In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Hank Denmore

· Hank Denmore: Moord in lichtdruk (54 en slot) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (53) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (52) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (51) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (50) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (49) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (48) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (47) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (46) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (45) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (44) · Hank Denmore: Moord in lichtdruk (43)

»» there is more...

Hank Denmore: Moord in lichtdruk (54 en slot)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

vierenvijftig (slot)

Boris Levski, een enkele jaren geleden ‘geïmmigreerde’ Bulgaar, in bepaalde kringen bekend als te huur zijnde manusje voor alles, speciaal politieke moorden, zat in zijn eenkamerflat de krant te lezen.
Zijn laatste ‘politieke opdracht’ was alweer enkele maanden geleden en met succes uitgevoerd.
Geen politie, CIA of FBI wist van zijn bestaan af. De valse papieren, waarop hij Amerika was binnengekomen, waren perfect geweest. Zijn verblijfsvergunning van drie maanden was allang verlopen, maar hij had niet voor niets in Bulgarije enkele ‘regeringsopdrachten’ met groot succes uitgevoerd. Hij woonde nu met een nieuwe set papieren ‘legaal’ in Harrisburg, door niets en niemand lastig gevallen. Na zijn bezoek de vorige avond aan een homobar en de verrukkelijke uren daarna met een verse ‘vriend’ verveelde hij zich.
Laat me naar het parkje hier tegenover gaan en naar de vogeltjes en mensen kijken, dacht hij.
Behalve een Bausch & Lomb verrekijker nam hij ook zijn standaardwapen, een lang dun mes in een speciaal etui mee.
Een beetje verveeld speurde hij naar vogels in de bomen. Toen hij de kijker op het struikgewas richtte en scherp stelde, zag hij op een bank een man zitten, die net een bundeltje bankbiljetten uit een tas haalde. Ademloos stelde de Bulgaar zijn kijker scherp op de tas en zag dat die helemaal vol met pakken groene bankbiljetten zat.

Simmons had er geen idee van dat dit parkje een ontmoetingsplaats voor homo’s was. Als hij al naar een park ging en dan uitsluitend overdag, zag hij amper andere bezoekers.
Meestal verdiept in een of ander wiskundig probleem had hij geen ‘contact’ met de buitenwereld. Zijn hospita noemde hem, als ze in een moederlijke bui was, niet voor niets ‘onze dromer’.
Toen hij dan ook op het lege bankje ging zitten was ie zich niet bewust dat er nog meer wandelaars liepen of zaten. Daarom zag hij ook niet dat er een eind verder in het park een man op een bank doodstil door een verrekijker naar hem zat te turen.
De man met de kijker vergat zijn oorspronkelijk plan en was onmiddellijk gebiologeerd door de pakken geld die even voor hem zichtbaar waren. Hij borg de kijker op en kwam rustig overeind.
In een grote boog wandelde hij onhoorbaar over het grasveld naar Simmons toe. Die was het bundeltje aan het natellen en had nergens anders belangstelling voor. Onhoorbaar door het jonge malse gras naderde de man hem van achter, rustig om zich heen kijkend naar eventuele getuigen, maar de weinige passanten waren gewend om zich niet met anderen te bemoeien en liepen rustig of gehaast door.
Simmons stopte met een zucht het pakje geld weer in de tas, ritste die weer dicht en leunde tevreden achterover, zich niet bewust van het naderend onheil.
Toen een lichte schaduw over de bank viel, greep Simmons de tas onwillekeurig steviger vast en maakte aanstalten om op te staan.
Op dat moment drukte de man hem, één hand over zijn mond houdend, klemvast tegen de rugleuning van de bank. Een lang dun mes werd met een geroutineerd gebaar in alle rust tussen de twee  planken van de rugleuning in Simmons rug gestoken.
Het eerste ogenblik was die zich nog niet bewust van wat er gebeurde, toen voelde hij ergens heel ver weg een onbekend en niet thuis te brengen raar gevoel, dat overging in steeds heftiger wordende pijn. Toen het mes in zijn ruggengraat drong voelde hij een verschrikkelijk felle elektrische schok door zich heen gaan.
Het gevoel dat je krijgt als je je elleboog tegen een tafelrand stoot, maar dan honderduizend maal erger. Met een explosieve kracht werd hij eerst van de bank omhoog  gelanceerd om dan met een rotsmak op het gras neer te komen. Het was alsof zijn hele lichaam in een verschrikkelijk sterk bijtend zuur werd gedompeld.
In een miljardste deel van een seconde zag hij in een reusachtig sterke lichtflits zijn leven aan zich voorbij gaan. Ongelooflijk helder kwamen allerlei herinneringen uit zijn allervroegste jeugd weer terug. De jaren van de lagere school, zijn vervolgstudie en daarna zijn specialisatie aan de universiteit. Alles kwam zo onwerkelijk en met verblindende duidelijkheid terug. Ineens wist hij alle antwoorden op de vele in zijn leven gestelde vragen. Toen werd de lichtflits met de snelheid van de oerknal gevolgd door een onmetelijke zwarte duisternis.
Voordat Ebson Simmons op het gras terecht kwam was hij al zonder enig geluid te maken gestorven.
Pas de volgende morgen werd het lijk van hem door een politiepatrouille ontdekt.

De politie van Harrisburg was, na eerst behoorlijk pissig te zijn omdat ze niet in de zaak betrokken waren, akkoord gegaan met het verhaal van Evelyne. Ze kreeg ook een gene­reuze onkostenvergoeding. Tino werd inderdaad naar Rusland uitgewezen in ruil voor een Amerikaan, die teveel foto’s in Rusland had gemaakt. Inspecteur Greener kon, omdat alle daders waren omgekomen, het dossier Sperry Rand afsluiten.

E I N D E

Naamlijst ‘Moord in lichtdruk

Tino Vandezzi eigenaar Coconutbar
Lang 1,73 m, 76 kg, blauwzwarte ogen, gitzwart haar, schoenmaat 41, netjes gekleed, zeer slim en snel denker, hoofd KGB New York, zeer bedreven op alle wapens, keihard zakenman, verdacht van illegale wapeninvoer.

Bernardo Tomassini, trouw volgeling van Tino Vandezzi, lang 1,58 m, 90 kg is dus vet, bruine ogen, zwart krulhaar, schoenmaat 42, correct gekleed, zeer beleefd, kent iedere politieman van gezicht, onverzadigbaar in vrouwen, vergeet alles als er een vrouw in de buurt is, mist linkerpink, deze is door Tino afgehakt nadat Bernardo iets met Arabella probeerde.

Otto Winkler, lang 1,83 m, 87 kg, bruin wanordelijk haar, geboren 130 april 1935 in München, verloor ouders bij bombardement op München, cum laude afgestudeerd als elektronica-ingenieur Erlangen, begenadigd fotograaf, opleiding in Wetzlar en München, judograad tweede Dan, politieopleiding Baltimore, van 4 jan 1962 tot 30 sep 1966 als speciaal agent gediend bij NYPD, vrolijk karakter, ligt altijd ‘overhoop’ met David Morgan, slordig op kleding, verslijt een Leica per opdracht, heeft zeer goede relaties bij Kodak.

Evelyne Steinbruch, lang 1,80 m, 65 kg, slank en gespierd, zemmen, judo, tennis, blond lang haar, groene ogen, slaapt naakt, spreekt Engels, Duits en Spaans, vader Duitse emigrant, is instrumentmaker, moeder Colombiaanse, naam vader Herbold, naam moeder Juanita Rondezza.
Heeft verbinding met NYP Headquarters, terminal van politiecomputer, weduwe van Valmont Leakey, deze was CIA-agent, gedood in Vietnam door KGB-agent. Evelyne weet hier niets van, de terminal is gegeven op aandringen van CIA.

Rope alias voor Danny Slayton, CIA-agent, lang 1,83 m, 87 kg, blond haar, donkerblauwe ogen, schoenmaat 45, kan met touw toveren, is bij bende van Vincente Garcioli, werkt hier undercover voor CIA, opzichtig gekleed, zeer goed bekend in onderwereld.

Lolita Romanova, danseres in louche zaken, lang zwart haar, zwarte ogen, bruinrode huidskleur, volle heupen en borsten, draagt zeer uitdagend kleding, vader Russisch, moeder Indiaans.

Johnny the Muck
alias van Macowitz, lang 1,50 m, 45 kg, geboren 17 sep 1921 in Polen, bruin haar, bruine ogen, slordig gekleed, schoenmaat 43, bijzonder goed slotenmaker en sleutelspecialist, werkt voor de onderwereld, soms ook voor de politie.

Antoine Millhouse, magazijnbediende Sperry Rand New York, lang 1,72 m, 63 kg, grijze ogen, zwart haar, burgelijk gekleed, geboren 30 okt 1930, kijkt nooit iemend in de ogen.

Lime alias van Freddy Rafton, trouw volgeling van Vincente Garcili, lang 1,75 m, 66 kg dus mager, gelig gezicht vol rimpel, geelgroene ogen, vlasblond haar, schoenmaat 42, Engelse afkomst, geheimzinnig over vroeger leven, sadistisch.

Knife alias van Paoli Massini, lang 1,71 m, 69 kg, bruine ogen, zwart haar, bruine huidskleur, schoenmaat 38, opzichtig gekleed, sluw gezicht, valt van achter aan, messenspecialist.

Norma Steel, meisje voor alles op kantoor Evelyne, lang 1,63 cm, 56 kg, bruine ogen, roodbruin haar, zeer levenslustig, kan alles eten zonder dik te worden, ouders omgekomen bij vliegramp, adoreert Evelyne, geboren 6 aug. 1952, leest veel detectives, heeft enkele succesjes geboekt bij speurwerk.

Arabella Girondi, liefje van Tino Vandezzi, lang 1,72 m, 65 kg, natuurlijk rood haar, groene ogen, is trouw aan Tino, altijd zeer chic gekleed, beeldschoon, zacht karakter, is altijd zeer dankbaar.

Vincente Garcioli, KGB-agent, Gangsterboss, lang 1,56 m, 68 kg, bruine ogen,zwart haar altijd in wanorde, gebruikt veel haarcrème, schoenmaat 39, gezicht met hangwangen, altijd nieuwe opzichtige kleren, altijd suède schoenen, gebruikt altijd lang dun mes, veroordeling wegens roof met geweld, kreeg twee jaar eenzame opsluiting, ondergeschikte van Tino Vandezzi, werd nar vrijlating overgehaald om voor KGB te werken.

Sidney Greener, inspecteur van politie afd. bijzndere zaken, lang 1,87 m, 85 kg geen gram vet teveel, doet veel aan Judo 92e Dan), zeer blond haar, lichtblauwe ogen die je onschuldig aankijken, heeft neus voor geheime zaken, strikt eerlijk, keihard voor criminelen, Hogere Politieschool in Chicago, sinds 1 mei 1961 bij NY-politie, geboren in Chicago 4 april 1941, revolver Schmeisser 4.5

Emerson Goodfield, District Attorny, lang 1,75 m, 98 kg, zwaarlijvig, bruin haar wat al grijs wordt, dikke hoornen bril met negatieve glazen, ouderwets gekleed, geboren 17 nov 1930, durft niets tegen zijn meerderen te zeggen, geeft politie altijd op haar kop, belt meestal midden in de nacht op, moet alle eer aan zich hebben.

Maureen Mc.Ferrit
, KGB-agente, lang 1,65 m, 55 kg, zwarte kortgeknipte haren, stralend blauwe ogen, prachtige lichaamsbouw, lichtblauwe sportieve schoenen, geen kousen, donkerblauwe zeer kort rok, lichtblauw strakke trui met V-hals, wit slipje, geen BH.

Doc alias van Alfredo Borcia, lang 1,69 m, 73 kg, bruine gen, spierwit haar, schoenmaat 41, drie jaren medicijnen gestudeerd, van uni getrapt wegens sadisme, werk bij verhoren graag met chirurgische instrumenten, wreed van aard, ziet graag bloed.

Georg Delmonte, assistent van politiearts Carson Deley en laborant politielabratorium,lang 1,78 m, 80 kg, bleke gelaatskleur, grijze ogen, grijs haar, geboren 4 feb 1920, razend knap vakman, windt zich nooit op, gehuwd met zijn Mona, een nog steeds knappe vrouw, waar het hele politiepersoneel gek op is, ze heeft altijd iets lekkers bij de koffie.

Carson Deley, politiearts, lang 1,88 m, 79 kg, statige figuur met goeden bril, overdreven correct gekleed, bruin haar met scheiding opzij, bleke gelaatskleur, schoenmaat 42, bijzonder nuchter bij het constateren van feiten, zegt altijd: “Ho, ho”.

David Morgan, Duitse afkomst, wiskunde summa cum laude, lang 1,89 m, 70 kg, is dus mager, bril rechts –3, links –4,5, donkerblond stekeltjeshaar, draagt altijd pak met vest en strikje, blinkend gepoetste schoenen, Nestler rekenliniaal, Pelikan vulpen, praat bedachtzaam en met zachte stem, zeer beslist in handelen, geboren 2 jan 1938, studeerde af in Darmstadt 1961.

Antonio Brusso, lang 1,71 m, 72 kg, schoenmaat 40, bruine ogen, Napolitaanse afkomst, zwart haar, valt niet op, doet zwijgend zijn werk.

Thomas Brisbane, assistent van inspecteur Sidney Greener, lang 1,75 m, 77 kg, groene ogen, zwart haar, schoenmaat 44, geboren 12 juli1945, snoeper, burgerlijke kleren, revolver Browning FN 6 mm, doctor in psychologie.

Ebson Simmons, programmeur bij Sperry Rand Harisburg, lang 1,7 m, 67 kg, alledaags gezicht, wiskunde knobbel, hobby wiskundeproblemen oplossen.

Jimmy Goodwood, barman bij Tino Vandezzi, pikzwarte neger met dikke lippen, lacht altijd, draagt smoking, 1,75 m, 77 kg.

McDonald, hoofd programmaontwikkeling Sperry Rand Harrisburg, oudere heer.

Hank Denmore: Moord in lichtdruk, hfdst 1 tm 54

fleursdumal.nl magazine

More in: -Moord in lichtdruk, Archive C-D, CRIME & PUNISHMENT


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (53)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

drieënvijftig

Piepend ging de kamerdeur open. Als een broedse hen kwam de hospita met een glanzend gelakt houten dienblad de kamer binnenstomen.
‘Jullie blieven zeker wel een kopje thee!’
Zonder verder iets te vragen kregen Evelyne en Simmons elk een kopje toegeschoven. Omdat de hospita bleef zitten moest Evelyne haar kopje slappe thee wel opdrinken. Er ontstond een lange onaangename stilte.
Ten langen leste zei Evelyne: ‘Meneer Simmons, ik heb straks een dringende afspraak. Ik houd u aan uw woord, daarmee is voor mij de kous af.’
De hospita keek nieuwsgierig Simmons aan. Die haalde opgelucht adem en bracht Evelyne naar de voordeur. Terug in zijn kamer vroeg de hospita onmiddellijk: ‘Welk woord moet u houden? Ik zag wel dat u opgelucht was. Een hospita ziet zoiets meteen. Als mijn man zaliger iets gedaan had wat niet in de haak was, haalde hij ook altijd opgelucht adem als hij het mij had opgebiecht.’
Simmons dacht razendsnel na: ‘Ik heb moeten beloven dat ik over een paar dagen mijn pols in het ziekenhuis laat controleren.’
‘Die mevrouw, ook al heb se kapsones, weet wat goed voor u is. Ik had precies hetzelfde tegen u willen zeggen, maar die kakmadam is me voor geweest.’
De hospita zette de theekopjes weer op het dienblad en laveerde de kamer uit.
‘God zij dank, die zijn weg. Duizend dollar als beloning! Nou, dan kennen ze Ebson Simmons niet. Ze bedoelen zeker honderd-vijftig-duizend dollar!’ Hij liep naar een kast en haalde een versleten sporttas te voorschijn. Na het openritsen van de tas werd een brede wollen shawl zichtbaar. Door de enorme spanning stak Ebson zijn tong uit. Toen de shawl uit de tas was gehaald werden vijftien bundeltjes van elk tien briefjes van duizend dollar zichtbaar. Met trillende handen nam hij er een bundeltje uit om het met gesloten ogen te kussen.
Ze zeggen wel dat geld niet stinkt, maar van hem mocht het naar rotte eieren stinken, dan vond hij dat nog heerlijk.
Die ga ik eens veilig opbergen en niet in mijn kamer, die hospita maakt niet voor niets zo graag mijn kamer schoon! Regelmatig merk ik dat ze tussen mijn spullen heeft zitten neuzen.
Behalve een paar boekjes met foto’s van nogal blote dames heb ik niets van waarde, sorry Ebson, had ik niets van waarde.
Fluitend ritste hij de tas weer dicht en trok zijn jas aan. Het leven had voor hem opeens weer zin. Wat kon hij allemaal doen met die smak geld? Een nieuwe auto kopen? Nee, hij moest zijn oude wagen inruilen tegen een goede tweedehandse, anders viel het te veel op. En nu kon hij eindelijk eens naar Europa vliegen. De universiteiten van Parijs en Milaan waren een Walhalla voor hem. Hij zou een paar maanden onbetaald verlof vragen, zogenaamd om aan te sterken. Dan wekte dat bij Sperry geen achterdocht op.
Eerst moest hij het geld veilig opbergen. Niet op een bank deponeren, met zoveel geld vroeg men altijd waar dat vandaan kwam. Het als spaarcentjes opgeven kon ook niet, dan moest hij een spaarbankboekje kunnen laten zien.
Op Central Station waren veilige safeloketten wist hij. Je betaalde de huur per dag, week of zelfs voor een jaar. Niemand vroeg je iets en de loketten waren gegarandeerd veilig, zelfs de belastingdienst kon er zonder jouw sleutel niet in.
Hij nam de bus naar het Central, maar stapte een paar haltes eerder uit. In een parkje stonden een paar banken. Eentje was vrij, daar ging hij even zitten. De hele omgeving vergetend en genietend van wat hij allemaal met het vele geld kon doen, ritste hij de tas open en nam er een bundeltje bankbiljetten uit.

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (52)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

tweeënvijftig

Greener moest Sperry al op de hoogte hebben gebracht, want toen Evelyne bij de slagboom stopte en de bewaker haar naam hoorde, mocht ze meteen doorrijden. Op parkeerterrein 12B stond McDonald haar al op te wachten. Deze keer gingen ze naar zijn kantoor. Er werd koffie gebracht en na deze gedronken te hebben vroeg McDonald: ‘Heb ik het goed begrepen dat jullie een schema hebben gevonden?"

‘Ja, dat heb je goed begrepen, we hebben een schema gevonden en volgens Otto moet dat van een radarinstallatie zijn.’

‘Heb je het bij je? Mag ik het zien?’ vroeg hij met een zenuwachtige stem. Evelyne opende haar tas en haalde het schema te voorschijn: ‘Het zat in een plastic etui, maar dat is bij de New Yorkse politie om op vingerafdrukken te worden gecontro­leerd.’

Haastig vouwde McDonald het schema open en bekeek het titelblok. ‘Gelukkig, dit is inderdaad het schema dat we vermisten. Wat ben ik opgelucht, we hebben het voorval tot nu toe binnenskamers kunnen houden. Wat zei je? Een etui, dat kan me niets schelen.’

‘En wil je ook niet weten wie de dader is?’

‘Dat interesseert me eerlijk gezegd ook niet zoveel. Hoofdzaak is dat we het schema terug hebben. Wie de dader is moet de politie maar uitzoeken.’

‘Ik wil toch naar Simmons toe, volgens mij is hij de dader.’

‘Dan moet je naar zijn huisadres gaan, hij is gistermorgen uit het ziekenhuis ontslagen en heeft nog ziekteverlof.’

Evelyne aarzelde even: ‘Waar kan ik mijn onkosten verhalen? We hebben nogal wat uren werk in deze zaak gestoken?’

‘Maakt u maar een rekening op en neem de onkosten niet te krap, Sperry zal ze graag vergoeden, we zijn veel te blij met deze af­loop.’

Nadat McDonald haar het adres had gegeven ging Evelyne en liet een opge­luchte man achter.

De hospita keek Evelyne argwanend aan en liet haar na enig aandrin­gen binnen. Evelyne vroeg hoe het met Simmons ging, waarop de hospita in een woordenstroom losbrak. Ze had altijd al geweten dat de verwondin­gen wel mee zouden vallen en dat meneer Simmons snel beter zou worden. Ook al beweerden haar kennis­sen dat hij zelf­moord had willen plegen, zij was overtuigd dat het een ongeluk was. Ze moesten in die grote bedrijven meer naar de mens achter de machine kijken. Steeds meer was de mens maar een onderdeel van de machine en werd er nauwelijks naar diens veiligheid gekeken. Neem nou haar aangetrouw­de zwager, die verloor zijn rechterarm bij de bediening van een niet-beveiligde machine. En denk je dat hij een uitkering kreeg? Nee hoor, hij werd ontslagen omdat ie niet meer in staat was om met machines te werken. En mijn eigen zuster’s man…

Evelyne onderbrak de spraakwa­terval door haar hand op te heffen. ‘Mag ik weten in welk appartement hij woont?’

Verbluft zei de vrouw: ‘Appartement? Wat krijgen we nou! Het is hier een net kosthuis en mijn mensen hebben ieder een mooie kamer. We eten altijd gezamenlijk en dan zijn we net één grote familie. Hij heeft kamer veertien, de trap op en op de tweede etage is het de derde deur links. Het kan niet missen.’

Evelyne klopte aan op nummer veertien, een mannenstem riep gespan­nen: ‘Wie is daar?’

‘Evelyne Steinbruch, ik heb u in het ziekenhuis bezocht.’

Even was het stil, toen hoorde ze een kastdeur dichtslaan. De deur ging open en Ebson Simmons stond haar, met nog steeds de linkerpols verbonden, verbijsterd aan te staren.

‘Hoe wist u waar ik woon? Waarom komt u mij opzoeken?’

Evelyne keek de kamer eens rond. Het was een kraakheldere kamer, ongetwijfeld het werk van de hospita. Mannen hebben een bepaalde slag van opruimen, hier werd dat duidelijk door een vrouw gedaan.

‘Ik heb een nog paar vragen aan u te stellen. Als ik u was zou ik daar maar een eerlijk antwoord op geven. Het schema is terecht en is al aan Sperry Rand terugge­geven. Hebt u het aan die blauwe dame alleen om het geld verkocht?’

Heftig slikkend keek Ebson naar haar strakke truitje dat de vorm van haar stevige borsten duidelijk toonde, toen zei hij aarzelend en haar nog steeds niet in de ogen kijkend: ‘Nee, dat is niet waar. Ik weet niets van een schema af.’

‘Kom, kom meneer Simmons, dat kunt u mij niet wijs maken.’

‘En als ik dat gedaan zou hebben, wat dan nog. Ik ben een vredelie­vend mens.’

‘Maar u werkt toch bij een bedrijf dat voor het ministerie van defen­sie werkt. Probeert u daar dan de ontwikkelin­gen tegen te houden?’

Gretig die kans aangrijpend zei Simmons: ‘Ja, ook al klinkt dat raar, maar die radar maakt van straaljagers nog grotere moordmachi­nes.’

‘Dus u hebt wel degelijk dat schema in handen gekregen en ver­kocht. Hoeveel geld heb je er voor gekregen? Duizend dollar, tiendui­zend dollar?’

Simmons schudde zijn hoofd: ‘Ik heb het niet verkocht. Geen dollar heb ik gekre­gen. Ook al gelooft u dat niet, het is de volle waar­heid.’

‘Wat u nu zegt gelooft u toch zelf niet meneer Simmons.’

‘En wat dan nog, ik heb niet voor niets zoveel risico genomen.’

‘Dus u hebt het wél verkocht! Hoeveel kreeg u er dan voor?’

‘Als u het toch wil weten, duizend dollar.’

Evelyne floot even: ‘Dat is een boel geld voor een schema, dat heb je zeker aan een liefdadig­heidsin­stelling gegeven?’

Ontkennend schudde Simmons weer met het hoofd: ‘Nee, maar dat ben ik wel van plan om te doen.’

‘Weet u wat, u belooft mij dat u dat geld inderdaad gaat schenken. Dan zal ik bij de politie vertellen dat u volledig hebt meegewerkt en dat zal de rechter mild stemmen. Gelukkig voor u hebben we het schema nog tijdig gevonden. Vertel me eens, hoe bent u aan die code gekomen? Daar zijn toch drie specialisten voor nodig!’

‘Dat is een raar verhaal, maar dat is echt de waarheid! Bij het programmeren maakte ik een paar keer een vergissing. Ik werd kwaad en sloeg een keer of drie met tien vingers tegelijk op het toetsenbord. Door een ongelooflijk toeval was dat de code.’

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (51)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

eenenvijftig

De kamers waren klein en veel smeriger dan in de woning van Millhouse. Een nadeel was dat Johnny een kamer als werkplaatsje had ingericht. Hier zoeken vereiste engelenge­duld, dus kreeg Tom dit op zijn bordje.
Evelyne en Otto onderzochten de woonka­mer, daarna de slaapkamer. Toen Otto het deksel van de stortbak probeerde op te tillen begon hij te mopperen. Om water te sparen was aan de onderkant van het deksel een straat­steen gebonden. Bij het optillen van het deksel kreeg hij een golf spoelwater over zich heen. Maar ook hier was niets te vinden. In de woonkamer waren nog sporen van de marteling te zien, ingedroogde bloedsporen en een omgeval­len stoel getuigden van het drama.
‘Toch voel ik dat hier iets verborgen moet zijn,’ zei Evelyne.
‘Zeker je beroemde intuïtie?’ spotte Otto. Omdat ze niets vonden liepen ze naar Heinz. Die had al tientallen bakjes en laatjes openge­geschoven, maar behalve schroeven, moeren, allerlei soorten sloten en gereedschap had hij nog geen spoor van papier ontdekt.
‘Johnny moet een goed slotenmaker zijn geweest,’ zei Evelyne, ‘wat daar staat is professioneel gereedschap.’
‘Weet je wat ik vreemd vind,’ zei Heinz, ‘hij heeft nergens ge­bruiks­aanwij­zingen voor die ingewikkelde machinerieën liggen.’
‘Daar zeg je zo wat,’ zei Evelyne, ‘misschien heeft hij daar de tekening tussen ge­stopt.’ Weer werden laden en bakken opengeschoven en dichtgedaan, ondanks hun hoop vonden ze niets. Tom wees op een ingewikkelde goed geoliede machine: ‘Wat is dat voor een ding?’
‘Dat is een kopieerfreesmachine, daarmee kun je sleutels namaken. De origine­le span je hier in en dan wordt daar een kopie gefreesd. Het messing­afval wordt in deze bak opgevangen. Je ziet dat er door Johnny veel sleutels zijn nagemaakt, de bak is bijna vol.’
Plotseling keken de drie elkaar aan, toen graaide Tom met een hand in de messingspa­nen: ‘Ik voel iets glads, maar ik kan er niet bij.’
De bak werd zo goed mogelijk leeggemaakt en toen werd een precies op de bodem passende plastic hoes zichtbaar. Zenuwachtig plukte hij de hoes van de bodem en blies hem schoon.
Hij gaf hem aan Evelyne die de hoes voorzichtig aanpakte en openmaakte. Er zat een netjes opgevouwen papier in. Ze vouwde het papier open en voor hun ogen ontvouwde zich een elektronisch schema. Trots stond in het titel­blok: "Eigen­dom Sperry Rand, U.S.A." Eindelijk was het bewuste schema gevonden.
Terwijl Evelyne de tekening weer opvouwde hoorden ze dat er iemand aan de deur stond te rommelen. Otto deed het licht uit en de drie bleven doodstil in het werkplaatsje staan wachten.
Iemand had geen sleutel, want het gemorrel bleef duren. Waarschijn­lijk was de bezoeker met een loper aan het proberen om het slot te openen. Toen hoorde ze dat de deurkruk werd omgedraaid, de bezoeker had dus een afgeslo­ten deur verwacht. De deur werd een paar centime­ter geopend en toen wachtte de bezoeker. Dat duurde enkele minu­ten, maar voor de drie leek het een eeuwig­heid. Toen werd de deur onein­dig langzaam verder geopend en kwam een kerel met gitzwart haar de woonkamer binnen.
Evelyne slaakte een diepe zucht: ‘Tino Vandez­zi,’ fluisterde ze Tom in het oor. Kenne­lijk had ze haar stem niet voldoende gedempt want Tino sprong als een gespannen veer naar de tussendeur en hield een pistool met geluiddem­per op de deuropening gericht.
‘Eruit jullie en hier komen.’ Zijn harde stem maakte duidelijk dat er met hem niet te spotten viel.
Evelyne gooide het schema snel tussen de gereedschappen en kwam voor Otto naar de woonka­mer. Tino maakte met het pistool een beweging dat ze hun handen omhoog moesten doen. Er zat voor het drietal niets anders op dan te gehoorzamen.
De blauw­zwarte ogen van Tino keken Evelyne strak aan: ‘Wat zoeken jullie hier?’
Evelyne haalde haar schouders op: ‘Dat weten we pas als we het gevon­den hebben.’
Tino keek van Evelyne naar Otto, die ook zijn schouders ophaalde. Toen Tino naar Tom keek begon hij te lachen: ‘En meneertje, wat heb jij gevonden?’
‘Ik gevonden,’ zei Heinz, terwijl hij zo verbaasd mogelijk probeerde te kijken.
Tino wees op de handen van Heinz: ‘Ja, jij hebt iets gevonden, je gaat toch niet voor je plezier in een afvalbak liggen graaien!’
Die keek onwillekeurig naar de messingspanen die door de smeerolie op zijn handen waren blijven plakken: ‘Ik heb wel gezocht, maar niets gevonden.’ probeerde hij de situatie nog te redden.
‘Hier komen, alledrie,’ wees Tino naar een bank.
‘Gaan zitten en niet bewegen, anders gaat dit speelgoed er zich mee bemoeien. Geloof me, ik heb niks meer te verliezen, wie niet luistert gaat eraan.’
De bank stond zo opgesteld dat Tino, terwijl hij in het werkplaatsje keek, de drie kon zien. Opeens begon hij te lachen: ‘En wie heeft er niets gevonden? Wat doet dat papier dan hier?’ Met een grijnslach kwam hij de woonkamer weer in en hield triomfantelijk het schema omhoog: ‘Hiervoor zijn al die moorden gepleegd en komen er nog drie bij, ik heb niks tegen jullie persoonlijk, maar zaken zijn zaken en die moet je goed afhandelen.’
‘Inderdaad en doe daarom maar geen gekke dingen, we hebben je onder schot.’ hoorden de vier vanuit de gangdeur zeggen.
In de deuropening stonden Greener en zijn assistent Thomas, die een zware Colt gericht hield op het hart van Tino. Deze keek even of hij nog kans maakte om te ontsnappen, maar na een paar seconden zag hij de onmoge­lijk­heid daarvan in en gooide het pistool op de vloer. De inspecteur liep naar hem toe, pakte het schema af en gaf dit aan Evelyne. Toen fouilleer­de hij Tino grondig, behalve het pistool, wat Tino op de vloer had gegooid vond Greener alleen een paspoort en een bundel dollars in een geldclip. Nieuwsgierig bladerde hij in het paspoort: ‘Zo meneer Anton Siebecki, ik dacht dat je Tino Vandezzi heette. Zo te zien hebben we je nog net op tijd te pakken’
Tino keek hem kwaad aan: ‘Denk nu niet dat je me hebt. Ze ruilen me toch tegen een of andere Amerikaan.’
Greener liet het paspoort aan Otto zien: ‘Hier Otto, daar weet jij als vroegere paspoortspecialist alles van af. Kijk eens naar eventu­e­le fouten, want ik zie alleen een gewoon paspoort. Ik kan me niet voor­stellen dat aan dit heerschap een tweede pas op een andere naam is uitgereikt.’
Otto bekeek de pas grondig en schudde met z’n hoofd: ‘Zo te zien is dit oké, maar op de pijnbank in ons lab zal het wel z’n geheimen prijsgeven.’ Maar Thomas stak zijn hand uit en met enige tegenzin gaf Otto de pas af.
Greener liet Tino door Thomas de handboeien omdoen: ‘Zo Evelyne, ik denk dat die voor jaren achter slot en grendel gaat.’
Waarop Tino zich omdraaide en bijna vrolijk zei: ‘En ik denk het niet. Mijn bazen zijn ook hier voor jullie politie te machtig.’
Greener lachte en sloot achter Thomas en Vandezzi, alias Siebecki, de deur. Toen ging hij op de bank zitten en keek het drietal aan: ‘Dat schema heeft niet alleen de nodige doden gekost, het heeft ook de CIA in diskrediet gebracht. Rope Slayton was een CIA-agent en had van de vermissing van dat schema gehoord. Hij moet de blauwe dame gevolgd hebben en heeft haar met een Russisch pistool gedood. Omdat Johnny the Muck een tipgever was heeft hij die ook verhoord en daar het schema verborgen.’
‘Heeft Rope Slayton dan Johnny vermoord? Hij was toch een agent, wordt een CIA-agent niet meer gecontroleerd?’
‘Dat wel Otto, maar Rope had niet voor niets die bijnaam, om zijn identiteit niet prijs te geven moest hij Johnny wel ombrengen. Het perfecte paspoort van Tino Vandezzi kan alleen van de KGB komen. Niemand anders is in staat om een pas zo perfect te vervalsen. Tino zal wel een KGB-agent zijn, maar dat bewijzen is vers twee.’
‘Dan was de moord op Rope in die politiecel een afrekening. Hij zal daar wel door de mand zijn gevallen. Nou, ik kan alleen zeggen dat ik het een mooie opruiming vind. Ook al moest hij aan zijn eigen dekmantel denken’.
‘En Evelyne, wat gaan jullie doen? Brengen jullie dat schema terug? Je weet dat ik me daar niet mee mag bemoeien en mis­schien kom je de dader op het spoor.’
‘Wij willen dat best doen, dan kunnen we ook de rekening aan Sperry Rand presente­ren.’
Nadat Evelyne de geleende sleutels aan Greener had terug gegeven ging die naar het hoofdbureau om zich verder met de zaak Tino bezig te houden. Evelyne ging met de SL naar Harrisburg, haar assistenten noodgedwongen met het openbaar vervoer naar het detectivebu­reau.

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (50)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

vijftig

De bruine wagen had Tino naar een voor de politie onbekend adres gebracht. Tijdens de rit werd door Tino noch de chauffeur een woord gesproken. Na enkele minuten hoorde Tino in de verte een zware ont­ploffing. Ook toen reageerde de chauffeur niet. Pas toen de wagen bij een duur hotel stopte draaide de chauffeur zich naar Tino: ‘Hier moest ik u naar toe brengen meneer. Uw appartement is op de vierde etage, het is flat 417.

Tino knikte en stapte de wagen uit. De portier stond hem op te wachten met een bosje sleutels. Hij wees Tino de lift en ging toen weer naar zijn loge. Het appartement was luxueus en compleet inge­richt. Het eerste wat Tino deed was kijken of er nog iemand aanwezig was, maar dit bleek niet het geval te zijn. Het was alsof hier al enige tijd iemand woonde. Enkele pakken van zijn maat hingen in een kast, de zeep op de toilettafel was gebruikt. Er lag een kam en een gebruikte tandenborstel met een halflege tube tandpasta van het door hem ge­bruikte merk. Zelfs van zijn favoriete kleur sokken lag een half dozijn in een lade. Hij nam een hete douche en ging daarna op het tweepersoonsbed liggen om na te denken. Wie had ervoor gezorgd dat hij kon ontsnap­pen? Wie kende zijn gewoontes zo goed? En wie zat er bij de politie en wist wie hij in werkelijkheid was? Want hij was ervan overtuigd dat niemand een bareigenaar in bescherming zou nemen, daarvoor waren de genomen risico’s te groot geweest. Door de span­ningen van de laatste uren en het hete bad duurde het niet lang of hij was in diepe slaap.

Een voortdurende zoemtoon maakte hem wakker. Bliksem­snel stond hij zonder geluid te maken naast het bed en luister­de ademloos of er iemand probeerde binnen te komen. Weer ging de zoemer, Tino liep naar de deur en zag een kamermeisje staan. Hij deed de deur open en het meisje gaf hem met een vriendelijk lachje een grote enveloppe.

Nadat hij de deur weer had gesloten draaide hij de enveloppe ver­schillende keren om. Hij was getraind om bombrieven te herkennen, maar deze enveloppe was onschul­dig. Met een brievenopener sneed hij de enveloppe open en haalde er twee vellen papier en een paspoort uit. Het paspoort stond op de naam van Anton Siebecki, geboren in Billings Montana. Na een zorgvul­dige controle kwam hij tot de conclusie dat de pas feilloos was. Of het was een echte pas of hier was een meestervervalser aan het werk geweest. Maar in beide geval­len moest dit het werk zijn van een grote organisatie, was de KGB dan toch zo machtig om dit in Amerika voor elkaar te krijgen? 

Het ene velletje papier gaf zijn levensloop weer, compleet met fami­liere­laties en werkkringen en dat hij onder de naam Siebecki in het hotel stond ingeschreven. Verder stond te lezen dat hij bij de balie naar een bruinlederen koffertje moest vragen. Daarin zaten een cheque­boek en tweeduizend dollar aan contant geld. Het tweede velle­tje gaf hem de op­dracht om in het huis van Millhou­se naar een elektro­nisch schema van de firma Sperry Rand te gaan zoeken. Dat moest vanavond gebeuren en daarna moest hij in dit appartement blijven tot men contact zocht. De contact­man kende hem alleen onder de naam Siebec­ki. Het adres van Millhouse was als een P.S. gegeven. Toen hij de recepti­onist naar de koffer vroeg en zijn nieuwe naam opgaf keek de man op een lijst en zei: ‘Klopt meneer Siebecki, ik haal de koffer even uit onze kluis.’ Na enkele ogenblikken kwam de man terug en overhandigde Tino een bijna nieuw bruinleren koffertje. Tot zijn verbazing waren zijn nieuwe initialen op de koffer in gouden letters aangebracht. Omdat het nog vrij vroeg in de middag was ging hij eerst uitgebreid dineren en ging daarna op zoek naar de woning van Millhou­se.

Toen Evelyne die avond met Tom en Otto bij de woning van Millhouse aankwa­men, was niets meer van het drama te merken. Met de van inspec­teur Greener gekregen sleutel opende Otto de woning en gedrieën stapten ze naar binnen. Zorgvuldig werd elke kamer onder­zocht, zelfs de spoelbak in het toilet werd opengemaakt, maar alles was tevergeefs. In de kamer waar Evelyne het meisje had gevonden lag het vloerkleed nog half opgerold. Het tafereel kwam haar weer scherp voor de geest. Na meer dan een uur gezocht te hebben hielden ze het voor gezien, hier was niets verborgen. Moe en teleurgesteld gingen ze even zitten.

Weer was het Otto die opmerkte: ‘Die Johnny, dat was toch iemand die voor de politie werkte? Die is toch ook doodgemar­teld? Waarom gaan we daar niet eens zoeken. Die moord staat toch ook op een of andere manier met dat Sperry-gedoe in verbinding?’

Evelyne knikte en haalde haar goudgerande agenda te voorschijn: ‘Hier heb ik zijn adres, bellen we eerst Greener op of gaan we meteen?’

‘Bel eerst maar naar Greener en zeg waar we naartoe zijn,’ zei Otto.

Het verkeer was die avond vrij rustig en de drie arriveerden dan ook binnen een uur bij het woonblok waar Johnny’s woning deel van uitmaak­te. De auto werd noodgedwongen in een parkeergarage gezet. De lift bracht hen naar de sobere woning van Johnny. Wederom bracht een van Greener gekregen sleutel uitkomst.

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (49)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

negenenveertig

‘Ja, u niet en ik ook niet. Maar andere landen met een grote lucht­macht kunnen er miljoenen voor over hebben. Bedenk dat door die kleine radar een straaljager ineens vier raketten meer kan meenemen, of dat zijn actieradius met vijfhonderd kilometer kan worden ver­groot.’

‘Hoe kunnen wij dat schema herkennen? Ik ben een leek op elektroni­ca.’

Otto stak een arm op: ‘Ik kan dat wel herkennen. Ik heb bemoeienis gehad met schema’s van ultrahoogfrequente apparatuur.’

Toen vroeg Evelyne: ‘Kan de koper dan geen kopieën van dat schema gemaakt hebben. Want dan zijn we toch te laat.’

‘Nee, Sperry heeft hier ook aan gedacht. Ons plotterpapier is niet voor niets zo duur voor ons. Kodak heeft een speciaal filter in het papier aange­bracht. Bij het kopiëren wordt de kopie volkomen zwart en is on­bruikbaar.’

‘Kunnen we de man spreken die Simmons na het ongeluk heeft gevon­den?’

‘Ja mevrouw, ik zal hem laten roepen.’ McDonald sprak even met een van de bewakers en even later kwam een man met een verwilderde haardos aangelopen: ‘Meneer McDonald, u wilde mij spreken?’

‘Ja, meneer Dean, ga even zitten. Deze mensen komen om inlichtingen en je hebt toestem­ming om hun vragen te beantwoorden.’

Evelyne gaf de man een hand en vroeg: ‘Hebt u de heer Simmons na diens ongeluk gevon­den?’

‘Ja mevrouw, het was op het nippertje. Het is maar goed dat ik tegen veel bloed kan, de vloer lag zowat helemaal vol.’

‘Weet u of iemand van de afdeling later de heer Simmons in het hospi­taal heeft bezocht?’

‘Ja, dat was ik, hij had hier nog wat privé-spullen liggen. Die ben ik gaan brengen, natuurlijk met een bosje bloe­men.’

‘Is u tijdens uw bezoek in het hospitaal niets eigenaardigs aan Simmons opgeval­len?’

‘Nee, niet direct. Of toch, toen ik de tas met spullen gaf gooide hij die meteen om en zocht in paniek naar iets. Hij vroeg nogal dringend of dat alles was. Toen ik ja zei vroeg hij of ik dan geen papier had gevonden. Dat bleek nog in een vouw van de tas te zitten. Dat stopte hij zo snel mogelijk onder zijn hoofdkussen. Het leek wel dat ik dat niet mocht zien. Ik zei nog tegen hem: ‘Het lijkt wel alsof je leven er van af hangt.’

‘En wat zei hij toen?’ vroeg Evelyne, die zonder hem te onderbreken had geluis­terd.

‘Dat het hem een hoop geld kon kosten als dat papier weg was.’

‘Weet u soms wat op dat papier stond meneer Dean?’ vroeg McDonald op gespannen toon. Dean keek hem verbaasd aan: ‘Nee natuurlijk niet, dat zijn mijn zaken toch niet.’

‘Kwam het papier u dan helemaal niet bekend voor. Was er ook niet het geringste spoor van herkenning? Het gebeurt toch wel dat je papier vastpakt en dat je alleen door het vast te pakken al voelt wat het is. Krantenpapier voelt toch heel anders aan dan dat van een magazi­ne.’

Dean keek Evelyne verwonderd aan: ‘Je kunt wel horen dat u detective bent. Maar nu ik daaraan denk, u hebt gelijk, het was een speciaal gevoel. Het deed me onbewust denken aan kopieerpapier. Het had dezelf­de rare gladheid. Je kunt dat gevoel niet beschrijven, maar het deed me daar inderdaad aan denken.’

‘Wat voor soort werk doet u hier, als ik dat vragen mag.’ Evelyne keek hierbij even naar McDonald, die knikte instemmend.

‘Ik bedien voornamelijk de plotters en printers.’

‘Waaruit bestaat dat bedienen, zet u ze aan en uit?’

Dean lachte even: ‘Dat ook, maar ik vul de voorraden papier aan. Dat moet op een speciale manier gebeuren.’

‘Is u dan op de dag van het ongeluk aan de plotters niets opgeval­len?’

Dean bleef even nadenkend staan en hief toen een hand op: ‘Ja, nu u het vraagt, van een van de plotters is door derden het papier afge­scheurd.’

‘Hoe kunt u dat weten meneer Dean?’ vroeg Evelyne weer.

‘Simpel, als ik papier afscheur breng ik altijd met rood potlood een merkje aan. Bij één plotter ontbrak dat.’

‘Kunt u dat niet vergeten zijn?’

‘Onmogelijk, dat is me nog nooit overkomen. Als ik de afgescheurde vellen in ga boeken, maak ik gebruik van die merktekens.’

‘Dus u kunt in een boek nagaan of er papier weg is?’

‘Ja, maar dat heb ik ook al gemeld aan meneer McDonald.’

McDonald knikte en zei: ‘Dat heb ik u al verteld mevrouw.’

Toen vroeg Evelyne weer aan Dean: ‘Kunt u ook opzoeken wat die plot­ter toen geplot heeft?’

‘Ja mevrouw,’ zei Dean aarzelend, ‘maar dat mag ik u niet vertel­len.’

McDonald glimlachte tegen Evelyne: ‘Je ziet dat we onze mede­werkers kunnen vertrouwen.’

Na nog wat over Sperry en het weer gebabbeld te hebben vertrok Evelyne met haar twee assistenten. In de wagen zei Heinz: ‘We weten nu bijna zeker dat Simmons dat schema heeft verkocht aan de blauwe dame. Het enige wat we nog moeten doen is het terugvinden.’

‘We gaan naar Greener en vragen of die met ons elke ‘moordwoning’ gaat onderzoe­ken. We weten nu wát we moeten zoeken.’

‘Ja maar Evelyne, waar moeten we beginnen met zoeken?’

Otto knipte met zijn vingers: ‘In de woning van Millhouse."

Verbaasd keken Evelyne en Tom hem aan.

‘Luister maar, de blauwe dame wordt in het huis van Millhouse dood gevonden. Ze heeft een plastic koker gedragen. Millhouse wordt doodge­marteld. Dus moet óf Millhouse het schema gekocht hebben óf de moorde­naar van de blauwe dame heeft het haar afgenomen. Ik denk het laatste, Evelyne je vertelde toch dat het meisje inwendige verwon­din­gen van een plastic buidel had. De moordenaar heeft dat opgerol­de plotterpapier uit die buidel getrokken. De buidel bleef met een scherpe rand in dat arme kind steken.’

Evelyne knikte bij het horen van het verhaal van Otto. Iedere keer opnieuw stond ze verbaasd over zijn fotografisch geheugen. Wat Otto nu vertelde had ze in de loop van een paar dagen aan hem verteld. Hij herhaalde nu bijna letterlijk wat ze had gezegd.

‘Oké, we gaan eerst naar huis, eten wat en gaan dan naar ons inspecteurtje.’

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (48)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

achtenveertig

‘Mevrouw Steinbruch, er moet een fout zijn gemaakt, men heeft ergens, misschien door te royale afrondingen, vijftig centimeter plotterpapier te weinig geteld. De computermel­ding over dat binnen­dringen in een supergeheim project kan verklaard worden door een zware onweersbui. Misschien is een van de controlecom­puters door een bliksemontlading gestoord, in deze tijd van het jaar komen onweers­buien veel voor. Een andere uitleg zou ik niet kunnen bedenken.’

‘Meent u dit of wilt u de fout voor uw bedrijf dekken? De regering zou een ander het werk kunnen gunnen en dat zou wel eens het einde van Sperry kunnen betekenen.’

McDonald glimlachte even: ‘Mevrouw, ik hoor wel dat u niet veel met regeringsop­drachten van doen hebt. Het gaat bij Sperry om duizenden opdrach­ten. Die kunnen niet zomaar door een ander worden overgeno­men. Dan zou het hele defensie-apparaat plat gaan. Heus, we hebben alle mogelijke moeite gedaan om vooral de supergeheime opdrachten te beveiligen. Daar kan nooit mee geknoeid worden.’

‘U zegt nu al twee keer ‘nooit’, maar feit is dat er iets is verdwe­nen. Ook al komt u met een hurricane als oorzaak aandragen. We hebben in deze zaak te veel moorden gehad, óf u probeert het ons te verzwij­gen, óf u weet het zelf niet. Ik ben ervan overtuigt dat Simmons iets te pakken heeft gekregen.’

Otto viel haar bij: ‘Het staat vast dat hij contact heeft gehad met een spionne en ook dat hij van haar een dikke enveloppe heeft gekre­gen. Als je twee en twee optelt kom je tot de conclusie dat hij iets van waarde heeft verkocht.’

‘Meneer Simmons staat bij ons bekend als een integer persoon. Boven­dien is hij bij de sollicitatie grondig gecontroleerd op rode sympa­thieën en als daarover ook maar de geringste twijfel bestaat, wordt een sollicitant niet aangenomen. Nogmaals, u zit in de ver­keerde richting te zoeken.’

Evelyne haalde het vreemde sleuteltje te voorschijn: ‘Mag ik u dan vragen of u dit sleuteltje herkent?’

McDonald keek even naar het sleuteltje en werd bleek: ‘Voor de hoofd­processor van ons grootste computersysteem hebben we ook zo’n sleutel. Hoe komt u daar aan?’

Evelyne vertelde van de ontploffing en vroeg toen: ‘Mogen we even naar dat systeem gaan kijken? Mijn assistent Tom is computerexpert en kan eenvoudig nagaan of deze sleutel bij jullie systeem thuis hoort.’

‘Gaat u maar mee, we gaan dat direct controleren. Maar ik blijf overtuigd dat u op het verkeerde spoor zit.’

Na weer verschillende deuren, controleposten en luchtsluizen te hebben gepas­seerd, kwam het kleine gezelschap in een koele ruimte zonder ramen en met koud wit licht van tientallen T.L.-lampen die achter glas waren gemonteerd. Uit een lange rij grote kasten kwam een gezoem hun tegemoet. Een man in een smetteloze witte jas kwam hen tegemoet en keek erg verrast.

McDonald vroeg of de man de hoofdpro­cessor wilde laten zien. Na het openen van een van de grote kasten werden tientallen rekken vol elektronische onderdelen zicht­baar. Van een kleine kast werd het deksel opengemaakt en voorzichtig wees de man naar een aluminium blok waaraan koperen leidingen gesoldeerd waren.

‘Dit is de hoofdprocessor, die bestaat uit tientallen watergekoelde chips, zonder koeling zouden die wegsmelten,’ zei hij met enige trots.

‘Waar past dan die sleutel in?’ vroeg Evelyne. Tom wees naar een klepje: ‘Daarachter zit de schakelaar, die wordt met dat sleuteltje bediend.’

‘Kunnen we de sleutel passen?’ vroeg Evelyne aan McDonald. Die keek naar de witjas, waarop deze beslist nee schudde: ‘Dat is uitgeslo­ten, we hebben duizenden aansluitingen op deze kast. Als die uitge­schakeld worden heeft men weken nodig om alle schade weer te her­stellen.’

‘Dus kan hier niemand aankomen of iedereen merkt dit meteen?’

‘Ja mevrouw, zo is het.’

‘Wordt die computer dan nooit uitgezet? Heeft die geen onderhoud nodig?’

‘Een enkele keer, als er iets defect raakt, wordt het systeem stilge­legd, maar dat wordt dan in fasen gedaan. De operators worden dan via hun beeldscherm gewaar­schuwd.’

‘Wanneer is dat voor de laatste keer gebeurd?’ vroeg Evelyne.

De witjas liep naar een bureau en bladerde in een witte map: ‘Dat is bijna een half jaar geleden.’ Evelyne schudde haar mooie hoofd: ‘Dat is te lang geleden. Kunt u niet even kijken of die sleutel past. Hij hoeft toch niet omgedraaid te worden.’ Witjas nam zonder iets te zeggen de sleutel aan en stak deze zeer voorzichtig in het sleutel­gat: ‘Nee, hij past niet, hij komt nog geen halve millimeter in het gat.’

Tom pakte van witjas de sleutel over en bekeek die tegen het licht: ‘Geen wonder, er zit een braam aan. Dat komt zeker van die ontplof­fing.’ Hij tilde een been op en schuurde de sleutel een paar keer over zijn leren schoenzool: ‘Zo, nu zal hij wel passen.

Verbouwe­reerd paste witjas de sleutel nogmaals. Tot zijn stomme verbazing gleed de sleutel soepel in het sleutelgat. Iedereen kon zien dat deze sleutel op dit slot thuis hoorde.

‘Is het mogelijk dat een onbevoegde die sleutel kan pakken?’ vroeg Evelyne aan witjas.

‘Nou, eigenlijk niet, maar als een operator haast heeft en de sleutel niet in de kast opbergt bestaat die mogelijkheid wel.’

‘Op de dag dat Simmons dat ongeluk kreeg, werd toen aan de hoofdpro­cessor ge­werkt?’ vroeg Otto. McDonald zei dat ze dat in het rode logboek zouden kunnen zien. Na de hele ceremonie van deurtje open, deurtje dicht, sluisje in, sluisje uit, kwamen ze weer in de contro­leruimte.

Opnieuw werd door McDonald in het rode boek gesnuffeld. Bedremmeld zei hij: ‘Ja hoor, op dezelfde dag dat Simmons met de ambulance werd afgevoerd, is de hoofdproces­sor enkele minuten uitge­schakeld geweest.’

‘Zeg nooit meer nooit, meneer McDonald,’ zei Evelyne, ‘je ziet dat Simmons dus wel de mogelijkheid heeft gehad om aan een computeron­derdeel te morrelen. Blijft alleen nog de vraag hoe hij die code heeft gebroken.’

‘Mevrouw, Simmons staat wel bekend als een zeer goed wiskundig onder­legd iemand. Dat is een van de redenen dat hij de functie van program­meur heeft gekregen.’

‘We komen hier toch niet verder, het enige wat ik nog wil vragen is of u mij kunt vertellen wat er nu eigenlijk uit dat supergeheime project is gehaald?’

‘Dan moeten jullie eerst een verklaring tot geheimhouding onderteke­nen.’

‘Laat die papieren maar zien dan tekenen we die meteen. Ik hoor in mijn werk zoveel dingen die ik niet verder mag vertellen en voor mijn jongens hier sta ik honderd procent garant.’

McDonald liet hen een kwartier alleen met de bewakers en kwam terug met een pak formulie­ren. Door elk werd in viervoud getekend. Toen schraapte McDonald zijn keel en zei bijna plechtig: ‘We weten dat het gaat over een schema van een supercompacte radarinstallatie voor straalja­gers.’

‘Is dat schema dan veel geld waard? Ik zou er geen cent voor over hebben.’

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (47)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

zevenenveertig

De Sperry Rand fabrieken lagen aan de rand van Harrisburg, omzoomd door prikkeldraad, schijn­werpers en tal van wachtposten. Wanneer je de naam, groots op een stalen frame tegen een hoge schoorsteen aange­bracht, niet had gelezen zou je denken met een gevangenis van doen te hebben. De sfeer was grimmig, een bewaker kwam, wantrouwig als een belastingambtenaar, naar de door Evelyne bestuurde wagen toe. Na haar verhaal schudde de man ontken­nend en begon in een metalen klapper te bladeren. Weer schudde hij met zijn hoofd en liet de slagboom omlaag.

Toen Evelyne vertelde dat politie-inspecteur Greener gebeld had, ging de bewaker, zonder de wagen de rug toe te draaien, naar een waterdicht telefoontoestel. Hij nam de hoorn op en begon meteen te praten. Naar de wagen kijkend gaf hij de gege­vens van het nummer­bord op en vervolgens een be­schrijving van de inzittenden. Na even geluisterd te hebben knikte hij en hing op.

Gewichtig liep hij naar de auto en zei tegen Evelyne: ‘U moet naar parkeerterrein 12B, daar parkeert u in vak 23, u wordt dan opge­wacht.’

Evelyne knikte tot groet en reed tussen grote fabriekshallen zonder ramen naar de opgegeven parkeerplaats. Er stond al een man in een witte jas hen op te wachten. Hij stelde zich voor aan het gezelschap en ging ze voor naar een enorme hal. Bij een kleine deur toetste hij een nummercode in een codepaneeltje waarop de deur open ging. Ze kwamen in een heldere gang waarop maar één deur uitkwam. Ook hier was weer een codepaneel­tje, waarop hij weer een andere code intoets­te. Een rode lamp doofde en een groene lichtte op. De bege­leider duwde de deur open en zei dat hij niet verder mocht. Ze kwamen weer in een gang en onmiddellijk kwam een geüniformeerde man op hen af. Toen hij vroeg waar ze naartoe wilden vertelde Evelyne dat in het kort. Ieder kreeg een gele label opgespeld. Weer liepen ze een gang door naar een grote ruimte, kennelijk een controleruimte want hier zaten nog enkele geüniformeerde mannen gewichtig te kijken naar tiental­len beeld­schermen. De drie werden in een soort ontvangkamer­tje gebracht en werden uitgeno­digd om te gaan zitten. Er werd koffie ge­bracht, maar een asbak was nergens te bekennen. Op grote borden stond aangegeven dat roken ten streng­ste verboden was. Na enige tijd kwam een heer op oudere leeftijd, Evelyne schatte hem tegen de zestig, naar hen toegelopen en stelde zich voor als McDonald, nee niet van de hamburgers. Hij vroeg waarmee hij hen van dienst kon zijn. Evelyne vroeg of de bewaker erbij moest blijven. Daarop stuurde de man deze weg en was hij met het drietal alleen.

‘Meneer McDonald, enige tijd geleden heeft zich hier op een compu­terafdeling een ongeval voorgedaan. Daar was ene Simmons bij betrok­ken.’

‘Mag ik eerst naar uw identiteitspapieren vragen?’

Nadat hij hun papieren had bestudeerd, namen en paspoortnummers had genoteerd en telefonisch alles had geverifieerd, gaf McDonald ant­woord: ‘Ja, daar weet ik alles van af. Ik ben verantwoordelijk voor het personeel in de af­deling programma-ontwikkeling. Onze medewerker, de heer Ebson Simmons, ligt nog in een ziekenhuis hier in Harrisburg. Het was wel een con­sternatie. Stel je voor, je komt van de middagpauze terug en ziet dan iemand half leegge­bloed op de vloer liggen.’

‘Kunt u ons vertellen hoe daarna zich alles heeft afgespeeld?’

‘Ik haal het logboek dan weten we het precies. Hier wordt nooit iets aan het toeval overgelaten.’ McDonald liep naar de controleruimte en haalde uit een grote kluis een rode metalen klapper. Hij ging tegenover Evelyne zitten en sloeg de klapper open, om snel met een wijsvinger elke pagina te doorlopen. Otto zag dat hij bij een rode notitie bleef steken.

McDonald begon hardop te lezen: ‘Ongeval. Dinsdag twaalf augustus, dertien uur achtendertig: alarm geslagen door personeel ruimte twaalf bis. Dringend verzoek door Mel Dean, ambulan­ce bellen wegens slagaderlijke bloeding. Dertien uur vijftig: ambulanceper­soneel toegang gegeven tot genoemde ruimte. Dertien uur negenenvijftig: gewonde met ambulance afgevoerd. Betreft E. Simmons. Aard van verwon­ding: polsslagader doorgesneden.’

Trots zei McDonald: ‘Zoals u hoort wordt hier niets aan het toeval overgelaten. We controleren alles.’

‘Het ambulancepersoneel is negen minuten met de gewonde bezig ge­weest. Is in die tijd de kleding van Simmons door de bewaking gecontroleerd?’

McDonald werd een tikkeltje bleker en mompelde: ‘Voor zover ik weet niet. Door de snelheid waarmee hulp nodig was is daar niet aan ge­dacht. Hebt u een speciale reden om dit te vragen?’

‘Die heb ik,’ zei Evelyne, ‘is er die dag niets vermist’

‘Wat bedoelt u met iets vermist, waaraan moet ik dan denken?’

‘Meneer McDonald, u ontwijkt mijn vraag, u weet best wat ik bedoel. Er is toch plotterpapier verdwenen?’

Verbluft zei McDonald: ‘Hoe weet u dat nou, dat is een bedrijfsge­heim. Niemand buiten dit bedrijf kan dat weten.’

‘Ik toch wel, we zijn niet voor niets een detectivebureau. Maar zonder gekheid, hoeveel papier is er verdwenen, ik schat een stuk van het A3-formaat.’

‘U mag nooit meer schatten. Er is inderdaad een stuk van ongeveer vijftig centime­ter weg. We hebben alles afgezocht, maar er is niets gevonden. We staan voor een raadsel.’

‘Stel dat Simmons dat papier bij zich had toen hij op een brancard werd wegge­voerd. Is die brancard onderzocht?’

‘Nee, natuurlijk niet, die man was bijna leeggebloed toen hij werd gevonden. De man die hem vond heeft natuurlijk een knelverband aange­legd, maar alles moest zo snel gaan en er was toch enige paniek. Niemand kwam op het idee om het slachtoffer te fouilleren. Dat is wel het laatste waar je dan aan denkt.’

‘Dus kan dat ongeluk door Simmons zelf in scène zijn gezet. Als we aannemen dat hij inderdaad een of andere geheime tekening of schema heeft meegenomen en we hebben aanwijzingen genoeg om dat aan te nemen, hoe kon hij dan de code hebben gekraakt?’

‘Het is onmogelijk dat hij die code gekraakt kan hebben, daar zijn minstens drie specialisten voor nodig. Nee, bij hem zoekt u in de verkeerde richting.’

‘Maar er is toch geconstateerd dat iemand in een supergeheim project is binnenge­drongen?’

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (46)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

zesenveeertig

Het was een uurtje later dat bij Evelyne de telefoon rinkelde. Greener vertelde in het kort van de ontploffing en gaf haar het adres. Toen ze met Otto en Tom bij de opgeblazen wagen arriveerde waren er al tientallen kijklustigen, die door agenten achter een haastig gespannen afzetting werden gehouden. Inspecteur Greener zag ze aankomen en wenkte een agent om ze door te laten.
‘Wat een rotzooi, die hebben een bom gebruikt, groot genoeg om het hele Empire op te blazen.’
‘Hoeveel mensen zaten in de wagen Sidney?,’ vroeg Evelyne.
‘Volgens Lower East had de chauffeur alleen onze drie man ingeladen, dus met de chauffeur mee vier man.’
Evelyne liep naar de met sterke schijnwerpers belichte restanten van de cabine.
‘Maar zo te zien was de chauffeur vóór de ontploffing uit zijn cabine gestapt. De zittin­gen zijn volkomen schoon, nergens zijn bloed of mensenresten te ontdek­ken. Dan zal de chauffeur in het complot zitten. Weet je al van hoeveel mensen de resten zijn gevon­den. Als ik op mijn intuïtie afga, zal je de resten van twee mannen vin­den.’
‘De chauffeur moet een vreemde zijn, want volgens de agent die de gevangenen aan hem overdroeg had hij het over een wedstrijd van de Mets, die hij vanavond wilde zien. Maar de Mets zijn vorige week voor een rondreis naar Europa vertrokken.’
‘Volgens mij heeft hij Tino laten gaan en de rest opgebla­zen, nou ja, meestal staat opgeruimd netjes, maar ze hebben er nu wel een smeerboel van gemaakt.’
Otto kwam naar Greener toe en vroeg of ze de restanten mochten onder­zoeken, dat mocht en samen met Tom ging hij de puinhoop bekijken. De witgejaste mensen van het mortuarium waren al enige tijd bezig en hadden enkele zakken gevuld met menselijke restanten. Op de vraag van Tom zei een van hen dat ze restanten van minstens één man hadden gevonden. Opeens liep Otto hard weg en ging tegen de stoep­rand staan overgeven, bij het omdraaien van een stuk zitbank keek hij in de opengesperde ogen van een net onder de neus afge­sne­den moot van een hoofd. Een witjas liep naar de resten van de zitbank en keek onverschillig naar de menselijke moot: ‘Dat is van nummer twee,’ zei hij onverschillig. ‘Het andere hoofd hebben we al gevonden.’
Greener keek naar Evelyne: ‘Ik denk dat je gelijk krijgt, er zijn tot nu toe de resten van twee mannen gevonden.’
Na meer dan een uur zoeken en vergaren van afgerukte ledematen en slierten van door de enorme luchtdruk uit het onge­luk­kige stel gepers­te ingewanden, waren er geen aanwijzin­gen dat er een derde slachtof­fer moest zijn. Toen een van de coroner-assistenten met een voorwerp naar de dienstwagen liep en een toeschouw­ster passeerde, viel deze flauw. De man droeg met twee handen een schoen, toen ze naar de man keek zag ze een net onder de knie afgerukt been, compleet met een zwarte sok, uit de schoen steken.
Nadat zoveel mogelijk de menselijke resten uit het wrak waren verwij­derd, waagde ook Evelyne zich aan een nader onderzoek van de wagenres­ten.
Voorzichtig klom ze in de laadbak en onderzocht deze nauw­keurig. Ze lichtte flarden staalplaat op, draaide opengescheurde zitbanken om, maar vond niets van belang.
Ook Tom en Otto speurden naarstig in de overblijfselen, behalve plakkerige roodgekleurde metaalde­len van wanden en plafond vonden ook zij niets wat kon helpen bij het vinden van nummer drie. De restanten moesten in het forensisch lab worden onderzocht om uitsluitsel te krijgen wie er, behalve de chauffeur, nog werd vermist. Een beetje teleurgesteld stonden de drie in wat er van de laadruimte was overgebleven. Voor ze wilde weggaan keek Evelyne nog eenmaal rond en zag iets in een van de afgerukte stalen buizen glin­steren. Nieuwsgierig bukte ze zich en raapte een klein sleutel­tje op. Door de vreemde vorm van het sleuteltje kon ze het niet thuis brengen. Ze riep haar twee assis­tenten erbij en liet ze het rare sleuteltje zien. Het was geen baard- en ook geen Yalesleutel, ze had dit model nog nooit gezien. Otto schudde met zijn hoofd, hij kon het ook niet thuis brengen.
Toen ze het aan Tom gaf draaide die het sleutel­tje een paar maal om en keek naar het ingeperste logo: ‘Ik denk dat ik weet waar dat ge­bruikt wordt. IBM heeft eens een supercomputer gemaakt en de hoofd­processor kon bij het foutzoeken met zo’n soort sleuteltje in- en uitgeschakeld worden. We moeten in een groot computercentrum gaan zoeken, onze computer is niet van die mogelijkheid voorzien.’
Evelyne keek rond naar Greener en zag die net in zijn dienstwagen stappen. Ze riep hem en liet het sleuteltje zien. Hij liet ze in de wagen stappen. Ze vertelde hem wat Tom ervan dacht.
‘Ja Evelyne, ik weet wat je denkt, maar ik heb in Harrisburg nog steeds niets te zoeken. Van mij mogen jullie daar gaan snuffelen, als Sperry dat ten minste toelaat. Ik zal naar Sperry bellen en de zaak uitleggen, misschien helpt dat om binnen te komen.’
‘Gaan jullie nog achter Tino aan? Volgens mij zit die jullie ergens uit te lachen.’
‘New York is een grote stad Evelyne en jammer genoeg is Johnny the Muck er niet meer. Hij had ons misschien iets meer kunnen vertellen. Nu moeten we maar afwach­ten, we kunnen niet een paar honderdduizend woningen gaan doorzoe­ken.’
‘Ik denk dat we het tot een paar woningen kunnen beperken, om te beginnen die waar al onze moorden hebben plaatsgevonden. Volgens mij komen we dan al een eind in de goede richting.’
‘Als Tino inderdaad een KGB-agent is zal hij nu al wel New York uit zijn. Ik denk dat we bij hem achter het net vissen. Alle havens en vliegvelden laten bewaken is op zo’n korte termijn niet mogelijk en als we langer wachten heeft hij teveel voorsprong en halen we hem helemaal niet meer in. Gaan jullie maar naar Harrisburg dan zorg ik voor het forensisch onderzoek en weten we met zekerheid wie er ont­breekt.’

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd) 

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (45)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

vijfenveertig

Toen Greener de verbinding met Evelyne verbroken had, belde hij naar de balie en gaf order om het drietal uit Lower East naar het ge­rechts­gebouw over te laten brengen. Zoiets gaat niet door simpel een telefo­nische order te geven, de ambtena­ren moeten werk hebben en het moet jarenlang bewaard kunnen worden. Dus moesten er formulieren in twee­voud worden ingevuld, die moesten door Greener worden onderte­kend. Dan gingen ze naar zijn chef, maar die was enkele uren afwe­zig. Terugge­komen ontbood die Greener om het een en ander uit te leggen. Na ze dan afgestempeld te hebben, gingen de papieren weer naar de wacht­commandant. Die moest dan bij de wagenparkbeheerder om de ‘zwarte Maria’ vragen, pas als die en een chauffeur beschikbaar waren kon de rit naar Lower East beginnen.
Toen de gesloten arres­tantenwagen dan eindelijk bij het wijkbureau arriveerde was het al donker. De agent die als chauffeur optrad ging met de gestempelde formulieren naar de balie. De wacht belde naar zijn chef, die ging de agent voor naar het cellen­blok: ‘Heb je gehoord wat er zich hier heeft afgespeeld? Ze hebben een van hun eigen maten koudgemaakt en nog wel op een ver­schrikkelijke manier. Daarom moet je ze zeker naar het gerechtsgebouw brengen, daar zijn ze inderdaad veiliger dan hier, want hier is bijna geen ruimte en kan iedereen in- en uitlo­pen.’
De agent haalde zijn schouders op: ‘Ik heb mijn orders en wie ik waar naartoe moet brengen interesseert me niet zoveel. Als ik maar geen stront aan de knikker krijg, want ik wil de honkbalwed­strijd van de Mets nog zien.’
De arrestantenwagen had extra dikke zijwanden. Hieraan waren aan de binnenkant een aantal stalen stangen gemonteerd, waaraan ogen gelast waren, dikke stalen kettingen bungelden aan de ogen. Nadat de drie in de wagen waren gezet, elk met handboeien aan een van de stalen kettingen vastge­maakt, zodat ze elkaar niet konden hinderen, draaide de wagen de poort uit op weg naar het gerechtsgebouw.
In plaats van linksaf naar Bowery te rijden draaide de wagen rechtsaf naar het Seward park. De chauffeur stopte de wagen vlakbij bij een reusachtig dikke boom en stapte uit. Hij liep naar de boom en zocht tussen twee dikke wortels die als een paar steunberen half boven de bodem uitkwamen. Uit de ruimte tussen de wortels haalde hij een pakje naar boven. Het pakje voorzichtig vasthoudend, wikkelde hij enkele lagen rubber­doek los. Toen werd hij nog voorzichtiger en droeg behoedzaam het pakje naar de arrestantenwagen. De drie, die in de gesloten wagen zaten, wisten niet waar ze waren en door het vastgelaste stalen oog waaraan ze vastzaten, waren ze ook niet in staat om iets door de hooggeplaatste kiervormi­ge raampjes te zien. Omdat de agent de wagen nogal lang alleen liet werden ze onrus­tig. Ze waren wel meer met de zwarte Maria vervoerd, maar nog nooit was de chauffeur weggegaan en had hen alleen gelaten. Ze hoorden de chauffeur terugkomen en iets in de cabine leggen.
Toen ging de achter­deur open en klom hij bij hen in de laadruimte. ‘Wie is Vandezzi?’
Tino knikte dat hij dat was en de agent kwam naar hem toe, intussen langzaam zijn rechterhand naar zijn broekzak reikende. De schrik van Tino ging over in verbazing toen de agent zijn handboeien losmaakte.
‘Meneer Vandezzi, ik help u  uit de wagen te komen. Om de hoek staat een bruine wagen klaar, die brengt u naar een schuilplaats.’
De anderen hadden met stijgende verbazing het doen en laten van de agent gevolgd. Lime begon te roepen: ‘Hé, en wij dan? Maak ons ook los, we willen er ook uit.’
De chauffeur deed of hij ze niet hoorde en sloot de deur. De twee kregen het nu nog benauwder en begonnen vergeefs aan hun handboeien te trek­ken. Toen hoorden ze dat de chauffeur de cabinedeur opende, het controle­luikje tussen cabine en laadruimte ging open en de gevange­nen zagen dat een aluminiumkleurige doos voorzichtig in de laadruim­te werd neergela­ten. Daarna werd de motor afgezet en de cabine­deur voorzichtig dicht gedaan en hoorden ze hem hard weglo­pen.
Vincen­te begon te schreeuwen: ‘Verdomme, die laat ons in de lucht vliegen, die rotzak laat ons gewoon stikken. Hij is mijn chef, ik ben ook KGB-agent, wat heb ik dan verkeerd gedaan?’
Terwijl hij dat uitschreeuwde begon het duo als waanzinnigen met de handboeien aan de stalen kettingen te trekken, maar die waren van goed Bethlehemstaal en hielden ze netjes op hun plaatsen.
Ze voelden hun einde naderen en begonnen als gekken in paniek te roepen en te schreeuwen, maar het enige resul­taat was dat ze een pijnlijke keel kregen. Elke minuut leek een eeuwigheid te duren en het geschreeuw ging over in een machteloos krijsen.
Wach­tend op de grote klap rukten ze zo waanzinnig aan de handboeien dat de scherpe randen in het vlees drongen. Met bloed­overstroomde jasmouwen zetten ze zich tegen de wanden af, de kettin­gen stonden zo strak als een pianosnaar maar alles was tevergeefs, ze waren en bleven letter­lijk aan hun zitplaatsen geketend. Een late voorbijgan­ger zag de politiewa­gen staan en verwonderde zich over de verlaten­heid. Dich­terbij gekomen hoorde hij in de wagen schreeuwen en stommelen. Dat zit daar niet goed, dacht hij en ging een tele­fooncel opzoeken. Omdat hij vlak bij het park stond was er voor de toeristen een Engels type telefooncel neergezet. De cel was vrij en het alarm­nummer kende hij van buiten. Toen hij vertelde wat hij had gezien en gehoord zei de telefonist dat hij uit de buurt van de wagen moest blijven. Amper had hij dit gezegd of een enorme ontplof­fing blies alle glas uit de telefooncel. De voorbijganger werd op de straat geblazen. Een lange glasscherf drong door zijn linkeroog de hersenen binnen en doodde de behulpzame man binnen enkele secon­den. Voordat het telefoon­snoer door het rond­vliegende glas aan flarden werd gesneden hoorde de telefonist het begin van de ontplof­fing en sloeg groot alarm.
Er moest een flinke bom zijn gebruikt want de zware wagen was enkele meters omhoog gesmeten, het dak was compleet weggeblazen en de stalen stangen met daaraan de ogen vastgelast, waren als lucifer­houtjes verbogen. Het zou nu voor de twee een kleine moeite zijn geweest om te ontsnappen, maar de restjes mens, hier een stuk van een been, daar een stukje behaarde hoofdhuid, lieten zien dat ze geen kans hadden gekregen. Het duo was naar een andere wereld gevlogen, waar geen kettingen en hand­boeien bestonden.

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (44)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

vierenveertig

Toen de telefoon rinkelde nam Norma Steel de hoorn op, luisterde aandachtig en zette het gesprek over naar Evelyne.
‘Evelyne, hier met Greener. Er is iets gebeurd wat niet leuk is. We hebben Vincente, Lime, Antonio en Rope opgepakt. Door plaatsge­brek hebben we ze tijdelijk in Lower East ondergebracht. Later hebben we ook Tino opgepakt en daar naartoe gebracht, maar een of ander sullige agent heeft niet goed opgelet en ze allemaal in dezelfde cel gezet. Rope Slayton kreeg ruzie met de rest en werd toen in een aangrenzende cel geplaatst.
Bij het uitdelen van de avondboterham kwam de wacht tot de ontdekking dat Slayton op barbaarse wijze was omgebracht. Een van de arrestanten uit de andere cellen heeft gehoord dat Tino Vandez­zi uitriep dat Slayton een regeringsspion was. Door wie Slayton is omgebracht zullen we wel nooit te weten komen, iedereen zwijgt als het graf en de andere arrestan­ten hebben natuurlijk niks gezien.
Die Vandezzi heeft overigs wel gelijk, Slayton was inderdaad een CIA-agent en wordt verdacht de hand te hebben gehad in de moorden die we aan het onderzoeken zijn.’
‘Geeft de CIA toe dat Rope een van hen was?’
‘Nee, maar dat was wel te verwachten, van die lui krijg je nooit iets te weten, die voelen zich boven de president staan.’
‘Maar Sidney, vind je niet dat we die Tino nader moeten ondervragen over zijn bemoeienis met dat Sperry Rand-gedoe? Ga ook eens naar Sperry in Harrisburg, volgens mij heeft die Millhouse wel degelijk een of andere waardevolle tekening te pakken gekregen. Mijn jongens zijn naar hem toe geweest, ze zijn ervan overtuigd dat hij de blauwe dame ontmoet heeft. Bovendien heeft ze aan hem een dikke enveloppe gege­ven.’
‘De blauwe dame? Maureen Mc.Ferrit, bedoel je die? Ja, je weet dat ze als spionne bij ons bekend staat of beter gezegd, stond. Dan kan die enveloppe betekenen dat ze hem geld heeft gegeven.’
‘Ja en hij heeft een toch wel raar ongeluk gekregen, er was niemand anders in de computerruimte toen het voorviel. Maar je gaat toch niet expres je polsen door­snijden of doorslaan. Je kunt van tevoren toch niet weten wat de gevolgen zijn. Bovendien moet het maar een haartje gescheeld hebben of hij was finaal leegge­bloed.’
‘Luister eens Evelyne, als hij met opzet of misschien wel zuiver toevallig een geheim schema te pakken heeft gekregen is het voor zo’n vent erg aanlokkelijk, als hij de kans ziet, om die tegen goed geld te verko­pen. Als programmeur was zijn salaris niet zo groot dat hij een extraatje zou afslaan. Je weet dat Maureen een mooie en doortas­tende dame was, die zal niet veel moeite hebben gehad om hem omver te praten. Als er veel geld in het spel is, gaat zelfs de meest onkreuk­bare maar arme staats­burger door de knieën. ‘
‘Ze heeft in elk geval plotterpapier van Sperry uit Harrisburg op een kenmerkend vrouwelijke manier verborgen gehad en misschien ook wel vervoerd. Een niet al te grote en strak opge­rolde tekening kan de afmeting hebben van een inwendige tampon en er zijn duizenden dames die daar mee rondlopen.’
‘Tja en als we dan Tino Vandezzi als KGB-agent in het spel betrekken is de cirkel bijna rond. Ik weet wel dat we dat niet hard kunnen maken, maar als we daarvan uitgaan wordt de zaak al een stuk duide­lijker. Maar ik kan echt niet naar Harris­burg gaan, daar heb ik niets te zoeken. Ook kan ik ze daar niet gaan inlichten, want dan valt de hele CIA over me heen. Bijna alles wat Sperry maakt valt onder de staatsgeheimen.’
‘Wat gebeurt er nu met die arrestanten in Lower East? Blijven die daar of breng je ze naar een betere plaats?’
‘We gaan ze in elk geval voorlopig naar het gerechtsgebouw over­plaat­sen, daar is veel meer personeel. Bovendien kunnen ze dan elk in een eigen cel worden gezet, dan kunnen ze elkaar in elk geval lijfelijk niets meer doen.’
‘Sidney, erg bedankt dat je me dit allemaal vertelde, ik ga ophangen en misschien ga ik met de jongens wel naar Sperry in Harrisburg.’

Hank Denmore: Moord in lichtdruk

kempis.nl poetry magazine

(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Hank Denmore: Moord in lichtdruk (43)

Hank Denmore

Moord in lichtdruk

drieënveertig

De twee kwamen op Rope af, die Lime in de onderbuik trapte, maar Antonio nam Rope zwijgend in een judogreep. Spartelend hing Rope in de armen van de Napolitaan en probeerde vergeefs aan diens greep te ontkomen. Vloekend kwam Lime overeind en uit diens geelgroene ogen straalde een ongelooflijke haat. Hij haalde een smerige zakdoek te voorschijn, stompte Rope in diens maag en propte de zakdoek snel in de van pijn opengesperde mond.
Tino schopte de benen van de spartelende figuur onderuit en ging zwaar op diens buik zitten. De andere arres­tanten reageerden door stil op hun britsen te gaan liggen, wie niets ziet kan ook niets vertellen.
Vincente keek naar Tino die naar de keel van Rope knikte, daarop zette Vincente zijn rechterschoen op de keel van de onderliggende man en begon te drukken. Rope spartelde zo hevig tegen dat hij even los kwam. Met een ruk trok hij de zakdoek uit zijn mond en schreeuwde uit alle macht om hulp.
De deur van het bureau werd opengegooid en de agent die Rope al eerder bij de Mustang als CIA-agent had herkend kwam snel aanlopen. Hij zag Rope zijn pijnlijke keel wrijven en de verhitte gezichten van de anderen. Op zijn vraag wat er aan de hand was werd niet gereageerd. Toen maakte de agent de celdeur open, Rope werd er uit gehaald en in de cel er naast bij twee anderen ingeslo­ten. De agent vroeg aan Rope of hij nog iets voor hem kon doen. Rope schudde nee en ging op een brits liggen, zover mogelijk van de tralie­wand tussen de cellen in. Door de stalen spijlen heen zag hij de van haat vertrokken gezichten van zijn eerdere celmaten en begon te grijnzen.
Toen voelde hij een klopje op zijn schouder. Toen hij opkeek zag hij dat een van de twee celgeno­ten van de tegen de traliewand gemonteer­de brits was opgestaan en daar naar toe wees. Rope schudde nee, waarop ook de andere kwam aanlopen. Die haalde uit een plooi in zijn stijve jeansbroek een lange stevige naald en kwam hiermee drei­gend op zijn gezicht af. Rope koos eieren voor zijn geld en ging tergend langzaam op de hem aangewezen brits liggen.
Zich toch veilig voelend riep hij hatelijk naar Lime: ‘Moet je nog een trap? Wacht dan totdat ik weer buiten sta, dan pak ik je wel. Zal ik de groeten doen aan de KGB, meneer Tino?’ Hij haalde het beruchte nylon­koord uit zijn broekzak, draaide de einden stevig om zijn hand en zwaaide uitdagend met het lusvormi­ge koord naar Lime.
‘Zal ik jou een strop­das geven of meneer Vandez­zi?’
Terwijl hij het koord op en neer zwaaide riep een van de twee celge­noten zijn naam. Verbaasd keek hij om, op dat ogen­blik dook Lime naar het koord en trok met een ruk het koord en Rope’s arm door de tralies heen. Bliksemsnel pakte Vincente de arm in een houdgreep, terwijl Lime het koord losrukte. Antonio bukte zich naar een broekspijp van Rope en trok die strak tegen het tralie­werk aan.
Toen trok Vincente de arm van Rope zo hard tegen de zware stalen tra­lies aan, dat het hoofd van Rope binnen het bereik van Lime kwam. Die gooide het koord over Rope’s van pijn geopende mond, haalde snel de einden om een tralie en trok het koord strak.
Tino kwam op hem af en riep: ‘Dit is je laatste kans, toen Knife en Doc die griet ondervroegen, heb jij toen Knife omge­legd?’
Rope riep met moeite dat hij daar niets vanaf wist.
Tino trok woest aan het haar van Rope en draaide diens hoofd zo erg dat de nekwervels kraakten en herhaalde zijn vraag, waarop Rope met een van pijn vertrok­ken gezicht ja kreunde.
Lime keek naar Tino, die knikte, waarop Vincente het koord strakker aantrok.
Rope wilde schreeuwen maar het strakge­trokken koord drukte zijn tong in de keelholte en sloot de luchtwe­gen af. Hij begon wild met zijn vrije been te schoppen, maar het koord werd steeds strakker aange­haald. Lang­zaam werd het gezicht van Rope blauw en sneed het nylon­koord de mond in een afzichtelijke wond open, waardoor de tanden als in een horrorfilm zicht­baar werden. Door de enorme druk van de longen, die wanhopig probeer­den de samengeperste lucht kwijt te raken, puilden de ogen uit de kassen. Het schoppen werd minder en wat Rope dikwijls bij zijn slachtoffers had zien gebeuren, overkwam hem nu zelf. Het schoppen ging over in spastische bewegin­gen, zijn urine stroomde op de brits en kletterde op de betonnen celvloer. Vincente kon na enige tijd de arm loslaten, alle leven was uit Rope verdwe­nen.


Hank Denmore: Moord in lichtdruk
kempis.nl poetry magazine
(wordt vervolgd)

More in: -Moord in lichtdruk


Older Entries »

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature