In this category:

Or see the index

All categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·




  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Dr PJ Cools msc

· Pater Piet Cools

Pater Piet Cools

 

DE MISSIE VAN PATER COOLS

 

Over Dr. P.J. Cools MSC

door Jef van Kempen

‘Mocht blijken, dat u als zodanig ook kennis moet nemen van verboden boeken, dan vrage U Ons alsnog verlof, om deze te mogen lezen.’
Deze waarschuwing van de bisschop van ‘s-Hertogenbosch, Mgr. Mutsaerts, stond uitdrukkelijk vermeld in de brief van 21 september 1955, waarin hij pater dr. P.J. Cools M.S.C. benoemde tot censor van de Rooms Katholieke Openbare Leeszaal en Leesbibliotheek ‘St. Dionysius’ te Tilburg. Censuur voor de censor. Maar Cools had eigen opvattingen over lezen en leesbevordering. Dat blijkt uit een uitspraak die hij in 1959 deed tijdens een lezing voor het jaarlijkse Bibliotheekcongres in Middelburg:
‘Kinderen, die men hun leven lang van de straat houdt om ze niet in het verkeer te laten verongelukken, zullen nooit de menselijke zelfstandige en nodige beheersing in het verkeer leren. Maar het zullen ook geen volledige mensen worden. Bewust moeten ouders hen hier gevaar doen riskeren, ook al zullen zij hun wel op het gevaar wijzen en het hen met hen in het begin doen riskeren. Hetzelfde beginsel van opvoeding met gevaar moet men ook toepassen in het opvoeden tot lezen en in de mogelijkheid van boekenkeuze.’
Vrijheid van boekenkeuze, weliswaar een beperkte, en alle mogelijke daaraan verbonden gevaren van dien maar op de koop toe nemen. Pater Cools was een missionaris met een eigen missie: de wereld van het boek.

De uit Breda afkomstige Petrus Josephus Cools (1875-1941) was in Tilburg een eigen bedrijf begonnen als elektricien. Hij trouwde op 13 mei 1903 met Anna Maria Cornelia Boset (1881-1960). Op 13 april 1904 werd in de Clercxstraat, in de parochie Heuvel, hun eerste zoon geboren, die naar zijn vader werd genoemd. Het zou uiteindelijk een groot gezin worden, want Piet Cools jr kreeg er drie broers en zes zusters bij. Het grootste deel van zijn jeugd groeide Piet Cools op in de Hoefakkerstraat in de parochie Besterd. Op school stond hij bekend als een ijverige leerling en hij was, zoals zoveel van zijn leeftijdgenoten, misdienaar. Het verhaal van zijn roeping tot het priesterschap is opmerkelijk. Vaak neemt men voetstoots aan dat de oudste zoon, uit de katholieke gezinnen van die tijd, door de ouders automatisch werd voorbestemd voor het priesterschap. Bij Piet Cools was dat niet het geval. Samen met drie vrienden, ook misdienaar, had hij afgesproken om zich na de lagere school aan te melden bij de Missionarissen van het Heilig Hart in Tilburg. Dat deden ze gezamenlijk, zonder hun ouders te raadplegen. Tot grote trots van zijn ouders kwam Piet Cools, twaalf jaar oud, met de mededeling dat hij het besluit had genomen om missionaris te worden. Er moet voor Piet Cools en zijn vrienden een grote aantrekkingskracht zijn uitgegaan van de Missionarissen van het Heilig Hart. Vanuit het Missiehuis in Tilburg vertrokken missionarissen naar verre eilanden in de Stille Zuidzee, naar Nederlands-Indië, de Filippijnen en Brazilië. Avontuurlijke verhalen zoals die over de Tilburgse pater Henri Rutten, die in 1904 (het geboortejaar van Cools) de marteldood was gestorven ‘onder de wilden’ van Papoea-Nieuw-Guinea, moeten op de jongens grote indruk hebben gemaakt. Op 3 september 1916 deden Piet Cools en zijn vrienden hun intrede in de Apostolische school van de Missionarissen van het Heilig Hart in Tilburg.

De congregatie van de ‘Missionarissen van het Heilig Hart’ (oorspronkelijke naam: Missionarius Sacratissimi Cordis, afgekort M.S.C.) werd in 1854 gesticht door de Franse priester Jules Chevalier. Als gevolg van een door de Franse regering in 1880 uitgevaardigde wet, die alle niet-geautoriseerde kloostergemeenschappen verbood, vertrok een kleine groep kloosterlingen naar Nederland. Na een kort verblijf in Huize Gerra in Haaren vestigden zij zich in 1882 in het verlaten pand van een oude lakenfabriek in de wijk Veldhoven in Tilburg. In augustus 1890 werd aan de Bredaseweg in Tilburg een nieuw kloostergebouw in gebruik genomen, dat in de volksmond ook nu nog bekend staat als het ‘Missiehuis van de Rooi Harten’. De paters en broeders van de M.S.C. droegen vroeger namelijk een rood hart op hun zwarte toog. Van alle Missionarissen van het Heilig Hart werd uiteindelijk zo’n zestig procent ook daadwerkelijk naar de missiegebieden gezonden. Vanuit het Missiehuis in Tilburg werden tussen 1882 en 1982 in totaal 703 paters en broeders naar het buitenland gestuurd. Van hen vertrokken er 356 naar Indonesië, 174 naar de Philippijnen en 173 naar Brazilië.

In de tijd dat Piet Cools aan het klein-seminarie in Tilburg studeerde, was het aantal aanmeldingen zo groot (zo’n honderd per jaar), dat besloten werd om de hoogste klassen over te plaatsen naar Herlaar in St. Michielsgestel. Daar voltooide hij in 1922 zijn opleiding. Piet Cools legde op 21 september 1923 zijn Tijdelijke Geloften af in het klooster van de M.S.C. in Arnhem, waar hij een opleiding in de filosofie volgde. In 1925 vertrok hij uit Nederland, niet om naar de missie te gaan, maar om aan de Gregoriana in Rome filosofie en theologie te studeren.
Mensen die Cools hebben gekend, karakteriseren hem zonder uitzondering als iemand, die van zijn hart geen moordkuil maakte en als een man met een groot gevoel voor humor. Bovendien was enige eigenzinnigheid hem niet vreemd. Zijn aanmelding bij de M.S.C. is daarvan een treffend voorbeeld. Maar ook tijdens zijn studietijd in Rome bleek hij iemand te zijn die wist wat hij wilde. Cools woonde toen in het Internationaal Scholasticaat aan de Via Aventina. In dat huis waren alle jaloezieën van de kamers van de priesterstudenten naar boven gericht, zodat ze uitsluitend de lucht konden zien en niet wat zich op straat afspeelde. Maar Piet Cools wist het voor elkaar te krijgen dat op zijn kamer de jaloezieën de andere kant op wezen.
Op 29 juli 1928 werd hij in Rome tot priester gewijd. Piet Cools slaagde in zijn Romeinse tijd aan de Gregoriana tweemaal voor een doctorstitel. In 1927 legde hij met succes het examen af voor het doctoraat in de filosofie en op 3 juli 1929 behaalde hij de graad van doctor in de theologie. Datzelfde jaar keerde hij terug naar Nederland. Er bleek voor hem geen missie in een ver land te zijn weggelegd. Cools kreeg een aanstelling als theologiedocent in Arnhem.

In 1941 manifesteert pater Cools zich voor het eerst in de functie waarin hij de meeste bekendheid zou krijgen. Hij werd benoemd tot bibliothecaris bij de theologieopleiding van de M.S.C. in het Limburgse Stein. Bij zijn eerste optreden als bibliothecaris, gaf Cools al meteen blijk van een inventiviteit die hem later meer dan eens van pas zou komen. Tijdens de oorlogsjaren hadden de Duitse bezetters bepaald dat er geen nieuwe boeken aan de bibliotheek mochten worden toegevoegd. Maar Cools vond daar een oplossing voor en maakte een afspraak met zijn collega in het Belgische Bree, die met hetzelfde probleem zat. De twee bibliothecarissen kochten gewoon nieuwe boeken, maar in Bree zetten ze het stempel van Stein in de door hen gekochte boeken, en Cools voorzag zijn boeken met het stempel van Bree. Op deze manier werd de schijn gewekt, dat de boeken van elkaar waren geleend en niet toegevoegd aan de eigen bibliotheek.

Bij de Missionarissen van het Heilig Hart heeft naast het missiewerk altijd een levendige schrijf- en leescultuur bestaan, die een bijdrage moest leveren aan de verspreiding van het rooms-katholieke gedachtegoed. De congregatie beschikte over een eigen uitgeverij, die onder andere het tijdschrift De Annalen van O.L. Vrouw van het H. Hart liet verschijnen. In de topjaren telde dit maandblad, waarvan 81 jaargangen zijn uitgekomen, meer dan 20.000 abonnees. Het jaarboek De Almanak haalde een oplage van 50.000 en Jeugdjuweel een oplage van 90.000 boeken. Voor beide jaarboeken leverden vele bekende schrijvers en kunstenaars een bijdrage.
De congregatie van de M.S.C. heeft ook zelf een aantal prominente schrijvers en dichters voortgebracht. Bijvoorbeeld Jacques Schreurs: dichter en medewerker van het literaire tijdschrift De Gemeenschap. Hij was de schrijver van Kroniek eener parochie, een driedelige roman, die later voor de televisie bewerkt werd tot Dagboek van een herdershond. En Maurits Molenaar, medeoprichter en redacteur van het tijdschrift Roeping en schrijver van vooral heiligenlevens. Hij was de eerste Nederlandse vertaler van een werk van de Franse schrijver J.-K. Huysmans: het levensverhaal van Don Bosco.

In dit klimaat van studeren, schrijven en lezen voelde Piet Cools zich als een vis in het water. Hij bewerkte in 1947, samen met zijn congregatiegenoot dr. Adr. Drubbel, het in 1902 verschenen boek van Henri Lesêtre: Wegwijzer door het Evangelie. Verder schreef Cools artikelen in bibliotheektijdschriften als Boekenzaak en Bibliotheekleven en hield hij regelmatig lezingen. In zijn lezing Over het conserveren van boeken gaat hij uitgebreid in op de materiële kant van het boek. Maar voor Cools gaf toch vooral de inhoud betekenis aan het boek.
‘Cultuur wordt in vele zinnen gebruikt. Maar allereerst is het iets, dat in de mens zelf aanwezig is en dan bestaat in een aantal stoffelijke, geestelijke, godsdienstige, kunstzinnige waarden, die de mens in zijn totaliteit veredelen en verheffen. In die zin moet elke mens van jongs af met eigen veredeling beginnen en cultuur leren.’
Het lezen tot verheffing van de mens was het adagium van pater Cools. De verspreiding van het boek en in het bijzonder het belang van het bibliotheekwezen lagen hem zeer na aan het hart. Hoe meer boeken hoe beter! Zelfs het pocketboek had zijn zegen:
‘Door een soort gebruiksgoed te worden, is het boek als cultuurgoed in zich niet minder geworden.’
Toen, aan het einde van de jaren vijftig, de erkende boekhandels de gelederen sloten om de verkooppunten voor het boek te beperken, koos pater Cools dan ook voor de ruimst mogelijke verspreiding van het boek:
‘Indertijd is de oprichting van uitleenboekerijen al bestreden als een tekort doen aan de levensmogelijkheid van boekverkopers; de ervaring leerde evenwel anders. In Amerika zijn er ondanks de verkoop van vele boeken in warenhuizen en levensmiddelenbedrijven en derg. toch ook ontegenzeggelijk gespecificeerde booksellers en bookshops.’
Wat Cools betreft kon het niet gek genoeg; soms toonde hij zich een ware utopist:
‘Misschien komen we zelfs nog tot automatieken voor pocketboeken’.

De rol die pater Cools in het bibliotheekwezen speelde werd na de Tweede Wereldoorlog steeds belangrijker. In 1948 werd hij in een door de ‘Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen’ ingestelde commissie benoemd, die moest zorgen voor de herziening van de regels voor de titelbeschrijving. In deze commissie vertegenwoordigde Cools de katholieke bibliotheken, namens de ‘Vereniging voor seminarie- en kloosterbibliothecarissen’ (V.S.K.B.). Hij was een van de oprichters en bestuurslid van deze een jaar eerder opgerichte vereniging. De commissie voor de herziening van de regels voor de titelbeschrijving kwam in 1953 met haar eindrapport, waarin aanbevelingen stonden, die meer eenheid in de in Nederland gehanteerde titelbeschrijvingen tot stand moesten brengen en die tegelijkertijd ruimte lieten voor een aan de eigen behoefte aangepast systeem. Cools schreef daarover:
‘In het laatste ligt de reden van voorkeur voor soepelheid boven strengheid, n.l. het princiep, dat bibliotheken verschillend geaard zijn en dat de regels daarmee rekening moeten houden, wil men naar de aard van de bibliotheek een goede titelbeschrijving krijgen.’
Voor Cools was dat een belangrijke voorwaarde. De V.S.K.B. had overigens al sinds 1948 haar eigen systeem, speciaal voor katholieke bibliotheken.
De inbreng van pater Cools moet een zodanige gunstige indruk hebben gemaakt dat Cools in 1954 door de Kroon officieel werd benoemd tot lid van de ‘Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen’.
Het jaar 1954 was voor Cools toch al een bijzonder jaar. In januari werd hij door zijn overste aangesteld als bibliothecaris in het Missiehuis in Tilburg. Na 33 jaar was hij weer terug in zijn geboortestad.

Een van de aardige bijkomstigheden van de terugkeer naar Tilburg was, dat hij ook betrokken raakte bij het plaatselijke bibliotheekleven. Zijn benoeming tot censor van de Rooms Katholieke Openbare Leeszaal en Leesbibliotheek ‘St. Dionysius’ gaf hem weer een nieuwe taak: de bescherming van het katholieke volksdeel tegen het ‘lectuurgevaar’. De door de bisschop benoemde censor, had de opdracht om er op toe te zien dat de katholieke bibliotheken hun lezers verantwoorde lectuur aanboden.
‘Ten einde het lectuurgevaar te beperken heeft de Kerk een Boekenwet uitgevaardigd, welke de gelovigen, op straf van doodzonde, verbiedt bepaalde soorten van boeken (tenzij men, om gegronde redenen, een lectuur-toelating bezit) te lezen, te verspreiden of te bewaren. Onder deze wet vallen b.v. de geschriften die het geloof aantasten, de zedelijkheid ondermijnen, met heilige zaken de spot drijven.’
In ieder geval dienden boeken die op de Index (een lijst van door de Katholieke Kerk verboden boeken) stonden, te worden geweerd.
Om te bepalen wat verantwoorde lectuur was hadden de katholieke bibliotheken en boekhandels in 1937 een eigen recensiedienst in het leven geroepen, namelijk: de Informatie-Dienst Inzake Lectuur (IDIL), die toevallig ook in Tilburg was gevestigd. Voor IDIL werkten enkele honderden recensenten, die hun bevindingen gepubliceerd zagen in het maandblad IDIL-Tijdingen. En voor gebruik in de bibliotheken werden speciale recensiekaarten gedrukt. Voor de beoordeling van de boeken werden morele kwalificatiecijfers gehanteerd: I stond voor verboden lectuur, II streng voorbehouden lectuur, III voorbehouden lectuur, IV lectuur voor volwassenen alleen en IV-V lectuur ook voor rijpere jeugd bruikbaar. V was de kwalificatie voor: lectuur voor allen. In deze laatste categorie vielen de publicaties van pater Cools: Over het conserveren van boeken en De wegwijzer door het Evangelie.

In de tijd dat Cools censor werd, een taak die hij overigens op zijn eigen gemoedelijke maar plichtsgetrouwe wijze vervulde, raakte de positie van IDIL steeds meer omstreden. De morele veroordeling van een aantal romans van schrijvers als Simon Vestdijk, Louis Paul Boon en W.F. Hermans, en de daarmee verbonden weigering van katholieke bibliotheken en boekhandelaren om deze boeken in te kopen, zorgde voor veel ophef. W.F. Hermans karakteriseerde IDIL als het ‘rooms-katholieke halfondergrondse culturele terreurorgaan dat de sterk aan spionagediensten herinnerende naam draagt van Informatie-Dienst Inzake Lectuur’.
Maar ook in katholieke kringen groeide de weerstand. Anton van Duinkerken nam afstand van het kwalificatiesysteem en de Volkskrant omschreef IDIL als: ‘roomser dan de paus’. Opmerkelijk is de kritiek, die het tijdschrift Roeping, met in de redactie congregatiegenoot Maurits Molenaar, in maart 1956 had in een speciaal nummer over IDIL. Jos Panhuysen schreef:
‘Ik ben minder zeker van het nut aan te geven wat voor volksbibliotheken minder geschikt is. Dat zou in de criticus een kennis van het volk veronderstellen, die deze gemeenlijk niet bezit en dat komt meestal neer op een onderschatten van een bepaalde schoolse ontwikkeling.’
Deze opmerking sluit naadloos aan bij de ideeën van Cools. In de loop van deze turbulente jaren, waarin grote veranderingen plaatsvonden binnen de katholieke gemeenschap, omschreef pater Cools zijn taak steeds minder vaak als die van censor; hij noemde zich liever geestelijk adviseur.
In de tijd van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) werd ook de toon van IDIL gematigder:
‘Recenseren levert geen statisch geldige gegevens op, met de lezers veranderen ook de waardeschattingen, en hoe langer de beoordeling achter ons ligt, hoe groter de reserve waarmee men haar dient te benaderen.’
In juni 1967 verzocht Cools om zijn ontslag bij de openbare bibliotheek. In een brief aan het bestuur stelde hij onomwonden vast, dat hij zijn functie als achterhaald beschouwde:
‘Ik meen bovendien dat u geen moeite zult hebben met het zoeken naar een opvolger, omdat die wellicht niet meer nodig zal zijn in de tegenwoordige tijd, en de bisschop er niet op zal staan dat u een geestelijk adviseur, vroeger censor, benoemt.’
Datzelfde jaar begon pater Cools, op 63-jarige leeftijd, aan een nieuwe en zware taak. Hij werd benoemd tot bibliothecaris van de Theologische Faculteit Tilburg.

De Theologische Faculteit Tilburg (T.F.T.) werd in 1967 opgericht om te komen tot een centralisatie van de bestaande theologieopleidingen. Door het sterk verminderde aantal aanmeldingen bij de seminaries, werden een groot aantal opleidingen met sluiting bedreigd. De T.F.T. probeerde aansluiting te krijgen bij de Katholieke Hogeschool (later Katholieke Universiteit Brabant) en vestigde zich in de Willem II-straat in Tilburg.
Een groot probleem voor de nieuwe faculteit was het ontbreken van een bibliotheek. De meer dan vijfentwintig jaar bibliotheekervaring die pater Cools had als kloosterbibliothecaris, censor, leraar en examinator van opleidingen voor bibliothecarissen, als bestuurslid van de Vereniging voor seminarie en kloosterbibliothecarissen en als lid van de Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen, zou zijn waarde moeten bewijzen in zijn nieuwe functie.
De V.S.K.B. had al vroeg het probleem onderkend van de met opheffing bedreigde kerkelijke bibliotheken; men vreesde voor een ‘boekenvlucht’ uit het zuiden. Het protestantse dagblad Trouw schonk aandacht aan dit probleem in een artikel met de titel: ‘Brabant zoekt een bestemming voor oude bibliotheken’.
‘De kloosters, eens de wieg van de middeleeuwse beschaving, tot in onze tijd met hun seminaria behoeders van de moederkerk, in de ogen van de protestanten tot voor kort ‘kweekplaatsen van het rijke roomse leven’, staan lelijk op de tocht van de secularisatie. (…) De rooms-katholieke kerk werd zich bewust van haar verantwoordelijkheid voor de 2,5 miljoen boeken uit de met opheffing bedreigde kerkelijke bibliotheken.’

Vol enthousiasme stortte Cools zich op zijn nieuwe opdracht. Als een ware missionaris trok hij langs de Brabantse kloosterbibliotheken om anderen van de doelstellingen van zijn faculteit en van zijn bibliotheek te overtuigen. Curieus genoeg kwamen ook vooral de congregaties van missionarissen als eerste over de brug. Cools verwierf collecties in bruikleen van de Missionarissen van het Heilig Hart, van de Missionarissen van het Goddelijke Woord, de Missionarissen van de Heilige Familie en van de Minderbroeders Kapucijnen. In 1970 werd de bibliotheek van het Nederlands Liturgisch Centrum te Nijmegen overgenomen. Met deze aankoop van 5000 boeken, was een bedrag van 100.000 gulden gemoeid. Maar ook het boekenbezit uit de nalatenschap van theologen vond steeds vaker een plaats in de bibliotheek van de nieuwe theologische faculteit. Cools genoot van ieder succes.
In de laatste jaren van zijn leven woonde pater Cools, bij wijze van spreken, in zijn bibliotheek. Van de kelder tot de zolder had hij boeken opgeslagen. Soms was dat nog aanleiding voor discussie omdat voor Cools de ijzeren wet bestond dat collecties bij elkaar dienden te blijven. Bij schenkingen werd dat vaak ook bedongen. Van Cools moesten de boeken, koste wat kost, in dezelfde ruimte worden ondergebracht, ongeacht de interne verhuizingen en de eventuele bouwkundige aanpassingen die daar weer het gevolg van waren.

De voltooiing van zijn bibliotheek heeft pater Piet Cools niet meer kunnen meemaken. Hij stierf op 26 februari 1973 als gevolg van een hartaanval. Op zijn doodsprentje stond de tekst:
‘Hij heeft veel boeken als eerste geopend en gelezen en met graagte nam hij de inhoud tot zich. Wij bidden dat de Heer voor hem ‘een ander boek mag openen: het boek des Levens’ (Openb. 20,12) en dat hij, die van dit aardse leven zo aanstekelijk kon genieten, in de Auteur van dát Boek zijn volle vreugde mag vinden.’
Op 1 maart 1973 werd hij begraven op de begraafplaats van het Missiehuis in Tilburg.
In 1974 werden de bibliotheken van de Missionarissen van het Heilig Hart, van de Kapucijnen en van het grootseminarie Haaren, waarvoor pater Cools zich jaren lang sterk had gemaakt, overgedragen aan de Theologische Faculteit Tilburg. De bibliotheek heeft op dit ogenblik een collectie van bijna 500.000 boeken.

Bronnen:

Archief Missiehuis M.S.C. Tilburg; Archief Openbare Bibliotheek Tilburg; Bibliotheekleven, juli 1953, december 1959; Twan Geurts: ‘Met hoogrood aangelopen tonsuur. De katholieke recensiedienst IDIL, 1937-1970′, in SIC: nr 1&2, 1989; Lektuurkompas, 1937-1962; Lectuur-Repertorium, 1937-1978; Mededelingen van de Vereniging voor Seminarie- en Kloosterbibliothecarissen, 1948-1956; Ton van der Meer: ‘Bibliotheek Theologische Faculteit Tilburg (TFT) en kapucijnenboeken’, in: Bulletin Stichting dr. P.J. Cools MSC, nr 1, 1999; Het Nieuwsblad van het Zuiden, 1971, 1972; Regels voor de titelbeschrijving vastgesteld door de Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen, 1953; Roeping, maart 1956; Hans van Straten: Hermans. Zijn tijd. Zijn werk. Zijn leven. Soesterberg, 1999; Trouw, 1971.

Voor het verstrekken van allerlei informatie wil de schrijver de volgende personen bedanken: N. Akerboom msc, W. van Ameijde msc, F. Cools, A. Dekkers-Cools, A. van Dijk, A. Grob, A. van der Meer, N. Nissink fdnsc, M. Noordermeer fdnsc, T. Poos, M. van Santvoord msc, J. Schellekens, prof. dr. A. Smits ofm cap., A. Vriens msc, A. Zwart msc.

 

Jef van Kempen:  De missie van pater cools 

Gepubliceerd in:
Dr. P.J. Cools msc: Over het conserveren van boeken
Bezorgd en van aantekeningen voorzien door Ed Schilders
Met een biografische schets van P.J. Cools door Jef van Kempen
Uitg. Stichting Dr. PJ Cools Tilburg 2000

Stichting Dr. PJ Cools organiseert sinds 1998 de jaarlijkse boekenmanifestatie BOEKEN ROND HET PALEIS  in Tilburg en verzorgt daarnaast publicaties over het boek

© kemp=mag – kempis poetry magazine

More in: - Book Stories, BOOKS. The final chapter?, Dr PJ Cools msc, Jef van Kempen


Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature