In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

– Katapult, de ondergang van Amsterdam

· Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (27 – slot) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (26) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (25) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (24) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (23) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (22) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (21) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (20) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (19) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (18) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (17) · Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (16)

»» there is more...

Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (27 – slot)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (27 – slot)

♦ Het einde

De klok sloeg drie uur. De nacht sleepte zich voort, maar de stad bleef een bron van vals licht en lawaai.

Alleen in De Engelbewaarder was het rustig. Zelfs de muizen gaven zich over aan de rust, hoewel ze eigenlijk nachtdiertjes waren. Hun tijdsindeling was in het café in de war geraakt. Slechts de critolis bleek weinig last van de nacht te hebben. Juist deze rust wekte haar op fraaier te bloeien. Haar kleuren uitdagender dan ooit tevoren.

Met tact en geduld werkte Bas de laatste klanten de deur uit. De stille drinkers, die nooit zin hadden om naar huis te gaan. Nachtbrakers die pas konden slapen als ze het eerste ochtendlicht hadden gezien, bang als ze waren voor de nacht en zijn mysteries. Het soort jongens waar hij ook nooit echt contact mee had. Ze kwamen altijd pas op het allerlaatste moment binnensluipen, niet veel eerder dan sluitingstijd. Ze rekenden erop dat ze nog wel een paar pilsjes lang konden blijven zitten. Eenzaten. Dromers, met het voorkomen van teringlijders. Als ze om een uur of vijf uit het laatst sluitende nachtcafé waren gezet, zochten ze de koffietentjes op die het eerst opengingen.

Bas sloot de deur, poetste het koper van de bierpomp glimmend op, kraste wat vuil uit de scheuren in het blad van de bar en spoelde het zink. Hij wilde alles in goede orde achterlaten. Hij hield niet van troep in zijn zaak als hij ‘s ochtends weer moest beginnen. Hij gaapte. Hij was hondsmoe. Deze krankzinnige dag was hem niet in de koude kleren gaan zitten. En het was veel later geworden dan gewoonlijk.

Er werd op de deur gebonsd. Zeker iemand die nog licht had gezien en het nog even wilde proberen.

Bas slofte naar de deur en deed hem op een kier open. Crazy, Mireille en een tweetal dat hij niet kende. Ze zagen er afgemat uit.

`Wat geeft me de eer in deze kleine uurtjes?’ vroeg Bas. Hij verwachtte geen antwoord. Hij begreep dat hij iets voor hen moest doen.

`Koffie’, zei Crazy. `Dat zou al heel wat zijn.’

`Ik ben de slaaf van iedereen’, zei Bas om te verbloemen dat hij het goed met hen voor had. Hij liep al naar de koffiemachine. Terwijl hij de kopjes onder de kraan schoof, merkte hij dat de muizen zich eigenaardig gedroegen. Waren de meesten al lui aan de kant gaan liggen, nu leken ze door het een of ander onrustig te zijn geworden. Ze dromden samen in groepjes en waren druk met elkaar in gesprek.

Plotseling schoot Kaspar krijsend uit de kelder. Hij leek helemaal gek te zijn geworden. Als een schicht schoot hij door het café, razend, alsof hij een delirium had. Hij gilde. Hij was zo door het dolle heen dat het even duurde voordat Bas begreep dat hij het tegen de grijze muizen had. Hij bedreigde hen. Hij wilde dat ze onmiddellijk uit het pand zouden verdwijnen, anders zou hij hen stuk voor stuk de strot doorbijten. Hij meende het echt. Hij was in een moordzuchtige stemming.

Bang maar gehoorzaam kwamen de grijze muizen tevoorschijn. Je kon aan hen zien waarom ze nooit sterk zouden worden. Ze waren zachtaardig en konden niet van zich afbijten. Mak als lammetjes liepen ze naar de deur.

Bas werd kwaad.

`Ik ben te goed voor je geweest’, riep hij naar Kaspar. `Jij denkt dat goedheid een plicht is.’

`Je wilt toch niet dat wij honger moeten lijden voor weer een ander zootje!’ gilde Kaspar. `Ze hebben hele gaten in de voorraad kaas gevreten.’

`Jíj hebt te veel gevreten’, riep Bas. `Jíj hebt er nooit iets voor hoeven te doen. Daarom ben je bang dat je ooit te kort zult komen.’ Blind van woede greep hij het eerste het beste voorwerp dat hij pakken kon, een dienblad. De muis kreeg het blad vol tegen zijn lijf en kwakte een eind verder tegen de muur, met ingeslagen kop. Hij keek vreemd uit zijn plotseling zo dode oogjes. Dit spoedige eind had hij niet verwacht. Desondanks leek zijn bek nog grof en brutaal. Als een bruut was hij gestorven. Hij had geen moment tijd gehad ergens spijt van te hebben.

De zwarten, die verbijsterd hadden gezien hoe Kaspar was omgekomen, begonnen angstwekkend te krijsen. Er steeg een woedend gepiep en gehuil op. In een oogwenk ontstond er een paniek die alle muizen aangreep. De angst sloeg om in agressie. Ze gingen elkaar te lijf. Het café bood het aanzien van een groot kluwen vechtende muizen. Een hysterische massa van bijtende en grauwende diertjes die, nu ze eenmaal bloed hadden geroken, zich overgaven aan de wildste verdediging: de aanval. Niets was meer te zien van witte, zwarte of zelfs maar grijze muizen. Het was één golf van moordende diertjes die elkaar naar de keel vlogen. Nu pas zag Bas hoeveel muizen er al die tijd in zijn zaak hadden gewoond. Ze moesten elkaar al lang te veel zijn geweest.

Blind van moordlust vielen de muizen aan op alles wat bewoog, ook de mensen. Vanaf de bar, stoelen en tafels sprongen ze tegen hen op en beten zich vast in hun kleren. Bas sloeg om zich heen om de bloeddorstige diertjes van zich af te houden. Mireille gilde. Van allen was David het minst in paniek. Hij was een meester in ongeregelde toestanden. Een robbertje vechten deed hem altijd deugd. Ongenadig sloeg hij op de bijtende diertjes in.

`Naar buiten’, schreeuwde Albert. `Ze vreten ons op!’

fdm bookslit06Om zich heen schoppend en slaand, trappend op dode of stervende lijfjes, bereikten ze het deurgat en vluchtten ze de straat op. Alleen Bas bleef achter in zijn café. Hij voelde zich alsof hij koorts had. In zijn kop ging een orkaan van geluid tekeer, waar hij niet tegen bestand was. Voor zijn ogen draaide een kermis rond. Hij greep zich vast aan het zink om niet tussen de vechtende muizen te vallen. Alle begrip was hij kwijt, hij was ver van de wereld. Voelend hoe steeds meer muizen zich aan hem vastbeten zag hij hoe Crazy, gewapend met een eind hout, in het deurgat stond. Crazy schreeuwde, maar Bas hoorde hem niet. Hij zag dat Crazy met de knuppel op het leger muizen insloeg, maar zelf wilde hij zich niet meer verdedigen. Hij viel om. Een golf muizen spoelde over hem heen. Hij zag alles donker worden. Een vreemde warmte maakte zich van hem meester. Niets voelde hij van de tandjes die hem verminkten. Voor zich zag hij alleen de kop van Kaspar, verminkt tegen de wand. Nog rilde Bas van de haat die nog steeds uit de dode ogen van de muizenkoning straalde. Hij voelde dat iemand hem bij zijn kraag greep en meesleurde. Waarom lieten ze hem nu niet liggen? Zo was het toch goed! Vaag zag hij het bleke gezicht van Crazy, langgerekt vertekend, als in een lachspiegel.

`Je bloedt als een rund’, riep Crazy. `Kom op, naar buiten.’

Plotseling stormde de troep muizen, als op commando, naar het deurgat. Ze renden elkaar ondersteboven in de deuropening. Zigzaggend ging de horde over de weg. In een opperste vorm van zelfvernietiging zwenkte het hele hysterisch krijsende leger naar de gracht en dook het water in. In een paar tellen was het krijsen verstomd. Het werd vreemd stil.

`We halen een dokter voor je’, zei Crazy terwijl hij Bas op de stoep legde.

`Ik wil hier niet weg’, zei Bas.

`Hier kun je niet meer leven’, zei Crazy. `Je zou je altijd blijven herinneren hoe het ooit is geweest.’

Het was nu doodstil op straat. Mireille en David stonden dicht tegen elkaar. Ze hielden elkaar vast. Dat gaf hun een beetje moed. Ze voelden hoe warm hun huid was. Hoe ze roken naar spek en nat papier.

Ze schrokken van een stel ratten dat triomfantelijk door de goot rende, even stilhield om naar hen te kijken en er dan weer haastig vandoor ging.

`De pest breekt uit’, zei Crazy. `Als de ratten bovenkomen, kondigt dat het bederf aan. Het verval. Ratten hebben daar een neus voor. Ze komen alleen af op rotte troep en kadavers.’

Er lag een vaag schijnsel vlak boven de straat. Het kwam uit de rioolputten. De fosforescerende gloed van rottend afval. Een vreemd geluid klonk op. Druppels vielen op een blikken plaat, dansende diertjes met ijzeren beslag aan de pootjes. Albert kon het geluid niet verdragen. Hij trapte de lekkende goot van de muur. Het geluid bleef weg. De beestjes waren dood. Het was weer stil.

Plotseling zag David de maan, die als een bleek vod aan de hemel stond. Hij pakte de katapult uit zijn zak, richtte naar de maan en schoot. Stukken bleek licht, als repen wit papier, vielen over de stad. Ze waaiden in de goot als oude, vochtige kranten.

EINDE

Ton van Reen: Katapult (27 – slot)

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (26)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (26)

♦ Een nacht die nog jaren kan duren ♦

Op straat begon het te knallen. Het geluid hield het midden tussen het knetteren van een defecte auto-uitlaat en het ratelen van een machinegeweer. Zo plotseling als het was gekomen, zo abrupt viel het weer weg. Er bleef een onderdrukt rumoer achter van angstige mensen die het huis uit waren gekomen om te kijken wat er aan de hand was.

`Oorlog?’ vroeg Crazy ontdaan.

Albert haalde zijn schouders op. `Er zijn krachten aan het werk die men heeft onderschat’, zei hij. `Misschien bestaat er toch nog rechtvaardigheid.’

Een sirene begon te janken. Alarm. Waarvoor? Was er een vijand? Wat wilde hij?

De oude papegaai, die verkeerde in een toestand tussen wakker zijn en dromen, werd onrustig door het lawaai. Hij merkte niet veel van de kou: zijn stofjas van veren stond verder uit dan gewoonlijk en hield hem warm. Hij sloeg met zijn vleugels, zodat een beetje fijn zand van de bodem van de kooi door de tralies stoof. Hij richtte zich op. De witte vliezen voor zijn ogen bewogen licht. Wat versuft krabde hij zijn kop met een verkalkte poot. Stof wolkte uit zijn veren. Zo voelde hij zich het best, de oude papegaai, lekker onder het stof. Heel langzaam kwam hij bij zijn positieven. Om de beurt keek hij iedereen aan, alsof hij zich afvroeg wie dat wel allemaal waren. Eenmaal goed wakker borstelde hij zijn veren op, maar zonder overtuiging. De glans was er al jaren af. Onherroepelijk hadden de jaren hem naar zijn oude dag gedragen. Hij had zijn tijd overleefd. In situaties als deze voelde hij een soort gêne, schaamde hij zich dat hij er nog was. Hij wilde niemand ook maar de minste last bezorgen. Hij voelde zich over, omdat hij niet voor zichzelf kon zorgen en niet voor zichzelf kon besluiten, al wist hij dat de anderen van hem hielden.

Moeizaam hield hij zich staande op zijn stok. Hij voelde zich niet goed. Het brandde in zijn lijf. Het deed hem pijn. Hij probeerde zich ertegen te weren en richtte zich op uit zijn veren, maar hij was grijzer dan ooit tevoren.

`Water’, zei hij benauwd. `Er zit een woestijn in mijn keel.’

Albert gaf hem een kopje water. De vogel sopte zijn snavel en dronk gulzig. Hij leek weer op krachten te komen. Dat verheugde de anderen. Ze waren er allen op voorbereid dat het oude dier het kon laten afweten, maar niemand wilde dat hij pijnlijk langzaam stierf, in een nacht die jaren kon duren.

De laatste tijd had Michelin vaak naar mogelijkheden gezocht om van de wereld af te stappen. Ziektes voorwendend had hij soms weken geweigerd te eten, hopend van uitputting te bezwijken. Soms had hij uren ondersteboven aan zijn stok gehangen, zodat het bloed in zijn ogen liep, maar zijn taaie lijf had het niet willen begeven.

Albert tikte tegen de tralies van de kooi, ten teken van verstandhouding. Het dier begreep dat hij er nog bij hoorde. Beschaamd gaf hij aan zichzelf toe dat hij het alleen zelf was die dacht dat hij te veel was.

`Misschien ben ik te oud om gered te willen worden’, zei hij, een beetje zelfbeschuldigend. `Maar ik vind het toch nog fijn. We zijn weer eens gezellig samen.’

`Je bent erg op ons gesteld, hè’, zei Mireille.

`Als je eens wist hoeveel ik van jullie hield’, zei Michelin. Hij schraapte zijn keel. `We zitten hier zo slecht nog niet’, vervolgde hij. `Als het aan mij ligt, wil ik hier wel blijven. Ik wed dat ik morgenvroeg lekker in de zon zit. Voor mij is mijn kooi ruim genoeg.’

`Je komt er alleen zo weinig uit de laatste tijd’, zei Albert.

`Het bevalt me zo best. Ik heb toch al nooit begrepen waarom jullie mensen zoveel ruimte nodig hebben. Thuis hebben jullie per man minstens vijf stoelen, een tafel, twee kasten, een volgepropte kamer en weet ik wat al meer. Waar je ook bent, het is jullie overal te klein.’

Ze keken elkaar eens aan en beseften dat de papegaai gelijk had. Van alles wat ze hadden bleef veel ongebruikt. Nu zaten ze in een kring en ze hoorden bij elkaar. Wat hadden ze meer nodig dan dit?

Plotseling begon Michelin te hoesten, alsof hij zich ergens in had verslikt. Misschien was het praten te veel voor hem geweest. Hij was de meest wijze van het gezelschap, maar in zijn borst klopte een vogelhart, tweemaal zo snel als de hartslag van mensen, dat het bloed met dubbele snelheid door zijn lijf joeg. Hij kende alle angsten van de dierenwereld, omdat ze hem waren aangeboren, ook al leek hij dicht bij de mensen te staan. Toch sprak de stem van zijn bloed als de druk van de omgeving hem te veel werd. En hoewel hij alles begreep van de band die hem omsloot met de anderen in de kamer, toch voelde hij zich steeds meer opgesloten in zichzelf. Alsof hij kleiner werd en terugkeerde naar zijn oorspronkelijke vorm, de kleine cel van een ei. De schaal groeide over hem dicht. Angst schoot door hem heen. De angst te worden vermalen tussen de kaken van een buizerd, of gevangen te worden in kolken van lucht, ook al had hij zijn leven lang geen meter gevlogen. Om het licht uit zijn gele ogen te verliezen, zijn radar. In paniek dacht hij na over wat er in zijn geest gebeurde. Was dit zijn einde? Ging hij sterven? Brak hij uit de band die hem met de anderen verbond doordat hij terugkeerde naar zijn begin? Steeds duidelijker voelde hij hoe hij in korte tijd werd teruggedrongen tot zijn oorspronkelijke beperking, tot de staat van een kleine, naakte, blinde vogel, die van kou rilt in zijn nest, om zich heen happend om iets te begrijpen van zijn omgeving. Hij had steeds minder besef van alles wat er rondom hem was. Hij wilde wat zeggen, maar zijn bek was verlamd, er kwam alleen een schreeuw uit zijn strot waar de spijlen van rilden. Heel even leek hij uit de kooi te willen breken. En allen in de kamer, die vol angst naar hem keken, zagen hoe hij van zijn stok viel en als een aangeschoten beest op de bodem van zijn kooi bleef liggen, licht trekkend met zijn poten, zijn ogen nog niet dicht, nog maar net zichtbaar achter een dun vlies, dat de scheidsmuur was tussen leven en dood. Uit zijn bek kwam een onwaarschijnlijk gebral, dat veel weg had van het brullen van een aan delirium lijdende dronkaard.

Vlug haalde Albert de vogel uit de kooi. Hij probeerde hem te kalmeren, hield de grijze kop tussen zijn handen en voelde het schokken van het lijf, dat zoveel kleiner was dan het onder het opgezette pak van veren leek. Hij blies de vogel zijn adem in.

`Zeg maar niks’, fluisterde hij. `Wij weten alles van je. Je bent bij ons, altijd.’

Langzaam werd het trekken van het grijze lijf minder. Over de ogen van de vogel sloot zich een grauw gordijn. Zijn nagels stonden op scherp. Hij was dood.

Albert legde het levenloze dier op tafel. Tussen de boeken en de rommel lag Michelin, een curieus ornament in de kamer. Een grauwe vogel, die al zijn grootheid had verloren, maar indringend aanwezig bleef.

David viel huilend op bed. Mireille keek zonder iets te zien naar buiten. Albert zweeg. Hij voelde zich als versteend. Van hun gezin van vijf waren er nu al twee dood, terwijl Mireille toch nog maar aan het begin van haar leven stond en David pas elf was. Wie was de volgende keer aan de beurt? Maar was het werkelijk zo dat ze nu nog maar met z’n drieën waren? Hoorde Crazy nu ook bij hen? En ook het dode vrouwtje had hen nog nodig, al was het maar voor even.

De ijzige kou in de kamer nam hen weer in haar greep, de kou die aan hun hart begon te vreten. De druppels die uit de kraan lekten, verhardden tot korrels ijs. Gordijnen van vorstbloemen breidden zich uit over de beslagen ramen. Witte velden van kristal, met tekeningen van doolhoven. In een snel tempo groeiden ze aan tot dikke lagen wit ijs dat over de vensterbank woekerde. De geranium zakte in elkaar. Zijn bloem verloor al het rood en het groen van zijn bladeren werd zilver als as.

Crazy zag hoe Mireille van kou stond te klappertanden. Haar adem wolkte als stoom uit haar mond. In haar dunne kleren zou ze kunnen doodvriezen. Hij pakte zijn winterjas uit de kast en legde die over haar schouders. David trok Crazy’s soldatenjas aan, die hem tot aan de enkels reikte.

Huiverend van de kou zette Crazy een raam open. Van buiten kwam een zoele lucht binnen die zwaar was van verrotting en stank zoals die alleen een grote stad kon teisteren.

`We moeten wat doen’, zei Crazy, om een eind te maken aan de verlamming. `Buiten lijkt het oorlog en hier is het winter. Bovendien moeten we het vrouwtje nog begraven.’

`Voor mij wordt het hoog tijd’, zei het vrouwtje. `Ik heb geen enkele behoefte meer aan daglicht. Ik zou me net een vampier voelen.’ Ze lachte vrolijk om haar eigen grapje, dat op dit moment ongepast leek, maar ze had dan ook geen enkel idee van de kou die de anderen teisterde. Voor haar was de kou al heel gewoon.

Het ijs bedekte nu alle muren en het plafond, daalde stijf en stram af langs de lichtkabels en baande zich een weg over de vloer naar de deur. Blijkbaar was het van plan het hele huis in de Noordpool te veranderen.

Crazy nam het dode vrouwtje op zijn schouder en liep de trap af. Het vogeltje vloog met hem mee, maar het leek wel dronken, want het botste overal tegen aan.

Mireille droeg de dode papegaai, die steeds meer van zijn grauwe kleuren verloor en lichter en lichter werd. Door de veren heen voelde ze het kleine lijf verstijven.

Crazy legde het dode vrouwtje in de kist. Het vogeltje nestelde zich aan haar hoofdeind. Het leek heel gerust op de afloop der dingen, want onmiddellijk begon het weer op insecten te jagen.

Crazy dacht dat het vrouwtje heel tevreden keek toen hij het deksel sloot.

Ze vormden een kleine stoet. Albert liep voorop en duwde het lijkkarretje. Achter hem liep Mireille, in haar handen de dode vogel, die langzaam in een klomp ijs veranderde en al doorzichtig werd. Achter haar liep Crazy, met David aan de hand.

Het was nog steeds onrustig in de stad. Lang na middernacht waren de straten nog fel verlicht. Had het nog steeds met de opwindende gebeurtenissen te maken? Veel mensen durfden niet naar bed. Anderen waren, na zich een avondje moed te hebben ingedronken, op de feesttoer gegaan en zwalkten vrolijk over straat. Hier en daar werd goedmoedig geknokt door bezopen figuren die er nauwelijks weet van hadden waar ze mee bezig waren.

Ook de wereld van de dieren was in de war. Verschillende soorten knaag- en nachtdiertjes, die normaal in keldergaten en rioolputten verscholen bleven, waren zo van slag dat ze in stoeten over straat trokken. Witte motten dansten in dichte wolken rond de rozetten van de straatlantaarns. Een verdwaalde uil deed soms een krankzinnige uitval naar een vermeende prooi: het deksel van een vuilnisvat of het bultige dak van een auto.

Het was juist de onrust in de stad die het hun mogelijk maakte met een lijk over straat te gaan. Als er niets aan de hand was geweest, zou het vreemde groepje wel zijn opgevallen en zou het zeker de aandacht hebben getrokken van patrouillerende agenten, maar die hadden het nu te druk met het naar huis jagen van dronkelappen en het leeg knuppelen van cafés.

Toen ze bij het kerkhof aankwamen, bleek de poort gesloten.

`Geopend van acht tot vijf’ stond op een bordje op het hek. Albert rammelde aan de kettingen, maar dat bleek zinloos. Hij belde aan bij het huis van de portier, maar niemand deed open. Het duurbetaalde formulier van Hondewater bleek weinig nut te hebben.

Behendig als hij als brandweerman was, klom Albert over het staketsel van de poort. Met vereende krachten hesen de anderen de kist over het hek. Dat ging zo onhandig, dat Albert de kist net niet kon opvangen, zodat die aan de andere kant van de poort op de grond knalde. Hij was uit zijn voegen geraakt en er liep een brede scheur door het deksel.

`Hebt u zich pijn gedaan?’ vroeg Crazy geschrokken.

`Nee’, zei het vrouwtje vanuit de kist. `Maak je over mij geen zorgen. Al lig ik in zeven knopen, ik weet van geen pijn meer.’

Elkaar steunend klauterden de anderen over het hek. Crazy en Albert droegen de gehavende kist. Over het kerkhof lopend viel het hun op hoe anders de lucht er was dan in de stad. Veel planten die lenteachtig geurden, zo vroeg in het jaar al. De wind speelde met de takken van de bomen, wat een bijzonder aardig geluid was. Het verjoeg de onheilspellende sfeer van de plek.

`Ik wil onder de linden liggen’, zei het vrouwtje. `Als ik vroeger de begraafplaats bezocht, wenste ik altijd dat ik daar ooit zou komen te liggen.’

`We hebben een mooi plekje voor u gevonden’, zei Crazy. `Ik weet niet of het linden zijn, maar het is in elk geval onder de bomen.’

`Dan is het goed’, zei het vrouwtje.

Met de schoppen die ze in het tuinhuisje vonden, groeven Albert en Crazy het gat. Mireille ging op een grafsteen zitten, met de dode vogel op haar knieën. Hij was nu helemaal van ijs en zo doorzichtig als glas. David liep wat rond, keek naar de lucht en vloekte naar de maan die af en toe met zijn hondenkop door de wolken loerde. Soms schoten er vreemde lichten door de lucht, vallende sterren die uit de hemel werden getrapt.

Nadat ze een kwartier hadden gegraven, was de kuil al een meter diep. Dat vonden ze welletjes. Ze schoven de kist over de rand.

`Nu gaat het gebeuren’, zei Crazy. `Hou je vast.’

`Het moment van afscheid is veel lichter dan je je tijdens je leven hebt kunnen voorstellen’, zei het vrouwtje. `Ik wil jullie bedanken voor jullie goede zorgen.’

`We hebben het graag gedaan’, zei Crazy, die het echt spijtig vond dat ze het vrouwtje hier moesten achterlaten. Hij had nog heel wat met haar willen bepraten.

`Het is jammer dat we u zo kort hebben gekend’, zei hij, daarmee de gevoelens van hen allen vertolkend.

`Ik ben blij dat ik dat hoor. Zo wilde ik van de wereld vertrekken, van mensen voor wie ik wat betekende.’

`Het vogeltje’, zei David.

Crazy lichtte het deksel op. Het winterkoninkje vloog uit de kist en zocht een plekje in de dichtstbijzijnde boom. Zo trouw als het was aan het vrouwtje, was te verwachten dat het nooit meer van het kerkhof zou verdwijnen.

Crazy durfde niet meer in de kist te kijken en sloot vlug het deksel.

Langzaam liet Albert de kist in het gat zakken.

`Zo is het goed’, zei het vrouwtje. Haar stem klonk al van heel diep. Ze leek al vlug vertrouwd met de geuren van de grond en het donker van de aarde.

Een voor een gooiden ze een paar scheppen zand op de kist, uit eerbied voor al het leven dat in stof verandert. Door het geroffel van de kluiten leek het of er muziek uit het graf opklonk, een wijsje dat veel vrolijker was dan men op zo’n moment zou kunnen vermoeden.

Albert maakte het werk af. Hij gooide het gat dicht en maakte er een heuvel op.

Van de papegaai was alleen nog een glazen beeldje gebleven. Mireille zette het in de verse grond op het graf, waar het heel mooi stond. Een mooie vogel, die niets meer met de dood te maken had. Hij lichtte fraai op, alsof de dag al ging aanbreken.

Naar de ingang van het kerkhof teruglopend zagen ze vanuit gaten in de muren en onder zerken uit doodskopkevers tevoorschijn komen. In rijen spoedden ze zich in de richting van het verse graf. Aan de vraatzuchtige diertjes viel niet te ontkomen.

Over de poort klommen ze terug naar de straat, waar ze werden omsloten door een nacht die beklemmender was dan ooit tevoren.

Ton van Reen: Katapult (26)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (25)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (25) 

♦ Grijze muren

Met een rotvaart, alsof hij door een kat achterna werd gezeten, schoot een grijze muis door de voordeur naar binnen.

`Nou krijgen we het helemaal’, riep Bas verbouwereerd uit. `Hij komt al net zo binnen als de eerste zwarte en de eerste witte muizen! Herejee, zouden er ook nog rode, groene en gele muizen zijn?’

De cafébezoekers keken even op, maar leken de grijze muis wel aardig te vinden en gingen door met het weinige wat ze normaal rond deze tijd deden: drinken en ouwehoeren.

De muis schoot regelrecht op de bar af en verborg zich in een uitgevreten hoekje. Daar bleef hij zitten bibberen.

Bas boog zich naar de muis toe.

`Je hoeft niet bang te zijn’, zei hij bemoedigend. `Hier doet niemand je wat. Daar zorg ik wel voor.’

`Als je wist waar ik vandaan kwam,’ zei de muis, met een accent dat verried dat hij van ver kwam, `dan zou je weten waarom ik bang ben.’ Toch bibberde hij al wat minder.

Bas pakte het diertje op en bekeek de muis vol verwondering. Het was een exemplaar van een slanker soort dan die tot nu toe zijn café bewoonden, hoewel hij een dikke, grijze vacht had die zacht was als velours. En zijn staart was niet zo naakt als bij de andere rassen, maar dik behaard en eindigend in een pluim. Hij had iets van een eekhoorntje. Het was de mooiste muis die Bas ooit had gezien.

`Wie doet je wat?’ vroeg Bas.

`De andere muizen’, zei de grijze schuchter. `De zwarten en de witten. Ze pesten ons.’

`Hebben ze daar een reden voor?’ vroeg Bas, die het nauwelijks kon geloven.

`We zijn anders en we zijn met veel minder’, zei de grijze. `Daarom kunnen ze ons makkelijk aan.’

`Je wilt toch niet zeggen dat andere muizen jullie lastigvallen omdat jullie zwakker zijn?’ zei Bas, bijna kwaad omdat het hem zo onwaarschijnlijk leek. `Het lijkt akelig veel op het gedrag van mensen.’

`Je denkt toch niet dat muizen anders of beter zijn?’ zei de grijze.

`Ik heb het toch altijd gehoopt’, zei Bas teleurgesteld. Hij kwam er steeds meer achter hoe verkeerd hij de muizenwereld had beoordeeld. Misschien kwam het doordat ze zo klein waren dat ze aardiger leken dan mensen, maar onder elkaar bleken ze net zo bloeddorstig en kwaadaardig te zijn.

`Wij grijze muizen trekken altijd aan het kortste eind’, zei de grijze.

`Dan moet je leren je te verweren. Je weet toch dat het leven een gevecht om het bestaan is?’

`We zijn met zo weinig dat we ons nauwelijks kunnen verweren. Ze jagen ons overal op. Wij krijgen alleen de slechtste plekken. Je denkt toch niet dat ik voor de lol van het ene huis naar het andere hol! Ik zou ook liever in een kroeg, een slagerswinkel of een bakkerij wonen. Een gewone zolder of kelder zou ik al heel geschikt vinden.’

`Dan bezet je toch zo’n pand’, zei Bas.

`We zijn niet met genoeg om het echt te durven.’

`Fokken jullie dan minder dan de witten en de zwarten? Als ik zie hoe snel dat volkje zich uitbreidt, dan verbaast het me dat de hele wereld nog niet is kaalgevreten.’

`We krijgen niet de kans om sterk te worden’, zei de grijze. `Ziektes, daar begint het al mee. We leven op de rotste plekken en we krijgen nooit fatsoenlijk te eten. Dat dunt ons volkje aardig uit. Wij grijze muizen hebben een leven van niks. We mogen nog van geluk spreken dat we niet de stad uit gelazerd zijn.’

`Dat kunnen ze toch niet doen’, zei Bas. `Zo hard kunnen andere muizen niet zijn.’

`Reken maar van wel. De zwarten en witten tolereren ons, omdat ze ons nodig hebben. Ze komen ons vragen als er gevaarlijke of vuile karweitjes zijn op te knappen. Zo hebben we laatst dat nieuwe Holiday Hotel bezet. Na maanden de zaak te hebben verkend en toen we door schade en schande te weten waren gekomen waar de vallen en de gifbakjes stonden, mochten we dat aan de zwarte muizen doorvertellen en oprotten. Wij waren niet meer nodig, terwijl wij de kastanjes uit het vuur hadden gehaald. Tientallen van ons zijn omgekomen bij de verovering van dat terrein. Mijn eigen kinderen heb ik gezien in vallen, de koppen ingeslagen. Anderen hebben dagen liggen creperen met het gif in hun lijf.’

`Spijtig’, zei Bas ontdaan. `Dat muizen elkaar het leven zo ondraaglijk maken.’

`En dan moet je weten wat voor een leven we in dat hotel hebben gehad’, zei de grijze muis. `In de paar maanden dat we er zijn geweest, hebben we niets anders gedaan dan vreten. Je hoefde er niets voor te doen. De duurste diners kieperen ze er zo in de vuilnisbak.’

`Daar moeten die patsers de zweep voor krijgen’, zei Bas. `Het is godgeklaagd. Van wat zij wegmieteren, zouden heel wat lui kunnen bestaan. En dan hoor je nog wel eens zeggen dat er honger in de wereld is.’

`Heb jij wat te eten voor me?’

`Ik kamp hier al lang met overbevolking,’ zei Bas, `maar voor één keertje wil ik je wel helpen.’

Hij was nog niet uitgesproken of de grijze was al weg.

`Ik haal mijn familie even op’, riep hij, nog voordat hij de deur uit schoot.

Daar schrok Bas toch wel van. Met hoeveel zouden ze terugkomen? Was het mogelijk nog meer kostgangers te bergen dan hij nu al in huis had?

Kaspar, de forse stamvader van de zwarte kolonie, kwam naar hem toe en keek hem vuil aan.

`Aan wat voor avontuur begin je nou weer?’ vroeg hij nijdig. `Vind je het nog niet welletjes? Moeten die grijze lummels er ook nog bij, nadat de witte muizen hier al de hele zaak hebben bedorven?’

Met lede ogen zag Kaspar aan hoe de grijze muis kwam binnenrennen, aan het hoofd van een volkje van wel dertig stuks, vooral kleintjes, en allemaal even fraai en grijs en met zo’n aardig pluimstaartje.

`Hoe meer ik het gevoel krijg dat ik door muizen word gebruikt, hoe beter ik je bezwaren aanvoel’, zei Bas. `Maar ik kan hen niet weigeren. Zou ik hen er niet inlaten, dan zou ik jullie er allemaal moeten uitgooien. Zwarte muizen zijn me niet liever dan witte of grijze.’

`Als jij ons er niet uit trapt, dan gaan we zelf wel weg’, zei Kaspar kwaad. `Dan zoeken we wel een ander plekje, waar we onszelf kunnen zijn. Ik wil niks met dat grijze gebroed te maken hebben.’

Vol walging zag Kaspar hoe Bas het groepje grijze muizen op een schotel kaas trakteerde. De diertjes vielen er zo hongerig op aan dat wel duidelijk was dat ze in dagen niet hadden gegeten.

`Ze vreten nog onbeschoft ook, de schrokkers’, zei Kaspar venijnig. `Ze zijn niet opgevoed.’

`Dat moet jij nodig zeggen’, stoof Bas op. `Kijk jij maar eens naar jouw eigen zwarte muisjes, daar bij de bloempot. Die heb jij toch opgevoed!’

Niet wetend wat ze deden, vraten de jonge muizen aan de critolis. Een paar hadden de stengel omgebogen en vraten de meeldraden uit de bloem, wat de plant pijnlijke rillingen bezorgde.

`Laat dat, rotzakken!’ riep Bas. Hij gooide een bierviltje naar de onverlaten. Helaas trof het viltje niet de muizen maar de knop van de critolis die, hevig geprikkeld, ogenblikkelijk tevoorschijn kwam, wachtend op meer liefkozingen, maar Bas vond dat ze haar portie wel had gehad.

Ton van Reen: Katapult (25)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (24)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (24)

`Je kunt wel zeggen dat ik vergeten was’, zei het vrouwtje. `Daarom heb ik in mijn laatste jaren zoveel gezopen. Ik had geen geld voor eten, ik gaf alles uit aan drank. Aan de roes. De roes is fijn. Als je dronken bent, voel je je weer als een kind dat nog veel van het leven verwacht. Alleen de kater moet je niet te vaak meemaken.’

Crazy schonk koffie in. Van de geur werden ze allemaal een beetje wakker.

David bleef slapen. Mireille luisterde naar zijn ademen. Hij zag er lief uit, zo. Hij had nu niets van het uitgekookte knaapje dat situaties aardig naar zijn hand kon zetten en heel gewiekst voordeel haalde uit het feit dat hij nog een kind was.

Crazy keek naar het plafond. Hij vroeg zich af wat er moest gebeuren. Voor het eerst zag hij dat het plafond, dat vroeger ooit wit was geweest, door rook en kookvocht zo was aangetast dat er een hele landkaart van bruine barsten in te zien was. Met een beetje fantasie kon hij soms de grenzen van bestaande landen ontdekken, maar het was vreemd Frankrijk aan IJsland te zien grenzen en de Noordpool in de hoogtelijntjes van Brazilië terug te vinden. De provincie Limburg leek een ontzagwekkende mogendheid, grenzend aan de lilliputlaars van Italië.

`Jullie moeten me nu begraven’, zei het vrouwtje. `Ik zie dat jullie vrede met elkaar hebben. En met mij. Dat is voor mij genoeg. Nu kan ik in alle rust van de wereld af. Van jullie verwacht ik dat jullie me een laatste rustplaats bezorgen.’

`Dat gaat zo makkelijk niet’, zei Albert bedachtzaam. `Je komt het kerkhof niet op zonder langs de doodgraver te komen. Hij woont bij de poort. Hij heeft een overlijdensattest nodig. Dat kan alleen een dokter afgeven.’

`Ik zal Hondewater laten komen’, zei Crazy. `Mijn huisarts. Hij woont twee deuren verder. Hij kan zo’n attest schrijven.’

Hij verliet de kamer. Hij was zo vlug terug met Hondewater, dat het leek of de man op hem had zitten wachten.

Hondewater was een al wat oudere, grof gebouwde man, een soort buldog in een mensenpak. In zijn blauwe ogen lag een kille blik. Met hem kwam een ijskoude stroom lucht de kamer binnen.

`Hondewater’, zei hij, om zich voor te stellen, en hij opende direct zijn tas. Hij keek nauwelijks naar wie er in het vertrek waren. Hij had alleen maar aandacht voor het dode vrouwtje op het vloerkleed en boog zich over haar heen.

`Ze is morsdood’, zei hij, ofschoon hij haar nog niet had aangeraakt. `Je zou dat ongedierte van haar moeten afhouden.’ Hij doelde op het vogeltje dat op haar voorhoofd zat. `Ik vind dat je hier beter moet stoken. Het is hier koud.’

`Dat is het nog maar net’, zei Mireille, zich zwak verdedigend. `Vanaf dat u binnen bent. Daarvoor was het warm.’

De man hoorde het niet of wilde het niet horen.

Crazy huiverde. Hij zag dat er zich kleine kristallen van dun ijs op de ruiten vormden. En ook op de glazen in de kast ontstonden sterretjes. Het verbaasde hem. Hoe kon het hier zo vlug koud worden, terwijl ze toch met zovelen in dit kleine kamertje waren?

David werd wakker van de kou. Half slapend kroop hij overeind en hij keek om zich heen om te zien waar hij was. Hij herkende de plek en was gerustgesteld. De korte tijd die hij had geslapen, had hem goedgedaan. Voor iemand die uit zijn slaap was gehaald, keek hij bijzonder helder uit zijn ogen.

Nu pas zag David het dode vrouwtje. Hij schrok. Hij kende haar.

`Ik wilde haar vaak goedendag zeggen’, zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen wie ook. `Ik durfde niet. Ze zag me nooit. Ze keek over iedereen heen.’

`Kunnen we haar nu begraven?’ vroeg Crazy aan Hondewater.

`Als je betaalt. Dat maakt honderd piek.’

`Honderd piek?’ schrok Crazy. `Waarvoor?’

`Om me te betalen natuurlijk’, zei Hondewater. `Als je hebt betaald, schrijf ik het attest. Je denkt toch niet dat ik voor niks ben gekomen?’

`Ze heeft geen cent’, huiverde Crazy. Zijn voeten waren ijskoud.

`Jíj moet betalen’, zei Hondewater. `Jíj wilt haar toch begraven?’

`Waar moet ik honderd piek vandaan halen?’ Stilletjes hoopte Crazy dat het vrouwtje wat zou zeggen, maar ze hield haar mond. Dat gezwets over geld was natuurlijk te banaal voor haar.

`Contant betalen’, zei Hondewater.

`Ik heb geen honderd piek’, zei Crazy.

`Ik betaal wel’, zei Albert, die van de akelige man af wilde zijn. Hij haalde een briefje van honderd uit zijn portefeuille en gaf het aan Hondewater. De dokter krabbelde wat op een formulier, gaf het aan Albert en verdween als een haas die in zijn kont was geschoten.

`Het ruikt hier steeds lekkerder’, zei Mireille, hoewel haar stem haast stikte in de tranen.

`Het ruikt hier naar een ijskar’, zei David. `Vanille en fruit.’

Ton van Reen: Katapult (24)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (23)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (23)

`Hoe heet ze?’

`Dat weet ik niet. Ze heeft ons haar naam niet genoemd.’

`Bij leven heette ik Jannie Jasmijn’, zei het vrouwtje.

`Verrek,’ zei Albert getroffen, `Jannie Jasmijn. Je was een beroemdheid toen ik nog jong was. Je moet toen al in je nadagen zijn geweest, maar je was een uitstekende zangeres.’

`Dat werd wel gezegd’, zei het vrouwtje grimmig.

`Ik heb mijn vader vaak over je horen vertellen’, zei Albert. `Hij had je zien optreden in de danstenten aan het Rembrandtplein. Ik wist niet dat je zo oud bent geworden. Ik weet niet anders dan dat je bent gestorven toen je nog beroemd was, want ik heb al jaren niets meer van je gehoord.’

`Je hebt gelijk’, zei het vrouwtje. `Een jaar of dertig geleden was ik nog bekend. Zo had ik de geschiedenis willen ingaan, dan had ik nu in elke encyclopedie gestaan. Ik heb mezelf overleefd.’

Crazy zette water op voor koffie. Het geruis van het gaspitje schiep een huiselijke sfeer in de kamer.

`Eigenlijk heette ik Heintje Steinbach’, zei het vrouwtje. `Maar mijn manager vond dat niet klinken. Jannie Jasmijn klonk veel meer Mokums.’

`Je zong toch ook in het Mokums’, zei Albert.

`Dat was een van mijn talenten’, zei het vrouwtje. `Ik kon zingen wat me voor de voeten kwam, elke taal, elk dialect.’

`Er waren ook heel wat onaardige verhalen over je in omloop’, zei Albert.

`Zeg het maar gerust’, zei het vrouwtje. `Ze zeiden dat ik een hoer was.’

`Zo erg was het nu ook weer niet.’

`Het was toch waar’, zei Jannie fel, en dat klonk heel raar, want welke vrouw zou toegeven dat ze een hoer was! `Ik gaf me af met de verkeerde mensen. Het is jammer dat ik dat pas later wist. Te laat, anders was ik misschien geëindigd als een nette mevrouw, achter gordijnen en bloempotten, want ik heb heel wat dure jongens aan de haak kunnen slaan.’

`Misschien was je dan zelf zo’n bloempot geworden’, zei Albert.

`Je hebt gelijk. Zo’n mevrouw, dat was voor mij niets geweest. Maar ja, als het te laat is, daarna pas ga je redeneren. Dan kun je de dingen niet meer doen die je achteraf eigenlijk graag had gedaan. Ik heb er vaak van gedroomd kinderen te hebben. In de jaren dat ik ze had kunnen krijgen, had ik er nooit tijd voor.’

Ze waren er stil van. Mireille huilde een beetje. Ze kon niet tegen dit soort gesprekken.

`Je hoeft er niet om te huilen kind’, zei het vrouwtje. `Zo draait het leven zijn rondjes. Pas achteraf weet je wat goed voor je zou zijn geweest.’

Het water kookte. Crazy zette koffie. Het viel hem nu pas op dat het vrouwtje sprak zonder dat haar mond bewoog. De stem kwam uit haar als uit een sprekende pop.

`Op de plaats waar nu de Disco staat,’ zei het vrouwtje, `daar stond vroeger mijn eigen cabaret. Daar ben ik jarenlang de trekpleister geweest. In de jaren twintig. Het gaat zo voorbij. Over een jaar of tien zal de Disco ook verdwenen zijn. Dan staat er weer een tent die past bij de volgende mode. God weet komt er weer een tijd dat ze de valeta dansen en dat jongens meisjes het hof maken.’ Daar moest ze zelf hard om lachen.

`Alles is mogelijk’, zei Crazy. `De geschiedenis herhaalt zich.’ Zijn stem klonk alsof hij het zelf niet geloofde.

Ton van Reen: Katapult (23)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (22)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (22)

`We zijn er’, hijgde Crazy, blij dat hij onderweg geen moeilijkheden had gehad met nieuwsgierige mensen of politie. `Hier is mijn paleisje op zolder.’

`Ik wil graag zien hoe je leeft’, zei het vrouwtje.

`Ik neem u mee naar boven,’ zei Crazy, `maar hoe krijg ik de kist de trap op?’

`Het kan ook zonder kist. Je kunt me dragen.’

Crazy trok de deur open aan het touwtje dat door de brievenbus hing. Voorzichtig haalde hij het vrouwtje uit de kist. Ze was zo stijf als een plank en kraakte verschrikkelijk, maar ze was zo licht als een vogeltje. Even huiverde hij toen hij de koude van het dode lijf door zijn kleren heen voelde, maar hij vermande zich en liep de trap op. Hij hoopte niemand van de andere bewoners van het huis te ontmoeten. Wat zouden die ervan denken als ze hem zouden tegenkomen met een dood vrouwtje? Ze wisten natuurlijk wel van hem dat hij vreemde lieden in huis haalde en hij had hun dat ook altijd tot op zeker hoogte kunnen verklaren, maar hoe zou hij hier woorden voor kunnen vinden?

`Hou je taai’, zei hij tegen het vrouwtje. `De trap is steil, maar ik ben van goede wil.’

`Je hoeft helemaal niet voorzichtig met me te doen’, zei ze bijna vrolijk. `Ik voel helemaal niets. Mijn lijf is alleen nog maar verpakking. Ik vind het fijn dat je me mee naar boven neemt, maar ik wil er niet te lang blijven. Het lijkt me niks om te liggen schimmelen in een bovenhuis.’

`Het heeft hier ook nooit naar bloemen geroken’, zei Crazy. Hij nam nu twee treden tegelijk, zoals zijn gewoonte was. Het vrouwtje leek ook steeds minder te wegen. Soms sloeg haar hoofd met een droge klap tegen de leuning. Ze leek er inderdaad niets van te voelen. Ze gaf geen kik.

Mireille zette het karretje achter de deur en volgde de twee naar boven, met de schoenen van het vrouwtje in de hand, aftrappers waar de armoede van afstraalde.

Het vogeltje, dat het vrouwtje tot in de kist had vergezeld, vloog met haar mee. Het kon blijkbaar geen moment zonder haar.

Toen ze de overloop bereikten, ging tot hun verbazing de deur van de kamer open.

`Vader!’ riep Mireille uit. Geschrokken liet ze de schoenen uit haar handen vallen. Ze vielen van de trap af naar beneden.

Ontdaan keek Albert naar het vreemde drietal. Hij deed een stap achteruit en wilde de deur dichtgooien.

`Ben maar niet bang’, zei Crazy. `Ze is dood.’

`Dood?’ zei Albert, met een stem die vreemd klonk. Hoewel hij als brandweerman toch heel wat was gewend, bleef het begrip in hem steken.

`We moeten plaats voor haar maken’, zei Crazy, die zag dat zijn kamer wel wat klein was voor hen allen.

`Doe voor mij geen moeite’, zei het vrouwtje. `Je kunt me onder de tafel leggen.’

Crazy legde haar op de mat. Het vogeltje streek neer op haar hoofd en bleef daar rustig zitten.

`Hoe komen jullie hier?’ vroeg Mireille.

`Het komt door David’, zei Albert. `Toen ik naar de kroeg was, heeft hij de pest in gekregen. Hij kon er niet tegen om alleen thuis te zijn.’

`Dat is mijn schuld’, zei Mireille geschrokken. `Ik had thuis moeten blijven. Ik laat hem vaak alleen.’

`Je zou ook mij een groot plezier doen als ik je eens thuis zou treffen’, zei Albert.

`Je hebt gelijk’, zei Mireille. `We zien elkaar nooit.’

`Hoe kom je nou aan dat vrouwtje?’ vroeg Albert, die nog steeds geen vat op de situatie had.

`Ik ben wel van haar geschrokken,’ zei Mireille, `maar ze is heel lief. Ze stond op straat, in de kist, en ze had ons nodig.’

Ton van Reen: Katapult (22)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (21)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (21)

`Wat kunnen we voor u doen?’ vroeg Crazy.

`Ik wil op een warme manier afscheid nemen van de wereld’, zei het vrouwtje zacht. `Ik heb te veel kou geleden. Toch ben ik er zeker van dat er mensen bestaan die van me kunnen houden. Ik wil niet zomaar van de wereld worden geschopt. Om de eeuwige vrede te krijgen moet je ook in vrede van de wereld verdwijnen, dan ga je niet echt dood. Wie in het hart van de mensen doorleeft, blijft aanwezig, dat is de hemel. Als je de wereld afstapt zonder dat iemand van je heeft gehouden, dat is de hel.’

`Heeft dan niemand van u gehouden?’ vroeg Crazy.

`Ik was de laatste jaren helemaal alleen. Ik hoefde nooit meer mijn mond open te doen.’

`U hebt jaren met niemand gepraat?’ vroeg Mireille verbaasd.

`Ik was over. Niet dat het alleen aan de anderen lag, het was ook mijn eigen schuld. Ik kon niet makkelijk meer met mensen overweg.’

`Had u een hekel aan mensen?’

`Nee, dat was het niet, maar ik had het afgeleerd met mensen om te gaan. Het grootste deel van mijn leven ben ik in de watten gelegd. Toen ik jong was, was ik de koningin van de glitter. Ik had de mensen niet nodig. Ik hoefde maar met mijn vingers te knippen om ze voor me te laten kruipen. En ook met mijn geld was ik hen de baas. Daarom heb ik geen echte omgang met mensen gekend. Ik leefde in een nepwereld. Toen mijn rijk instortte, bleef ik alleen, want wie me om mijn geld had liefgehad, had nooit echt van me gehouden. Ik bleef stom achter. Ik had het praten en het omgaan met mensen verleerd. Ik was stom en doof voor anderen geworden. En er was niemand meer die mij iets te zeggen had.’

`Hebt u dan helemaal geen familie?’ vroeg Mireille hoopvol. `Kennissen? Hoort u dan helemaal bij niemand?’

`Niemand wilde me meer hebben’, zei het vrouwtje. `Ik had ook het lef niet meer met anderen in contact te treden. Als je oud bent, denk je dat niemand je nodig heeft. Het oud zijn, dat maakte het voor mij alleen maar eenzamer.’

`Ik begin u al een beetje te kennen’, zei Crazy. `U zegt alles erg openhartig.’

`Ja, nu ik dood ben, durf ik alles’, lachte ze, een beetje bitter. `Ik was echt een stadstype geworden. Zo noemen ze dat toch, een stadstype? Dat klinkt heel aardig en dat is voor menigeen een excuus. Je kon me dagelijks tegenkomen in de Kalverstraat.’

`Ik kom daar nooit’, zei Crazy.

`Ik was overal waar veel mensen waren. Daar kon ik niet buiten. Ik heb ze altijd om me heen gehad, veel mensen. Ik moest ze wel opzoeken toen ze niet meer naar mij toe kwamen.’

`We laten u niet alleen’, zei Mireille.

`Dank je,’ zei het vrouwtje, `maar dan moeten we nu wel als de bliksem hiervandaan. Dadelijk komen die twee kerels terug.’

`Daar wachten we niet op’, zei Crazy.

`Waar nemen jullie me mee naartoe?’

`Eerst naar mijn kamer’, zei Crazy. `Dan zien we wel verder. Het is er wat klein, maar trekt u zich dat niet aan.’

Het karretje voor zich uit duwend zette hij er flink de pas in, om zo snel mogelijk buiten het bereik van de kerels te komen, maar ook omdat hij zelf eigenlijk niet wist wat hij van deze vreemde vertoning moest denken. Hij hoopte niemand op straat tegen te komen.

`Het is lang geleden dat iemand zich over mij ontfermde’, zei het vrouwtje opgewekt. Ze leek helemaal geen ongemak te ondervinden van het liggen in de kist op het hobbelende karretje. `Ik ben blij dat ik jullie heb ontmoet. Jullie zijn aardig. Met jullie erbij kan ik makkelijker van de wereld afscheid nemen.’

`Houden we dan nu al genoeg van u?’ vroeg Mireille.

`Daar ben ik zeker van’, zei het vrouwtje.

`Is het zoveel anders dood te zijn?’ Mireille dacht aan haar moeder.

`Nee’, zei het vrouwtje. `Dood zijn is heel gewoon. Dat moet voor velen een grote teleurstelling zijn. Wat het belangrijkste is, je verwacht niets meer en je hoeft niets meer. De rust dat aan alles is voldaan. De koude, die voel je niet meer. En eten, dat hoeft niet meer. En koffie. Als ik vroeger koffie rook, wilde ik koffie. Nu heb ik niets meer nodig. Alleen het afscheid nog.’

Crazy liep steeds harder, zodat Mireille achter hem aan moest hollen en ze rennend de Goudsbloemstraat bereikten.

Ton van Reen: Katapult (21)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (20)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (20)

Ze stapten binnen in het café op de hoek en lieten de kist gewoon op het trottoir achter. Blijkbaar waren ze zo gewend met lijken om te gaan dat ze er niet het minste respect meer voor hadden en er slordig mee omsprongen.

Mireille durfde geen stap te verzetten, maar Crazy vermande zich en liep naar de kist.

`Je kunt nooit weten’, zei hij, vooral om zichzelf moed in te spreken. `Sommige mensen halen aardappels in een vioolkist.’ Voorzichtig lichtte hij het deksel op. Er kwam een frisse lucht uit de kist, de geur van afrikaantjes en radijs. Hij zag een vrouwtje liggen, in het zwart, en zo fragiel dat ze niet meer dan een pop leek. Er lag een glimlach over haar waskleurige gezicht. Ze was mooi en dood. Er zat een klein vogeltje op het hoofdeind, dat onrustig tegen het hout tikte met zijn gele snaveltje, op zoek naar insectjes.

`Goedendag’, zei het vrouwtje.

Crazy stond als aan de grond genageld.

`Neem me niet kwalijk’, zei hij, met een stem die trilde van de zenuwen. `Ik was nieuwsgierig. Die kerels sloegen rare praat uit waardoor ik meer over de kist wilde weten. Ik dacht dat u dood was. Ze hadden het over een lijk.’

`Het is waar, ik ben dood,’ zei het vrouwtje, `maar daarom hoef ik mijn mond nog niet te houden.’

`Dat is op zijn minst vreemd’, zei Crazy.

`Ik moet ook zeggen dat het vreemd is’, zei het vrouwtje. `Eigenlijk vind ik het wel leuk dat ik nu ook aandacht trek. Ik heb jaren over straat gelopen zonder dat iemand me zag.’

`Ik heb u nooit gezien’, zei Crazy.

`Dat wil ik wel geloven’, zei het vrouwtje. `Het zal geen kwade wil van je zijn geweest, maar toch heb ik zo lang door de stad gezworven dat iedereen die me nooit heeft gezien langs me heen moet hebben gekeken.’

Ze had een zachte, innemende stem. Als je haar leeftijd moest raden aan haar stem zou je denken dat ze nog geen vijftig was.

`Ik ben blij dat je een nieuwsgierig type bent’, zei ze met een lachje. `Die twee bruten wilden me zo in de gracht gooien. Misschien dat jij aardiger bent en wat meer aandacht aan mijn afscheid van de wereld wilt besteden.’

Mireille, die zag dat Crazy in gesprek was, kwam aarzelend dichterbij. Ze keek in de kist.

`Ze is het’, schrok ze. `Het vrouwtje uit de Disco.’

Crazy keek haar verbaasd aan.

`Ik heb haar al gezien in de Disco. Ze zat op de wc en ze was dood.’

`Dat klopt’, zei het vrouwtje. `Jij ging van je stokje, nog voor ik wat kon zeggen.’

`Ik kon er niks aan doen’, zei Mireille. `Ik schrok me kapot.’ Ze voelde zich een beetje schuldig.

`Waar sjouwen ze met u naartoe?’ vroeg Crazy.

`Bij de Disco hebben ze me meegegeven aan een paar lijkenpikkers. Kijk, normaal hadden ze er de politie bij moeten halen, maar dan hadden ze de zaak wel kunnen sluiten. Je had eens moeten zien hoe die kelners in paniek waren toen ze me vonden. Ze deden alsof hun zaak er onmiddellijk door naar de knoppen ging.’

Ton van Reen: Katapult (20)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (19)

KATAPULTLOGO114Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (19)  ♦  Het dode vrouwtje

Crazy rekende af.

Bas was druk bezig met het voeren van de muizen. Hij sneed grote stukken kaas af.

`Je kunt net zo goed een huis vol kinderen hebben’, zei Crazy. `Dat is zeker niet meer werk.’

`Je hebt gelijk. Als het nou maar werd beloond met wat liefde’, klaagde Bas. `De laatste tijd lijkt het erop dat het alleen nog maar mijn plicht is dat ik hen voer en dat het hun enige plicht is te vreten.’

`Misschien ligt het aan de tijd van het jaar’, troostte Crazy. `Mensen hebben ook van die periodes dat ze met alles de vloer aanvegen.’

`Dan duurt bij muizen die periode wel erg lang’, zei Bas.

Over een paartje heen stappend, dat net voor het deurgat zat te vrijen, liepen Crazy en Mireille naar buiten.

De straten waren opgedroogd. Kleine propellertjes vlogen laag boven de stoep. Torren en kevertjes met scherpe schaartjes aan hun bek, die elkaar in kleine eskaders bestreden. Het was een oorlog op leven en dood om het bezit van een stukje straat, een paar takken van een boom of een rioolput.

Uit een huis ergens aan de gracht klonk het geluid van rinkels en bellen. Mireille stond stil. Ze kende die plaat, de Sparks. Ze verbaasde zich erover dat de muziek nu heel anders klonk, terwijl de plaat toch dezelfde was. Of hóórde ze de muziek opeens anders? Crazy keek haar vragend aan. Ze kon het niet uitleggen, ze voelde zich alsof ze in een paar uur tijd jaren ouder was geworden.

Een vreemd stelletje verscheen om de hoek. Twee mannen die een karretje duwden waarop een doodskist stond. Ze leken het met elkaar oneens te zijn, want ze praatten op ruzieachtige toon. Voor de veiligheid trok Crazy Mireille een portiek in.

`Ik laat me niet langer opschepen met dit soort karweitjes’, hoorden ze een van de kerels, een wat oudere man, zeggen. `Een fatsoenlijke dooie onder de grond stoppen, dat vind ik nog tot daaraan toe, maar ze moeten me niet zo’n kreng van een wijf op mijn nek laden. We hebben lang genoeg met haar gezeuld. We flikkeren haar in de gracht.’

`Heb je er vaker in de gracht gekieperd?’ vroeg de ander die, aan zijn stem te horen, veel jonger moest zijn.

`Jazeker’, lachte de oudere. `Je moet het vak nog leren knaap. De gracht in, dat is hetzelfde als van gemeentewege worden begraven. Dacht je dat zwervers er ene moer om geven waar ze terechtkomen na hun dood?’

`Daar heb je gelijk in’, zei de jongste. `Toch vind ik dat we haar niet zomaar kunnen laten barsten. We worden ervoor betaald om haar te begraven. Ze hoort eigenlijk nog twee dagen boven aarde te staan, het lijk is nog niet koud.’

`Wat kan jou dat schelen?’ zei de ander. `Bij de Disco willen ze er geruisloos vanaf. Die briefjes van honderd die we gevangen hebben, die kun jij toch zeker ook goed gebruiken? Nemen we haar mee naar de zaak en leggen we haar keurig af, dan is het geld voor de baas. Vind jij dat aardig?’

`Denk je dat het niet opvalt als ze in de gracht drijft?’

`Wie? Er springen er uit zichzelf al zoveel in. Vorige week heb ik er twee opgevist.’

`Maar als ze haar vinden?’

`Wat dan nog? Dan verdient de baas ook nog wat aan haar. Als niemand voor haar dokt, komt de gemeente over de brug.’ Hij lachte vrolijk.

`Toch stuit het me tegen de borst’, zei de jongste.

`Kom op’, zei de oudste vaderlijk. `We pakken er een pilsje op, dat jij over je zenuwen heen komt. Als je er een paar achter je kiezen hebt, dan wil je ook van haar af. Dan is het een koud kunstje de kist op de kop boven het water te houden. Het is effe wennen, jongen, de eerste keer is alles moeilijk, maar elk vak kent zijn trucjes.’

`Goed’, zei de jongeman. `Een pilsje drinken kan niemand ons verbieden. We zijn toch al overuren aan het maken met dat wijf.’

Ton van Reen: Katapult (19)

wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (18)

♦ Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (18) ♦ Het zolderraampje ♦ Toen Albert eindelijk, zwetend van ellende, Davids briefje onder de asbak vond en de lege plek zag waar de kooi van Michelin had gestaan, was het hem alsof hij door de bliksem was getroffen. Hij vergat zijn moeheid. Hij rende de straat weer op en stond een kwartier later al in de Goudsbloemstraat, het straatje in de Jordaan waar Crazy woonde. Een rommelig buurtje met een vriendelijk karakter. Op het nummer waar hij moest zijn, vond hij zeven verschillende naamplaatjes op de deur, doorgekrast, overgeschreven of onleesbaar. Niet de naam van Crazy. Eigenlijk wist hij niet precies hoe de jongen heette. Het zou waarschijnlijk een gewone Hollandse naam zijn, De Boer, De Jong, of Teixeira de Mattos, of zoiets. Hij herinnerde zich ooit te hebben gehoord dat Crazy een zolderkamer bewoonde en als brandweerman wist hij dat de huizen in deze buurt gewoonlijk maar één zolderkamer hadden.

Hij trok aan het vettige touwtje dat door de brievenbus hing. De deur sprong open. Een verveloze hal. Een stapel vuilniszakken in de hoek. Oude kranten als vloerbedekking. Een fiets die er met leeggelopen banden moedeloos bij stond. Op de muur gore teksten, haveloze affiches en vergeelde briefjes met boodschappen voor bewoners die blijkbaar niet meer thuiskwamen of allang waren vertrokken. En een uit een kerk gepikt bord: ‘stilte in het huis des heren’.

Het zag er niet naar uit dat er ooit iets aan het onderhoud van het huis werd gedaan. KATAPULTLOGO114Het leek wel een opengehaald kerkhof. Hoewel hij vaak genoeg in dit soort huizen was geweest, kon Albert zijn walging nauwelijks onderdrukken. Van die uitgewoonde kooien, waar huisjesmelkers goud aan verdienden door er zo veel mogelijk studenten of gastarbeiders in onder te brengen. Hoe vaak fikte dit soort woningen niet af? Door de zelf aangebrachte elektrische aftappingen, kolenhaardjes op planken vloeren en kurkdroge hopen troep in gang en trappenhuis waren het brandgevaarlijke tenten. Geen hond keek ernaar om. De bewoners zelf leken ook weinig hart voor het huis te hebben. Ze lieten het rotzooitje voor wat het was.

Albert liep de trap op. Sommige treden zakten door. Hij voelde zich net een inbreker, ook al zag het er niet naar uit dat in dit huis wat weg te halen viel.

Hier en daar achter de deuren was geluid. Muziek. Ergens was iemand aan het timmeren. Aan niets merkte je dat het nacht was.

Op de bovenste verdieping vond hij één deur. Hij klopte. Het bleef stil. Voorzichtig drukte hij de klink omlaag. Blijkbaar sloot hier niemand wat af. Hij kon zo naar binnen lopen. Direct achter de deur vond hij de lichtknop. Een grote zolderkamer.

Albert haalde opgelucht adem. David lag in bed. Hij sliep. En ook de papegaai sliep in zijn kooi, die een plaats had gekregen op het aanrecht.

Albert ging op de rand van het bed zitten en keek rond. Er was een miniem keukentje, waarvan het aanrecht onder de dakkapel was aangebracht. Een rode geranium profiteerde er van het licht, maar hij moest nodig worden gedraaid, want hij trok scheef. Vanuit het raam was er uitzicht over de dakenrijen, de duivenplatjes, de bossen televisieantennes en de duizenden lichten van de stad. De kamer was een voortzetting van het huis, één grote puinhoop. De tafel lag vol met papieren en boeken. Over de hele vloer lagen kranten en afval van onherkenbare herkomst. De muren hingen vol knipsels, tekeningen, kreten, meiden uit pornoboekjes, foto’s van dieren, en portretten van Lenin, Marx en Mao. Die jongen woonde in een boekenkast. De rekken lagen vol en tegen de muur stonden stapels boeken opgetast. Ze zagen eruit of er zo nu en dan een storm doorheen ging. Veel lagen er open en waar je er maar in keek waren de marges volgeschreven. Hele stukken, waar de lezer het blijkbaar niet eens was met de schrijver, waren doorgestreept.

De matras piepte. David werd wakker.

`Hallo’, zei hij slaperig. Het klonk toch een beetje blij.

`Weet je wat je hebt gedaan?’ vroeg Albert.

`Ja. Ik was alleen thuis.’

`Hier ben je toch ook alleen?’

`Hier kan ik beter slapen.’

`Wat zegt Crazy ervan dat je hier bent?’

`Crazy begrijpt alles. Ik ken hem goed.’

`Kom je vaak bij hem?’

`Als ik me verveel. Hij vindt het altijd goed als ik kom.’

`Ik dacht dat hij alleen met Mireille omging. Jullie zijn dus ook vriendjes?’

`Ja, al lang.’

Albert besefte dat hij weinig over zijn zoon wist.

`Ik ken die Crazy niet zo goed’, zei hij. Hij durfde eigenlijk niet te zeggen dat hij hem heel vreemd vond. Zo’n dichter. Zou hij met zo’n warhoofd kunnen praten?

`Jullie maken toch geen ruzie?’ vroeg Michelin, die van hun praten wakker was geworden.

`Nee’, zei Albert. `We praten alleen maar wat.’

`Hoe lang denken we hier te blijven?’ vroeg Michelin. `Of moet ik weer door de nacht naar huis?’

`Van mij mag je hier blijven’, zei Albert.

`Het is hier een zootje,’ zei Michelin, `al vind ik dit plekje wel prettig. Zo’n mooie stek heb ik van mijn leven nog niet gehad. Op de Overtoom zag ik alleen maar de overkant van de straat, hier zie ik de halve stad. Ik wed dat ik hier de zon kan zien opkomen.’

`Ik wil niet meer naar huis’, zei David. `Zeker vandaag niet’, zei hij er wat zachter achteraan.

`We zouden een ander huis kunnen zoeken’, zei Albert na een poosje. `Een waar we de zon zien opkomen.’

`Een ander huis helpt niet’, zei David. `Jij zou wat vaker thuis moeten zijn.’

Daar had Albert geen antwoord op. Hij stond op en liep naar het raam, alleen maar om naar buiten te kijken.

`Ga je weer weg?’

`Nee’, zei Albert. `Ik blijf bij je.’

David trok de deken over zich heen en probeerde weer te slapen. Hij vond het prettig dat zijn vader bij hem bleef. Gek, dat hij van huis weg moest lopen om zijn vader bij zich te hebben.

Albert zag dat de papegaai alweer door zijn poten was gezakt en sliep, zo zwaar dat hij bewusteloos leek. Een lief dier, dacht Albert. De papegaai wilde nooit iemand tot last zijn. De vogel begreep hoe beroerd het gezin eraan toe was, maar zelf klaagde hij nooit. Hij had niet meer nodig dan een stok en een voerbak in een kooi van veertig centimeter doorsnee.

Opeens zag Albert de foto van zijn vrouw uit de binnenzak van Davids jas steken. Hij schrok. Het portret was gehavend. Een snede liep dwars door het gezicht, waardoor de foto voorgoed was bedorven. Was het altijd geweest alsof ze je aankeek en haar blik je door het hele huis volgde, nu leek het alsof haar ogen waren verblind door fel licht.

Albert vond een rolletje cellotape. Zo goed als het kon repareerde hij de scheur, maar het beeld op de foto was niet te herstellen. Ter hoogte van haar jukbeen bleef een deuk in haar gezicht en het bovenste deel van de neus zat niet meer recht op de onderste helft. Ook haar rechteroog was onherstelbaar, al pasten de stukken precies op elkaar, maar door de streep die dwars door de pupil liep, was het net of ze met dat oog dubbel keek. Het leek alsof ze hem niet meer durfde te zien. Of ze hem wat verweet.

Hij stak de foto in zijn portefeuille en ging in een stoel zitten. Hij begreep het niet. Vandaag zat alles tegen. Maar dat zijn kinderen het thuis helemaal niks meer vonden, dat lag hem het zwaarst op de maag. Hij zou er zelf voor moeten zorgen dat zijn huis weer de warmte kreeg van een eigen nest, waar het behaaglijk was. De kinderen moesten er leven. Daar stond hij te weinig bij stil. Hij moest het huis veranderen. Hij zou er met de kinderen over praten. Ze konden zeggen hoe ze het hebben wilden. Ze konden toch niet eeuwig alles laten zoals het altijd was geweest, alleen maar omdat zijn vrouw de dingen ooit zo had neergezet. De spullen die van haar waren, die bleven belangrijk, maar ze zouden ook moeten kunnen leven zonder al die dingen om zich heen. Zijn vrouw had het huis karakter gegeven. Dat had hij pas beseft toen ze er niet meer was, maar hij mocht van het huis geen museum maken. Wat ze zich herinnerden van haar, dat was goed. Maar nu moest het huis worden aangepast aan de opgroeiende kinderen.

De warmte in de kamer overviel hem. Net of hij te veel had gedronken, zo rozig voelde hij zich. Het was een prettig gevoel. Hij herkende het van vroeger, thuis, toen hij nog een kleine jongen was. Als hij ‘s winters de hele dag in de vrieskou had gespeeld en dan ‘s avonds in het halve donker met blote benen voor de rode gloed van de haard zat, kabouters vermoedend in de kast, en duivels en heksen in elke hoek, zodat hij niet durfde op te kijken, want zien was gezien worden. De rozige warmte die dan vanuit zijn benen optrok door zijn hele lijf en in zijn kop bleef hangen als koorts. Een prettige koorts.

Ton van Reen: Katapult (18)

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (17)

KATAPULTLOGO114

Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (17)

Soort zoekt soort

Mireille drentelde buiten wat rond. Ze kwam tot rust. De angst die haar was bijgebleven na het voorval in de Disco, kon ze op straat van zich afzetten. Maar ze kon niet besluiten wat te doen. Ze had er geen zin in naar huis te gaan, hoewel ze begreep dat ze de Disco de eerste dagen beter kon mijden. Ze wist ook niet waar anders naartoe te gaan. In andere gelegenheden kwam ze nooit. Ze kende niemand. Ze was te verlegen en misschien wel te bang om zomaar in haar eentje ergens binnen te lopen.

Over het plein wandelend viel haar op hoeveel drentelaars er rondhingen. Van die typen die zich elke avond piekfijn opdoften om uit te gaan, maar nooit ergens over de drempel durfden te stappen. Gasten die uren dezelfde rondjes liepen, maar niemand durfden aan te kijken, bevreesd als ze waren uit de toon te vallen en zich dan geen houding te weten. Ze betrapte zich erop dat ze nu pas oog voor deze lieden had gekregen, doordat ze zich plotseling in dezelfde situatie bevond.

Opeens zag ze Crazy. Hij stond voor de etalage van een boekhandel. Ze was blij hem te zien.

`Hé, Crazy!’ riep ze, terwijl ze naar hem toe liep. `Wat doe jij hier?’

`Ik kijk naar wat er de laatste dagen is verschenen’, zei Crazy. `Ik voel me vreselijk ongelukkig als ik niet de laatste nieuwe titels ken.’

`Lees je dat allemaal?’

`Ben je gek, ik kijk er alleen maar naar. De laatste tijd verschijnt er vooral strandliteratuur. Tegen de zomer worden er losse flodders op de lezers afgeschoten.’

`Strandliteratuur?’ vroeg Mireille. `Vakantieboeken?’

`Juist. Boeken die je alleen maar leest om ze te vergeten.’

Hij zag dat de avondkranten geen gras over het nieuws van de branden hadden laten groeien. Schreeuwende koppen, de een nog ophitsender dan de ander. Hoewel geen hond wist hoe de branden waren ontstaan, ging Het gerucht van de dag al zo ver dat het de `schuldigen’ met foto en al op de voorpagina had staan: een stelletje vreedzaam ogende jongelui, verzameld onder het portret van Marx en Che Guevara. Zo te zien een progressief debatingclubje. De jongens waren zich waarschijnlijk van niets bewust, maar dat was de krant een zorg. Dat was de stijl van Het gerucht: zoeken waar je niks vindt en daar dan vlug iets neerzetten wat anderen kunnen vinden. Zo liep die krant altijd voor op de waarheid, door zich nooit met de werkelijkheid bezig te houden.

`Het verbaast me wel dat jij op straat bent’, zei Crazy. `Ik zie je nooit anders dan hard hollend om geen minuut te laat in de Disco te zijn. Begint die dancing je eindelijk te vervelen?’

`Ik wou alleen een frisse neus halen.’

`Ik snap niet wat jij avond aan avond in die tent zoekt. Je komt nooit ergens anders. Is dat niet wat eenzijdig vertier?’

`Juist jij moet daar wat van zeggen’, stoof ze op. `Jij zit toch ook drie keer per dag in De Engelbewaarder.’

`Je hebt gelijk’, zei hij. `Soort zoekt soort.’ Toch verbaasde dat meisje hem. Zo zag hij haar weken niet en dan ineens kwam ze naar hem toe rennen. Maar hij had graag met haar te doen, ook al begreep hij weinig van haar. Als hij haar lang niet had gezien, ging het aan hem vreten. Dat ze op hem was gesteld, wist hij allang, maar hoe ver ze met de relatie wilde gaan was hem niet duidelijk.

Hand in hand liepen ze over de straat. Bij Tuschinsky keken ze naar de affiches van de films die daar werden verwacht. Seksfilms. Blote wijven op cafétafels. Een karatefilm. Gespierde binken die elkaar met geweld van handen en voeten sloopten. Crazy keek vol bewondering naar de krachtige kerels die in een gloed van venijnige kleuren tegen elkaar van leer trokken. Zo sterk zou hij ook willen zijn. Haastig maakte hij een notitie in zijn agenda. `Verplicht jezelf tot karatetraining. Schrap yoga!’

`Wat schrijf je?’ vroeg Mireille. `Een gedicht?’

`Bah, ik spuw op gedichten’, zei hij vol walging. Hij leek het te menen.

Ze keek hem verbaasd aan.

`Een paar weken geleden nog stond je in een broodjeszaak op tafel gedichten te declameren, tot ze je van tafel schopten. Was je dan dronken?’

`Met gedichten kun je geen oorlog winnen.’

`Daar heb je gelijk in. Mijn poëziealbum ligt ook al jaren in de kast.’

`Dat bedoel ik niet’, zei Crazy geërgerd.

`O nee? Wat dan?’

`Ik gaf er wat voor als ik je dát duidelijk kon maken’, verzuchtte hij.

`Het geeft niet’, zei ze verzoenend. `Van zo’n warhoofd als jij hoef ik toch niet alles te snappen.’

Nu stond hij helemaal perplex. Mireille kon je met haar opmerkingen het bloed onder de nagels uit halen, hoewel ze daar zelf niet de minste notie van had.

`Het is koud’, zei ze, niks merkend van Crazy’s sombere gedachten over haar. `Gaan we ergens naar binnen?’

`Goed.’

`De Disco?’ vroeg ze provocerend, wetend dat hij daar zeker nooit naar binnen zou gaan.

`Voor geen geld. Ik hou niet van die tent. Echt Amerikaans. Zelfs het licht is er gewelddadig.’

Ze streek over zijn haar.

`Ik heb zwarte koffie nodig’, zei Crazy. `Die ga ik halen bij Bas. Misschien is het voor jou ook wel eens goed om De Engelbewaarder vanbinnen te zien.’

`Goed, dan gaan we naar jouw clubhuis.’ En dat was een opmerking waar Crazy weer om moest lachen.

Zo veel mogelijk onder balkons en overkappingen schuilend liepen ze terug naar het Rembrandtplein. De regen schiep een licht bewegend gordijn rond de rozetten van de lampen.

Via de Maansteeg kwamen ze bij de brug over de Amstel. Halverwege de brug stond Crazy stil en spuwde in het water. De witte vlek loste langzaam op. Geen vissen. Geen teken van leven. Het water was morsdood en zag zo zwart als roet. Hoewel het oppervlak vrij rustig was, werd de maan er als een rimpelige koek in weerspiegeld.

`Ik heb je altijd al aardig gevonden’, zei Mireille plotseling en ze drukte zich wat vaster tegen Crazy aan.

`O’, zei hij en hij probeerde te verbergen dat hij er vanbinnen warm van werd. `En die kereltjes uit de Disco dan?’

`Die zijn ook aardig’, zei ze, nijdig omdat ze die vraag nu niet had verwacht. `Heel anders, maar ook aardig.’

Had hij nou maar niets gezegd. Nu wist hij weer niet waar hij aan toe was.

Hun weg vervolgend verbaasde ze zich over de maan die opdook in de regenplassen en, even verder, door de ruiten aan de Kloveniersburgwal met hen mee wandelde.

In De Engelbewaarder kwam hun de walm al tegemoet. Dikke rook en de lucht van stickies. Het was er druk. Zo tegen de kleine uurtjes mocht Bas zich altijd verheugen in een grote toeloop, vooral van televisieslaven die, als het laatste programma van de buis was, nog wat wilden nakletsen over de vragen van het leven. Tenslotte kon je tegen de buis niks zeggen, want die leuterde alleen eigen praatjes.

Wat witjes keek Mireille naar de muizen, die niet alleen alle hoekjes bezet hielden, maar die ook op het buffet, de tafels en de vensterbank zaten. Het verbaasde haar dat niemand erop lette. Iedereen leek aan hun aanwezigheid gewend. Ze had Crazy wel eens over de muizen horen vertellen, vol liefde voor de beestjes. Zelf was ze blij dat ze thuis alleen maar een papegaai hadden, hoewel niemand eigenlijk wist of Michelin een beest of een mens was. Vooral de naakte staartjes van de muizen vond ze akelig, hoewel ze moest toegeven dat de beestjes pienter uit hun ogen keken en er goed verzorgd uitzagen.

`Bevalt het je hier?’ vroeg Crazy aan Kaspar, de zwarte muis die alleen op een kruk zat en die weinig zin had om plaats te maken voor Crazy.

`Minder en minder’, zei de muis bedachtzaam.

`Ik dacht dat jullie het nergens beter konden hebben’, zei Crazy verrast.

`Als jullie met zo velen op een kluitje zouden wonen, zou je begrip hebben voor mijn probleem’, zei Kaspar. `Jullie mensen hebben makkelijk praten. Jullie kunnen de deur uit wanneer je maar wilt. Als je elkaar moe bent, ga je een eindje wandelen. Wij zitten hier in een gevangenis.’

`Wie houdt je hier dan vast?’ vroeg Crazy verbaasd.

`Ach, natuurlijk niemand persoonlijk’, zei de muis triest. `Het zijn de gevaren buiten. Als muis buiten de deur word je zo platgereden, neer geknuppeld, of opgevreten door een kat. Weet je dat er in deze stad op elke vierkante meter een kat woont?’

`Dat het er zoveel waren, wist ik niet.’

`Ja,’ zei Kaspar, `het lijkt maar of we worden getolereerd, maar door die katten te fokken, bewijzen de mensen dat ze ons moe zijn. Zeg zelf, ze houden die dieren toch alleen maar om ons te bestrijden?’

`Hoe zou je het dan anders willen?’

`Die katten zouden ze allemaal moeten afmaken. Dan zijn we pas echt vrij.’

`Hoe denk je dat de katten dat vinden?’

`Dat gaat me niet aan’, zei Kaspar. `Het zijn toch beesten van niks.’

`De een afmaken om de ander,’ zei Crazy, `ik kan me niet voorstellen dat dát de oplossing is.’

`Er zal toch iets moeten gebeuren’, zei de muis. `Wij willen de deur uit. Wij willen ruimte. Frisse lucht.’

`Jullie overbevolking’, zei Bas, die net met een blad bier langsliep en de opmerking van Kaspar had gehoord, `komt door jullie welvaart. Hoe meer jullie krijgen, hoe ontevredener jullie zijn.’

Daarop had de muis geen commentaar. Hij deed er het zwijgen toe en likte zijn pootjes schoon. Hij had zich net te goed gedaan aan de kaas.

Het viel Mireille op dat het zo rustig was in De Engelbewaarder. Ondanks het swingen van de witte muizen rond de radio was het er zo kalm als in een rustoord. Een paar gasten lazen de boeken die aan kettinkjes hingen. De meeste klanten zaten wat te kaarten of te praten. Af en toe ving ze een vlaag op van wat er werd gezegd; het meeste ging haar boven de pet. Toch vond ze het hier wel gezellig, alleen zou ze wat andere muziek willen horen dan die Amerikaanse soldatenzender waar die witte muizen zo dol op waren. Van de topveertig hoorde je hier niets, terwijl ze in de Disco de hitparade op de voet volgden.

`Hebben ze geen platen van de Sparks?’

`Nee’, zei Crazy wat bevreemd. `Sparks? Dat hoor je hier niet. Bas heeft maar één plaat, de Internationale. Die wordt gedraaid als er iets positiefs te melden valt. Je mag ook zelf wat zingen. Hier kan iedereen doen en laten wat hij wil.’

`Ik zing nooit.’ Dat was eigenlijk niet waar. Ze zong wel eens, thuis, als niemand het hoorde. Zo gauw er iemand in de buurt was, of als de papegaai een vervelende opmerking maakte, hield ze haar mond. Op de lagere school hadden de onderwijzers al gezegd dat ze de stem van een krekel had. Daar had ze zich maar bij neergelegd.

Crazy was al vlug aan zijn tweede halveliter bier toe.

`Je drinkt als een beest’, zei Mireille.

`Ik heb dorst. Er is vandaag zoveel gebeurd. Misschien komt het ook wel door jou. Je maakt me warm.’

Ze kreeg er waarachtig een kleur van. Het viel haar zelf op. Ze bloosde niet vaak. In de Disco ging het blozen wel over. Daar werden de dingen hard en raak gezegd, maar nu Crazy zoiets aardigs zei, steeg het bloed haar naar het hoofd. Wat verlegen peuterde ze aan de tafelrand.

`Je moet die lange nagels knippen’, zei Crazy. `Zo ben je net een heks.’

`Dat zegt mijn vader ook’, bitste ze nijdig. `Die vindt dat ik dan beter kan werken. Ik wil helemaal niet werken.’

`Je hebt het nog te goed’, lachte Crazy. `Maar de tijd verandert. Er komt een dag dat je bent vergeten dat je zulke nagels had.’

`Je praat in raadsels. Daar heb ik de pest aan. Dit is toch al zo’n vreemde kroeg. Zijn het allemaal van die halve geleerden die hier komen?’

`Halve geleerden niet, maar halvegaren genoeg.’

`Ik ben moe. Ik wil slapen.’

`Wil je naar huis?’

`Eigenlijk wil ik ook wel bij jou blijven.’

`We kunnen naar mijn kamer gaan. Daar zijn we alleen.’

`Is het er nog steeds zo’n rotzooi?’ vroeg ze wat ontwijkend.

`Het is er nooit een rotzooi geweest’, zei Crazy verbaasd. `Bedoel je soms dat er veel boeken staan?’

`Ik zal die kamer eens opruimen’, beloofde ze. `Die boeken zet je maar op zolder. Frisse lucht zal je goeddoen.’

 

Ton van Reen: Katapult (17)

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (16)

KATAPULTLOGO114

Ton van Reen: Katapult, de ondergang van Amsterdam (16)

Niemand om tegen aan te leunen

David schrok wakker. In een woning vlakbij klapten deuren. Ruzie. Hij tastte naast zich. De beer sliep. Hij drukte het pluizige beest wat steviger tegen zich aan en luisterde. In huis was het stil, er was dus weer niemand. Wel ving hij geluiden op uit de omringende woningen. Een spelende radio, een lachende vrouw, een lopende kraan, het vallen van druppels op zink, een huilend kind. Buiten op straat het gewone rumoer: auto’s, voetstappen, voorbijgaande stemmen. De oude huizen aan de Overtoom waren erg gehorig. Er werd niks aan gedaan. Delen van de wijk stonden al jaren op de nominatie om te worden gesloopt.

David ging rechtop zitten en keek om zich heen in het schemerdonker. Vage omtrekken van stoel en kast. De lichte kieren tussen de gordijnen.

Ik ben alleen, dacht hij, alleen met de beer en de papegaai. Voor de zoveelste keer voelde hij zich in de steek gelaten. Hoewel hij aan het alleen-zijn gewend was geraakt, werd hij nu bevangen door een gevoel van diepe ellende. Het gaf een weeë pijn in zijn buik, maar janken had geen zin. Er was niemand om hem te troosten. Niemand om tegen te praten of tegen te zwijgen. Alleen maar iemand om bij te zijn. De warmte van een ander. Vroeger, toen zijn moeder nog leefde, ging hij op zulke momenten bij haar zitten. Hij herinnerde zich hoe ze zijn haren streelde. Anders niets. Dat was goed. Toen kende hij dat rottige gevoel in zijn buik nog niet. Toen kon hij altijd goed slapen. Jammer dat zijn vader nooit echt tijd had om bij hem te zitten. Hij moest vaak lang werken. En dikwijls was hij te moe als hij thuiskwam. Of treurig.

Hij schoot uit bed en liep door het donkere huis, de beer in zijn armen. Hij moest plassen. In de woning boven werd doorgetrokken. Hij hoorde voetstappen, vlak boven zijn hoofd. `Oehoe!’ riep hij zo hard hij kon door het luchtrooster. De ander boven gaf geen kik. De oude bovenbuurvrouw zei nooit wat. Zelfs niet als je haar op straat tegenkwam. Toch wel gek, zo iemand die boven je woonde, van wie je precies wist hoe laat ze ging eten, slapen en naar het toilet ging, maar met wie je nooit één woord kon wisselen. Dat was toch wel een beetje eng.

Hij knipte het licht in de woonkamer aan. Nu had hij daar zijn vader willen aantreffen. Of zijn zus, desnoods. Maar er was niemand om tegen aan te leunen. Alleen Michelin was er, maar die sliep. Zo laat op de avond was het beest nooit aanspreekbaar. De laatste tijd ging de papegaai met de kippen op stok. Hij hing als dood in zijn kooi, steunend tegen de spijlen. David haalde zijn nagels langs het traliewerk. Michelin werd niet eens wakker van het felle geluid. Zijn bek bewoog even, maar hij sliep verder, zich totaal niet bewust van de wereld rondom hem.

Ontmoedigd ging David in een stoel zitten en bladerde tijdschriften door. Een autoblad, een seksblad. Kleurenfoto’s van blote meiden met joekels van tieten. Geilend op het strand, in sportauto’s of in bed. Close-ups van blauw geschoren kutten. Dat blad moest zijn vader ooit hebben meegebracht. Waarom had hij het gekocht? David had hem er nooit in zien kijken. Hij bestudeerde de gezichten. Ze waren niet echt. Hoe goed je ook naar hen keek en hoe hard je ook wenste dat je een van hen tot leven kon wekken, al was het maar om bij je te zijn, ze bleven dood in hun koude vel, achter het masker van hun gezicht. David gooide het tijdschrift in een hoek en ergerde zich.

Hij pakte de katapult en speelde ermee. Hij legde een steen in de houder en legde aan op de vitrine van de porseleinkast. De pees stond strakgespannen, een beetje trillend. Als hij nu los zou laten, zouden de fijne, met glasbloemen versierde ruitjes in scherven veranderen. Langzaam ontspande hij de pees, stak de gladde steen in de zak van zijn pyjamajasje en streelde het hout van de vork.

Het was een hele kunst om een goede katapult te maken. Hij had de vork uit een eik gesneden, op het oude joodse kerkhof. Daar groeiden kleine eiken die in de nazomer zo rood kleurden dat ze, als de zon erop scheen, in de fik leken te staan. Je kon er een uitgebreide keuze maken uit de vorken in de takken. Hij had er al veel uitgesneden. Steeds weer maakte hij nieuwe katapulten en steeds werden ze beter. Niet dat het hout van een eik zo glad en recht was als dat van een linde of populier. Er zaten zelfs knoesten in en het was veel moeizamer te bewerken, maar het gaf geen greintje mee, zodat je er veel zuiverder mee kon richten. Het handvat moest zo stevig zijn dat het goed in de hand lag, terwijl het toch niet zo glad mocht zijn dat het uit je hand kon schieten als de pees strakgespannen stond. Hij zag wel eens dat jongens een pees maakten uit een oude binnenband of van elastiek. Zelf gebruikte hij oude weckringen, die stugger waren, maar ook meer kracht gaven aan de projectielen, zodat hij veel verder kon schieten. Als kogels gebruikte hij de kleine ronde stenen die je hier en daar langs het IJ kon vinden. Stenen balletjes, gepolijst door het water. Stenen die weinig kracht verloren onderweg. Grote brokken, waarmee hij anderen wel eens zag schieten, gebruikte hij nooit. Soms nam hij donkere glazen knikkers, die je, vooral bij zonnig weer, heel ver kon nakijken doordat ze oplichtten in de zon.

Hij legde de katapult op tafel en liep naar het raam. Buiten gleden onophoudelijk de lichten van auto’s voorbij. De tram rammelde door de straat, hartstikke afgeladen. Allemaal mensen die ergens heen gingen, zo laat op de avond nog. Als hij zich ook eens zou aankleden en op stap gaan? Zou hij het erop wagen? Meestal kwam een kind zo laat op de avond niet ver. Hij had al vaak meegemaakt dat de een of ander zich met hem meende te moeten bemoeien. Zo’n nette engerd, die precies wist hoe kinderen zich hadden te gedragen. Die zagen er altijd hetzelfde uit. Mannetjes van Playmobil, gladgeschoren, nette hoed en regenjas. Nee, mochten kinderen al rechten hebben, als het donker werd hadden ze die verspeeld.

Hij ademde tegen het glas, schreef `stront’ in het bewasemde vlak. De letters lekten uit, druppels die hortend naar beneden kronkelden. Ze vervormden het woord tot `psrols’ en later, met wat fantasie, tot `sutr’. Alsof iemand in een vreemde taal op de ruit had geschreven. Toen hij over de betekenis van het vreemde woord ging denken, was er geen letter meer van leesbaar.

In een van de portieken aan de overkant zag hij een vrijend paartje. De twee stonden onbeweeglijk, dicht tegen elkaar. Hij had hen daar vaker zien staan. Ze maakten David nieuwsgierig naar hoe vrijers zich voelden. Van dat hele gedoe moest hij niks hebben, maar hij begreep wel dat het fijn was als je met z’n tweeën wat had. Even was hij jaloers op hen. Zijn hand ging als vanzelf naar de plaats waar normaal zijn katapult zat, maar gelukkig lag het ding op tafel. Als hij op dit moment had kunnen schieten, zou hij het paartje hebben weggeschoten. Nee, hij begreep dat dat te ver ging. Het was niet goed als je je ergerde aan het geluk van anderen omdat je zelf alleen was. Die katapult was wel eens gevaarlijk voor hem. Het kwam vaak voor dat hij er achteraf spijt van had als hij iets onherstelbaar had vernield.

Zijn blik viel op de foto van zijn moeder op het dressoir. Ze keek hem aan. Hoe hij de foto ook verplaatste, altijd achtervolgde haar blik hem, door het hele huis. Die altijd schitterende ogen die hem voortdurend in de gaten hielden. Nee, voor hem was zijn moeder zó nooit geweest. Ze had veel van hem gehouden, maar ze had hem ook zijn gang laten gaan. Ze had hem nooit beloerd. Ze had hem vrij gelaten in de dingen die hij voor zichzelf wilde houden, hoe klein hij ook nog was. Ze had respect voor zijn vrijheid. Ze was niet eens nieuwsgierig, hij had haar toch altijd wel verteld wat nodig was. Eigenlijk herkende hij haar niet van dat koele plaatje. Een gezicht van glas, vreemd glanzend in het lamplicht. Kil leek ze zo. Steenkoud. Voor hem was ze anders. Geen foto. Maar warm. Warm als zijn beer.

In een opwelling van woede greep hij de katapult, legde een steen in de houder en schoot. Het portret viel. Het glas was gebroken. Geschrokken van zijn eigen daad raapte David de stukken op van de vloer. De lijst was kapot. De foto zelf was beschadigd. Een scheur liep door het papier, dwars door het gezicht van zijn moeder. Haar gebit was gebarsten. Haar neus stond scheef. Ze keek hem niet meer aan. Haar blik richtte zich niet meer op hem, hoe hij de foto ook hield. Dat was wel goed, maar toch kon hij zichzelf wel voor zijn kop slaan. Waarom had hij nou net de foto van zijn moeder vernield? Het was geen opzet geweest, om het even welk ander voorwerp had hij ook kunnen treffen. Vroeger had hij zijn moeder ook wel eens geschopt, plotseling, om in één trap al zijn agressie kwijt te raken. Hij had vaker van die buien. Dat wist hij van zichzelf. Dan moest hij heel eventjes uitrazen. Heel eventjes de controle over zichzelf verliezen. Dat hij zijn moeder had geschopt, daar had hij achteraf razend veel spijt van gehad. Hij had juist veel van haar gehouden en nooit begrepen waarom uitgerekend zij die trappen van hem kreeg. Na haar dood had hij zich schuldig gevoeld, ook al wist hij dat ze het hem had vergeven.

Zijn woedende daad had David in een vreemde stemming gebracht. Er was niemand om hem te straffen. Niemand die zijn gal tegen hem spuwde. Er bleef iets in hem vreten, een drang om nog erger tekeer te gaan. Iets te doen wat nog harder aankwam. Hij voelde zijn hart in zijn keel bonzen. Hij kon zich nog maar net rustig houden en dwong zichzelf in een stoel te gaan zitten. Met zijn vuisten tegen zijn buik geperst keek hij de kamer rond. Zonder dat hij het echt wilde, bleef hij zoeken naar iets om te vernielen. Hij bekeek alle dingen, ook al kon hij alle voorwerpen met de ogen dicht zien, zo vertrouwd waren ze. Kleine beeldjes onder glazen stolpen. Die had zijn moeder verzameld. Vazen die tot aan haar dood altijd vol bloemen hadden gestaan, maar daarna leeg waren gebleven. Popperig aardewerk achter de glazen schuifdeurtjes van het dressoir. Doorzichtige kopjes van porselein die nooit waren gebruikt. Moeder was steeds bang geweest dat ze konden breken, daarom moest iedereen er altijd afblijven. Uit respect voor haar stond alles er nog. De beeldjes die nooit meer werden afgestoft, de vazen waarin nooit meer bloemen stonden. Net als alle andere dingen in het huis leken ze een beetje grauwer te zijn geworden. Toch haatte David die spullen. Ze waren kil, zo gevoelloos. Trots op hun broosheid, hun koude glans en hun rommelige versieringen stonden ze daar maar, mooi en nutteloos. De dood van zijn moeder had hun niks gedaan, net of ze niet door haar hier waren terechtgekomen. Even dacht David erover de hamer te pakken en alles aan gruzelementen te slaan. Nu de foto van zijn moeder weg was, moesten ook die dingen maar kapot. Het moest goed gebeuren. In één klap moest alle rotzooi weg.

Er was nog een andere oplossing. Hij kon de rommel ook laten staan en zelf weggaan. Zelf weggaan? Waar naartoe? Bij wie kon hij terecht?

`Ik moet hier verdomme vandaan!’ riep hij hard tegen zichzelf. `Ik wil hier weg!’

`En ik dan?’ klonk een krakende stem. Het was de papegaai die wakker was geworden van het lawaai.

`Jij kunt je troosten’, zei David. `Jij hebt alles nog. Jij hebt je kooi. Meer heb je nooit gehad.’

`Die kooi is mijn thuis niet’, zei Michelin. `Daar hoort ook de omgeving bij. De kamer. Jullie.’

Daar had David niets op te zeggen. Hij wist dat de papegaai gelijk had.

`Waar wil je heen?’ vroeg Michelin.

`Ik weet het nog niet’, zei David. `Misschien kan ik bij Crazy terecht. Bij hem ben ik altijd welkom.’

`Daar ben je ook alleen’, zei Michelin. `Die jongen is altijd de deur uit.’

`Dat klopt, misschien ben ik daar ook alleen. Maar er is niets wat me stoort. Geen poppetjes, geen vaasjes, geen prulletjes. En ik hoef er niet te wachten op een vader die toch wegblijft.’

`Ik begrijp het’, zei de papegaai. `Je kunt er meer jezelf zijn.’

David kleedde zich aan en trok zijn duffel aan. Hij wist dat het ‘s nachts buiten bedrieglijk koud kon zijn. Hij stopte de gescheurde foto van zijn moeder in de binnenzak van zijn jas.

`Ik wil hier ook niet alleen blijven’, zei de papegaai.

`Dan ga je maar mee.’

Onder de glazen asbak, waar ze steeds hun berichtjes legden voor de anderen die niet thuis waren, schoof David een briefje met het adres van Crazy. Hij zou het toch lullig vinden als zijn vader niet wist waar hij was.

Hij gooide een doek over de kooi, zodat de papegaai tijdens de wandeling geen kou kon vatten, en verliet met de kooi in de hand het huis. Zijn hoofd was wat lichter dan normaal, zoals wanneer hij stiekem bier had gedronken. Het was ook niet niks om van huis weg te gaan.

Hij voelde de ogen van de bovenbuurvrouw in zijn rug priemen. Waarom sliep dat mens niet? Zou hij naar haar omkijken? Nee. Hij keek niet om.

 

Ton van Reen: Katapult (16)

fleursdumal.nl magazine for art & literature

More in: - Katapult, de ondergang van Amsterdam, Reen, Ton van


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature