In this category:

Or see the index

All categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

– Het diepste blauw

· Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (090). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (089). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (088). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (087). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (086). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (085). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (084). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (083). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (082). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (081). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (080). Een roman als feuilleton

»» there is more...

Ton van Reen: Het diepste blauw (091). Een roman als feuilleton

`Ik heb het schrift van Jacob bij me’, zegt Mels. `Ik wil eruit voorlezen.’
`Dat doen we op het dak van de silo’, zegt Thija. `Kom op.’

Aan de achterkant van de fabriek lopen ze door een openstaande deur naar binnen. De fabriek zelf is klein en valt in het niet bij de silo waarin het graan wordt opgeslagen.
Over een ijzeren trap gaan ze omhoog. Hun schoenen klepperen op de stalen roosters die de traptreden vormen.
Het gebouw is gevuld met vier kleinere, ronde silo’s, voor elke graansoort een. Het ruikt er naar de enorme berg graan die opgeslagen is. Stoffig graan, dat op hun keel werkt.

`Het is helemaal niet wit hierbinnen’, zegt Thija. `Ik dacht altijd dat het vol meel zat.’
`Na de oogst komt hier het graan binnen’, zegt Tijger. `Genoeg om de fabriek het hele jaar te laten draaien.’

Door kleine raampjes kijken ze uit over het dorp en de Wijer, die nu lang en dun is en op een slang lijkt.
Door een luik stappen ze op het dak. De wind krijgt vat op Thija’s rok en blaast hem bollend op.

`Hou je vast!’ roept Tijger. `Je vliegt weg!’
`Dat wil ik juist’, lacht Thija, maar toch houdt ze zich aan hem vast.
Ze kijken uit over het dorp. Ze horen de mensen beneden, die bonkende, kloppende en tikkende geluiden maken.
Ze gaan op hun rug op het dak liggen. Van zo hoog lijkt de hemel veel weidser.

Mels droomt, met open ogen. Met z’n drieën zitten ze in de boot op de Wijer. Ze zijn van plan naar China te gaan. Thija heeft haar reistas op schoot, met daarin een cadeautje voor de keizer. Alleen zij weet wat het is. Ze heeft er Tijger en Mels niets over gezegd. Die vragen er ook niet naar. Dat heeft geen zin, want als je haar wat vraagt, zegt ze het zeker niet.
De boot gaat maar langzaam vooruit. Het water staat laag. Mels moet flink roeien.

Eindelijk komen ze in het dorp aan. Tijd om afscheid te nemen. Er staat maar één persoon op de brug. Tijgers moeder, in een zwarte flodderjurk. Door de wind wappert haar rode haar rond haar hoofd. Mels mist zijn moeder. En waar zijn de grootvaders? Hij is teleurgesteld. Ze horen er te staan, om hen uit te wuiven. Interesseert het hen niet meer dat ze weggaan?
Mels vindt het vooral vreemd dat zijn eigen moeder hem niet uitzwaait en dat ze doodgewoon de ramen aan het lappen is. Hij hoort haar zingen. `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren. Ik zal nog van je houden, ook al word je zo groot als de kerktoren.’ Maar als ze zo veel van hem houdt, waarom zwaait ze hem dan niet uit?

Terwijl ze onder de brug door varen, verandert de boot in een groene helikopter.
Tijger zit aan de stuurknuppel. Hij roept iets. Wat? Het lawaai van de helikopter is zo oorverdovend dat Mels hem niet verstaat. Hij ziet dat Thija tegen Tijger praat, want haar mond beweegt. Hij hoort alleen zijn moeder die zingt: `Je bent al groter dan mijn buik voordat je werd geboren.’

Dan gebeurt er iets vreemds. De helikopter verandert in een zwarte flodderjurk. Opeens zitten Mels en Thija in de donkere buik van Tijgers moeder. Tijger zit in haar glazen hoofd. Hij kijkt door haar ogen en veegt de wapperende rode haren weg die hem het uitzicht ontnemen.

`Ze vliegt ons naar de duivel!’ roept Mels.
Mels hoort dat Tijger iets terugroept, in paniek, maar zijn stem gaat verloren in het geraas. Met een enorme klap vliegen ze tegen de silo. De jurk van zwart glas laat een sneeuwbui van zwarte splinters over het dorp vallen.
`Je ligt te slapen’, zegt Thija.
`Het komt door de wind’, zegt Mels. `Ik droomde dat we naar China vertrokken, in een groene helikopter die veranderde in Tijgers moeder.’
`En toen?’
`We vlogen tegen de silo.’

`Zie je wel’, zegt Thija. `Die droom voorspelt dat onze reis nooit zal lukken. Tijger komt nooit van zijn moeder los.’
`En jij?’
`Ik?’ Thija lijkt verbaasd. `Ik ben geen moederskindje. Jij?’
`Nee’, zegt Mels, maar hij weet dat het anders is. Hij houdt ervan dat zijn moeder zingt.
Om zich niet verder te hoeven verdedigen, pakt Mels het schrift van Jacob.
`Lees jij voor?’ Hij geeft het schrift aan Thija.
Ze slaat het open, bladert het door.
`Hij schreef ook gedichten.’
Ze schraapt haar keel, zoals ook meester Hajenius altijd deed als hij begon met voorlezen.

`Ze vroegen aan mij waarom ik huilde.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij vroegen,
jongen, waarom ben jij zo alleen?
Ze zeggen tegen mij,
ze zeggen het niet,
maar ze zouden het willen zeggen.
Waarom is je huis zo leeg?
Waarom is je hart alleen?
Waarom ben je verlaten?
Ze zeggen het niet.
Het was de wind die mij dat vroeg,
het waren de vogels die mij dat vroegen.
Als ik gestorven ben,
zal de wind het aan jullie vragen.
Als ik gestorven ben,
zullen de vogels aan jullie vragen,
waarom ik zo alleen was.’

Ze zijn er stil van, omdat Jacob zo precies had geweten hoe het hem zou vergaan.
Ze staan op en dalen de trap af.
Beneden, in bijna lege ruimtes, draaien de machines die het lawaai veroorzaken. Het is er zo lawaaiig dat ze naar elkaar schreeuwen en elkaar toch nauwelijks kunnen verstaan. Het is niet duidelijk wat de machines doen. Er is niemand. Het is net of er niemand werkt. Het is een spookfabriek.

`Het lijkt of we in een boek van Jules Verne terecht zijn gekomen’, roept Tijger.
`We zijn op de maan’, roept Mels terug in Tijgers oor. `De machines maken lucht en water, zodat wij hier ook kunnen leven.’
`Bij die herrie kan niemand leven’, roept Thija, de handen voor de oren.
`Ik wel’, roept Tijger. `Ik hou van hard. Lawaai is mooi. Ik zou hier graag willen wonen.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (091)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (090). Een roman als feuilleton

Een lange vrachtwagen van Bouwbedrijf Leon van Wijk en Zonen stopt bij de silo. Een kraan takelt bouwmateriaal uit de bak: planken, stalen stutbalken, steigermateriaal, een werkkeet en een bouwlift. Een ploegje arbeiders begint met het bouwen van de steigers.

Met gemengde gevoelens ziet Mels het aan. Als een moederkloek heeft het enorme gebouw altijd het dorp beheerst. Tot zomaar, van de ene op de andere dag, aan de werknemers werd verteld dat het bedrijf verkocht was en de productie werd gestaakt. Terwijl het toch volop winst maakte en er een paar maanden eerder nog een uitbreiding was aangekondigd. De fabriek was ten onder gegaan aan haar eigen succes en was opgekocht door de concurrentie om te worden uitgeschakeld.

De vrachtwagen van het bouwbedrijf vertrekt. De chauffeur steekt een hand op. Mels groet terug.
Even later loopt de opzichter naar het café. Hij staat stil op de brug en kijkt naar het water.

`Viswater?’
`Vroeger zat er forel in’, zegt Mels. `Als jongen heb ik er genoeg gevangen. En aal.’
`Nu niets meer?’
`Ze vangen soms baars. Een enkele snoek.’
`Kom ik zondag eens kijken. Ik gooi graag een hengeltje uit.’
Hij loopt door naar het café en komt even later naar buiten met een pakje shag.
`Wat komt er in de silo?’ vraagt Mels.
`Appartementen.’ De man rolt een sigaret. `Ze worden verkocht als exclusief.’
`Dat ding is toch niet apart?’
`Ze zeggen dat het een monument is. Een dorpsbepalend beeld. Zoiets. Hij moet blijven staan vanwege het historisch belang.’ Hij likt zijn shagje dicht. `Ze hadden er beter een bom op kunnen gooien. Hadden ze plaats gehad voor echte huizen. Mij maakt het niks uit. Wij hebben er een mooie klus aan.’

`Ik wil je wat vragen. Ik zoek iemand om een paar pannen op mijn dak te vervangen.’
`Heb je nog pannen?’
`Genoeg.’
`Ik stuur wel een mannetje. Stop hem maar wat toe. Altijd goed.’
`Dank je.’
De man loopt verder.
`Toch missen we de fabriek’, zegt Mels nog. `We waren eraan gewend. Het lawaai in de maalderij was onbeschrijflijk mooi.’
`Mooi?’
`De een vindt dit mooi, de ander dat.’
`Gelukkig dat we allemaal van andere meisjes houden,’ lacht de man, `anders bleven er veel over.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (090)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (089). Een roman als feuilleton

Er is steeds minder te koop in de winkel van juffrouw Fijnhout. Er komt weinig geld binnen. En daar moet wat op gevonden worden, want ze moet ook haar medicijnen kunnen betalen. En de abonnementen op de meer dan twintig missieblaadjes.

Daar zitten ze steeds in te bladeren, op zoek naar foto’s van China. Die knippen ze uit en plakken ze in. Ze hebben al drie schriften vol met foto’s van katholieke Chinese kinderen, zodat het lijkt of bijna heel China katholiek is, maar in werkelijkheid zijn het er maar een paar duizend tussen de miljoenen. Volgens Tijger kijken de Chinezen zelf naar de katholieken zoals de mensen hier naar de Jehova’s getuigen kijken: een paar fanatieke dwepers die de bijbel naar hun hand zetten en hun kinderen nog liever dood laten gaan dan ze in te laten enten tegen pokken en kinderverlamming.

Om de rekken in de winkel minder leeg te laten lijken leggen de jongens er van alles bij. Zomerappels, maar die krijgen al vlug een oud vel. Niemand koopt appels, omdat de meeste mensen zelf zomerappels in de tuin hebben. Overbodig speelgoed. Te klein geworden laarzen. Schaatsen met lint, maar wie koopt er in de zomer schaatsen? Oude jaargangen van missieblaadjes, maar iedereen wordt al onder die dingen bedolven. Soms wijst juffrouw Fijnhout iets aan in haar kast om in de rekken te zetten, een servies, kristallen glazen, een blauwe puddingvorm in de vorm van een vis, een zilveren asbak. Ze doet er glimlachend afstand van omdat ze ze toch niet meer gebruikt. Soms koopt iemand wat, niet omdat hij iets nodig heeft, maar omdat niemand wil dat juffrouw Fijnhout in armoede sterft.

In de winkel blijven vooral spullen over die wachten op volgende seizoenen, voor de herfst en de winter. Overgebleven pakjes zaaigoed voor tomaten, bonen en prei, die onder een luchtdichte glazen stolp worden bewaard en ook volgend jaar nog goed zijn.

Bij het leegruimen van een kast vindt Mels spullen die jarenlang achter andere spullen verborgen zijn gebleven. Een foto van een jongeman met de toen nog jonge juffrouw Fijnhout, een meisje nog. De jongeman heeft een arm rond haar schouder geslagen. Mels denkt dat de foto met opzet op de bovenste plank is gelegd. Achteloos legt hij hem op de hoek van de tafel. Ze ziet het direct en pakt hem op.

`Nadat die foto is gemaakt, heb ik hem nooit meer gezien.’
`Wie is het?’
`Tom, de oudste zoon van de weduwe Hubben-Houba. De broer van directeur Frits. Het was zijn laatste dag hier. Hij ging studeren, in Amerika. Een paar jaar later zou hij terugkomen, om zijn moeder op te volgen en met mij te trouwen. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord. Zijn jongere broer Frits heeft de zaak alleen overgenomen.’
`Wist zijn moeder niet waar hij was?’
`Dat denk ik wel, maar die sprak niet met mij. De rijk geworden familie haalde haar neus op voor de dochter van een dorpssmid.’
`En andere jongens?’ vraagt Mels, de foto bekijkend waarop ze een knappe, jonge vrouw is.
`Eerst heb ik te lang gewacht. En daarna was ik te zeer teleurgesteld. En later vond ik het wel goed zoals het ging. Van mijn winkel kon ik bestaan.’
Mels ruimt alles weer op. Hij legt de foto’s op een schapje waar juffrouw Fijnhout ze kan pakken zonder op te staan.
Tijgers moeder komt Mels aflossen, want juffrouw Fijnhout mag niet meer alleen zijn. Om de beurt blijven de vrouwen uit de buurt ‘s nachts bij haar.
Mels gaat naar huis.

Ze hebben bezoek. De moeder van Jacob zit in de kamer. Ze drinken thee.
`Ik heb wat voor je meegebracht’, zegt Jacobs moeder. Uit haar tas haalt ze het schrift. `Jacob wilde dat ik de verhalen die hij heeft opgeschreven aan jou gaf.’
`Wilt u ze zelf niet houden?’
`Ik kan niet lezen. Jacob heeft vier jaar in een sanatorium gelegen. Daar heeft hij leren lezen en schrijven.’
`En vioolspelen?’
`Wij maken allemaal muziek. Dat is hem met de paplepel ingegoten.’
`Dank u voor het schrift’, zegt Mels. `Jammer dat ik Jacob maar zo kort heb gekend.’
`Lang genoeg om vrienden te worden.’ Jacobs moeder staat op. Mels’ moeder brengt haar naar de deur.
`U komt nog maar eens aan’, zegt moeder.
`Wij gaan hier weg’, zegt Jacobs moeder. `Wij hebben hier weinig geluk gevonden. Misschien gaat het ons ergens anders beter.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (089)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (088). Een roman als feuilleton

Het was Frans-Joseph die de nieuwe tijd naar het dorp had gehaald, toen hij het gezellenhuis had laten bouwen. Jonggezellen op kamertjes hadden meisjes nodig. Een van de kasteleins was op die behoefte ingesprongen, had rode lampen voor het raam gezet en meisjes uit de stad laten komen.

Frans-Joseph dacht als een grootindustrieel. Hij was ook de man die het grote flatgebouw had laten bouwen, net niet zo hoog als de silo. Zestig woningen in vier lagen, niet ver van de fabriek. Flats voor buitenlandse gezinnen met veel kinderen die later, naar hij dacht, vanzelf in de fabriek zouden gaan werken. Maar daar had hij zich in misrekend. Met de fabriek liep het mis toen de kinderen groot waren. Bovendien wilden de zonen van de gastarbeiders geen werkezels zijn zoals hun vaders.

Mels rommelt wat in de paperassen. Vraagt zich af of hij al de kladjes en volgeschreven vellen toch nog kan ordenen tot een boek. Een exemplaar voor zichzelf. Na zijn dood kan dat naar het archief van de gemeente.

Hij heeft moeite om het verhaal rond te maken. Hij zit met te veel losse stukjes. Van de arbeidersfamilies die in de jaren zeventig naar het dorp kwamen, weet hij maar weinig. In de flats is hij nooit geweest.

Vanaf de dag dat de fabriek gesloten is en de arbeiders uit de uitgewoonde flatwoningen zijn vertrokken, op zoek naar werk elders of door verhuizing naar de nieuwe wijken in het dorp, staat de flat erbij als een blind bakbeest. Kapotgegooide ruiten. Uitgebroken sponningen. Graffiti, waaruit nog steeds de haat van de nieuwkomers tegen de oorspronkelijke dorpsbevolking af te lezen is. En omgekeerd. Het heeft nooit geboterd tussen de flatbewoners en de dorpelingen.

Er zijn nog een paar flats bewoond. Enkele weduwvrouwen die nergens naartoe kunnen en een halfdemente man die wacht op een plaats in een inrichting. En mevrouw Lecoeur, de hoerenmadam, die er, samen met een paar jongere vrouwen, mannen ontvangt. Iedereen spreekt er schande van. Niemand doet er wat aan. Mels weet niet wat hij van haar moet denken. In het café, waar ze elke ochtend komt en koffie met cognac drinkt, praat hij wel eens met haar. Ze is innemend. Als ze over de mannen praat die haar meisjes bezoeken, is het net alsof ze het over haar jongens heeft. In haar ogen zijn mannen kinderen die beschermd en getroost moeten worden.

Hij doet de mappen dicht, trekt zijn jas aan, slaat de plaid over zijn benen, rolt naar de lift en gaat naar beneden.
Hij weet dat Lizet in de keuken is en luistert. Het blijft stil. Ze negeert hem.
Hij opent de deur en rijdt naar buiten.
Even stopt hij bij de marktkramen die ze aan het opbouwen zijn. Eén middag in de week is er markt. Een kraam met groenten en fruit, een kaaswagen, een viskar, een poelier met roze kippen en konijnen, een broodjesbar, een Turkse kraam met olijven, dadels en paprika’s.
Bij de bakkerskraam koopt hij krentenbollen. Met de zak broodjes op schoot rijdt hij de straat uit.

Ton van Reen: Het diepste blauw (088)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (087). Een roman als feuilleton

Mels is met zijn vader in het café en mag bier tappen omdat de kastelein meedoet met kaarten.
Hij bedient de paar mannen die op het terras zitten.

Mannen van het soort dat hier eerst verdwaald leek, maar van wie hij nu weet dat het wandelaars zijn die de Wijer nalopen. Van de monding van de beek in de rivier terug naar de bron. Ze dragen hoge laarzen om door de broeklanden en rietvelden te stappen.

Over hun rug kijkt hij mee naar de kaart van het riviertje en het opengeslagen boek op tafel. Hij verbaast zich erover dat de Wijer meer dan honderd kilometer lang is en dat de bron ergens ligt bij een dorp dat Weierwiese heet. En dat het officieel geen beek maar een rivier is. En dat er honderdtachtig soorten vis in zitten, terwijl hij er maar tien kent. En dat hij nog nooit een zoetwaterkreeft met schaarvormige kaken heeft gezien. Geen wonder, want volgens het onderschrift bij het plaatje van het dier is het nog geen halve centimeter groot.

De mannen drinken chocomel. De bierdrinkende kerels die zitten te kaarten, lachen hen uit. Mels is boos, vooral over de opmerkingen van meneer Frans-Joseph. Die scheldt de wandelaars uit voor mietjes en hoerenlopers. Het is extra gênant omdat iedereen weet dat hij zelf een hoerenloper is.

Ton van Reen: Het diepste blauw (087)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (086). Een roman als feuilleton

Een tik op zijn schouder. Hij trekt de plaid van zijn gezicht en opent zijn ogen. Het is Afke.
`Je was tegen iemand aan het praten.’

`Ik praatte met Tijger en Thija.’
`Over school?’
`Goh, dat ik zo duidelijk praat als ik droom.’
Ze helpt hem van het bed in zijn stoel. Ze helpt hem vaak. Tegenover haar voelt hij niet de gêne die hij wel voelt bij zijn vrouw en zijn dochter. Soms is ook Zhia erbij. Dan helpen ze hem als twee jonge verpleegsters.
Zijn vrouw haat het als de meisjes boven zijn, al weet hij niet waarom.

`Je bent nat van het zweet.’
`Dat komt door de medicijnen. Ik zweet nog als het vriest.’
Ze trekt zijn overhemd uit.
`De haren op je rug zijn nog zwart.’ Ze droogt zijn rug en hals. `Had je vroeger zwart haar? Vonden de meisjes je knap?’
`Er waren hier niet zo veel meisjes. Het dorp was nog klein.’
`En die paar dan?’
`Thija vond me knap. Maar ik denk dat ze Tijger knapper vond.’
`En oma?’
`Toen zij een meisje was? Ze wilde me alleen hebben omdat ze jaloers was op Thija. Dat denk ik nu.’
`Vond jij haar knap?’
`Anders.’
`Je was toch wel verliefd op haar? Je bent toch met haar getrouwd?’
`Het liep nu eenmaal zo. Er waren hier maar een paar meisjes, dat zei ik toch. Kemp wilde haar ook.’
`Ben je met haar getrouwd omdat je haar niet aan Kemp gunde?’
`Ja.’ Tegen haar kan hij alleen maar eerlijk zijn.
`Wel vreemd’, zegt ze. `Nu heb ik precies zulke grootvaders zoals jij had.’
`Hoezo?’
`Jij zegt toch altijd dat ze elkaar niet mochten.’
Ze rijdt hem voor de wastafel.
`Moet ik je scheren?’
`Ik doe het zelf.’

Ze pakt het mes uit de la, haalt het uit de houder en pakt kwast en scheerzeep uit de kast.
`Scheerzeep ruikt lekker.’
`Het ruikt naar jongens.’
`Jongens! Was je gelukkig als kind?’
`Alleen toen Tijger en Thija er nog waren.’
`Er waren toch ook anderen die van je hielden.’
`Wie dan?’
`Je moeder.’
`Dat is ook zo.’
`Ik hou ook van je.’

Hij ziet haar oprechte gezicht in de spiegel.
`Het is waar’, zegt hij. `Jij houdt net zo veel van mij als ik van jou. En je opa Kemp?’
`Van hem hou ik ook. Anders. Zal ik je inzepen?’ Ze haalt de kwast door het schuim en zeept hem zorgvuldig in. `Ik kan je ook scheren. Laat mij het maar doen. Jij snijdt je te vaak.’
`Ik heb een zware baard. Een scheerapparaat werkt niet bij mij.’
`Voortaan scheer ik je wel.’ Ze zet het mes aan. Protesteren helpt niet. Hij voelt hoe zacht het mes over zijn huid glijdt. In de spiegel ziet hij de inspanning op haar gezicht. Hij blijft muisstil zitten. Ze wil het beter doen dan hij.
Terwijl ze met hem bezig is, hoort hij een zacht gebrom, door de muur heen. Net alsof in het buurhuis een of ander apparaat aanstaat. Hij spant zich in om het geluid te kunnen traceren. Het kan ook een vliegtuig zijn, ver weg.

`Klaar’, zegt ze triomfantelijk en ze bet zijn gezicht. `Geen bloed. Zie je dat ik het beter kan.’
`Mooi. Je moet verpleegster worden.’
`Later ga ik met dieren werken. In een circus. Of bij een dierenarts. Of in een asiel. Zhia wordt verpleegster. Of dokter. Ze wil naar Afrika. Of in een kindertehuis.’
`Dat jullie al zo goed weten wat je wilt! Toen ik twaalf was, wist ik nog niets.’
Hij hoort de voordeur dichtslaan.

`Kan ik boven komen?’
`Kom maar’, roept Afke.
Zhia holt de trap op en komt de kamer binnen.
`Bij de silo is een ongeluk gebeurd’, hijgt Zhia.
`Ernstig?’ schrikt Mels.
`Een witte muis is van het dak gevallen. Recht in de bek van een buizerd.’
`Dat is dubbele pech’, zegt Mels.
`Of dubbel geluk’, zegt Zhia. `Misschien was de muis blij dat ze werd opgevreten en dat ze niet te pletter viel.’
`Van dat laatste had ze niets gevoeld’, zegt Mels. `Maar zo’n roofvogel die je verslindt, dat is wel erg.’
`Het is niet waar’, zegt Zhia. `Het was geen witte muis, het was een zwarte.’
Afke trekt hem een overhemd aan en maakt de knoopjes dicht.
`We moeten naar school. Na het avondeten kom ik weer, als je zin hebt in vertellen.’
`Daar heb ik altijd zin in.’
Hij hoort hen de trap af lopen. De deur valt dicht.

Ze hollen weg. Hij luistert tot hij niets meer hoort in de straat. Hij weet weer voor wie hij leeft.
Hij rolt naar de kast en pakt het boek. Elke dag kijkt hij er even in. Het boek dat Thija aan Tijger heeft gegeven toen hij twaalf werd, maar dat hij niet wilde. `Chine, pays inconnu.’ `Les couleurs pastel de la Chine’, leest hij onder een foto van een rivier van blauw krijt. De oevers zijn van pastelkleurig paars, de lucht is blauw en vet van de regen en gepokt met zwarte ganzen die zich op het water laten vallen. Boten met rieten daken, met naakte jongens voorop die met een stok de diepte peilen, drijven op het water.

De foto van een riviertje van blauw porselein, en een man in een bootje van bamboe, omringd door groenten met de kleur van gras. `Un homme transporte des légumes’.

Hij zet het boek terug, rolt naar het bureau en opent het album met de levenslopen van de directeuren van de fabriek. Hun levensbeschrijvingen, hun foto’s en doodsprentjes. Hij is bezig ze te ordenen, er een lijn in te krijgen.
Een grote leugen is het doodsprentje van Frans-Joseph Hubben, waarop te lezen staat dat hij zijn leven lang gehoorzaam aan God is geweest en een goed en trouw echtgenoot en vader was. Mels weet beter. Meneer Frans-Joseph kwam zelden in de kerk. Vlak na de verkoop van de fabriek is hij in Zwitserland gestorven aan een hartaanval, naar men zegt nadat ze hem uit een café hadden gezet waar hij vrouwen lastigviel.

Ton van Reen: Het diepste blauw (086)
wordt vervolgd

• fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (085). Een roman als feuilleton

`Als we China hebben gezien, zullen we pas begrijpen hoe nietig het hier allemaal is’, zegt Tijger.

`Hoe klein het dorp is, hoe smal de beek, hoe de fabriek stinkt.’

`Jij hoeft helemaal niet op reis te gaan om dat te ontdekken’, zegt Thija. `Jij weet het nu al.’

`Na de zomervakantie gaan we ieder naar een andere school’, zegt Tijger.

`Het is ellendig’, zegt Mels. `Ik wil helemaal niet naar een andere school. We moeten bij elkaar blijven.’

`We hebben er niets over te zeggen’, zegt Tijger. `Het is allemaal al beslist.’

`Stom’, zegt Thija. `Ik zal jullie maanden niet zien.’

`Dat is het ergst van alles,’ zegt Mels, `dat jij naar kostschool moet.’

`Ik wil het niet. Mijn váder wil het.’

`Ons vragen ze niets’, zegt Mels.

Ton van Reen: Het diepste blauw (085)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (084). Een roman als feuilleton

Hij heeft geen idee waar Jacob begraven is. Toen heeft hij er niet naar gevraagd.

Hebben ze met z’n drieën nooit bloemen willen brengen naar zijn graf? Hij weet het niet meer. Er was te veel afstand tussen de zigeuners en de dorpelingen. Ze werden gedoogd, daar hield het mee op. Je ging er niet mee om. Dat wilden ze zelf waarschijnlijk ook niet. Ze bleven onder elkaar.

Hij rijdt door naar huis. Het is bijna twaalf uur.
Met moeite kan hij bij de bel.

Lizet doet open.

`Dat werd tijd. Ik zit op je te wachten.’

`Het is nog geen twaalf uur.’

`Ik wil de boel aan kant hebben. Hoe was het?’

`Geen mens. Jij niet. Niemand.’

Over die hoerenmadam praat hij niet.

Hij rijdt door naar de keuken. De tafel is gedekt. In een hoek staat de kinderwagen. De baby van zijn dochter slaapt. De kat ligt in het mandje onder in de wagen.

Lizet legt een beboterde snee brood op zijn bord en doet er een omelet op.
Hij neemt een hap. Het ei is koud. Hij schuift het bord terug.

`Is het niet goed?’

`Het smaakt niet als het koud is.’

Buiten slaat de torenklok twaalf uur. Hij rolt zijn stoel terug.

`Eet je niet?’

`Nee.’

`Doe ik daar al die moeite voor?’

`Vanochtend gooide je mijn koffie weg. Nu is het ei koud.’

`Je was beter af in dat revalidatiecentrum’, gooit ze eruit.

`Ik ben blij dat je het gezegd hebt.’

`Zo bedoel ik het niet.’

`Je krijgt je zin.’

`Dram niet zo door.’

`Ik geef je gelijk.’

Ze weet dat ze te ver is gegaan. Nu heeft hij haar in de tang, ook al is het maar voor een paar tellen.
Met de lift gaat hij naar boven. Hij kijkt niet naar de schilderijen van de Wijer bij de trap. Hij wil niets zien.

Als hij van buiten komt, ziet hij elke keer hoe klein zijn kamer is. Ze lijkt steeds kleiner te worden. Een cel. Hij wil hier weg.
Hij kijkt niet in de spiegel. Hij wil zijn kwade hoofd niet zien.

Zijn bed is niet opgemaakt. Hij sluit zijn ogen en houdt de handen voor zijn oren, om de woede in hem te bedaren. Hij moet rustig worden. Aanvallen van woede kunnen het tekort aan bloed in zijn hoofd verergeren, zodat hij een aanval van verwardheid kan krijgen. Hij wil het niet. Hij moet overeind blijven. Als hij een aanval krijgt, laat ze hem in zijn vet gaar koken. Dan komt ze niet eens naar zijn kamer om hem te verzorgen.

Ze heeft hem al eens een hele nacht in zijn rolstoel laten zitten, voor straf. Hij was zo duizelig dat hij niet bij machte was om zelf in bed te komen. Toen hij naar het toilet ging, was hij naast de pot gevallen. Pas toen had ze hem geholpen. De vernedering had meer pijn gedaan dan de blauwe plekken.

Toch moet hij eventjes gaan liggen. Plat liggen is het best voor de bloedtoevoer naar zijn hoofd. Hij glijdt vanuit de rolstoel op bed en valt achterover. Het is gelukt. Hij rukt de plaid uit de rolstoel en trekt die over zijn hoofd. Donker verzacht zijn woede.
In huis is het stil. Zijn woorden hebben pijn gedaan, daar is hij zeker van. Hij heeft het niet gewild, maar hij heeft het ook niet kunnen voorkomen.

Hoe moet hij hier weg? Nergens zitten ze te wachten op een man die thuis nog een vrouw en dochter heeft die hem kunnen verzorgen. Maar de grens is bereikt.

Kan hij zijn manuscripten meenemen? Al die mappen? Het zijn stofnesten. Daar hebben ze de pest aan in zo’n verpleeghuis.
Hij zal het dorp missen. En de kleine rivier. De kleuren en de geuren van de Wijer.

Ton van Reen: Het diepste blauw (084)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (083). Een roman als feuilleton

`Doe de deur achter je dicht en loop maar naar boven’, roept Tijgers moeder, de lieve roodharige heks.

Mels holt de trap op, zijn vingers roffelend langs de spijlen. De deur van Tijgers slaapkamer staat open. Thija is er al. Ze zit op het hoofdeinde naast Tijger, haar arm om zijn hals. Hun ogen zijn gericht op iets wat voor Tijger op het bed ligt, maar Mels kan het niet zien.

Ze hebben hem niet gehoord. Geruisloos gaat Mels achterwaarts de trap af, opent zacht de voordeur en sluipt naar buiten. Met kloppend hart loopt hij naar de Wijer, de handen gebald in zijn broekzakken, alsof hij iemand wil wurgen.

Pas laat komt hij thuis. Het is al donker. Zijn moeder vraagt niets, ze begrijpt altijd alles.
Ze geeft hem thee met een stapel biscuitjes en wacht tot hij tot rust is gekomen.
`Ik heb slecht nieuws’, zegt ze dan. `Wil je het horen. Of is het voor vandaag te veel?’
`Zeg maar.’

`Die zigeunerjongen is gestorven.’
`Hij wilde nog lang niet dood.’ Mels is geschokt. En kwaad. `Het is niet eerlijk.’
`In het leven is niets eerlijk. Wat je graag wilt hebben, krijg je nooit.’

Denkt ze aan zijn vader? Hij vindt het verschrikkelijk dat die twee zo verschillend zijn en bijna nooit met elkaar praten. Zou zijn moeder gelukkiger zijn geweest met een andere man?

Omdat zijn vader er niet is, kan hij wat tegen zijn moeder aanhangen op de bank, op zoek naar troost. Zijn vader wil nooit dat hij zich door haar laat aanhalen. Hij vindt het iets voor moederskindjes.

Die nacht kan hij niet slapen. De hele nacht klinkt er vioolmuziek van heel ver. Woedende muziek. Alsof er wolven naar de maan huilen.

Als het nog donker is, staat hij al op en zoekt op de radio naar verre zenders. Vier uur. Tijd voor nachtraven. De fluitende en joelende tonen die van wie weet waar komen, stemmen hem rustig. Hij weet zeker dat het geheime boodschappen zijn. Misschien zijn er berichten bij uit China. Van de Chinese communisten voor de communisten hier die in het land geheime cellen opzetten, om later, samen met de Chinese legers, de macht te grijpen. Grootvader Rudolf weet zeker dat het ooit zover komt. Hij heeft visioenen van horden grijnzende gele mannetjes die het land onder de voet lopen. Voor elk van hen die sneuvelt komen er tientallen anderen.

Volgens grootvader hebben de Chinezen meer ruimte nodig in de wereld omdat ze met zo veel zijn. `Ze planten zich voort als ratten’, zegt hij. `Alleen maar om de wereld te overheersen. Wij zijn hier al bijna net zover. In het Rood Dorp zijn ook gezinnen met tien of twaalf kinderen. Die leggen rode lopers voor hen uit. Heel Europa zal worden platgewalst door het Gele Gevaar.’ `Is dat net zoiets als de gele verf?’ `Jazeker, mijn jongen, alleen wat erger.’ Maar grootvader Bernhard denkt er precies het tegenovergestelde van. Hij zegt juist dat de Chinezen liever in China blijven en dat China groot genoeg voor hen is. `En als ze dan toch zullen komen, dan zal ik ze vriendelijk ontvangen. In China heb ik alleen maar aardige mensen gezien.’

Mels probeert de code van een zender die een aantal verschillende pieptonen laat horen, te ontcijferen. Drie pieptonen in veel verschillende combinaties. Hij schrijft zijn vingers blauw op een velletje papier, maar alle rijtjes naast elkaar laten geen enkel verband met elkaar zien. Is het een zender die er juist voor bedoeld is om de vijand in de war te brengen? Hij komt er niet eens achter van wie de zender is en uit welk land hij zendt.

Al vroeg staat hij bij Thija aan de deur. Tijger heeft hem voorbij zien komen en volgt hem op de voet.
`Waar was je gisteren?’ vraagt Thija.
`Ik kon niet’, zegt hij. `Heb jij vannacht die viool ook gehoord?’
`Ik heb niets gehoord.’
`Jacob is dood’, zegt Mels. `Het moet zijn vader zijn geweest.’
`We wisten dat hij doodging.’
`We hadden vaker naar hem toe moeten gaan.’
`Stom, om zoiets achteraf te zeggen’, zegt Thija.

Ton van Reen: Het diepste blauw (083)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (082). Een roman als feuilleton

Mels klopt zijn schouders af, een routinehandeling, altijd bang dat Lizet roos op zijn jas vindt. Ze heeft een hekel aan roos. Vaak borstelt ze de schouders van zijn jas af. Op straat moeten de mensen weten dat ze voor hem zorgt.

Op weg naar huis passeert hij het voormalige huis van Tijger, waarin nu de jongere zus van Tijger woont. Met haar heeft hij nauwelijks contact. Ze groeten elkaar. Soms maken ze een praatje, maar nooit over vroeger. Er zijn voor haar weinig mooie herinneringen overgebleven.

Haar vader die overleden is toen ze net geboren was. Tijger die ze nauwelijks heeft gekend. Haar moeder die gek was geworden van verdriet en zichzelf had opgeknoopt op de zolder, waar haar dochter, nog net geen zestien, haar had gevonden. Misschien dat de dochter zich daarom nooit aan iemand heeft kunnen hechten. Drie keer is ze getrouwd geweest, drie keer zijn de mannen vertrokken.

Hij kijkt altijd weer naar die deur. Nog steeds dezelfde deur, dezelfde vorm, maar in de loop der jaren met vele kleuren verf bestreken, vaak er afgebrand en weer opnieuw geschilderd.

Alle kleuren heeft de deur gehad, passend bij de stemming van de bewoners. Grijs in de jaren van Tijgers jeugd. Paars toen de jongere zus er woonde met een jonge man die aan yoga deed en elke dag op zijn kop voor het raam stond. Groen toen ze er woonde met een langharige man die dag en nacht blokfluit speelde en die haar twee kinderen naliet toen hij vertrok voor een wereldreis waarvan hij nooit was teruggekomen. Rood toen ze met een andere man ging samenwonen. En weer grijs, omdat die man zomaar verdwenen was en haar met een derde kind liet zitten. Al haar kindjes heeft ze rood haar meegegeven, als eerbetoon aan haar moeder.

Ton van Reen: Het diepste blauw (082)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (081). Een roman als feuilleton

Tijger grijpt de punterstok om de boot uit het riet te houden. Grootvader Bernhard staat voor zijn molenhuis en zwaait hen na.

`Je zult zelf zien dat de Chinezen op hun handen lopen’, roept hij. `Ze eten met hun voeten.’
`Ik stuur u een kaart van het paleis van de keizer’, roept Mels.

Hij roeit. Hij roeit altijd. De taken zijn verdeeld. Tijger is stuurman en piloot.

Iemand moet de leiding hebben. Dat is altijd Tijger. Tijger die op de kracht van Mels vertrouwt. Mels is matroos en machinist tegelijk. Het roeien gaat hem makkelijk af. Hij hoeft zich nauwelijks in te spannen. Het water in de Wijer staat hoog en stroomt flink, alsof het haast heeft zich onder de brug door te wurmen en uit het dorp weg te komen. De boot gaat als vanzelf.

`Moet je zien hoeveel mensen ons uitzwaaien’, zegt Thija. `Het hele dorp is uitgelopen om afscheid te nemen.’

Ze zijn al bijna bij de brug. Opeens ziet hij Lizet, die haar tong uitsteekt tegen Thija. Haar been dat ze op de reling zet. De kanten strik rond haar dij. De slip die haar billen bijna bloot laat. Thija doet of ze het niet ziet.

Ze glijden onder de brug door. In de geheimzinnige grot onder de brug wordt opeens alles anders. De natte wanden glinsteren groen, om aan te kondigen dat er een wonder staat te gebeuren. In het schemerdonker veranderen hun stemmen en nemen alle dingen andere vormen aan. Als een dartel klein vliegtuig komt de boot onder de overkapping te voorschijn en vliegt omhoog. Een kleine pipercub op weg naar China, die opstijgend onophoudelijk van vorm en kleur verandert.

De mensen juichen. Mels ziet zijn moeder met haar beide handen wuiven, net of ze zelf ook mee wil. Hij zwaait terug.
`Ik breng zijden bloemen voor je mee’, roept hij naar zijn moeder. `En voor jou breng ik een … een …’ roept hij naar zijn vader, die hem in zijn deftigste zwart nawuift. `Een … een …’ probeert hij nog, maar hij weet niet wat hij voor zijn vader mee moet brengen, want ook als hij jarig is, weet hij nooit wat hij voor hem moet kopen.

`We gaan!’ schreeuwt Tijger enthousiast vanuit de cockpit. Hij heeft het nog maar net geroepen, of het vliegtuig klapt tegen de starre, dode muur van de graansilo. Meel stuift in het rond. Alles is wit. De zwaaiende mensen stuiven onder, maar ze blijven doorgaan met zwaaien, alsof ze niet hebben gezien dat het vliegtuig voor hun ogen uit elkaar is gespat. Ze blijven zwaaien tot het allemaal sneeuwpoppen zijn geworden, met zwarte hoeden en verkoolde ogen.

Ton van Reen: Het diepste blauw (081)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (080). Een roman als feuilleton

Nu Mels zelf grootvader is, lijkt het soms of hij zijn leven heeft gedroomd. Net als zijn moeder. Hij weet nog hoe ze zong terwijl ze frambozen plukte. Hij twijfelt aan de waarheid van de dingen die hij zich herinnert. Soms bleken ze achteraf heel anders. Hij herinnerde zich zijn vader als een groot man tegen wie hij opkeek, maar toen hij later in de kast de overjas van zijn vader vond en hem paste, bleek die hem te klein.

En zijn moeder? Was ze echt zo meisjesachtig? Jammer dat hij geen foto’s van haar heeft zoals hij zich haar herinnert, haar mond rood van frambozensap. Alle foto’s die hij van haar heeft zijn in zwart-wit.

Daardoor missen ze ook de geuren die bij haar hoorden. Rijp fruit. Gras. Appelgebak. Hij bewaart een paar foto’s van haar in zijn portefeuille, samen met die van Tijger en Thija. Hij haalt ze te voorschijn, zoals hij bijna elke dag even doet. Zijn moeder, lachend, op het weitje achter het huis waar ze de was te bleken legt, een beetje verrast door de fotograaf. Was dat zijn vader geweest? Of haar eigen vader, grootvader Bernhard?

Een andere foto toont haar op haar paasbest, samen met zijn vader, in het zwart, de voordeur achter zich dichttrekkend. Op weg naar de kerk. In dat grijs is ze veel te deftig voor de moeder uit zijn herinnering. De zondagse kleren zitten haar zelfs op de foto onwennig. Na de mis gooide ze die altijd direct uit, om wat luchtigs aan te trekken, om de bossen in te gaan, samen met Mels en vaak ook met Tijger en Thija. Maar altijd zonder vader. Die zat op zondag in zijn zwarte kleren deftig zondags te wezen in het café.

Of gewoon in de kamer, slapend in zijn stoel. Niet voor niets was hij een zoon van grootvader Rudolf. Hij stond stijf van de regels.
Een foto waar ze allemaal op staan: grootvader Bernhard, moeder, Thija, Tijger en hijzelf. Geen vader. Allemaal tot de knieën in een zee van gras aan de oever van de Wijer. Toen was zijn vader er nog. De foto moet door hem genomen zijn. Hij moet nog hebben geprobeerd de compositie van de foto te redden, maar daarbij heeft hij het hele groepje een beetje scheef gefotografeerd.

Of misschien was hij gewoon dronken, zoals vaak op zondag. De Wijer stroomt in de richting van de brug een beetje omhoog, net alsof ze allemaal wankel staan. Thija staat vooraan, met opgeschorte jurk, bang dat haar onderrok onder het stuifmeel van de oeverlelies komt te zitten. Haar benen dun, maar sterk. Alles aan haar is sterk. Haar lach, haar houding. Hoe klein en spichtig ze ook is, niemand is altijd en overal zo nadrukkelijk aanwezig als zij. Tijger staat naast haar, een arm om haar hals. Hij trekt haar een beetje naar zich toe. Zelf staat Mels vlak bij zijn moeder, die troostend een hand op zijn schouder legt.

Een foto van Tijger alleen, stoer, in starthouding op zijn fiets, als op een motor.

En de adembenemend mooie foto van Thija op de dag van haar plechtige communie. Voor de bloementuin van de kerk. In haar roze jurk, die zelfs op de zwartwitfoto, in de speciale tint grijs, laat zien hoe roze die is. In haar hand draagt ze een boeket van margrieten en Gipskruid, in haar andere hand het nieuwe missaal. Haar ogen staan groot, maar voor haar doen wat verlegen. Ze vertolkt de hoofdrol in een toneelstuk. Het hele dorp was erbij toen alle communicanten, een voor een, door de fotograaf werden gekiekt, allemaal in dezelfde houding, voor de bloementuin tussen de kerk en de pastorie.

Nog altijd herinnert Mels zich dat moment. Hoe stil het werd; het was al stil toen ze naar de plek liep. De ogen waarmee ze naar de fotograaf keek, haar grote wat verbaasde ogen. Het bleef maar duren. Ze trok het toneelstuk helemaal naar zich toe. Maar de fotograaf moest verder. Andere meisjes stonden te dringen.

Mels weet nog precies hoe het was; hoe ze hem heel even aankeek. Maar later zei Tijger dat ze naar hem had gekeken en zo had iedereen gedacht dat ze naar hem of naar haar keek, zelfs zijn moeder.

Hij stopt de foto’s terug in de portefeuille en kijkt uit over de Wijer die er, vanaf dit punt gezien, nog net zo bij ligt als een halve eeuw geleden.

Ton van Reen: Het diepste blauw (080)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature