New

  1. Vincent Berquez: Silence with Peter Porter
  2. Ick kieke, staune, wundre mir: Berlinerische Gedichte von 1830 bis heute
  3. “Lincoln in the Bardo” by George Saunders wins 2017 Man Booker Prize
  4. Fries Museum presenteert Mata Hari: De mythe en het meisje
  5. Noam Chomsky and C.J. Polychroniou: Optimism over Despair
  6. Tom Hanks: Uncommon Type. Some Stories
  7. Robert Desnos: Porte du second infini. À Antonin Artaud
  8. Tentoonstelling: Xtra small. Miniatuurboekjes in Museum Meermanno
  9. Bert Bevers: gedichten zonder titel
  10. Laatste week van succesvolle Biënnale “Kunst in de Heilige Driehoek” in Oosterhout (nog t/m 22 oktober 2017)
  11. Irene Dische: Schwarz auf Weiß
  12. Julian Barnes: The Noise of Time. A Novel
  13. Gail Godwin: Grief Cottage
  14. Viking Eggeling: Generalbass der Malerei
  15. Joshua Seigal: I Don’t Like Poetry
  16. Eimear McBride: The Lesser Bohemians. A Novel
  17. Thomas Eyskens: Toen met een lijst van nu errond. Herman de Coninck biografie
  18. Robert Desnos: Lumière de mes nuits Youki
  19. Paul Bezembinder: Verzegelde tijd
  20. PHILIP GLASS tijdens Amsterdam Dance Event naar Melkweg op 22 en 23 oktober
  21. Ein fantastischer Blick auf die Welt: Der aspekte-Literaturpreis 2017 geht an Juliana Kálnay
  22. De hand van Pierre Kemp. Studies, schetsen, werken op papier
  23. 100 jaar De Stijl: Spel met letters in bibliotheek Van Abbemuseum
  24. Stefan Zweig: Erasmus von Rotterdam & Montaigne. Zwei biographische Essays
  25. The Nobel Prize in Literature for 2017 is awarded to the English author Kazuo Ishiguro
  26. Exhibition: Soul of a Nation, Art in the Age of Black Power, until October 22 in Tate Modern
  27. Sérgio Monteiro de Almeida – Poema visual: P B4
  28. Homage to Catalonia by George Orwell
  29. Solar Bones by Mike McCormack
  30. Biënnale Kunst in de Heilige Driehoek – Liefde – nog tot en met 22 oktober 2017 in Oosterhout
  31. Tentoonstelling Anton Heyboer in Gemeentemuseum Den Haag
  32. Ton van Reen gedicht: Neem me mee
  33. Michael Connelly: Le Poète
  34. Nomineer een pionier voor de Pé Hawinkels Prijs
  35. Toneelschuur Producties met adembenemende voorstelling van ‘Het lijden van de jonge Werther’
  36. Ben jij 6-12 jaar en vind je het leuk om te dichten?
  37. Poëziepaleis zoekt talent!
  38. Peter Sloterdijk: The Aesthetic Imperative. Writings on Art
  39. Todd Miller: Storming the Wall. Climate Change, Migration, and Homeland Security
  40. Feest der Poëzie organiseert ‘Het Festijn van Tachtig’
  41. Johannes Theodor Baargeld: ‘Röhrensiedlung oder Gotik’
  42. David Lagercrantz: The Girl Who Takes an Eye for an Eye
  43. John Leonard: Advertently True
  44. Benedetta Craveri: Les Derniers Libertins
  45. Derde editie van de week van de Afrikaanse roman in Nederland en Vlaanderen
  46. Richard Stern: Other Men’s Daughters
  47. Lord Byron: Italy versus England
  48. Peter Jordens: Hendrik Werkman en De Ploeg. The Next Call en het constructivisme
  49. Frankfurter Buchmesse: 11 – 15 Oktober 2017
  50. Daniel Kane: “Do You Have a Band?”. Poetry and Punk Rock in New York City

Categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·

 

  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Hans Hermans natuurdagboek: De mezen

Mezen


Twintig mezenvoetjes

hippelen in ‘t groen,

zurkelende zoetjes,

zo de mezen doen.


Sprongen, rechte en kromme,

doen ze elkander na,

oppe, nere, en omme,

ga en wederga.


Elk, op elk z’n taksken,

laat z’n tonge gaan;

elk het mezenfrakske, en

‘t meezenmutsken aan.


Voor die ‘t frakske maken,

één duim, of drie kwart

kost het, van blauw laken,

met ‘n lapken zwart.

 

Uit die klene lapkes,

zwarter als laget,

snijen de mezen kapkes,

volgens hunne wet.


‘k Zie ze geren spelen,

‘k hoor ze geren, ‘s noens,

bobbelender kelen,

babbelen bargoens.


‘t Zit entwaar ‘en spinne,

‘t ronkt entwaar ‘en bie:

snappen doen ze ze inne

zonder "een-twee-drie."


Hoor ze vijzevazen,

altijd even stout;

reppen, roeren, razen,

weg en were, in ‘t hout!


"Mij!" zo roept er ene,

"mij die mugge!" – "Dij?"

Wederroept Marlene,

"mij, Martijne, mij!"

 

Twee, die wetten weten,

delen ‘t heltegoed:

eten en vergeten

mense en meze moet!


Guido Gezelle

(1830-1899)

 

bargoens – onverstaanbare taal

bobbelen – opgeblazen

frakske – jasje

heltegoed – gemeenschappelijk

laget – zwart barnsteen

noen – middag

vijzevazen – dwaasheden vertellen

zurkelen – schuifelen


Hans Hermans natuurdagboek Mei 2010

Gedicht Guido Gezelle

Foto’s Hans Hermans

kempis poetry magazine 

More in: Gezelle, Guido, Hans Hermans Photos, MUSEUM OF NATURAL HISTORY - department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra

Frans Erens: Pijp

Frans Erens

(1857-1935)

Pijp

De straten recht, eentoonig recht, de straten met de roze brikken. De huizen allen even hoog; de straten strak, geen boog. De ramen en vensters allen egaal, achter elkander horizontaal, in het verschiet korter bij elkander schijnend. Als bekken van loerende dieren hangen de hengelende hijschbalken van boven uit de zolders voorover, allen naast elkander van alle huizen naast elkander. In het einde van de straat de lucht beneveld, als mistig door de stof uit de ontelbare ramen.
Altijd maar hetzelfde: de eene zoo de andere straat. De Govert Flinck en de Jan Steen en anderen. De eene is een nette straat. De andere minder net.
(Frans Erens in De Nieuwe Gids, oktober 1892)

Street poetry: De Pijp, Amsterdam

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive E-F, Street Art

Kinderstadsdichter Sara Bidaoui opent straatspeeldag in Tilburg

Kinderstadsdichter Sara Bidaoui

opent straatspeeldag in Tilburg

Sara Bidaoui, Kinderstadsdichter van Tilburg, zal de straatspeeldag in
Tilburg openen met een speciaal voor de gelegenheid geschreven gedicht.
De opening vindt plaats op woensdag 2 juni om 13:00 uur bij het nieuwe
buurthuis Zuiderkwartier, Wassenaerlaan 38 in Tilburg. De opening en
de straatspeeldag zijn gratis toegankelijk. De straatspeeldag is een
initiatief van Veilig Verkeer Nederland en de organisatoren van de
Buitenspeeldag.

fleursdumal.nl magazine

More in: Bidaoui, Sara, Children's Poetry, City Poets / Stadsdichters

Amy Levy: A March Day in London

Amy Levy

(1861-1889)

 

A March Day in London

The east wind blows in the street to-day;
The sky is blue, yet the town looks grey.
‘Tis the wind of ice, the wind of fire,
Of cold despair and of hot desire,
Which chills the flesh to aches and pains,
And sends a fever through all the veins.

From end to end, with aimless feet,
All day long have I paced the street.
My limbs are weary, but in my breast
Stirs the goad of a mad unrest.
I would give anything to stay
The little wheel that turns in my brain;
The little wheel that turns all day,
That turns all night with might and main.

What is the thing I fear, and why?
Nay, but the world is all awry–
The wind’s in the east, the sun’s in the sky.
The gas-lamps gleam in a golden line;
The ruby lights of the hansoms shine,
Glance, and flicker like fire-flies bright;
The wind has fallen with the night,
And once again the town seems fair
Thwart the mist that hangs i’ the air.

And o’er, at last, my spirit steals
A weary peace ; peace that conceals
Within its inner depths the grain
Of hopes that yet shall flower again.

Amy Levy poetry

fleursdumal.nl magazine

More in: Amy Levy, Levy, Amy

Jacob & Wilhelm Grimm: Der Grabhügel

Märchen der Brüder Grimm

Jacob Grimm (1785-1863)

& Wilhelm Grimm (1786-1859)


Der Grabhügel

Ein reicher Bauer stand eines Tages in seinem Hof und schaute nach seinen Feldern und Gärten: das Korn wuchs kräftig heran und die Obstbäume hingen voll Früchte. Das Getreide des vorigen Jahrs lag noch in so mächtigen Haufen auf dem Boden, daß es kaum die Balken tragen konnten. Dann ging er in den Stall, da standen die gemästeten Ochsen, die fetten Kühe und die spiegelglatten Pferde. Endlich ging er in seine Stube zurück und warf seine Blicke auf die eisernen Kasten, in welchen sein Geld lag. Als er so stand und seinen Reichtum übersah, klopfte es auf einmal heftig bei ihm an. Es klopfte aber nicht an die Türe seiner Stube, sondern an die Türe seines Herzens. Sie tat sich auf und er hörte eine Stimme, die zu ihm sprach ‘hast du den Deinigen damit wohlgetan? hast du die Not der Armen angesehen? hast du mit den Hungrigen dein Brot geteilt? war dir genug, was du besaßest, oder hast du noch immer mehr verlangt?’ Das Herz zögerte nicht mit der Antwort ‘ich bin hart und unerbittlich gewesen und habe den Meinigen niemals etwas Gutes erzeigt. Ist ein Armer gekommen, so habe ich mein Auge weggewendet. Ich habe mich um Gott nicht bekümmert, sondern nur an die Mehrung meines Reichtums gedacht. Wäre alles mein eigen gewesen, was der Himmel bedeckte, dennoch hätte ich nicht genug gehabt.’ Als er diese Antwort vernahm, erschrak er heftig: die Knie fingen an ihm zu zittern und er mußte sich niedersetzen. Da klopfte es abermals an, aber es klopfte an die Türe seiner Stube. Es war sein Nachbar, ein armer Mann, der ein Häufchen Kinder hatte, die er nicht mehr sättigen konnte. ‘Ich weiß,’ dachte der Arme, ‘mein Nachbar ist reich, aber er ist ebenso hart: ich glaube nicht, daß er mir hilft, aber meine Kinder schreien nach Brot, da will ich es wagen.’ Er sprach zu dem Reichen ‘Ihr gebt nicht leicht etwas von dem Eurigen weg, aber ich stehe da wie einer, dem das Wasser bis an den Kopf geht: meine Kinder hungern , leiht mir vier Malter Korn.’ Der Reiche sah ihn lange an, da begann der erste Sonnenstrahl der Milde einen Tropfen von dem Eis der Habsucht abzuschmelzen. ‘Vier Malter will ich dir nicht leihen,’ antwortete er, ‘sondern achte will ich dir schenken, aber eine Bedingung mußt du erfüllen.’ ‘Was soll ich tun?, sprach der Arme. ‘Wenn ich tot bin, sollst du drei Nächte an meinem Grabe wachen.’ Dem Bauer ward bei dem Antrag unheimlich zumut, doch in der Not, in der er sich befand, hätte er alles bewilligt: er sagte also zu und trug das Korn heim.

Es war, als hätte der Reiche vorausgesehen, was geschehen würde, nach drei Tagen fiel er plötzlich tot zur Erde; man wußte nicht recht, wie es zugegangen war, aber niemand trauerte um ihn. Als er bestattet war, fiel dem Armen sein Versprechen ein: gerne wäre er davon entbunden gewesen, aber er dachte ‘er hat sich gegen dich doch mildtätig erwiesen, du hast mit seinem Korn deine hungrigen Kinder gesättigt, und wäre das auch nicht, du hast einmal das Versprechen gegeben und mußt du es halten.’ Bei einbrechender Nacht ging er auf den Kirchhof und setzte sich auf den Grabhügel. Es war alles still, nur der Mond schien über die Grabhügel, und manchmal flog eine Eule vorbei und ließ ihre kläglichen Töne hören. Als die Sonne aufging, begab sich der Arme ungefährdet heim, und ebenso ging die zweite Nacht ruhig vorüber. Den Abend des dritten Tags empfand er eine besondere Angst, es war ihm, als stände noch etwas bevor. Als er hinauskam, erblickte er an der Mauer des Kirchhofs einen Mann, den er noch nie gesehen hatte. Er war nicht mehr jung, hatte Narben im Gesicht, und seine Augen blickten scharf und feurig umher. Er war ganz von einem alten Mantel bedeckt, und nur große Reiterstiefeln waren sichtbar. ‘Was sucht Ihr hier?’ redete ihn der Bauer an, ‘gruselt Euch nicht auf dem einsamen Kirchhof?, ‘Ich suche nichts,’ antwortete er, ‘aber ich fürchte auch nichts. Ich bin wie der Junge, der ausging, das Gruseln zu lernen, und sich vergeblich bemühte, der aber bekam die Königstochter zur Frau und mit ihr große Reichtümer, und ich bin immer arm geblieben. Ich bin nichts als ein abgedankter Soldat und will hier die Nacht zubringen, weil ich sonst kein Obdach habe.’ ‘Wenn Ihr keine Furcht habt,’ sprach der Bauer, ‘so bleibt bei mir und helft mir dort den Grabhügel bewachen.’ ‘Wacht halten ist Sache des Soldaten,’ antwortete er, ‘was uns hier begegnet, Gutes oder Böses, das wollen wir gemeinsc haftlich tragen.’ Der Bauer schlug ein, und sie setzten sich zusammen auf das Grab.

Alles blieb still bis Mitternacht, da ertönte auf einmal ein schneidendes Pfeifen in der Luft, und die beiden Wächter erblickten den Bösen, der leibhaftig vor ihnen stand. ‘Fort, ihr Halunken,’ rief er ihnen zu, ‘der in dem Grab liegt, ist mein: ich will ihn holen, und wo ihr nicht weggeht, dreh ich euch die Hälse um.’ ‘Herr mit der roten Feder,’ sprach der Soldat, ‘Ihr seid mein Hauptmann nicht, ich brauch Euch nicht zu gehorchen, und das Fürchten hab ich noch nicht gelernt. Geht Eurer Wege, wir bleiben hier sitzen.’ Der Teufel dachte ‘mit Gold fängst du die zwei Haderlumpen am besten,’ zog gelindere Saiten auf und fragte ganz zutraulich, ob sie nicht einen Beutel mit Gold annehmen und damit heimgehen wollten. ‘Das läßt sich hören,’ antwortete der Soldat, ‘aber mit einem Beutel voll Gold ist uns nicht gedient: wenn Ihr so viel Gold geben wollt, als da in einen von meinen Stiefeln geht, so wollen wir Euch das Feld räumen und abziehen.’ ‘So viel habe ich nicht bei mir,’ sagte der Teufel, ‘aber ich will es holen: in der benachbarten Stadt wohnt ein Wechsler, der mein guter Freund ist, der streckt mir gerne so viel vor.’ Als der Teufel verschwunden war, zog der Soldat seinen linken Stiefel aus und sprach ‘dem Kohlenbrenner wollen wir schon eine Nase drehen: gebt mir nur Euer Messer, Gevatter.’ Er schnitt von dem Stiefel die Sohle ab und stellte ihn neben den Hügel in das hohe Gras an den Rand einer halb überwachsenen Grube. ‘So ist alles gut’ sprach er, ‘nun kann der Schornsteinfeger kommen.’

Beide setzten sich und warteten, es dauerte nicht lange, so kam der Teufel und hatte ein Säckchen Gold in der Hand. ‘Schüttet es nur hinein,’ sprach der Soldat und hob den Stiefel ein wenig in die Höhe, ‘das wird aber nicht genug sein.’ Der Schwarze leerte das Säckchen, das Gold fiel durch und der Stiefel blieb leer. ‘Dummer Teufel,’ rief der Soldat, ‘es schickt nicht: habe ich es nicht gleich gesagt? kehrt nur wieder um und holt mehr.’ Der Teufel schüttelte den Kopf, ging und kam nach einer Stunde mit einem viel größeren Sack unter dem Arm. ‘Nur eingefüllt,’ rief der Soldat, ‘aber ich zweifle, daß der Stiefel voll wird.’ Das Gold klingelte, als es hinabfiel, und der Stiefel blieb leer. Der Teufel blickte mit seinen glühenden Augen selbst hinein und überzeugte sich von der Wahrheit. ‘Ihr habt unverschämt starke Waden,’ rief er und verzog den Mund. ‘Meint Ihr,’ erwiderte der Soldat, ‘ich hätte einen Pferdefuß wie Ihr? seit wann seid Ihr so knauserig? macht, daß Ihr mehr Gold herbeischafft, sonst wird aus unserm Handel nichts.’ Der Unhold trollte sich abermals fort. Diesmal blieb er länger aus, und als er endlich erschien, keuchte er unter der Last eines Sackes, der auf seiner Schulter lag. Er schüttete ihn in den Stiefel, der sich aber so wenig füllte als vorher. Er ward wütend und wollte dem Soldat den Stiefel aus der Hand reißen, aber in dem Augenblick drang der erste Strahl der aufgehenden Sonne am Himmel herauf, und der böse Geist entfloh mit lautem Geschrei. Die arme Seele war gerettet.

Der Bauer wollte das Gold teilen, aber der Soldat sprach ‘gib den Armen, was mir zufällt: ich ziehe zu dir in deine Hütte, und wir wollen mit dem übrigen in Ruhe und Frieden zusammen leben, solange es Gott gefällt.’

ENDE


Die Märchen der Brüder Grimm

fleursdumal.nl magazine

More in: Grimm, Andersen e.o.: Fables, Fairy Tales & Stories, Grimm, Jacob & Wilhelm

Jan Gielkens: De lintopdracht. Bijzondere opdrachten van Leo Vroman

Jan Gielkens

De lintopdracht

Bijzondere opdrachten van Leo Vroman

Leo Vroman wordt op 10 april 2010 vijfennegentig. Ik ontmoette hem één keer, in 1981 tijdens Poetry International in Rotterdam, waar hij als deelnemende dichter ook meewerkte aan het jaarlijkse vertaalproject. Dat was dat jaar gewijd aan de (Oost-)Duitse dichter en vertaler Erich Arendt (1903-1984), die voor het festivalprogramma werd vertaald door Ton Naaijkens en mij. Ik kocht een net verschenen derde druk van Vromans bundel Uit slaapwandelen en liet die signeren. Vroman maakte van de L van zijn voornaam een zelfportretje en tekende ook de Willemsbrug, die datzelfde jaar een nieuwe gedaante kreeg. Poetry International stond in 1981 in het teken van deze brug.

Onlangs vond ik in een nalatenschap nog een exemplaar van Uit slaapwandelen, en wel de eerste druk uit 1957. Ook in deze bundel schreef Vroman, namelijk op de Franse titelpagina het woord ‘hartelijke’. Omdat ik al had gehoord dat er opdrachtexemplaren van Vroman in de nagelaten bibliotheek van de voormalige Querido-medewerker Klaas Eksteen zaten ging ik op zoek naar andere bundels, en inderdaad leverde wat zoekwerk nog vijf boeken op, allemaal eerste drukken, allemaal door Querido uitgegeven en allemaal met Vroman-sporen. In een eerste druk van Twee gedichten uit 1961 staat het woord ‘voor’, in Gedichten. Vroegere en latere uit 1949 staat ‘Klaas’, in Poems in English uit 1953 staat ‘Eksteen,’, in De ontvachting en andere gedichten uit 1960 staat ‘met’, in Uit slaapwandelen dus ‘hartelijke’ en in Tineke. De adem van Mars. Snippers van Leo Vroman. Proza uit 1960 ‘dank / Leo’.

Naast elkaar gelegd levert dit een leuke opdracht op, waarschijnlijk een geschenk bij het afscheid van Eksteen. Er zitten namelijk wel meer opdrachten in de nalatenschap die ter gelegenheid van een afscheid zijn geschreven. Zou de opdracht compleet zijn?

Ongetwijfeld komt dit soort opdrachten vaker voor. Maar hebben ze eigenlijk een naam?

Jan Gielkens over bibliofiele vondsten en typografische bijzonderheden

Eerder gepubliceerd op: www.teksteditie.org

kempis poetry magazine

More in: Jan Gielkens, Vroman, Leo

François Coppee: Chanson d’exil

poetry400

François Coppee

(1842 – 1908)

Chanson d’exil

Triste exilé, qu’il te souvienne
Combien l’avenir était beau,
Quand sa main tremblait dans la tienne
Comme un oiseau,

Et combien ton âme était pleine
D’une bonne et douce chaleur,
Quand tu respirais son haleine
Comme une fleur !

Mais elle est loin, la chère idole,
Et tout s’assombrit de nouveau ;
Tu sais qu’un souvenir s’envole
Comme un oiseau ;

Déjà l’aile du doute plane
Sur ton âme où naît la douleur ;
Et tu sais qu’un amour se fane
Comme une fleur.

Francois Coppee poetry

kempis poetry magazine

More in: Archive C-D

Isaäc da Costa: Des Dichters Lotbestemming

Isaäc da Costa

(1798-1860)

 

Voorspraak Bij de Voorlezing van het Dichtstuk

„Des Dichters Lotbestemming."

Wat vergt ge my, dat ik hier zingen zal?
Dat ik voor u de dichtlier zal bespelen?
Bedriegt ge u niet? Heb ik dien hemelval,
die eeniglijk uw kiesch gehoor kan streelen?
Heb ik dien toon, dien onweêrstaanbren toon,
die innig roert en zielen weg kan slepen?
Zal zich die lier, een meesterhand gewoon,
niet weigeren aan mijn onvaste grepen?
En moet dees zaal, waar Hollands dichterenrij
zoo menigmaal de harten wist te buigen
door ‘t zoet geweld der schoonste melody,
mijn flaauwen galm, mijn machtloosheid getuigen? —
Gy wilt nachthans? Welaan! ‘k weêrsta u niet!
Ik weet, gy zult mijn poging heusch onthalen,
en vordren niet van ‘t ruwe jonglingslied
den tooverklank van uwe nachtegalen!
Maar ook den toon der schaterende vreugd
moet ge in mijn zang, mijn hoorders, niet verwachten.
Schoon in den bloei der pas ontloken jeugd,
stort hier mijn hart slechts weemoed uit en klachten!
Verwondert gy u?… Ach! dichtkunst is gevoel;
des is ze niet de dartling van ‘t genoegen,
des blijft haar toon voor ijdel juichen koel,
en weet zich nit by ‘t volksgeschreeuw te voegen!
En of het bloed nog frisch door de aaders vloeit,
of de ouderdom zijn sneeuw strooit op de haren,
wat dichter is, wordt van één vlam doorgloeid,
en deelt één zucht, één zelfde zielsbezwaren. –
Maar waar van daan in ‘t dichterlijk gebied
die somberheid, die wondre hartbeklemming?
Die vraag, wellicht! beantwoordt u mijn lied;
ik zing u hier:

Des Dichters Lotbestemming!

 

Des Dichters Lotbestemming

Vulnus alit venis et caeco carpitur igni (Virgilius)

   Wie zijt ge, gunsteling des hemels, aan wiens oog
geheel een wereld hangt, als de invloed van omhoog
in menschelijke aderen dat hemelsch vuur doet vloeien,
waarvan uw adem brandt, waarvan uw tonen gloeien!
wiens enkel stemgeluid met onbeperkter kracht
zich uitbreidt, dan ’t geweld der waapnen, dan de macht
der scherpste dwinglandy! Want gy regeert op zielen,
en wat een hart bezit, moet voor uw almacht knielen!
Wie zijt ge, o dichter! mensch of Engel? Engel wis!
indien der Englen taal der Englen kenmerk is!
Of mensch? O dan voor ’t minst gelukkigste der menschen!
begaafd met hooger heil, dan ’t doel zelfs van hun wenschen,
als zy den glans van roem, van aanzien, rang en goud
afsmeeken van het Lot, en zich hun mond verstout
aan de Alvoorzienigheid de wegen af te perken,
waar langs zich ’t levensheil zijns schepsels moet bewerken!
Neen! Dichter! Neen, gy deelt in hun verblindheid niet!
Dier driften heerschappij is vreemd aan uw gebied!
Te vreê met in uw borst der Godheid aâm te ontfangen,
en dien met heel uw ziel te storten in uw zangen,
kent gy noch hooger gloed, noch d’ aanval van de smart,
en ’t heil der wereld woont in uw gelouterd hart!

   Het heil der wereld? Ja! In die volzaalge stonden
(Te vluchtig), wen de geest als van het stof ontbonden
weêr naar zijn oorsprong trekt, en ’t wereldsche gewoel
van om hem heen verdwijnt en plaats maakt voor ’t gevoel,
wiens zaligend geweld hem wegsleept; idealen
van schoon- en waarheid uit de hemelkringen dalen,
de aloudheid zich herschept, de toekomst zich onthult!
O heilig dan de vlam, die ’dichters hart vervult,
en voor een oogwenk, ja! de weelde leent der Engelen,
als ze in den aanschijn Gods hun lofgezangen mengelen!
O! voor het hemelsch licht, dat deze vlam verspreidt,
vervliegt de duisternis van drieste onwetendheid,
en bleekt de scheemring weg van ingebeelde kennis,
waar de afgevallen mensch zich meê tot heiligschennis
en eigen jammer heeft gewapend. Dichter, gy
geniet dien heilstaat reeds, door ’t woord der profecy
aan ’t menschdom eens beloofd, wanneer de nietigheden
der aarde voor ’t genot van ’t ons herwonnen Eden
bezwijken zullen, en voor blinden eigenwaan
het wezenlijk geluk by ’t menschdom zal bestaan!

   Maar ach! Niet altoos blaakt die toovervlam in ’t harte!
Ook gy, o dichter! werdt voor de aardsche levenssmarte!
Door ’t lichaam zijt ge meê aan ’t doode stof verwant,
en tegen d’ invloed van een God in ’t niet bestand!
Voor dierlijk zijn gevormd zou ’t in dien gloed verteeren,
of ’t grove lichaam moest in ’t fijnste weefsel keeren!

   Zoo breekt die droom dan af (die waarheid eens zal zijn!)
wiens weldaad, machtiger dan ziel- en lichaampijn,
u inwijdt in ’t besef van leven. Ach! te spoedig
ontglipt hy u, en gy, verlaatne, die zoo moedig
de ziel verheffen dorst tot heemlenheilgenot,
gy zinkt weêr in ons niet, gy deelt weêr in ons lot……
Helaas! des werelds heil omvat uw hart niet langer!
Maar meerder nog! dat hart, van andre zuchten zwanger
dan de aarde kan voldoen, en aan zich-zelf bewust
van hooger vatbaarheên, en van verheevner lust,
vernoegt zich met geen praal van grootheid, met geen logen
der zinnen. Hemelsch heil zweeft voor uw sterflijke oogen,
verbeelding stookt de vlam van uw verlangen aan
en de aard heeft niets meer dat voldoening schenkt, ’t bestaan
geen oogenblik genot, dan slechts de zielvervoering
der Dichtkunst, de eigen bron dier steeds vernieuwde ontroering!

   O treurig strafverblijf van Adam en zijn bloed,
dat nog voor ’t eerst vergrijp van d’ eersten vader boet!
Toneel van gruwelen, van onrecht, leed en plagen!
hoe kwelt gy ’s dichters geest! Hoe diep is hy verslagen
by ’t jammerlijk gezicht der strenge wraak van God!
Zijn oogen schreien bloed by ’t diep vervallen lot
van Edens ballingen. Ach! waar hy de oogen wende,
wat ziet hy, dan het merk van misdaad en ellende?
Waar bleef dat wezen, naar zijns Scheppers evenbeeld
geschapen, dat den rang der Geesten heeft gedeeld?
Wien ’t alles hulde bracht als Opperheer der aarde?
Die Engelenvernuft aan kindrenonschuld paarde?
Waar bleef dat hemelsch schoon van lichaam beide en ziel?
Waar bleef hun kracht? Hun glans — Helaas! dat wezen viel!
’t Vergat zijn God, zich-zelf, zijn vroeger heil en grootheid,
en ’t menschelijk harte werd het heiligdom der snoodheid,
het menschlijk lichaam tot der wormen aas bestemd!
Sints heeft een ijzren doem des geestes vlucht gestremd,
als hy naar hooger tracht dan de aardsche schijnvermaken!
Hy blijft, gevallen eens, zijn afkomst steeds verzaken!……
En gy, o dichter! zoudt niet treuren? Gy, wiens oog
nog soms doordringen mat wat zegens van omhoog
op ’t nog onschuldig hoofd des menschdoms moesten dalen,
die thands niet anders zijn dan blinkende idealen!
Neen! ’t treuren past u, en de toon der droefnis
’t eenig troostgevoel by zulk een wreed gemis!

   Zoo is die boezem dan, zoo fijn-, zoo diepgevoelig,
steeds somber en bedrukt, steeds onbestemd en woelig
in ’t rustloos haken naar een meer dan aardsch genot!
Ach, onverschulligheid is vreemd aan ’s dichters lot!
Als ’t needrig beekjen niet, wiens golfjens zachtkens klotsen,
maar als de woeste stroom, die neêrschuimt van de rotsen,
zoo vloeit een eedle drift zijn kokende aders door,
het zij de plicht hem roept, om lijdende onschuld voor
te strijden, en ’t geweld van onrecht en verdrukking
manhaftig weêr te biên; ’t zij teedrer zielsverrukking
zijn hart vermeesterd heeft, en hy zich-zelf verliest
in de aangebeden vrouw, die hem de liefde kiest!
De liefde?…… Zoo bestaat er heil nog voor den dichter?
Aanminnig, machtig kind, om eêlste welluststichter,
wien de oudheid Venus gaf tot moeder! was zijn borst
ooit voor uw invloed koel? Of kon de heete dorst,
verwerkt door uw kwetsuur, ooit boezems meer verschroeien,
dan waar uw tooverschicht poëeten deed ontgloeien!
Strooi gy dan rozen op zijn doornig levenspad!
Wat ooit dit dorre stof nog hemelsch in zich had,
dankt u het menschdom! u verheffen ’s dichters tonen!
U golft zijn wierook toe! Gy kunt die hulde loonen!
Om u versmaadde hy een halven leeftijd smart,
en op uw gunst alleen hoopt zijn gefolterd hart!

   Maar ook uwe ongenâ heeft hy te vaak te duchten!
O! vlijmend is uw schicht, wanneer de vuurge zuchten
der min verwaaien, en een lot, ondraaglijk wreed,
ons hart van ’t voorwerp scheurt, waar voor ’t zich-zelf vergeet.
Wat kweelt gy, Puikpoëet, die door Vaucluses dreven
uw nagedachtnis door de eeuwen heen ziet leven?
Wat kweelt ge, als ’t vogeltjen dat om een gade schreit,
en stort uw roerend lied met sombere achtloosheid?
Slachtoffer van een min, zoo rein, zoo zielverheffend!
Wie deelt niet in uw smart, meer dan uw kunst nog, treffend?
Ach! de aangebedene mag nimmer de uwe zijn!
Het leven heeft gedaan, voor u, Petrarca! kwijn
in smeltend klagen weg, tot u de dood verrasse! —
Thands stort Euroop een traan van deernis op uw assche!
En nog beklagen we u, na zulk een tijdsverloop,
u, minnaar, steeds zoo trouw, en minnar zonder hoop!

   Itaalje, bakermat en voedstrares van kunsten,
wie ’t zangodinnendom steeds overlaadt met gunsten!
Itaalje, waar natuur zich met de kunst verbond,
om hemelschoon op de aard te scheppen, om uw grond
te kweken tot een hof van ziels- en lichaamsweelde
Ook Tassoos wieg droegt gy! Ook Tassoos Zangnimf speelde
het ridderlijke lied op Italjaansche maat!
Maar ook zijn vroegen dood getuigt gy! Hy vergaat,
het offer meê der min. Een doodlijke smarte
stolt zang- en mindrift beide in ’t hopelooze harte!
Gy, wie zijn taal en toon door merg en zenuw dringt,
het zij zijn fiere stem van oorlogsglorie zingt
’t zij liefde en tederheid zijn dichtpenseel bestieren!
O siert zijn tombe niet met bloeiende laurieren,
(de lauwer groeit van zelf by ’s dichters overschot!)
maar plant er wilg en myrt! — Of kent gy niet het lot,
wiens wreedheid in het eind den draad brak van zijn leven,
zoo hoort my! maar (’k voorzie ’t) gy zult voor d’ invloed beven
van ’t dichterlijk gevoel op d’aardschen levenstocht!

   Sints Tasso voor het eerst Ferrares hof bezocht,
ontsprong de bron der ramp, aan ’t teedre hart beschoren!
Uit adelouden stam en deugdzaam bloed gehoren,
en wijd en zijd befaamd door dichterlijken lof
en schitterend vernuft, ontfing hem ’t vorstlijk hof
met d’ eerbied die een eeuw van ware geestbeschaafdheid
aan d’ invloed toedraagt van die hemelsch begaafdheid.
Maar ach! in Tassoos oog had hoffelijke praal
geen waarde; noch de gunst van ’t vorstelijk onthaal,
noch ’t juichen van een volk, dat in den heldendichter
Homerus volgling, en Itaaljes gloriestichter
aanschouwt. Één voorwerp slechts in Tassoos aanblik waard!
Één voorwerp, dat alléén al ’t schoon vereênt der aard!
’t Is ‘s Vorsten zuster zelf, Lenora, in wier oogen
de zetel is geplaatst van Liefdes alvermogen,
en met de majesteit van ’t koninklijke bloed
de zacht- en teêrheid spreekt van ’t engelrein gemoed!
Hy ziet haar, en bemint! Het lot van heel zijn leven
bestemdt zich! hoop en rust moet eeuwig opgegeven!
Wat doet ge, Dichter! en wat dolheid gaat u aan?
Hoe durft ge op uw vorstin een blik van liefde slaan?
Hoe durft ge?…… Ach! kent de min den invloed van de rede?
Zy streelt niet, maar gebiedt, en sleept, en rukt u mede!
En gy, gy lijdt en kwijnt in radelooze smart!
Maar kropt de kwelling in van ’t fel getergde hart!
Slechts de Echo van het woud, gewoon aan minneklachten,
die voor een oogenblik de storm der drift verzachten,
getuigt uw wanhoop soms, terwijl ze met u treurt.
Maar welk een boezem ooit, van minnewee verscheurd,
kon voor ’t geoefend oog de diepe wond bedekken?
Ach! alles kenmerkt haar! De stem, de ontstelde trekken
vqan ’t beurtlings blozende en verbleekende gelaat
by ’t naderen van haar, voor wie ons harte slaat!
’t Noodlottige geheim ontvalt de smeltende oogen
in tranen, vruchteloos weêrhouden! Al uw pogen
is ijdel! ’t Werd bekend wat Tasso zich vermat,
hoe hy van liefde gloeide en Leonore aanbad!
Nu moet des noodlots schuld op ’s dichters hoofd gewroken!
De vorstelijke trots, in fellen toorn ontstoken,
verbant hem van zijn hof. Eens kerkers aakligheid
is ’t heiltoon, dat de Min haar Dichter heeft bereid!
Daar ligt hy nu, en zwoegt de dagen en de nachten,
in sombre wanhoop door, en stort onvruchtbre klachten,
en roept den dood te hulp, die naar geen klachten hoort!
Of als dan de overmaat der smart de smart versmoort,
en zich de dichtgeest weêr een oogwenk lucht kan geven,
dan meldt zijn doffe zang de plagen van zijn leven!
Tan in ’t aandoenlijk beeld van droevigen Tancreed
of teedre Ermina schetst hy zijn eigen leed,
en smaakt een bittre vreugd hun onheil te betreuren
en ’t zijne, en telkens zelf zijn wonden op te scheuren.

   Zo leefde Tasso, zoo vervulde zich zijn lot
als dichter, tot de hand van d’ éénig wijzen God
hem tot zich riep in ’t end, en uit de nietigheden
en foltringen der aard het leven in deed treden!

   Gevoelige poëet, dus vindt ge in d’ eigen gloed
’t vermogen van de kunst en de onrust van ’t gemoed!
En ’t menschdom, dat uw vlucht meê opvoert tot de wolken
biedt u by zoo veel leed geen troost? Geheele volken
verheffen niet uw naam, en galmen niet den lof
van ’s hemels keurling uit, wiens toon hen zaligt? Of
bestrooien niet het pad, waar langs hy heen zal treden,
met feestelijk gebloemt? O neen! de grilligheden
van algeweldnaars toe te juichen, als hun vuist
voor eigen glans en roem der volken hoop vergruist —
en om de zegekar te dringen van die helden,
zoo lang de onzeekre krans der bloedige oorlogsvelden
hun woeste heerschzucht dient: zie daar des menschdoms smaak!
Wat is hun, of uw hart van ’s hemels invloed blaak’?
Wat weten zy van deugd- en echte kunstwaardeeren?
De Dichtkunst werd niet voor hun ijdlen lof! Homeeren
verrijzen er vergaan, vergeten! of verdrukt,
wanneer hun moedig hoof voor willekeur niet bukt!

    Maar wat is de ongenâ van lot en menschdom tevens,
voor u, wiens hoop begint aan ’t eindperk eerst uws levens?
Hiermeê staat gy geweld en smaad en onrecht door!
Hiermeê staat ge onschuld, deugd en ’t recht der Waarheid voor,
en gadert langs uw baan der vrucht der levenswijsheid,
en deelt die met de jeugd in ’t kalm saisoen der grijsheid,
en zoekt naar wetenschap tot aan den rand van ’t graf,
en draagt, het oog op God, wat God te dragen gaf,
tot de Engel van den dood u ’t wrakke lijf moet slopen!
En dan — triumf in ’t end! De hemel staat u open!

   Jongling, waar van daan dat treuren in uw schoonsten levenstijd?
Waar van daan dat heimlijk zuchtjen, dat uw weeke borst ontglijdt?
Waan van daan dat glinstrend traantjen, dat uw kwijnend oog besproeit?
en dat onbestemd verlangen, dat u op de wangen gloeit?
Voor de schatten van de wereld, voor haar kroonen zijt ge koel,
en de zucht die u vermeestert heeft gewis een ander doel!
Ja! gy haakt naar hooger wellust! naar het hoogste heil der aard!
meer dan schatten, meer dan kroonen, meer dan ’t leven zelve waard
Ja! gy zoekt de lieve gade, die dat leven deelen moet,
en uw borst kweekt geen verlangen, dan naar dit geheiligd goed!
In den droom reikt gy haar de armen, en zy stort zich aan uw hart!
maar ge ontwaakt, en mist haar weder, en verdort op nieuw in smart!
Doch de macht die ’t harte dorst gaf, geeft ook laafnis voor dien dorst!
en dien trek naar min- en echtheil plantte God-zelf in uw borst!
Eens dan zal de dag ontluiken, die zijn heilig doel vervult,
als ge (niet in droomen langer) haar in de armen knellen zult,
die met de eigen zielsvervoering uwe liefde heeft verbeid;
en gy zult met al de volheid van genot en dankbaarheid
zelfs die stonden weldaad reeknen, toen u, wars van aardsche lust,
’t leven onverdraaglijk toescheen, van uw toekomst onbewust!

   O! zoo is de trek naar hooger, die in ’t dichters boezem brandt,
waarborg van een beter leven in een beter Vaderland!
Ballingen zijn wy op ’t aardrijk, en de dichter doet geen stap,
die hem niet de straf herinnert van die bittre ballingschap!
Daar van daan die zweem van droefheid, die zijn maatgezang doorzweeft,
daar van daan die rusteloosheid, die ons geen genoegens geeft!
God-zelf schiep hem dat verlangen naar een dierbrer heil dan de aard:
dierbrer heil dan dat der wereld heeft zijn goedheid hem bespaard!
Daar, waar ’t koor der Serafijnen zijn éénstemmig Hallel zingt,
waar het heir der Uitverkoornen om den troon der Godheid kringt,
dáár eerst is het rijk der Dichtkunst, derwaarts richt zich onze vlucht!
dáár is Schoonheid, dáár is Waarheid, dáár voldoet zich onze zucht!

 

Isaäc da Costa gedicht

kempis poetry magazine 

More in: Archive C-D

Alfred Lord Tennyson: All things will die

Alfred Lord Tennyson

(1809-1892)

 

All things will die

 

Clearly the blue river chimes in its flowing

Under my eye;

Warmly and broadly the south winds are blowing

Over the sky.

One after another the white clouds are fleeting;

Every heart this May morning in joyance is beating

Full merrily;

Yet all things must die.

The stream will cease to flow;

The wind will cease to blow;

The clouds will cease to fleet;

The heart will cease to beat;

For all things must die.

 

All things must die.

Spring will come never more.

Oh! vanity!

Death waits at the door.

See! our friends are all forsaking

The wine and the merrymaking.

We are called–we must go.

Laid low, very low,

In the dark we must lie.

The merry glees are still;

The voice of the bird

Shall no more be heard,

Nor the wind on the hill.

Oh! misery!

Hark! death is calling

While I speak to ye,

The jaw is falling,

The red cheek paling,

The strong limbs failing;

Ice with the warm blood mixing;

The eyeballs fixing.

Nine times goes the passing bell:

Ye merry souls, farewell.

The old earth

Had a birth,

As all men know,

Long ago.

And the old earth must die.

So let the warm winds range,

And the blue wave beat the shore;

For even and morn

Ye will never see

Through eternity.

All things were born.

Ye will come never more,

For all things must die.

 

Alfred Lord Tennyson poetry

kempis poetry magazine

More in: Tennyson, Alfred Lord

P.A. de Génestet: Morgen is de dichter jarig. Een lied aan Mr. J. Van Lennep

Petrus Augustus de Génestet

(1829–1861)

 

MORGEN IS MIJN DICHTER JARIG

Een lied aan Mr. J. Van Lennep, in den nacht van 24. Maart 1846

 

Zoet en zalig is de stilte

van het eenzaam nachtljk uur.

Zij ’t ook niet in ’t groen priëeltje,

in het midden der natuur,

Bij een beekje, met een zefir

romanesken maneschijn:

Ook bij lamplicht en sigaren –

mag zoo’n uurtje zalig zijn.

’t Is een kostljk, dierbaar tijdstip

voor de zoete mijmerj

Laat, o laat mij dan genieten

eenzaam, ongestoord en blij!

U slechts wil ’k toegevend hooren,

mijn welluidend klokgetik,

U slechts, o mijn smeulend houtje,

vuurtje in uw stervenssnik!

Laat o laat mij nu genieten,

mijmren eenzaam en alleen!

Alles zwijg, niemand stoor mij….

maar wie durft hier binnentreên?

Zeg, hoe drommel! kan ’t geschieden?

’k Sloot de deur zorgvuldig dicht –

Wié, wie staat mij daar voor de oogen?

Is ’t een hemelsch droomgezicht ?.

 

Wie, wie zijt ge, die mij nadert,

in uw slepend, vorstlijk kleed?

Naam en faam van twee paar eeuwen,

die mijn stil vertrek betreedt !

„Morgen is mijn dichter jarig,

morgen viert hij vroolijk feest”….

Zoo, zoo juicht Gravin Jacoba –

(’k doe ’t niet minder!)of haar geest,

„O, voor hem, die in mijn lijden

mij zoo treffend heeft bespied,

„Die zoo teeder mij deed zingen –

zing voor hem uw schoonste lied!

„Zie, o zie mijn bleeke wangen,

door de droefheid eens verscheurd,

„Op het hooren van die blijmaar –

met een vreugdeblos gekleurd.

„Morgen is mijn Dichter jarig,

o strooi bloemen voor zijn schreên,

„Zooveel, als ik distlen oogstte,

tranen stortte hier beneên.

„Bied hem wenschen en gezangen,

bied hem de eëlste dichterkroon

„Als mijn diadeem noodlottig,

zij die lauwer grootsch en schoon.”

 

„Morgen is mijn Dichter jarig,

morgen viert hij vroolijk feest,

„Wil hem dus een liedje zingen

vol van schranderheid en geest;

„Morgen is mijn Dichter jarig” –

juicht een zoete meisjesstem –

„Ferdinand…. die maakt geen verzen,

’k vroeg het anders vast aan hem…

„En mijn Helding is ad patres,”

(dat ’s een woord vân d’ ouden Huyck),

„Morgen is mijn Dichter jarig,

maak toch van dat feest gebruik!

„Breng hem Henriëtte’s wenschen

in uw blijden zegengroet!

„Wie zoo schoon de ziel kon schetsen,

voegt de dank van ’t rein gemoed;

„Bied hem losse, dartle zangen,

Want voorzeker Tante Let

„Zal hem christelijk gedenken

in een zalvend, mooi gebed!

„Morgen, morgen is hij jarig- –

„Morgen rijst mijn vreugd in top!”

Zoo, zoo vangt een andre stem weer

die verheugde tonen op,

„Deel ook van de blonde Madzy

hem de trouwe zegenbeê,

„Bij het ruischen der akkoorden,

in uw zoetste zangen mee!

„Dat hij steeds die vreugd geniete,

die weleer zijn Reinout zag,

„Toen hij eindelijk, zwervensmoede,

tot ons kwam, na jaar en dag,

„En een hemel vond op aarde,

door mijns Dichters hand gemaaid,

„Deodaat, niet waar, den hemel

tot ons beiden neergedaald?” –

„Ja den hemel, o mijn Madzy,

Edens vreugde rein en klaar,

„Zooveel heil voor onzen Dichter,

meer nog, zoo het moogljk waar!” –

 

„Morgen is mijn Dichter jarig,”

bromt het nu weer, uit dien hoek,

Mij ontsteld op nieuw in de ooren,

met een Oud-Bataafschen vloek;

„Zing hem duchtig schoone verzen,

breng hem, als mijn tolk en boô,

„Dank, oprechten dank en hulde

van zijn ouden Brinio!

„Zeg, ja zeg hem dat mijn boezem

steeds aan hem blijft toegewijd,

„Die mijn naam eens riep in ’t leven

en deed leven voor altijd.’

„’k Zweer, ik zal den Gids vertrappen

met zijn heele santekraam,

„Durft hij nog één haatlijk vlekje

werpen op zijn dichternaam;

„’k Zal hem met één slag verplettren,

want mijn vuist is aanstonds klaar,

„Als weleer eens voor de slaven

van dien laffen dobbelaar!

„Morgen is mijn Dichter jarig,

nu is ’t zingen meer dan plicht,

„Trilt, o forschgespannen snaren,

dreun, vermetel lofgedicht,

„Zing hem krachtig schoone verzen!….-

 

„Neen, de zoetste harmonie,

„Neen de weelderigste akkoorden

en de rijkste poëzie!

„Zing hem, op de wiek der ode,

zing hem een verheven lied,

„Dat ge, uit naam der Lesbiaansche,

mijn verkoren Dichter biedt.

„Morgen is mijn Dichter jarig! –

Van het Elyzeesche veld

„Kom ik, bij die schoone bljmaar,

herwaart juichende aangesneld;

„O, ik ben de smart vergeten

van mijn onverhoorde min;

„Dankbre vreugd nam heel de ruimte

van mijn wreeden hartstocht in,

„Want hij heeft ook mij gezongen !….

 

„En mij ook! gelooft gij ’t niet?

„Groetenis aan Oom Van Lennep,

nogmaals dank voor ’t geestig lied!

„Morgen is mijn Dichter jarig,

neurie ik op eigen wijs,

„Wijn en Min zijn lang vergeten,

waar ik zulk een Oome prijs!”

Zoo juicht hofnar Ploor mij tegen,

met een dwaas vertrokken mond,

Lustig, met zijn zotskap bellend,

huppelt hij mijn cel in ’t rond.

 

„Morgen is mijn Dichter jarig,

zing hem toch een bljden zang:

„’k Zing Van Lennep! ’k zing Van Lennep,

Lennep al mijn leven lang!

„Steek je duimen in je vestzak,

trek een mond zoo scheef als ooit,

„Breng hem dan een geestig liedje,

dat bij elk een lachje plooit.

„’k Zing Van Lennep, ’k zing Van Lennep,

en ’k vergeet èn Wijn èn Min

„Morgen, morgen is hij jarig,

kweel hem deuntjes, los van zin!” –

„Maak dan ook voor mij een versje ?”

smeekt op kinderljken toon,

Aan de hand van Catherijne,

blonde Willem, Gulicks zoon.

„Morgen is mijn Dichter jarig,

wat ik hem wel geven zou?

„Och, mijn heele muts kapellen,

als hij die maar hebben wou!” –

„Morgen is mijn Dichter jarig….”

Hoor, zoo galmt nu ’t woest geluid,

In een zaal, die voor mijn oogen,

zich (maar ’k weet niet hoe?) ontsluit;

Volgepropt, als de Arke Noachs,

rijk aan menig dwaas kontrast,

Door elkander heen krioelend,

opgeladen, opgetast,

Saffo staat er vlak naast Floorneef,

Brinio naast tante Let,

Gelder bij zijn jeugdig bruidje

half te gapen van de pret.

Henriët, Jacoba, Madzy

staan er enkel juist bijéén,

Als de trits der schoone zusters,

heilige Bevalligheên!

’k Ving daar even onder ’t woelen

menig toontjen uit haar mond,

Waar ik „Bouwkunst” en „Idyllen”

en „Legenden” uit verstond….

Nu schijnt alles rond te zwieren

en te draaien voor mijn oog:

„Morgen is mijn Dichter jarig t”

galmt het schaatrend naar omhoog;

Ieder, dien hij heeft gezongen,

zingt met opgewonden geest:

„Morgen, morgen is hij jarig,

morgen viert hij vroolijk feest

„Bied hem wenschen en gezangen,

breng hem uit ons-aller naam

„Odes, Hymnen”Nog iets meer ook? –

 

O gij dwazen al te zaam!

Ik, ik zou uw Dichter zingen,

die alleen voor ’t denkbeeld schrik….

Hoe! uw uitverkoren Zanger,

Saffo en Jacoba! ik?

Neen, voor Saffo’s eigen luite,

waar ’t een rijke zingensstof

In Jakoba’s eigen tranen

vond haar Dichter slechts zijn lof!

In het hemelzacht ontgloeien

van een reine, schoone ziel,

In den lof van Henriëtte,

die hem straks te beurte viel.

Ik, vermeetle, zou het wagen

hem te zingen, in den naam

Van Vorstin en tiende Muze

Neen, ik buig voor zulk een faam!

Ik, die zelf het luidste jubel

Morgen viert mijn Dichter feest,

Maar geen waardig lied kan vinden

in mijn armen dichtergeest.

Ik, die…. luister, welk een wanklank,

o te ras vervliegend uur!

Weggesmolten al mijn olie,

uitgeblonken al mijn vuur!

 

Slaap en Tijd! ik tart uw woede,

die met zooveel geestdrift spot,

’k Droom nog voor mijn Dichter droomen,

van het zaligst heilgenot. –

Altijd droomendwaze droomen –

of hij iets aan droomen had !….

Juist! maar ’k bied hem al de wenschen

in mijn droomen saamgevat.

 

P.A. de Génestet gedichten

k e m p i s   p o e t r y   m a g a z i n e

More in: Génestet, P.A. de

Franz Kafka: Das nächste Dorf

Das nächste Dorf

Franz Kafka (1883-1924)

Mein Großvater pflegte zu sagen: »Das Leben ist erstaunlich kurz. Jetzt in der Erinnerung drängt es sich mir so zusammen, daß ich zum Beispiel kaum begreife, wie ein junger Mensch sich entschließen kann ins nächste Dorf zu reiten, ohne zu fürchten, daß – von unglücklichen Zufällen ganz abgesehen – schon die Zeit des gewöhnlichen, glücklich ablaufenden Lebens für einen solchen Ritt bei weitem nicht hinreicht.«

Franz Kafka : Ein Landarzt. Kleine Erzählungen (1919)

fleursdumal.nl magazine

More in: Archive K-L, Franz Kafka, Kafka, Franz, Kafka, Franz

Photos & poetry: Ton van Kempen, Autumn 2

Henry Wadsworth Longfellow

(1807-1882) 

Autumn

Thou comest, Autumn, heralded by the rain,
With banners, by great gales incessant fanned,
Brighter than brightest silks of Samarcand,
And stately oxen harnessed to thy wain!
Thou standest, like imperial Charlemagne,
Upon thy bridge of gold; thy royal hand
Outstretched with benedictions o’er the land,
Blessing the farms through all thy vast domain!
Thy shield is the red harvest moon, suspended
So long beneath the heaven’s o’er-hanging eaves;
Thy steps are by the farmer’s prayers attended;
Like flames upon an altar shine the sheaves;
And, following thee, in thy ovation splendid,
Thine almoner, the wind, scatters the golden leaves!

 

Ton van Kempen photos: Autumn 2

H. W. Longfellow poetry

kempis poetry magazine

More in: Longfellow, Henry Wadsworth, Ton van Kempen Photos

« Read more

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature