New

  1. Nieuwe uitgave gedichten Gerrit KOUWENAAR
  2. Yves KLEIN in BOZAR: Theater van de leegte
  3. Niels LANDSTRA: De Voedselbank (slot)
  4. Vincent BERQUEZ: Vera Rich
  5. John LEONARD: In a dream
  6. NOVALIS: Klagen eines Jünglings
  7. Lord BYRON: Italy versus England
  8. Niels LANDSTRA: De Voedselbank (2)
  9. Oscar WILDE: Her Voice
  10. Afanasi FET: Kolkende storm . .
  11. F. Scott FITZGERALD: Rain before dawn
  12. Aleksandr BLOK: Pieter slaapt
  13. Niels LANDSTRA: De Voedselbank (1)
  14. Sibylla SCHWARZ: Ein Christliches Sterblied
  15. Anders RYDELL: De grote boekenroof. Een zoektocht naar Europa’s verdwenen bibliotheken
  16. Museum De Fundatie: BOB DYLAN – Face value
  17. POESIEFESTIVAL BERLIN: Ach, Europa
  18. Marcel BROODTHAERS: Eine Retrospektive
  19. Samuel Taylor COLERIDGE: Love
  20. Fjodor TJOETTSJEV: De twee zusjes
  21. William BLAKE: The Sick Rose
  22. Arthur Conan DOYLE: The Red-headed League
  23. Vincent BERQUEZ: Satie in Paris
  24. John LEONARD poetry: The Enlightenment
  25. OEROL 2017 op Terschelling van 9 t/m 18 juni
  26. Innokenti ANNENSKI: Het afscheid
  27. William WORDSWORTH: I wandered lonely as a cloud
  28. NOVALIS: Zu Sophiens Geburtstag
  29. Bert BEVERS: Niet meer voor zichzelf
  30. Marcel van Ool: MONDRIAAN. Uit de natuur
  31. POETRY INTERNATIONAL 2017 vandaag van start
  32. Emile VERHAEREN: La crypte
  33. Sibylla SCHWARZ: Ach wiltu mich verlassen
  34. Edward LEAR: The Quangle Wangles Hat
  35. Lord BYRON: Darkness
  36. Franz KAFKA: Vom Scheintod
  37. “Het vergif van den nieuwen geest” – DE STIJL literair
  38. Julian Rosefeldt terug op Holland Festival met MANIFESTO
  39. Expositie Sjon BRANDS in de Gemäldegalerie van de Akademie der bildenden Künste in Wenen
  40. Rainer Erich SCHEICHELBAUER: Willem Frederik Hermans als filosoof
  41. D.H. LAWRENCE: Bei Hennef
  42. Samuel Taylor COLERIDGE: Youth And Age a poem
  43. Geschiedenis van een biografie – Over Antony Kok – Door Jef en Hanneke van Kempen
  44. Innokenti ANNENSKI: Mijn ideaal
  45. Oscar WILDE: The Disciple
  46. Johan HARSTAD: Max, Mischa & het Tet-offensief
  47. William BLAKE: The Lamb
  48. Gedicht ‘Theater’ van Jef van KEMPEN vertaald door Bernard ODENDAAL
  49. Wim BRANDS: Verzamelde gedichten
  50. W.W. JACOBS: The Monkey’s Paw

Categories

  1. CINEMA, RADIO & TV
  2. DANCE
  3. DICTIONARY OF IDEAS
  4. EXHIBITION – art, art history, photos, paintings, drawings, sculpture, ready-mades, video, performing arts, collages, gallery, etc.
  5. FICTION & NON-FICTION – books, booklovers, lit. history, biography, essays, translations, short stories, columns, literature: celtic, beat, travesty, war, dada & de stijl, drugs, dead poets
  6. FLEURSDUMAL POETRY LIBRARY – classic, modern, experimental & visual & sound poetry, poetry in translation, city poets, poetry archive, pre-raphaelites, editor's choice, etc.
  7. LITERARY NEWS & EVENTS – art & literature news, in memoriam, festivals, city-poets, writers in Residence
  8. MONTAIGNE
  9. MUSEUM OF LOST CONCEPTS – invisible poetry, conceptual writing, spurensicherung
  10. MUSEUM OF NATURAL HISTORY – department of ravens & crows, birds of prey, riding a zebra
  11. MUSEUM OF PUBLIC PROTEST- photos, texts, videos, street poetry
  12. MUSIC
  13. PRESS & PUBLISHING
  14. REPRESSION OF WRITERS, JOURNALISTS & ARTISTS
  15. STORY ARCHIVE – olv van de veestraat, reading room, tales for fellow citizens
  16. STREET POETRY
  17. THEATRE
  18. TOMBEAU DE LA JEUNESSE – early death: writers, poets & artists who died young
  19. ULTIMATE LIBRARY – danse macabre, ex libris, grimm and others, fairy tales, the art of reading, tales of mystery & imagination, sherlock holmes theatre, erotic poetry, the ideal woman
  20. ·

 

  1. Subscribe to new material:
    RSS     ATOM

Lewis Carroll: A Boat

L e w i s   C a r r o l l

(1832-1898)

 

A BOAT BENEATH A SUNNY SKY

A boat beneath a sunny sky,

Lingering onward dreamily

In an evening of July —

 

Children three that nestle near,

Eager eye and willing ear,

Pleased a simple tale to hear —

 

Long has paled that sunny sky:

Echoes fade and memories die:

Autumn frosts have slain July.

 

Still she haunts me, phantomwise,

Alice moving under skies

Never seen by waking eyes.

 

Children yet, the tale to hear,

Eager eye and willing ear,

Lovingly shall nestle near.

 

In a Wonderland they lie,

Dreaming as the days go by,

Dreaming as the summers die:

 

Ever drifting down the stream —

Lingering in the golden dream —

Life, what is it but a dream?

 

kemp=mag poetry magazine

More in: Archive C-D, Carroll, Lewis, Children's Poetry

Jef van Kempen: De poort naar de hel

Z I E K E N H U I S

De poort naar de hel

door Jef van Kempen

De oorlog in een vreemd land had hem veranderd. Hij had gevochten tegen de hele wereld en tegen zichzelf. Alles was voor niets geweest. Hij was verbitterd en onthecht geraakt. Tenslotte had de kanker hem vernederd en gebroken.

Hij was door de poort naar de hel gebracht. In de kleine duistere kamer hing een ondraaglijke lucht. Een mengsel van ether en lysol en urine. Zijn bed stond tegen een grauwe muur. Op het voeteind lag zijn beste vriend. Een rimpelig dik gedrocht met maar één oog, dat iedere dag opnieuw het ziekenhuis werd binnen gesmokkeld. Vanaf zijn kruis keek Jezus op hen neer, een palmtak triomfantelijk op de rug.
Weken lang had hij geweigerd om te eten. Zijn huid leek aan zijn schedel te zijn vastgekleefd. Hij had al sinds tijden geen woord meer gesproken. Af en toe, met steeds langere tussenpozen, aaide hij nog eens zijn oude hond. Verder had hij het leven voor altijd afgewezen.

Die nacht zat zijn kamer vol. Vriend en vijand verenigd in het laatste uur. Het theater van de dood. Zijn hond was hardhandig onder het bed gejaagd.Vanaf die plaats begluurde hij gelaten het aanwezige publiek. Op een tafeltje brandden twee kaarsen. Een priester diende de laatste sacramenten toe.
‘Door deze heilige zalving en door zijn vaderlijke liefdevolle barmhartigheid vergeve U de Heer al wat gij door het gezicht, door het gehoor, door de reuk, door de smaak en de spraak, door het gevoel, door te gaan, hebt misdaan.’ De priester maakte een kruis op de ogen, de oren, de neus, de lippen. ‘Per visum, per auditum, per odorátum, per gustum et locutiónem’.
Op datzelfde ogenblik herleefde hij zijn verloren jeugd, het concentratiekamp, de oorlog, die alles kapot had gemaakt. Hij leek uit een diepe slaap te zijn ontwaakt. Zijn ogen schoten vuur. Zijn hand zocht naar de hond. Toen hij die niet meer vond, vervloekte hij de wereld, het leven en de dood in het bijzonder. Plotseling was het stil. Vastberaden beet hij op zijn tong. Er kwam bloed uit zijn mond.
Zijn publiek reageerde hevig geschokt. De misdienaar wankelde. Er werd gegild en er vielen tranen. Iemand vluchtte de gang op. De priester, groot en grijs, leek onaangedaan. Hij kende zijn zondaars. Het monster onder het bed begon te janken. Eerst zachtjes, dan harder, tenslotte oorverdovend. Het klonk door alle gangen en zalen. Het ziekenhuis schudde op haar grondvesten.

Het was volbracht. Buiten, op de binnenplaats, stond een ambulance. De slagboom was gesloten. In zijn donkere kantoortje onder de poort bladerde de portier slaperig in zijn krant. In een tuin aan de overkant zong een nachtegaal.
Er was gewoon een nieuwe dag begonnen. Langzaam kwam het verkeer weer op gang. Midden op straat bleef de hond onbeweeglijk stil staan, kwispelend met zijn geamputeerde staart. Zijn enige oog staarde omhoog. Een vliegtuig trok een witte streep door de blauwe hemel.

(Uit: Geschreven stad 1999)

More in: Archive K-L, Jef van Kempen, Tales for Fellow Citizens

Pessoa 35 Sonnets: 11-20


F e r n a n d o   P e s s o a

(1888-1935)

English Poems

35 Sonnets (1918)

Sonnets 11-20

 

11

Like to a ship that storms urge on its course,

By its own trials our soul is surer made.

The very things that make the voyage worse

Do make it better; its peril is its aid.

And, as the storm drives from the storm, our heart

Within the peril disimperilled grows;

A port is near the more from port we part–

The port whereto our driven direction goes.

If we reap knowledge to cross-profit, this

From storms we learn, when the storm’s height doth drive–

That the black presence of its violence is

The pushing promise of near far blue skies.

Learn we but how to have the pilot-skill,

And the storm’s very might shall mate our will.

 

12

As the lone, frighted user of a night-road

Suddenly turns round, nothing to detect,

Yet on his fear’s sense keepeth still the load

Of that brink-nothing he doth but suspect;

And the cold terror moves to him more near

Of something that from nothing casts a spell,

That, when he moves, to fright more is not there,

And’s only visible when invisible

So I upon the world turn round in thought,

And nothing viewing do no courage take,

But my more terror, from no seen cause got,

To that felt corporate emptiness forsake,

And draw my sense of mystery’s horror from

Seeing no mystery’s mystery alone.

 

13

When I should be asleep to mine own voice

In telling thee how much thy love’s my dream,

I find me listening to myself, the noise

Of my words othered in my hearing them.

Yet wonder not: this is the poet’s soul.

I could not tell thee well of how I love,

Loved I not less by knowing it, were all

My self my love and no thought love to prove.

What consciousness makes more by consciousness,

It makes less, for it makes it less itself,

My sense of love could not my love rich-dress

Did it not for it spend love’s own love-pelf.

Poet’s love’s this (as in these words I prove thee):

I love my love for thee more than I love thee.

 

14

We are born at sunset and we die ere morn,

And the whole darkness of the world we know,

How can we guess its truth, to darkness born,

The obscure consequence of absent glow?

Only the stars do teach us light. We grasp

Their scattered smallnesses with thoughts that stray,

And, though their eyes look through night’s complete mask,

Yet they speak not the features of the day.

Why should these small denials of the whole

More than the black whole the pleased eyes attract?

Why what it calls «worth» does the captive soul

Add to the small and from the large detract?

So, put of light’s love wishing it night’s stretch,

 A nightly thought of day we darkly reach.

 

15

Like a bad suitor desperate and trembling

From the mixed sense of being not loved and loving,

Who with feared longing half would know, dissembling

With what he’d wish proved what he fears soon proving,

I look with inner eyes afraid to look,

Yet perplexed into looking, at the worth

This verse may have and wonder, of my book,

To what thoughts shall’t in alien hearts give birth.

But, as he who doth love, and, loving, hopes,

Yet, hoping, fears, fears to put proof to proof,

And in his mind for possible proofs gropes,

Delaying the true proof, lest the real thing scoff,

I daily live, i’th’ fame I dream to see,

But by my thought of others’ thought of me.

 

 

16

We never joy enjoy to that full point

Regret doth wish joy had enjoyèd been,

Nor have the strength regret to disappoint

Recalling not past joy’s thought, but its mien.

Yet joy was joy when it enjoyèd was

And after-enjoyed when as joy recalled,

It must have been joy ere its joy did pass

And, recalled, joy still, since its being-past galled.

Alas! All this is useless, for joy’s in

Enjoying, not in thinking of enjoying.

Its mere thought-mirroring gainst itself doth sin,

By mere reflecting solid life destroying,

Yet the more thought we take to thought to prove

It must not think, doth further from joy move.

 

17

My love, and not I, is the egoist.

My love for thee loves itself more than thee;

Ay, more than me, in whom it doth exist,

And makes me live that it may feed on me.

In the country of bridges the bridge is

More real than the shores it doth unsever;

So in our world, all of Relation, this

Is true–that truer is Love than either lover.

This thought therefore comes lightly to Doubt’s door–

If we, seeing substance of this world, are not

Mere Intervals, God’s Absence and no more,

Hollows in real Consciousness and Thought.

And if ’tis possible to Thought to bear this fruit,

Why should it not be possible to Truth?

 

18

Indefinite space, which, by co-substance night,

In one black mystery two void mysteries blends;

The stray stars, whose innumerable light

Repeats one mystery till conjecture ends;

The stream of time, known by birth-bursting bubbles;

The gulf of silence, empty even of nought;

Thought’s high-walled maze, which the outed owner troubles

Because the string’s lost and the plan forgot:

When I think on this and that here I stand,

The thinker of these thoughts, emptily wise,

Holding up to my thinking my thing-hand

And looking at it with thought-alien eyes,

The prayer of my wonder looketh past

The universal darkness lone and vast.

 

19

Beauty and love let no one separate,

Whom exact Nature did to each other fit,

Giving to Beauty love as finishing fate

And to Love beauty as true colour of it.

Let he but friend be who the soul finds fair,

But let none love outside the body’s thought,

So the seen couple’s togetherness shall bear

Truth to the beauty each in the other sought.

I could but love thee out of mockery

Of love and thee and mine own ugliness;

Therefore thy beauty I sing and wish not thee,

Thanking the Gods I long not out of place,

Lest, like a slave that for kings’ robes doth long,

Obtained, shall with mere wearing do them wrong.

 

20

When in the widening circle of rebirth

To a new flesh my travelled soul shall come,

And try again the unremembered earth

With the old sadness for the immortal home,

Shall I revisit these same differing fields

And cull the old new flowers with the same sense,

That some small breath of foiled remembrance yields,

Of more age than my days in this pretence?

Shall I again regret strange faces lost

Of which the present memory is forgot

And but in unseen bulks of vagueness tossed

Out of the closed sea and black night of Thought?

Were thy face one, what sweetness will’t not be,

Though by blind feeling, to remember thee!

 

English Poems
35 Sonnets (1918)
by Fernando Pessoa
Sonnets 11-20

 

More in: Pessoa, Fernando

Westminster Abbey: Poets’ Corner 2

 

Poets’ Corner 2

Westminster Abbey London

 

Kemp=Mag in London:

 

 Poets’ Corner 2

Westminster Abbey  London

More in: FDM in London, Galerie des Morts

Westminster Abbey: Poets’ Corner 1

Poets’ Corner 1

 Westminster Abbey London

 

 

 Kemp=Mag in London

Poets’ Corner 1

  Westminster Abbey London 2008

 to be continued

More in: FDM in London, Galerie des Morts

Nachrichten aus Berlin: Nie Wieder

Wache gegen Faschismus – Skulptur Käthe Kollwitz

NACHRICHTEN AUS BERLIN

Unser Korrespondent Anton K. berichtet:

N I E   W I E D E R

‘Dort wo man Bücher verbrennt,
verbrennt man auch am Ende Menschen’
(Heinrich Heine)

Checkpoint Charlie

Bernauerstrasse

Bebelplatz: Wo Bücher brennen

Zimmerstrasse

Torstrasse

Jüdischer Friedhof Berlin-Weißensee

Sachsenhausen – Oranienburg

Wache gegen Faschismus Skulptur Käthe Kollwitz

fleursdumal.nl magazine

More in: Anton K. Photos & Observations, Nachrichten aus Berlin, WAR & PEACE

Jef van Kempen gedicht: De Held

 

 D e   H e l d

Nog een kind droomde ik een groot minnaar
te worden. Het lot had bepaald dat ik een bron

van liefde en lust werd en terwijl iedere vorm
van verdorvenheid, van ontucht, mij vreemd was,

bedreef ik met ware doodsverachting de liefde.
Mijn dapperheid werd alom geroemd.

Eeuwenlang was mijn lichaam een lust voor het oog.
Dag in dag uit, jaar in jaar uit, bracht ik vals en

vlug, zonder pijn, zonder omzien naar de wereld,
onzichtbaar tussen droom en daad, mijn veeleisende

bruiden geluk.
Ook al was ik een toonbeeld van zelfbeheersing: mijn

nooit aflatende inzet zou mijn arme hart meer en meer
bedrukken. Totdat mij geen andere weg bleef dan mij te

schikken naar de nukken van mijn laatste metgezel:
mijn onovertroffen innerlijke schoonheid.

 

Jef van Kempen

(Uit: Laatste bedrijf. Gedichten)

Jef van Kempen:

Laatste bedrijf

gedichten 1963-2008

Uitgeverij Art Brut

Postbus 117

5120 AC Rijen

ISBN: 978-90-76326-04-7

KEMP=MAG poetry magazine

More in: Kempen, Jef van

Alberto Manguel in Leiden

fdm bookslit02

Alberto Manguel eregast bij
Lezen in een digitaliserende samenleving

In samenwerking met de Universiteit Leiden en uitgeverij Ginkgo te Leiden organiseert Stedelijk Museum De Lakenhal in Scheltema op donderdag 29 mei van 19.15-22.15 uur een symposium over  ‘Lezen in een digitaliserende samenleving’.

Het symposium vindt mede plaats in het kader van de tentoonstelling ‘Stad van boeken, zeven eeuwen lezen in Leiden’ die t/m 1 juni te zien is in het museum. Speciale gast op het symposium is Alberto Manguel, schrijver van ‘A History of Reading’ en ‘The City of Words’ maar ook toegewijd lezer en eigenaar van een bibliotheek met meer dan 30.000 boeken.

Hoe erg zou het zijn als het boek als medium voor kennisoverdracht plaats moet maken voor andere media? Deze vraag staat centraal tijdens het symposium dat begint met een korte lezing door Alberto Manguel. Manguel verdedigt de stelling dat het boek in onze cultuur een unieke waarde vertegenwoordigt ten opzichte van andere vormen van informatie en kennisoverdracht. De hierop volgende paneldiscussie wordt geleid door Adriaan van der Weel, hoogleraar Book and Digital Media Studies aan de Universiteit Leiden. Boekhandel Selexyz Kooyker is aanwezig met een selectie boeken over lezen en geletterdheid.

Het symposium wordt gehouden in Scheltema en is gratis toegankelijk.

De voertaal is Engels; het programma is ook te vinden op www.lakenhal.nl; aanmelden voor deelname kan via e.echternach@lakenhal.nl onder vermelding van 29 mei.

Stedelijk Museum De Lakenhal
Oude Singel 28-32, 2312 RA Leiden

fleursdumal.nl magazine – magazine for art & literature

More in: - Book Lovers, Alberto Manguel

Antony Kok: De Wisselwachter


De Wisselwachter

 

n Man.

Hij bukt.

Hij grijpt.

Hij wringt.

 

n Man.

Hij fluit.

Het botst.

Het wringt.

 

n Man.

Hij fluit.

Het kraakt.

Het klinkt.

 

n Man.

Hij fluit.

Hij leeft.

Hij zingt.

 

n Man.

Hij ‘s vuil.

Hij ‘s grauw.

Hij ‘s zwart.

 

n Man.

Hij ‘s krom.

Zijn hand

is hard.

 

n Man.

Hij bukt.

Hij grijpt.

Hij wringt.

 

n Man.

Hij fluit.

Hij fluit.

Verminkt.

 

n Man.

n Wiel.

n Stang.

n Gil.

 

n Man.

Het kraakt.

Hij krimpt.

t Is stil.

 

n Man.

Hij ‘s vuil.

Hij ‘s grauw.

Hij ‘s dood.

 

n Man.

n Mensch.

t Is rood.

t Is rood.

 

De Wisselwachter 1917

Antony Kok


© Erven Antony Kok.

kemp=mag poetry magazine

More in: Kok, Antony

Ed Schilders: Verdronken dichters 3

 

 E d   S c h i l d e r s  over  S h e l l e y

VERDRONKEN  DICHTERS

d e e l   3

Het meest ambitieuze projekt dat ik me ooit heb voorgenomen, bestond uit een volledige toelichting, in de vorm van artikelen, op Hart Crane’s gedichtencyclus The Bridge.
Misschien is ‘ambitieus’ niet het precieze woord. Misschien was het slechts mijn meest nieuwsgierige projekt.

Ik schreef allereerst over The Bridge zelf; over Brooklyn Bridge, twee langere, mooi geïllustreerde verhalen waarmee de titel van de cyclus, het openingsgedicht To Brooklyn Bridge en een deel van het slotgedicht, Atlantis, verklaard mochten zijn. Volgde een eveneens lang artikel over het gedicht Cutty Sark, dat mij, de lezers en de liefhebbers van de bekende whisky terugbracht naar de Engelse driemasters en de tijd van Robert Burns en zijn Tam O’Shanter.
Ondertussen was ik op de brug zelf verliefd geworden – zo kun je nieuwsgierigheid ook noemen – en een regelmatige stroom van in eigen beheer gepubliceerde odes was het gevolg. Literair ben ik in principe niet monogaam. Niettemin heeft de vele aandacht die Brooklyn Bridge steeds weer eiste, verhinderd dat artikelen over legendarische figuren uit Crane’s gedichten als Pocahontas en Rip van Winkle ook werkelijk verwekt werden.
Na het avontuur met de Cutty Sark werd me echter ook het hopeloze karakter van mijn voornemens duidelijk: de harem zou te groot worden, en ik een eunuch in eigen dienst.
Een voorbeeld. Een enkel woord, het laatste van het gedicht Cutty Sark, zou me naar Engeland brengen en naar Italië, in welke landen er research gedaan zou moeten worden naar de dichter Percy Bysshe Shelley. Een woord, een naam, lokte me naar La Spezia, naar Viareggio, Como, Pisa, en Livorno, en vooral naar Marina di Pisa, alwaar, op het strand van II Gombo, Shelley’s levenloze lichaam door de zee aan land werd geworpen. Dat was in 1822. In de jaren negentientachtig zou ik op dat strand staan, niet als Shelleypelgrim, maar om een enkele naam uit een gedicht van Hart Crane te verklaren. Het klinkt absurd. Ik had al andere absurde dingen gedaan, zoals de koers van de lire gevolgd en geïnformeerd naar Italiaanse benzinebonnen.

Maar ik ging niet. Nog juist op tijd las ik in de New York Times Book Review het relaas van Shelley-biograaf Richard Holmes over zijn ervaringen tijdens zijn pelgrimage door Italiaans Shelley-territorium. In Lerici zag hij een café met als neonverlichting ‘Hotel Byron’. Dat was niet het ergste. Een Italiaanse vertrouwde hem, de Shelley-kenner, toe, dat Lordo Byron, daar, in dat water, verdronken was. En dus ging ik naar de Provence op bedevaart, naar Saintes-Maries-de-la-Mer en Saint-Maximin. Maria Magdalena achterna. Het woord dat me naar de golf van Spezia had moeten brengen, is Ariel. Het is een naam die tot nu toe hardnekkig wordt misverstaan door Crane-verklaarders. Het is niet een van de driemasters uit de generatie van Cutty Sark en Thermopylae die het gedicht bevaren en die door Crane door de ether van de poëzie worden opgeroepen. Geen supersnel koopvaardij schip, maar de log gebouwde schoener waarmee Shelley, zijn vriend Williams en hun jongmaatje, the boy Vivian, bij slecht weer naar de bodem van de golf van Spezia voeren. Ariel.

Ik heb die reis dus toch gemaakt. Thuis, op papier, met boeken als instant – monumenten. Het werd een reis door het land van het Noodlot. De wegen zijn er van papier, de bezienswaardigheden van woorden. De bewoners heten schimmen. Het heeft een vreemd klimaat. De zon schijnt er altijd, het regent er altijd, het is er altijd dag en nacht tegelijk. Het is een land waar alles in elkaar grijpt. Afstanden bestaan er niet.

Eerste dag

Geland in The Oxford illustrated literaty guide. De sneltrein naar pagina 216 en aldaar een foto bewonderd van het Shelley Memorial. Het staat in de hal van Oxford University en werd in marmer gebeeldhouwd door Onslow Ford. Een krijtwitte Shelley, naakt gelegen op de linkerzijde. Een marmeren blad is het strand. Het marmer is rustig dood. Een mooi monument, te mooi misschien
Een uitstapje gemaakt naar Sharps kleine Shelley-biografie. Zag daar een glimp van de echte dode. De lichamen van Shelley en zijn vriend Williams zijn na drie dagen angstig wachten aangespoeld op het strand; dat van Vivian zou pas drie weken later door de zee teruggegeven worden. Shelley kwam aan land ‘in de buurt van Via Reggio’, Williams ‘bij de Toren van Migliarino bij de Bocca Lericcio.’ ‘Het zout en het water hadden beiden zo verminkt dat herkenning moeilijk was; de gezichten en de handen waren van het vlees ontdaan, de lichamen jammerlijk aangetast.’
Hoe ziet dat er in wit marmer uit?  In Sharp overnacht met de identificatie van Shelleys lichaam door Trelawny. Toen Shelleys lichaam gevonden werd, trof Trelawny in een jaszak een uitgave van Sophocles aan, in de andere een exemplaar van Keats’ laatste boek, omgeslagen bij The Eve of St. Agnes, alsof de dichter daar aan het lezen was op het moment van de ramp.’ Onrustig geslapen. Gedroomd over Dante Gabriel Rossetti die de manuscripten van ongepubliceerde gedichten in de lange haren van zijn overleden vrouw wikkelt en ze met haar begraaft.

Tweede dag

Terug naar Oxford en vandaar drie mijl naar het Oosten. Shotover Hill. Hier vertoefden Shelley en zijn studiegenoot en vriend Thomas Jefferson Hogg regelmatig voordat ze van Oxford verwijderd werden wegens hun publikatie The Necessity of Atheism. Shelley gaf zich hier over aan zijn hobby: het vouwen van papieren bootjes. De wereld is klein; mijn vriend Donaldson ontmoet die ook in Shotover is. Hij vertelt me hoe Shelley eens aan de rivier Serpentine stond en zin kreeg om een bootje te vouwen. Hij had echter geen ander papier dan een postcheque van vijftig pond. ‘Hij aarzelde lang maar gaf tenslotte toe; met inzet van alle vaardigheid die hij bezat vouwde hij een bootje en gaf het zo goed mogelijk over aan Fortuna; met zo mogelijk nog meer bange nieuwsgierigheid dan gewoonlijk keek hij toe hoe het voortvoer. Fortuna is hen die haar eerlijk en volledig vertrouwen goed gezind; de noordoostenwind dreef het kostbare scheepje langzaam naar de zuidelijke oever waar de eigenaar de aankomst geduldig stond af te wachten.’
‘s Avonds, Donaldsons anecdote in gedachten, bel ik William Keddie. De rivier de Serpentine? Jazeker, dat is de rivier waarin Shelley’s eerste echtgenote zichzelf verdronk.

Derde dag

Doorgereisd naar het Verzamelde Werk. Pas aan het eind van de dag gevonden wat ik heimelijk zoek, een verband. Shelleys postuum gepubliceerde gedicht bij de dood van Keats, in 1821. On Keats-Who desired that on his tomb should be inscribed – ‘Here lieth One whose name was writ on water’. De reisgids beveelt ‘De Route van het onverwachte verband’ aan. And so to bed.

Amelia Curran: Portrait of P.B. Shelley 1819


Vierde dag

Up betimes and en route. Keats stierf aan tuberculose, net als zijn moeder en zijn broer. Even was er een misverstand, waarschijnlijk omdat een dichter in die jaren van het Romantisch hoogtij per definitie deze wereld niet normaal verliet. ‘Is het waar,’ vraagt Lord Byron in een brief aan John Murray (26 april 1821), ‘wat Shelley me schrijft, dat de arme John Keats in Rome aan de Quaterly Review is overleden?’ Of Keats stierf aan de slechte kritieken in de Quarterly Review. Tuberculose lijkt me romantisch genoeg. Keats werd gecremeerd en in Rome begraven. Shelly bezocht Lord Byron in Pisa voordat hij met Williams aan zijn laatste overtocht begon. Met Trelawny heeft Byron de crematie van Shelley en Williams op het strand gearrangeerd op de precieze plaatsen waar ze gevonden werden. Byron schreef aan Thomas Moore (27 augustus 1822): ‘We hebben de lichamen van Shelley en Williams zien branden op het strand… Je hebt er geen idee van wat een uitzonderlijk effect zo’n begrafenis op een brandstapel heeft, op een verlaten strand, met bergen op de achtergrond en de zee op de voorgrond, en de vreemde uitwerking van het zout en de wierook op de vlammen. Shelley keerde geheel tot as, behalve zijn hart, which would not take the flame, en dat nu in wijngeest bewaard wordt.’ De afstand van Byron tot Trelawny is kort; het uitzicht verschilt. Er werd meer wijn over Shelleys dode lichaam gegoten dan de dichter bij zijn leven gedronken had, schrijft Trelawny. Steeds hoger rezen de vlammen. ‘Het lichaam kreeg een donkere, indigo kleur, en viel te langen leste open, waardoor het hart zichtbaar werd’. Plotseling rukt Trelawny het hart uit en verbrandt daarbij zijn hand. Waar Shelleys hart rust is met niet bekend. De as werd overgebracht naar Rome en bijgezet in de nabijheid van Keats en Shelleys zoontje William. Twee jaar later zou Lord Byron in Griekenland sterven. Zijn lichaam werd verbrand op het strand van Missolonghi, zijn hart in de kerk aldaar bijgezet. Die kerk is verwoest en het hart is nooit teruggevonden.

Louis Edouard Fournier: The Funeral of Shelley

Laatste dag

Ansichtkaarten van de Ariel verstuurd aan familie en vrienden. Het was geen beste boot. Shelley vouwde beter bootjes van papier dan dat hij boten bestuurde. Het zingen van de boegspriet noemde hij de roep van de Sirenen op de klippen. ‘Zoals gewoonlijk,’ zei Trelawny me eens, ‘had Shelley (tijdens het varen) een boek in de hand, en zei hij dat hij tegelijkertijd kon lezen en navigeren omdat het een mentaal en het ander mechanisch was…’

Maar daarin school waarschijnlijk niet de oorzaak van de dood op zee. Noch in het slechte weer voor Spezia. Als laatste bezoek ik nog eens een voetnoot in Sharps biografie, een onbekend plekje langs de toeristische route. ‘We kunnen hier volstaan met de mededeling dat er nog nauwelijks enige twijfel kan bestaan dat de boot met opzet geramd werd door een klein vaartuig dat bemand werd door mannen die dachten dat de Ariel  het eigendom was van de rijke ‘Milord’ Byron, en dat die aan boord was met een grote lading goud. De mannen hadden de enorme kracht van de plotseling opgestoken stormwind niet voorzien of verkeerd berekend. De Ariel zonk zonder de schat die de Italianen dachten te vinden; niet lang daarna heeft een van deze liederlijke mannen zijn aandeel in de misdaad bekend.’
Alsof de romantiek nog niet volledig was, de tragedie niet reeds compleet. Maar ook: het uiteindelijke verschil tussen een neonreclame op een café in de werkelijkheid, en de werkelijkheid van een fictieve reis.


Ed Schilders: Verdronken dichters 3
In: SIC letterkundig tijdschrift, jrg 1, nr 3, najaar 1986
© Ed Schilders

wordt vervolgd

More in: Crane, Hart, Ed Schilders, Marsman, Hendrik, Shelley, Percy Byssche

Percy Bysshe Shelley: Melody


Percy Bysshe Shelley
(1792-1822)

 

MELODY TO A SCENE OF FORMER TIMES

Art thou indeed forever gone,
Forever, ever, lost to me?
Must this poor bosom beat alone,
Or beat at all, if not for thee?
Ah! why was love to mortals given,
To lift them to the height of Heaven,
Or dash them to the depths of Hell?
Yet I do not reproach thee, dear!
Ah, no! the agonies that swell
This panting breast, this frenzied brain,
Might wake my –‘s slumb’ring tear.
Oh! Heaven is witness I did love,
And Heaven does know I love thee still,
Does know the fruitless sick’ning thrill,
When reason’s judgement vainly strove
To blot thee from my memory;
But which might never, never be.
Oh! I appeal to that blest day
When passion’s wildest ecstasy
Was coldness to the joys I knew,
When every sorrow sunk away.
Oh! I had never lived before,
But now those blisses are no more.
And now I cease to live again,
I do not blame thee, love; ah, no!
The breast that feels this anguished woe.
Throbs for thy happiness alone.
Two years of speechless bliss are gone,
I thank thee, dearest, for the dream.
‘Tis night–what faint and distant scream
Comes on the wild and fitful blast?
It moans for pleasures that are past,
It moans for days that are gone by.
Oh! lagging hours, how slow you fly!
I see a dark and lengthened vale,
The black view closes with the tomb;
But darker is the lowering gloom
That shades the intervening dale.
In visioned slumber for awhile
I seem again to share thy smile,
I seem to hang upon thy tone.
Again you say, ‘Confide in me,
For I am thine, and thine alone,
And thine must ever, ever be.’
But oh! awak’ning still anew,
Athwart my enanguished senses flew
A fiercer, deadlier agony!

[Posthumous Fragments of Margaret Nicholson]

kemp=mag poetry magazine

More in: Archive S-T, Shelley, Percy Byssche

Jan Gielkens: Glazenjongen

G l a z e n j o n g e n

door Jan Gielkens

Poetry International, het jaarlijkse dichtersfestival in Rotterdam, bestond al een paar jaar toen ik in juni 1976 voor het eerst ging kijken. Ik hoorde er het Russische orgel Andrej Voznesenski en het Amerikaanse drankorgel Gregory Corso, de stille Roemeense geweldenaar Marin Sorescu en het Turkse nijlpaard Fazil Hüsnü Daglarca.

In 1977 mocht ik voor het eerst als vertaler meedoen. Tot de secundaire arbeidsvoorwaarden voor Poetry-vertalers hoorde toen nog de ontvangst, op de zondagmiddag voorafgaand aan het festival, in de royale Rhoonse tuin van havenbaron Ludo Pieters, Poetry-bestuurslid en zelf in zijn jonge jaren dichter. Foto’s van dit tuinfeest die ik onlangs terugzag brachten de herinnering aan mijn eerste echte Poetry terug. De bejaarde Duitser Erich Arendt, door Ton Naaijkens en mij voor Poetry vertaald, staat er vaak op, in druk gesprek met de Fransman André du Bouchet. Op de achtergrond knielt ergens Geert Lubberhuizen in het gras. De Bezige Bij-uitgever was tot aan zijn dood presentator van Poetry. Op een andere foto is de imposante Australiër Les Murray – dit jaar weer te gast op Poetry International – het middelpunt van een Déjeuner-sur-l’herbe-achtig tafereel. Te midden van collega’s en vertalers zit hij op het gazon van de havenbaron. Een randfiguur op een van de foto’s is Jules Deelder, met zwart streepjespak en witte hoed. Hij zwierf, nuchter als altijd, door de tuin en riep herhaaldelijk ‘Herzberg, Herzberg’ naar de vrouw van André du Bouchet, die inderdaad een beetje op Judith Herzberg leek.

Een bijzondere aanwezige was de man die ik in mijn herinnering alleen maar lege glazen zie verzamelen en met van die overhellende stapels naar de bar zie lopen. Het duurde even voordat ik zag wie deze huisvriend van de familie Pieters was, en ik denk dat geen van de buitenlandse dichters heeft geweten dat een van hun collega’s daar als glazenjongen rondliep. Helaas heb ik geen foto gemaakt waar Gerard Reve op staat.

 (Eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad van 13 juni 1998)

 

Jan Gielkens: Glazenjongen
© j gielkens

More in: Jan Gielkens, Poetry International

« Read more

Thank you for reading FLEURSDUMAL.NL - magazine for art & literature