende Mondriaan aan de Tilburgse spoorwegbeambte „Prettig jou, al is ‘t dan ver weg, te hebben met je zuivere kijk en artiste-zijn.”

In oktober 1940 emigreerde Piet Mondriaan op uitnodiging van een aantal Amerikaanse kunstvrienden van Londen naar New York. In Amerika zou zijn kunst nieuwe impulsen krijgen, die resulteerden in schilderijen als Broadway Boogie Woogie en Victory Boogie Woogie. Op 1 februari 1944 stierf hij aan een longontsteking.
Na de Tweede Wereldoorlog stegen de prijzen van Mondriaans schilderijen, vooral onder invloed van Amerikaanse kunsthandelaren die de Europese markt afstroopten, tot astronomische hoogte. Met als absolute uitschieter de verkoop in 1998 van Victory Boogie Woogie voor tachtig miljoen. Architect Oud ergerde zich al in het begin van de jaren zestig aan de jacht op Mondriaans schilderijen. Een Amerikaanse bezoeker had hem eens uitgelegd dat een schilderij van Mondriaan stamde uit: „his most expensive period”. Oud bracht fijntjes in herinnering dat Mondriaan geen ‘expensive period’ had gekend; alleen maar levenslange armoede.
(Brabants Dagblad, 2 augustus 1999)

6 Portraits: Theo van Doesburg, Antony Kok, Piet Mondriaan,
Kurt Schwitters, Lena Milius & Nelly van Moorsel
by Jef van Kempen
Published in: Het Brabants Dagblad, 1999-2000.

More in: Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Jef van Kempen, Piet Mondriaan


Jef van Kempen over Antony Kok

Antony Kok dichter bij De Stijl

DE MAN DIE DE DWAASHEID EERDE

door Jef van Kempen

Stilte + stem (vers in w)

Wacht
Wacht
Wacht
Wacht
Wachten
Wachten
Wek
Wak
Wek
Wak
Wachten
Wachten
Wekken
Wekken
Wek
Waak

„Er zijn verschillende manieren om zich beroemd te maken. Alcibiades sneed den staart van zijn hond af; de heer Antony Kok schrijft verzen in De Stijl. Het laatste is erger dan het eerste. Want de hond kan hoogstens gejankt hebben.” Deze negatieve kritiek in de Limburgsche Koerier van 21 december 1921 op de publicatie van het gedicht: Stilte + stem (vers in w) moet hard zijn aangekomen bij Antony Kok (1882-1969). Vooral ook omdat die kritiek verscheen in een blad uit de streek waar hij het grootste deel van zijn jeugd had doorgebracht en waar hij vrienden had. Niet lang daarna kwamen zijn collega’s bij de spoorwegen in Tilburg op de hoogte van de publicatie van Stilte + stem. Voor veel collega’s betekende het een bevestiging van het excentrieke gedrag van spoorwegbeambte Kok, die rare gedichten schreef en in kringen van kunstenaars-bohémiens verkeerde. Daarvoor bestond in het provinciale Tilburg van de jaren twintig bijzonder weinig begrip.

Vanaf hun eerste ontmoeting in 1914 had Theo van Doesburg zijn vriend Antony Kok opgezweept om te experimenteren bij het schrijven van gedichten: „Je verzen zeiden mij niet genoeg. Stuur mij verzen, die mij brengen, waar geen sterveling geweest is”. In 1920 legden ze hun revolutionaire ideeën over de literatuur vast in een manifest in het tijdschrift De Stijl. Met kreten als: „Het woord is machteloos” en „Het woord is dood” werd de machteloosheid van de traditionele literatuur aan de kaak gesteld. Er moest een literatuur komen, die een nieuwe betekenis en een nieuwe uitdrukkingskracht had. Het dadaïsme in Nederland was geboren.
In datzelfde jaar publiceerde Van Doesburg zijn eerste klankgedichten in De Stijl, onder het pseudoniem: I.K. Bonset. Op de suggestie om ook onder een pseudoniem te publiceren is Kok  nooit in gegaan. Theo van Doesburg stelde alles in het werk om het dichterschap van zijn vriend te stimuleren. Toen Koks gedicht Nachtkroeg in De Stijl werd gepubliceerd schreef Van Doesburg: „Nimmer kwam in Holland een dichter tot zoo sober en zuiver gebruik van zijn uitdrukkingsmateriaal”.
Voor Antony Kok, die altijd ongehuwd bleef en een groot deel van zijn leven op huurkamers woonde, betekende het dadaïsme een uitstapje naar de dwaasheid. Een lichtzinnigheid waarvan hij vooral kon genieten in het bijzijn van zijn vrienden. In zijn vrije tijd reisde hij zijn geestverwanten achterna, vooral naar Parijs, waar Van Doesburg en Mondriaan zich hadden gevestigd. „Kok is eenige dagen mijn logé geweest” schreef Theo van Doesburg aan Evert Rinsema „Ik heb hem eenige dadaïstische verzen voorgelezen, maar ik moest er mee ophouden, want ik dacht dat hij uit elkaar barstte van den lach”.
K. Schippers heeft Antony Kok gekarakteriseerd als iemand die stond voor een mentaliteit die niet gebonden is aan bewegingen, die door woorden als „De Stijl” of „Dada” bekend zijn geworden. In zijn ogen was Kok: „een man die de dwaasheid eerde, omdat er voor hem niet veel meer dan dwaasheid was”.

Vanaf het midden van de jaren twintig schreef Antony Kok nog bijna uitsluitend aforismen. Na de dood van Theo van Doesburg in 1931 raakten de idealen van De Stijl geleidelijk op de achtergrond en gaf Kok steeds meer toe aan zijn voorliefde voor het mystieke. Hij sloot zich aan bij de Rozenkruisers.
Begin 1954 brak hij radicaal met het verleden. „Heb enige maanden geleden al mijn eigen werk verbrand. Een kleine tienduizend aforismen, gedichten en beschouwingen van allerlei aard. Nog even daarna vocht ik in mijzelf over de vraag: is dit verraad of offer? Dat het een offer is geweest weet ik nu zeker.” Maar nog geen half jaar later, toen Paul Rodenko in zijn bloemlezing uit de poëzie der avant-garde: Nieuwe griffels, schone leien Koks gedicht Nachtkroeg een plaats gaf tussen gedichten van I.K. Bonset en Paul van Ostaijen, moet hij zich minder zeker hebben gevoeld over zijn daad. „Wie had dat kunnen denken!” schreef Kok aan uitgever Bert Bakker „Het is goed dat u Nachtkroeg uit mijn prae-tijd publiceren gaat in een verzameling van de meest moderne dichters van dezen tijd. Als het indertijd niet in De Stijl was gekomen zou het met al het andere ook verloren zijn geraakt”.
Op 72-jarige leeftijd begon Antony Kok gewoon opnieuw. Hij reconstrueerde veel van zijn gedichten en noteerde tot aan zijn dood nog duizenden aforismen. „De wereld van heden raast door in dada’s voetspoor” schreef hij aan het eind van zijn leven. Het was een laatste eresaluut aan de dwaasheid.
(Brabants Dagblad, 2 juli 1999)

6 Portraits: Theo van Doesburg, Antony Kok, Piet Mondriaan,
Kurt Schwitters, Lena Milius & Nelly van Moorsel
by Jef van Kempen
Published in: Het Brabants Dagblad, 1999-2000.

More in: Antony Kok, Essays about Van Doesburg, Kok, Mondriaan, Schwitters, Milius & Van Moorsel, Jef van Kempen, Kok, Antony


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature