In this category:

Or see the index

All categories

  1. AUDIO, CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm & co, fairy tales, art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, ideal women
  20. WAR & PEACE
  21. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

– Het diepste blauw

· Ton van Reen: Het diepste blauw (079). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (078). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (077). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (076). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (075). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (074). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (073). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (072). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (071). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (070). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (069). Een roman als feuilleton · Ton van Reen: Het diepste blauw (068). Een roman als feuilleton

»» there is more...

Ton van Reen: Het diepste blauw (079). Een roman als feuilleton

Het schuurtje achter het huis van grootvader Rudolf is een klein oorlogsmuseum. Er staan een paar ingevette geweren van Duitsers en Engelsen. Militaire uitrustingen. Helmen. Blinkend opgepoetste koperen hulzen van granaten.

De helm van vliegenier John Wilkington heeft een apart plaatsje onder een glazen stolp. Daarnaast ligt een handgeschreven vel met de informatie die grootvader over het leven van John Wilkington bij elkaar heeft gezocht. En een carbonkopie van de getypte brief die grootvader naar Engeland heeft gestuurd, waarin hij de laatste weken van het leven van Wilkington heeft beschreven.

Daar heeft hij een dankbrief voor teruggekregen van een majoor Kirk Harlewood, die hem ook het thuisadres van Wilkington heeft gegeven. Waarna zijn schoondochter, Mels’ moeder, bij wie Wilkington in huis was geweest, een brief naar de weduwe heeft gestuurd. Met grootvaders toestemming, omdat hij zelf niet in staat was om emoties op papier te zetten.

Verder bevat het museum veel foto’s in lijstjes. Vooral kiekjes van vrolijke Engelse tommy’s, boven op tanks en in jeeps, met meisjes met opgetrokken rokken op schoot. Door al die vrolijke soldaten en glunderende meisjes lijkt de oorlog vooral op een groot feest.
Bij sommige meisjes heeft grootvader een kruisje op het voorhoofd gezet.

`Waar dient dat kruisje voor?’ vraagt Mels, die de gezichten van de meisjes bestudeert.
`Het is een brandmerk’, zegt grootvader. `Het waren meiden die met Duitse soldaten liepen en later met de tommy’s. Het betekende dat ze voor onze eigen jongens afgeschreven waren. Maar ze trouwden het eerst. Het geheugen van de mensen is kort. De oorlog waren we vlug vergeten.’

`Waarom bewaart u die spullen dan?’
`Omdat ik wil onthouden waar wij angst voor hebben gehad.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (079)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (078). Een roman als feuilleton

Mels herinnert zich het gesprek op het kerkhof als de dag van gisteren.

Nog geen twee dagen later vonden ze grootvader Bernhard dood in zijn stoel. Met de kat op schoot, die misschien niet eens wist dat hij dood was of dat misschien niet wilde weten.

Hij was zo maar ingeslapen, nog geen uur nadat Mels’ moeder bij hem op bezoek was geweest en zijn bed had opgemaakt met schone lakens.

Misschien vond hij het bed te schoon en te wit om erin te sterven en was hij liever in zijn onopgemaakte holletje doodgegaan.

Grootvader Rudolf heeft hem twintig jaar overleefd. Die is bijna honderd geworden. Hij heeft Bernhard zo lang overleefd dat hij zelfs vergeten was dat hij zijn hele leven ruzie met hem had gemaakt. Toen hij stokoud was, sprak hij alleen nog maar over zijn jeugd, over toen hij en Bernhard nog vrienden waren en alles samen deden en voor eeuwig vrienden wilden zijn. De ouderdom zette in het hoofd van grootvader Rudolf alles op zijn kop.

In het jaar dat hij stierf, was zijn lijf net zo uitgewoond als het grijze kostuum dat hij dertig jaar had gedragen en dat hij nooit meer had willen vervangen, maar in zijn hoofd was hij een jongeman van achttien die de hele wereld aankon. Alles wat er na zijn achttiende gebeurd was, was hij vergeten. De nette man was allang dood. Hij riep naar de meiden op straat en was lastig voor de verpleegsters die hem kwamen wassen en aankleden. Na een lang keurig leven bewees hij in zijn dementie dat hij geen haar was veranderd.

Ton van Reen: Het diepste blauw (078)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (077). Een roman als feuilleton

Toen grootvader Bernhard na zijn pensionering het baantje van doodgraver had aanvaard, was grootvader Rudolf koster geworden.

Zo doet hij ook wat voor de kerk. Omdat de een binnen werkt en de ander buiten, hoeven ze elkaar nooit te treffen, terwijl ze toch dezelfde Heer dienen.

Als grootvader Mels ziet aankomen, gaat hij op de rand van het gat zitten, om even uit te blazen. Mels springt in het gat en graaft verder.

`Wie is er dood?’ vraagt Mels, terwijl hij de kluiten over de rand werpt.
`We krijgen een man die in zijn jeugd naar Curaçao is vertrokken en die hier nooit meer terug is geweest. Dat gebeurt steeds vaker. Laatst was er een vrouw die na de oorlog is weggevlucht.’

`Was ze bang?’
`Ze zou met Duitsers hebben gelopen. Haar fout was dat ze altijd aardig was geweest tegen iedereen, ook tegen de Duitsers. Daarom noemden ze haar een moffenhoer. Ik begrijp niet dat ze hier wil rusten, tussen de mensen die haar kaal hebben geschoren.’
`Misschien heeft ze hen vergeven.’
`Dat moet het zijn, jongen. Mensen moeten niet blijven leven met wraakgevoelens.’
`Kent u die man uit Curaçao?’
`Een merkwaardig iemand. Hij is door toeval als militair op Curaçao terechtgekomen en is daar nooit meer weggegaan, maar hij heeft in zijn testament laten zetten dat hij hier begraven wil liggen. Liever dood thuis dan nooit thuis. De wensen van overledenen moeten worden gerespecteerd.’

`Denkt u wel eens over doodgaan?’
`Waarom zou ik?’
`Omdat u oud bent.’
`Mijn beste jaren komen nog.’
`Grootvader Rudolf zegt dat de doden wachten op de verrijzenis.’
`Zo’n bovenmeester weet dat het beste’, lacht grootvader. `Sommigen liggen hier al zo lang dat er niets meer van hen over is. Als de engelen het Laatste Oordeel aankondigen, zal het voor velen knap lastig worden om uit het graf te verrijzen. Veel doden liggen boven elkaar begraven. Dan komt er iemand met de armen van de een en met de benen van een ander te voorschijn.’

`Grootvader, u spot met de doden. U mag ze de hoop niet afnemen.’
`Ik denk dat we het niet zo precies moeten nemen. Het lichaam dat we hier achterlaten, zal hier heus wel blijven. In welke gedaante wil je verrijzen? Als je oud was, wil je dan terugkomen als een jongeman? Ik geloof niet in die verrijzenisideeën. In de hemel is geen plaats voor de afgedragen pakken die onze lijven zijn. Voor de zielen is weinig plaats nodig. Alle zielen van de wereld kunnen in mijn handpalm.’

`Misschien is de hemel op aarde.’
`Precies. De bijbel bestaat uit plaatjes en praatjes die de mensen moeten kunnen begrijpen. Maar God houdt zich niet met het gekronkel van ons aardwormen bezig. Hij heeft wel wat anders te doen. Kijk vanavond naar de Melkweg. Dat heb ik geleerd op zee, van me af kijken. Beseffen dat alles eindeloos is. Ook God. Het enige wat ons past is afwachten wat God met ons wil.’
Grootvader neemt de schop over en graaft fluitend verder. Zijn twijfel over de eindigheid doet hem niet twijfelen over het nut van de dag van vandaag en over het nut van mooie graven.

Mels veegt het zand van zijn kleren.
`Wat zijn hoeren?’
`Hoe kom je daarbij?’
`Zojuist had u het over een moffenhoer.’
`Hoeren zijn vrouwen die de liefde bedrijven voor geld.’
`En die meisjes in de havens, vroeger?’
`Niet alle vrouwen die van de liefde leven, zijn hoeren. Zij waren de plaatsvervangsters van onze eigen meisjes en moeders. Troostmeisjes.’
`Zijn hier ook hoeren?’
`Nee, hier weten de mensen te veel van elkaar.’
`Ik heb Thija’s borsten gestreeld.’
`Heb je daar spijt van?’
`Nee.’

`Gelukkig maar. Strelen hoort bij de liefde. Toen ik zo oud was als jij droomde ik ook van meisjes. Ik moet je eerlijk bekennen, ik heb mijn meisje ook over haar borsten gestreeld, ook al werd me verteld dat het een doodzonde was. Ik ging liever naar de hel dan het te laten. Meisjes zijn er om gestreeld te worden. Ze hebben een zachte huid, dat is de natuur. Zonder strelen komt er geen nieuw leven. Paarden in de wei aaien elkaar ook. Denk jij dat die ooit hebben gehoord over doodzonde?’

Ton van Reen: Het diepste blauw (077)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (076). Een roman als feuilleton

Mels rijdt langs de kerk en vandaar, over het kerkhofpad, naar het kerkhof.

Aan de ene kant de muur rond de pastorietuin, aan de andere kant de verwilderde heg die de gronden van de parochie scheidt van die van de gemeente.

Achter de heg staat de gemeenteloods.

‘s Avonds is het pad in gebruik bij vrijers die door de heg kruipen en onder de oude, nooit gesnoeide appelbomen in de pastorietuin de kunstjes van de liefde leren.

Ook de heksen komen hier bij elkaar. Grootvader Bernhard vertelde dat ze vanaf het kerkhofpad naar Duitsland vlogen, om met de duivel te vrijen.

Maar als ze terugvlogen naar het dorp en spijt kregen, strafte de duivel ze door hen dwars door alle heggen en struiken te laten vliegen, zodat ze de volgende dag kenbaar waren aan hun schrammen en builen.

Het pad eindigt bij de poort van het kerkhof.

 

Ton van Reen: Het diepste blauw (076)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (075). Een roman als feuilleton

Voor ze naar binnen gaan, plukken ze dikke ijspegels van het afdakje boven de deur, om op te sabbelen.

Binnen maken ze een vuurtje van houtblokken. Als het een beetje warm is, trekken Mels en Tijger hun schoenen en sokken uit om ze bij het vuur te drogen. Hun tenen zijn zo wit als die van hun grootmoeder toen ze opgebaard lag en haar voeten net iets onder het laken uit staken. Mels had het niet kunnen laten om er even in te knijpen. Hij weet zeker dat ze even de ogen opende en dat ze heel zacht `au’ had gezegd. Zijn grootmoeder hield van grapjes, daaraan kon de dood niets veranderen. Maar van zijn vader had hij een draai om zijn oren gekregen.

Daardoor weet Mels het nog. Veel meer dan dat voorval heeft hij niet van haar onthouden: hij was nog klein toen ze doodging. Ze kennen haar vooral uit de verhalen van grootvader Bernhard. En ze weten dat ze van paarse viooltjes hield, want hij zorgt ervoor dat haar graf altijd vol paarse viooltjes staat.

`Ik zal jullie voeten warmen’, zegt Thija. Ze wrijft hun tenen warm met sneeuw, net zo lang tot ze gloeien als ijzer in smidsvuur. Ondertussen vertelt ze over de winter in China, waar het heel gewoon is dat de sneeuw zo hoog ligt dat de mensen er tunnels in aanleggen en de dorpen in de winter op vestingen lijken, met daken van ijs waar de zon doorheen schijnt.

`Er was eens een meisje in China dat in een gevangenis zat’, begint Thija.
`Waarom?’
`Omdat haar moeder niet van haar hield. Ze zat niet in een echte gevangenis, voor haar gevoel was het zo. Om lief voor haar moeder te zijn, plukte ze bloemen. Maar toen ze de bloemen aan haar moeder gaf, vond die de kleur niet mooi. Toen bakte ze een taart voor haar moeder, maar die lustte de taart niet omdat ze in plaats van suiker per ongeluk zout had gebruikt. Een lieve moeder had tegen haar kind gezegd: “O, wat heb jij een lekkere taart gebakken. Geef me nog maar een stukje.” Maar in haar zenuwachtigheid deed het meisje alles fout. Op een keer, toen haar moeder weer tegen haar schreeuwde, werd het meisje heel boos. Toen haar moeder sliep, pakte ze het taartmes en sneed haar het hoofd af. Ze stopte het in een taartdoos en stuurde het naar de keizer, omdat de keizer oud en alleen en blind en een beetje zielig was. Ze dacht: Als hij de doos opent en het haar van mijn moeder voelt, vindt hij er misschien troost in door het te strelen. Zo was haar moeder dan toch nog ergens goed voor. De rest van het lichaam sneed ze in stukken en gooide die in zee.’

`En toen?’
`Dit is alles.’
`Dit verhaal is niet af’, zegt Mels. `Krijgt ze straf? Wordt die moeder weer heel en krijgt ze dan spijt?’
`Vertel jij het verhaal maar verder.’
`Goed. Op een dag toen de keizer het haar van de moeder zat te strelen, merkte hij dat het alleen een hoofd was. Dat deed hem verdriet. Hij wilde het hele lichaam van de vrouw kunnen strelen. Hij liet in het land omroepen dat wie hem het lichaam van de vrouw bracht, een beloning zou krijgen.

Op een dag vonden een paar vissers de stukken van het lichaam in hun netten. Ze brachten ze naar de keizer. Die was blij. Vurig wenste hij dat de vrouw weer tot leven kwam. Maar toen de keizerlijke dokters haar in elkaar aan het zetten waren, ontdekten ze dat ze geen hart had. Daarom gaven ze haar het hart van een slang. Ze begon weer te leven. De vrouw was verbaasd toen ze zichzelf in de armen van de keizer terugvond.’

`En toen?’ vraagt Tijger.
`Dan is het verhaal afgelopen.’
`Dat kan niet. Ik weet hoe het verdergaat. De vrouw wil zich wreken op haar dochter. En ze is sluw omdat ze nu het hart heeft van een slang. Op een nacht glijdt ze, in de gedaante van een slang, het huis van haar dochter binnen en probeert haar te wurgen. Maar de dochter herkent haar aan haar ogen. Die zijn nog altijd even vals. Nu kan haar moeder haar slangengedaante niet meer afleggen, want wie in valse vermomming herkend wordt, moet voor altijd in die gedaante blijven huizen en kan nooit meer zichzelf worden. De moeder vlucht naar het bos. Daar woont ze nu nog, als een gevaarlijke slang. Alle kinderen die in het bos komen, eet ze op.’

Zo is het genoeg’, zegt Thija. `Zwarte sprookjes eindigen altijd met opgegeten kinderen.’
De schoenen en sokken zijn weer droog. Het vuur is al bijna uit. Ze gooien een paar emmers sneeuw op de nog gloeiende as die sissend protesteert, alsof de duivel zelf zich in de resten van het vuur ligt te warmen.
Ze gaan naar de zolder. Het raampje van de molenzolder is wit van de sneeuw. De binnenkant van het glas is geëtst met ijsbloemen die lijken op het suikerwerk op een abrikozenvlaai.

Het is alsof ze onder een stolp zitten. Om elkaar te verstaan is fluisteren meer dan genoeg. Hun stemmen komen met wolkjes uit hun mond. De woorden bevriezen bijna op hun lippen, de letters vallen als spelden zo zacht op de vloer, maar maken toch nog genoeg geluid om elkaar onder deze stolp van stilte te kunnen verstaan.
Tijger blaast zijn handen warm. Het klinkt oorverdovend luid.

`Stil’, zegt Thija. `We zijn hier om te luisteren naar de stilte.’
Ze durven bijna niet meer te ademen.
Plotseling horen ze een kreet. Ver weg. Het is net alsof hij over een enorme vlakte naar hen toe komt.
`Dat is iemand die bang is’, zegt Thija.
`Het is die zigeunerjongen’, zegt Mels. `Jacob.’
`Is hij dan nog niet dood?’
`Hij zit in die wagen om beter te worden. Hij roept zo hard omdat hij alleen is. Het is mijn schuld. Ik heb beloofd dat ik terugkwam.’
`Dan gaan we nu’, zegt Thija.

Ze verlaten de stille stolp van de molen en lopen langs de Wijer het dorp uit.
Door het dikke zuigende pak sneeuw duurt de tocht eindeloos lang.
De woonwagens en de kleine keet staan nog steeds op dezelfde plaats, aan het eind van een bosweg.
Iemand tikt op het beslagen raam van het keetje. Ze moeten goed kijken. Het is Jacob.

`Ik dacht dat je me vergeten was’, roept hij.
`We konden je tot in het dorp horen roepen’, zegt Mels. `Als het koud is, draagt een stem heel ver.’
`Ik was even buiten’, zegt de jongen. `Om door de sneeuw te lopen. Ik geloof niet dat ik beter word door in dit hok te blijven zitten. Daarom schreeuwde ik zo hard. Niet van kwaadheid, hoor. Van blijdschap omdat ik de sneeuw voelde.’
Jacobs moeder komt uit haar woonwagen naar buiten. Ze kennen haar goed. Mels’ moeder heeft zeker al twintig vingerhoeden van haar gekocht, maar ze gebruikt er nooit een. Ze zien Jacobs vader achter de ruit zitten, zijn hoofd in de rook van een sigaret.
`Ik ben blij dat jullie Jacob opzoeken’, zegt ze.
`Hoelang is hij al ziek?’
`Al heel lang. Kom even binnen, ik heb thee.’

In de wagen moeten ze zich voorzichtig bewegen om de porseleinen engelen en adelaars en de kristallen vazen niet om te stoten. De wagen staat propvol.
Ze drinken thee.
`Het gaat niet goed met Jacob’, zegt zijn moeder. `Ik zeg het eerlijk, het is een wonder dat hij nog leeft. Hij wil niet dood. Misschien haalt hij de lente. Dan kan het nog lang duren.’
Jacobs vader zucht, inhaleert diep en blaast de rook uit in kringetjes.
`Als hij niet beter wordt, dan mag hij toch wel uit dat keetje?’ vraagt Mels.
`Als we tegen hem zeggen dat hij eruit mag, weet hij dat het afgelopen is.’
`Dank u voor de thee’, zegt Mels. `We willen nu graag naar Jacob.’
Jacobs vader dooft de sigaret, kijkt hen een voor een aan, lijkt iets te willen zeggen, slikt, alsof hij een brok in zijn keel heeft, zegt niets en rolt een nieuwe sigaret.

Door de sneeuw lopen ze terug naar de kleine wagen.
Jacob nodigt hen naar binnen. Dat mag nu dus ook.
In de wagen ruikt het naar schoonmaakmiddelen. Zijn het de medicijnen die zijn longen beter moeten maken?
Jacob zit op het bed. Zijn gezicht is wit als sneeuw.
`Zien zieke kinderen er allemaal zo uit als ik?’ vraagt hij.
`Als je beter bent, krijg je net zo’n rode kleur van de kou als wij’, zegt Mels. `Straks, als je weer naar school gaat.’
`Op scholen houden ze niet van zigeuners.’
`Bij ons wel’, zegt Mels. `We hebben ook een meisje uit China in de klas.’
`Zij?’ Jacob kijkt naar Thija.
`Als je van verhalen houdt, kun je vriend van ons worden’, zegt Thija.

`Zigeuners kennen veel verhalen’, zegt Jacob. Hij vertelt over hoe de zigeuners door de eeuwen heen door de Kaukasus trokken en door Europa en ten slotte hier zijn aangekomen. Hij heeft een boek over de lange reis. Het staat vol platen. Zigeuners op feesten. Dansende meisjes met wijde rokken. Kampvuren. Vrouwen die levende egels opblazen door ze een strootje in hun gat te steken, ze in klei rollen en ze levend in het vuur roosteren.
`Bah, dat jullie egels eten’, zegt Mels.
Jacob zwijgt. Hij is moe. Ze staan op.

`Komen jullie weer terug?’
`Zeker’, zegt Mels.
Zachtjes gaan ze naar buiten. De sneeuw lijkt nu nog witter. Hij knarst onder hun voeten.
Zwijgend lopen ze terug naar huis.
`Raar dat Jacob blauwe ogen heeft’, zegt Thija. `En blond haar.’
`Zou het dan toch waar zijn dat zigeuners kinderen roven?’ vraagt Tijger.
`Er zijn ook blonde Chinezen’, zegt Thija.
`Bestaat niet.’
`Wel. Afstammelingen van gestrande scheepsbemanningen. En van Marco Polo. Die kreeg honderd vrouwen van de keizer.’
`Als je in de Middeleeuwen een zigeuner doodsloeg kreeg je een beloning’, zegt Mels.
`Veel?’ vraagt Tijger.
`Als je een gezin uitmoordde was je rijk. Dan kon je een kasteel kopen.’

`Jammer dat we niet in de Middeleeuwen leven’, zegt Tijger. `Dan hadden we genoeg geld om naar China te vliegen.’
Thija kijkt hem verbijsterd aan.
`Natuurlijk hadden we hen dan doodgeslagen’, zegt Tijger. `Als we toen hadden geleefd, hadden wij ook gedacht als middeleeuwers.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (075)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (074). Een roman als feuilleton

Mels herinnert zich nog goed dat meester Hajenius eindelijk was gestorven, aan de gele verf.

Buren die zijn vrouw hadden geholpen in de laatste weken dat hij ziek was, zeiden dat hij bijna oranje was, net als de eierdooiers van bruine kippen. De gele verf waarde rond in het dorp. Grootvader Bernhard had het er druk mee gehad. Drukker dan de dokters. Die hadden het makkelijk.

De mensen die plotseling stierven, kregen volgens hen een beslag, wat dat dan ook was. En niemand vroeg ernaar. Dood was dood. Dokters waren niet veel meer dan kwakzalvers. In die tijd zou Mels met zijn kwalen allang dood zijn geweest. Nu wordt zijn leven gerekt door nieuwe uitvindingen. Nieuwe medicijnen die een lijk tot leven kunnen brengen. Maar wat heeft hij eraan?

Hij leeft in een wereld die alleen de zijne is, maar waar niemand nog belangstelling voor heeft. Wat heeft het voor zin om de tijd te rekken als hij zijn verhalen aan niemand kwijt kan?

Ton van Reen: Het diepste blauw (074)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (073). Een roman als feuilleton

Mels wordt wakker. Verbaasd ziet hij dat er sneeuw op het matje voor zijn bed ligt. Hij vliegt het bed uit. De vensterbank is nat. De gesmolten sneeuw heeft zijn schoolschrift doorweekt. Het opstel dat hij gisteren heeft geschreven, is onleesbaar op het natte papier. Alle letters zijn uitgelopen. Ze zijn nog het best te lezen in het spiegelschrift aan de andere kant van de blaadjes.

Hij hangt het schrift te drogen op het wasrekje bij de kachel. Even later begint het papier te dampen. Het ruikt naar gesmolten boter.

Als hij zich heeft aangekleed en zijn boterham op heeft, is het schrift droog, maar de tekst blijft onleesbaar. Het is het schrift van een alchemist.

Thija en Tijger halen hem op. Hij laat hun het schrift zien.
`Het lijkt op Chinees’, zegt Thija, de letters in spiegelschrift bekijkend. `Het is knap gedaan, maar toch krijg je een slecht cijfer.’
Vandaag zijn ze vrij. Al de hele week. Op school worden de houtkachels vervangen door oliehaarden.

Lange sporen trekkend door de sneeuw, schuiven ze over straat, op weg naar de winkel van juffrouw Fijnhout.
Nu ze niet meer achter haar toonbank kan staan, is de winkel alleen open als er mensen zijn om haar te helpen. Meestal is dat op zaterdagmiddag en door de week van vijf tot zes. Dan staan Mels en Tijger achter de toonbank en zorgt Thija voor juffrouw Fijnhout. Soms, als het druk is, helpen de moeders van Tijger en Mels.
Juffrouw Fijnhout is net uit bed. Haar haren staan uit als pieken, zoals ze op het kussen hebben gelegen. Ze haalt haar hand als een kam door het haar. Ze heeft nog niet ontbeten.

Thija maakt thee.
Juffrouw Fijnhout eet bijna niets meer. Ze drinkt wat thee en pakt er een mariakaakje bij. Ze wordt elke dag geler. Misschien komt het van te veel thee. Soms, als ze even opstaat, schuifelt ze door de keuken en herschikt ze de heiligenprentjes die ze achter de spiegel en de schilderijtjes heeft gestoken, net als de vergeelde rekeningen, briefjes met namen en telefoonnummers en de jarenoude palmtakjes tegen blikseminslag.

`Kun je me helpen een brief te schrijven?’ vraagt ze aan Mels.
`Zeker.’ Hij pakt het schrijfblok en de vulpen uit de bureaulade.
`Wij gaan de winkel poetsen’, zegt Thija. Zij en Tijger verdwijnen met vegers en stofdoeken naar de winkel.
Juffrouw Fijnhout dicteert.
`Lieve nicht Jozefien.’
`Hebt u een nicht?’
Ze hoort zijn vraag niet.

`Ik moet je schrijven over mijn toestand. Ik val maar met de deur in huis: het gaat niet goed met mij. De dokter zegt dat ik kanker heb en dat hij niets voor me kan doen.’
`Kanker?’ zegt Mels. `Ik dacht de gele verf.’
Ze hoort hem niet.
`Misschien kun je me komen opzoeken om mijn voorstel te bespreken. Ik weet dat je het vreemd zult vinden, maar ik denk dat mijn huis en mijn winkel wel wat voor jou zouden zijn. Het winkeltje heeft altijd goed gedraaid. Er komen steeds meer mensen in het dorp wonen, vooral nu de meelfabriek gaat uitbreiden. Ik wil graag dat alles blijft zoals het is, tenslotte was de zaak ook al van je grootouders en heeft jouw moeder, mijn zus Johanna zaliger, net zo veel rechten op het bezit als ik. Jij bezit haar rechten. Als jij de zaak wilt overnemen, is alles van jou, want mijn deel schenk ik je ook. Zie je ervan af, dan schenk ik alles aan de kerk. Ik hoop dat jij jouw deel dan ook aan de kerk laat.’ Ze wacht even. `Heb je dat?’
`Heb je dat?’ vraagt Mels. `Hoe, wat, heb je dat? Het staat er al.’
`Heb je dat allemaal opgeschreven?’
`Ja, alles. Alleen “heb je dat?” moet ik weer doorstrepen.’
`Geeft niet. En zet er maar onder, je liefhebbende tante Jozefien.’
`Jozefien?’
`Mijn nicht heet naar mij.’ Ze zet haar handtekening onder de brief. Mels vouwt hem dicht, stopt hem in een envelop en plakt er een postzegel op.
`Erft Jozefien ook die soldaten op de slaapkamer?’ Hij flapt het er zomaar uit.
Ze kijkt hem aan, met pretlichtjes in haar ogen.
`Je wilt weten hoe ik eraan kom?’
`Eigenlijk wel.’
`Toen ik jong was heb ik als naaister in een atelier voor legerkleding gewerkt. Tot de zaak failliet ging omdat uniformen in Duitsland voordeliger werden gemaakt. Daar waren grotere fabrieken. De jongens die elkaar later hebben afgemaakt, droegen kleren van hetzelfde fabrikaat. Wel droevig. Toen de zaak ophield te bestaan, mocht ik de paspoppen meenemen. Met die kerels in huis voelde ik me niet zo alleen.’

Juffrouw Fijnhout zakt wat verder onderuit op haar stoel en sluit haar ogen.
Mels gaat de anderen helpen in de winkel.
Nadat ze zo geruisloos mogelijk het werk in de winkel hebben gedaan, doen ze de deur achter zich dicht, met het bordje `gesloten’ voor het glas.
Door de dikke laag verse sneeuw lopen ze langs de Wijer naar het molenhuis van grootvader Bernhard, waar ze bij regen of sneeuw vaak zitten te wachten tot het droog is.

Tussen de witte oevers is de Wijer zwart. Aan de kanten heeft ze zich versierd met randjes van bevroren kant. Ze kunnen de duiveltjes die in de beek wonen, van de kou horen kermen, maar ja, wie heeft er medelijden met die gemene opdondertjes? Niemand toch? Behalve Thija. Op een ochtend toen het zo koud was dat de lucht als een mes door je mond sneed, heeft ze een keteltje kokend water in de Wijer gegoten, zodat de duiveltjes zich tenminste eventjes konden warmen.
`Mijn voeten bevriezen’, zegt Mels, die net als Tijger bij elke stap een schep sneeuw in zijn lage schoenen krijgt.

Grootvader is niet thuis, maar het huis is niet op slot. De deur is nooit op slot. Er hangt een briefje, waarop geschreven staat: ik ben naar het kerkhof.

Ton van Reen: Het diepste blauw (073)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (072). Een roman als feuilleton

Mels wordt verblind door de schittering van de zon op de Wijer.

Het door het water gewitte zonlicht maakt alles wit. Het kleurt de weilanden rond het dorp wit.

De rode daken zijn wit. De blauwe daken zijn zilverwit. De lichtgroene bomen zijn blinkend wit als van parelmoer. De kinderen in de straat zijn wit, allemaal in het wit gekleed, met witte schoenen en met ijskoude witte gezichten.

Het witste wit zet de tijd stil. Wit van woede is hij. Omdat ze hem allemaal hebben laten barsten.

Een wolk schuift voor de zon en laat zijn woede verdampen. De kinderen krijgen hun kleur terug. Ze hebben rode kersentrosjes rond de oren en hinkelen zingend over de stoep.

Ton van Reen: Het diepste blauw (072)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (071). Een roman als feuilleton

Mels zit op zijn knieën op een stoel en volgt de lijnen van het potlood dat over de kaart glijdt, zonder ze te raken.

Steeds weer dezelfde berekende banen, tot grootvader het potlood even stilhoudt, een kleine krul tekent, een kleine verbetering aanbrengt en dan zijn weg boven de kaart vervolgt.

Zachtjes mompelt grootvader maten, cijfers en gewichten. Langzaam groeit de tekening van het molenwerk, soms slechts met een paar aantekeningen per dag, een enkele keer met een uitgewerkte hoek, plank, balk of hijskraan. De molen komt tot leven tot in de kleinste details, de kleinste tand aan een rad.

Het is spannend om te zien hoe het gebouw om hem heen in het klein herschapen wordt op het grote papier, schaal één op honderd, en hoe in klein schrift alle gegevens over waterkracht en maalvermogen in de marges van de tekening worden genoteerd. Zo vertelt de molen over zichzelf, zijn waterige bloedsomloop, zijn stalen zenuwen, zijn huid van lei en teerzeil.

Bij alle onderdelen staat vermeld welke soorten hout ervoor gebruikt worden. De as van het molenrad is gemaakt van eikenhout dat hard en zwaar als staal is. Maar het rad is van licht en toch keihard acaciahout, zodat het bij het draaien niet te veel kracht verliest door het meenemen van zijn eigen gewicht. Het water moet snel stromen. Het moet zo snel zijn dat het de kleur van ijzer heeft. Wit ijzer dat zwaar in de schoepen van het waterrad valt en het rad, steeds met nieuwe kleine schokjes, tot snelheid drijft. Snelheid is kracht.

Hoe witter het water uit het rad wordt gespuwd, hoe sneller de maalstenen het graan, dat in een gestage stroom naar de stenen wordt geleid, verpulveren. Als het rad op zijn snelst draait, schuimt het water als zeepsop. Het wast de hele beek schoon.

Ton van Reen: Het diepste blauw (071)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (070). Een roman als feuilleton

Het beeld springt over naar de groep eskimo’s. Voor het eerst herkent hij Kemp tussen hen. Kemp met zijn brutale grijns. Mevrouw Lecoeur staat op en loopt het zaaltje uit. Mels wisselt de film. Hij wacht, maar mevrouw Lecoeur komt niet terug. Hij hoort haar naar buiten lopen.

Dan draait hij de film maar voor zichzelf.
De aftiteling bestaat uit het logo van de meelfabriek. Mensen drommen samen in de hal van de Firma J.J. Hubben en Zonen. De pastoor zegent de nieuwe fabriek in. De mensen slaan een kruis.
De oud-directeur Frits, de zoon van de weduwe Hubben-Houba, voert het woord. Hij lijkt te vertellen over de fabriek en de mensen en dat ze één zijn en dat de fabriek bestaat voor de mensen en dat de mensen er zijn voor de fabriek. Mels kan het zich haast woordelijk herinneren. Bij elk feest zei hij hetzelfde. Hij komt niet goed uit zijn woorden, dat is te zien. Waarschijnlijk was hij dronken. Zijn beide zonen, Frans-Hubert en Frans-Joseph, luisteren niet en staan achter zijn rug te kletsen, vergetend dat ze worden gefilmd en voor altijd voor joker worden gezet.

Er zijn uitgebreide beelden van directeur Frits en zijn familie die champagne drinken. Ook aparte shots van de twee zonen die hem later hebben opgevolgd en als laatste daad het bedrijf hebben verkocht. Dan beelden van de werknemers en hun gezinsleden die op de broodjestafel aanvallen. Even later opnames van de lege schalen en de glunderende koppen van de eters. Dan nog een paar beelden van de fabriek. De maalderij met de zakkenvullers, nederig kijkend omdat de directeur bij hen staat, zijn arm om de schouder van een jonge inpakster. Later heeft hij bij dat meisje een kind verwekt. De jonge moeder heeft het direct na de geboorte af moeten staan voor adoptie. Om haar voor de schande in het dorp te behoeden, werd ze tewerkgesteld in de keuken van een klooster. Van de adoptie schijnt ook niets terecht te zijn gekomen. Men zegt dat de pastoor het kind heeft verkocht aan een zigeunerin die een kind wilde hebben om mee te bedelen.

De film is afgelopen. De tientallen verhalen die Mels aan het publiek had willen vertellen, zijn in zijn hoofd blijven steken. Het doet pijn. Op de tast zet hij de derde film op.

Iemand heeft geprobeerd de geschiedenis van het bedrijf te laten zien. De stem van meneer Zoetmulder, die lang de bedrijfsvoerder was in de fabriek. De man om wie het praktische werk had gedraaid. Zoetmulder repareerde alles zelf. Na zijn vertrek wist niemand nog hoe het bedrijf technisch functioneerde. Zoetmulder was werkelijk onmisbaar zodat na zijn afscheid de dingen vaak in de soep liepen. Met als grootste klap de explosie in de proefbakkerij waar veredelingsproducten door het meel werden gemengd, waarbij twee doden waren gevallen. Het luxe patentmeel voor fijn wittebrood, waaraan benzoylperoxide werd toegevoegd om het witter dan wit te maken, werd vanaf toen door het personeel buskruit genoemd.

Lange opnames van de watermolen en het maalwerk met de technische uitleg door Zoetmulder, pratend als een stomme kikker. Niet eens onderschriften. Foto’s van de verhuizing naar de nieuwe fabriek, met een kletsende Zoetmulder, verdrinkend in details. Daarna vooral opnames van de directieleden in hun kantoor. Soms van hoog bezoek aan het bedrijf. Dan de ingebruikneming van de silo. De nieuwe hal. De rij vrachtwagens die van het bedrijf vertrekt, ingehuurd voor de promotiefilm, met uit hun raampjes wuivende chauffeurs. In werkelijkheid had de fabriek nooit meer dan één vrachtwagen gehad.

Nog steeds geen geluid. Mels mist het niet. Hij weet precies wat er in al die hoofden omging.
Hijzelf staat er nooit op. Als boekhouder zat hij in de kamer achter het kantoor van de directeuren, maar die deur was altijd dicht. Naast hem was het kantoor van Zoetmulder, dat lag vol gestapeld met motoren, aandrijfassen, tandraderen, membraanschijven, manometers, vloeistoffilters en potjes chemisch spul ter verbetering van de meelkwaliteit.

De film eindigt begin jaren tachtig. Weer nieuwe vrachtwagens, terwijl de firma al jaren het vervoer uitbesteedde. Een nieuw logo dat de watermolen moest vervangen. Een gestileerd rad dat de samenwerking van het personeel voorstelt, maar ook de groei van het bedrijf door de tijd heen.
De film is afgelopen.

`Licht aan!’ roept Mels.
Hij pakt de films in. Rot dat niemand in zijn films is geïnteresseerd. Hij rijdt terug naar het café.
`Hier, de foto’s.’ Koen reikt hem de tas aan. `Zulke voorstellingen hoeven we hier dus niet meer te proberen’, zegt hij. `Ik moet het in de toekomst vooral hebben van jongelui, dat is duidelijk.’

Mels mompelt wat en rijdt naar buiten. Hij stopt op de brug, om even bij te komen.
Hij begrijpt dat zijn boek er nooit zal komen. Wat moet hij doen met al die platen die hij van de oude molen heeft uitgetekend? Het molenwerk, het aandrijfwerk, hij heeft het allemaal klaarliggen. Jaren werk voor niets. Tekeningen zoals hij ze zich nog van vroeger voor de geest kan halen, als grootvader Bernhard zijn molenkaarten voor zich op tafel had uitgespreid. Jammer dat die verdwenen zijn. Dat zou hem veel werk hebben bespaard. Nu heeft hij alles moeten terughalen aan de hand van tekeningen van andere gerestaureerde molens.

Ton van Reen: Het diepste blauw (070)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (069). Een roman als feuilleton

`Je ziet er echt uit als een Chinees’, roept Thija en ze danst naar Tijger toe.

Ze struikelt over een touw waarmee de pagode is vastgezet en valt bijna van de wagen. Gelukkig weet Mels haar op te vangen.
`Ik had dood kunnen vallen’, zegt ze, nog wit van schrik.

Mels straalt, maar hij is teleurgesteld als ze zijn armen wegduwt en doorloopt naar Tijger. Ze slaat een arm om hem heen.

`Kom erbij, Mels,’ roept ze, `dan staan we met z’n drieën op de film.’ Maar hij ziet dat het te laat is. De directeur heeft de camera al gericht op de groep eskimo’s in witte lakens, die achter de auto lopen.

`Te laat!’ roept hij. `Wij zijn allang uit beeld.’

Ton van Reen: Het diepste blauw (069)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book News, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Ton van Reen: Het diepste blauw (068). Een roman als feuilleton

`De oorlog werd pas heftig toen hij afgelopen was’, zegt Mels. `Toen die tommy’s er waren. Jongens uit grote steden. Waar ze dochters hadden, hielden ze de deur op slot.

Maar de meiden tippelden op de Engelsen. Ze namen hen mee naar de bunker. Die soldaten zetten het dorp op zijn kop. Onze jongens vochten met ze. Geen meisje was nog in hen geïnteresseerd. Dat was pas echt oorlog.’
`Het verhaal over die liefdesbunker, dat moet je opschrijven’, zegt Koen. `Dat is mooi voor toeristen. Als ik volk trek met jouw verhalen, deel je in de winst.’

Mels drinkt zijn koffie op. Hij laat zich niet overhalen om een hoop flauwekul bij elkaar te schrijven.
Mevrouw Lecoeur komt binnen, haar bontjas open. Haar wangen zijn wit en haar lippen rood. Ze ziet eruit als een hoerenmadam, maar ze speelt geen toneel, ze ís een hoerenmadam. Elke ochtend doet ze boodschappen en gaat ze naar het café.
`Denk jij dat zo’n appartement in de silo wat voor mij is?’ vraagt ze aan Koen. `Denk je dat ik in het penthouse moet gaan wonen?’
`Uitzicht op de hemel doet jou zeker goed’, zegt Koen. Hij schenkt witte wijn in een limonadeglas en zet het haar voor.
Mevrouw Lecoeur klopt Mels op de schouder. `Ik kom voor jouw première, jongen.’

`Ik ga de film erin zetten.’ Wat gegeneerd rijdt Mels naar het zaaltje en zet de film op de spoel. Hij draait een stukje. De aftiteling. Het werkt. Hij spoelt de film terug naar het begin.
Hij wacht. Steeds kijkt hij op zijn horloge. Het is al tien minuten over tijd.
Mevrouw Lecoeur komt naast hem zitten, het glas in de hand.
`Zo, jongen, we zijn compleet. Je kunt starten.’
`Koen, doe jij het licht uit?’ roept hij. `Kom jij niet kijken?’
`Ik heb nooit in die fabriek gewerkt’, roept Koen. `Ik blijf bij de bar, voor als er toch nog mensen komen.’
Het wordt donker. De projector loopt.

`Dit is een film uit 1950′, vertelt Mels bij de beelden zonder geluid. `De kindsheidoptocht. Elk jaar trokken de kinderen verkleed als heidenen uit de missielanden door het dorp.’
Er trekt een stoet zwartgemaakte kinderen voorbij.
`Die hebben zich zwart gemaakt met roet’, legt hij uit. `Ze dragen rokjes van riet over hun kleren. Zo dachten wij toen dat negers eruitzagen. We hadden er geen enkel idee van. In de cabine, kijk, de chauffeur die zwaait, dat is mijn grootvader Bernhard. Je ziet, de pagode is gebouwd op de vrachtwagen van de meelfabriek.’

Mels wacht op hét moment. Deze film heeft hij bijna stuk gedraaid, voor dat ene moment.
Dan is ze er opeens. Thija staat achter op de wagen. Ze draagt de ochtendjas van haar moeder en heeft een papieren hoedje op. Hij weet nog dat ze zich helemaal geel had gemaakt, zelfs haar benen, maar dat is op de zwartwitfilm niet te zien. Ze lijkt inwit. Ze wijst naar de filmer in het publiek. Hijzelf staat naast haar, in korte broek, ook met een Chinese punthoed. Hij kijkt met haar mee naar de filmer. Dat moet de toenmalige directeur Frits van de meelfabriek zijn geweest. Dan trilt de film wat. Een jongen kruipt uit een kleine pagode. Het is Tijger. Hij doet zijn mond open, om iets te zeggen of om te lachen, maar dat wordt niet duidelijk, want dan springt de film naar een groep kinderen die zich in witte lakens hebben gehuld en die eskimo’s moeten voorstellen.

`Zag je die jongen in die korte broek?’ vraagt Mels.
`Viel mij niet op’, zegt mevrouw Lecoeur.
`Dat was ik.’
`Laat dan nog maar eens zien.’
Mels spoelt de film terug. Hij krijgt nooit genoeg van de beelden van Thija en Tijger. Dan is ze er weer. Thija staat weer achter op de wagen, in de ochtendjas van haar moeder, met een papieren hoedje op. Ze wijst naar iemand en Tijger kruipt weer uit de pagode van kippengaas naar buiten.

`Het ziet er bezopen uit’, zegt mevrouw Lecoeur. `Ach, die tijd. Niemand wist hoe het echt in die missielanden was.’
Er volgen nog beelden van een prijsuitreiking door de pastoor, in lange zwarte soutane, en door de vrouw van de directeur van de meelfabriek. Het mens in een koninginnejurk zwaait uitvoerig naar iedereen en ziet niet dat niemand terugzwaait.

Ton van Reen: Het diepste blauw (068)
wordt vervolgd

fleursdumal.nl magazine

More in: - Book Stories, - Het diepste blauw, Archive Q-R, Reen, Ton van


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature